Goethe: Een Levensbeschrijving
Chapter 14
En de wereld, _d.i._ de hofkliek? Maar die lasterde niet! De verhouding tusschen deze lang beklaagde vrouw en den schoonen, krachtigen Goethe--hoe ver die verhouding dan ook mocht zijn gegaan--zag ze met sympathie, en tegen eventueelen laster zou ze het gaarne voor Charlotte hebben opgenomen; wat den lezer nog wel zal blijken. Hoe dorst zij zich beroepen op "de wereld" tegenover den vrijgevochten Goethe, voor wien "de wereld" niets was! Zij, die hem in antwoord op de zijne, bijna dagelijks briefjes liet bezorgen door haar eigen echtgenoot, door gewone huzaren, door den hertog; zij, die geen aanstoot nam (hoewel door Goethe gewaarschuwd!) in een allegorischen optocht _De Nacht_ voor te stellen, terwijl hijzelf er fungeerde als _De Slaap!_ Lokte ze niet voortdurend commentaren uit? Had de hertog niet een spotdicht vervaardigd, waarin hij haar vermaande, haar _billets doux_ op wat grooter formaat papier te schrijven, daar zij anders zoek raakten in de zakken van zijn huzaren, en hij genoodzaakt was, ze in 10 op elkaar gezegelde enveloppen te hullen?--En wat haar echtelijke plichten betreft (gesteld dat ze die nog had), haar stalmeester zag gaarne dat de poëet zich met het troosten van zijn "miskende" vrouw en met de opvoeding van zijn kroost belastte. Had zij aan deze "plichten" dan niet reeds principiëel te kort gedaan door voor Goethe te voelen gelijk ze deed, en werd de "haar zoo lieve zonde", waaromtrent ze op de keerzijde van een zijner brieven getuigde, dat haar geweten haar niet zeide of ze er voor moest boeten, er geringer op, nu zij haren minnaar op geveinsde gronden weigerde wat des huwelijks is?
Op geveinsde gronden! Want hoewel ze eerst na vier jaren hem bekende dat ze "meer" hem was dan een zuster--hij vertrouwde zijn wondere vreugde aan de ontluikende boomen toe--dat ze voor hem de liefde koesterde die niets weigert (behalve in dit speciale geval!), gedroeg ze zich _van begin af_ als een jaloersche minnares, en deed hem aan de mogelijkheid van een zakelijk-intiemere vereeniging denken op oogenblikken dat hij meende, er afstand van te hebben gedaan. Ze hield de wonde bloedend. Terwijl ze wist hoezeer Goethe daar onder leed, logeerde ze het genie Lenz--dat met Friederike had gekoosd om haar Wolfs brieven afhandig te maken--op haar slot en zwelgde met hem in Engelsche literatuur. In een blijspel "Ryno" dat ze Goethe voorlas (Goethe las haar al zijn onuitgegeven werk voor, en ze vergunde hem dit, al wist ze dat hij, als het "enthousiasme" hem aangreep, zich allerminst kon bedwingen) bespotte ze zijn "zielsverlangen", door hem voor te houden dat bijna alle dames uit den omtrek zoete briefkens van hem bewaarden. Zijn verkeer met Corona Schröter--in welke schoone vrouw hij zeide hààr te huldigen, al vond hij dat ze niet genoeg op Charlotte leek!--verstoorde zij aanhoudend door haar intriges, wel wetend dat ook de hertog _Crone's_ classieke vormen gaarne zag. De eerste opvoering van "Iphigenie"--het meesterstuk dat hàre "goddelijke wijsheid" huldigde--weigerde ze bij te wonen, naijverig als ze was op de gevierde Corona, die de titelrol creëerde.
Welke soort van liefde hij haar toedroeg--want er is hier geen sprake van min of meer, doch van een aard-verschil--make men op uit het volgende. Zijn gezellige, aandoenlijke comedie _Die Geschwister_ symboliseert zijn verstandhouding tot Cornelia, maar meer nog zijn verstandhouding tot Vrouwe von Stein:--Marianne (gespeeld door Frl. Kotzebue) bemint onbewust Wilhelm, in wiens huis ze is opgevoed, en dien zij voor haar broeder houdt; nauwelijks echter blijkt--doordat een ander haar hand komt vragen--dat Wilhelm haar broeder niet is, maar een belangeloos vriend, of haar hartstochtelijke liefde openbaart zich. Goethe acteerde de daarbij behoorende omhelzing zoo _natuurlijk_, dat nog jaren nadien van een intiem verkeer tusschen hem en Frl. Kotzebue werd gefluisterd, hoewel zij beiden dit ernstig tegenspraken. Maar men bedenke dat hij in Marianne zijn tweede Lotte, Vrouwe von Stein zag, en men begrijpt deze verregaande "natuurlijkheid".--"Die Geschwister" is bovendien merkwaardig omdat een brief van Charlotte aan Goethe, de eenige die ons rest! er in is vastgehouden. Tenminste, men zou dezen brief met groote stelligheid kunnen dateeren tusschen twee epistels die Wolfgang aan de geliefde zond. Tot dergelijke berekeningen is de biograaf genoodzaakt zijn toevlucht te nemen, wijl zij later haar brieven--die haar konden compromitteeren--heeft opgevraagd en verbrand; de zijne echter heeft ze zorgvuldig bijeengehouden. In de enkele regels, hier bedoeld, zegt Vrouwe von Stein dat zij alle liefde tot het leven had verloren totdat ze hém ontmoette; en dat ze vreest hem kwellingen te zullen aandoen.
Was nu haar gedragslijn jegens hem verre van zuiver: het blijft haar onverdiende verdienste, in den dichter die bezig was zich tot een hooger levensplan op te werken, gevoelens en strevingen te hebben gewekt, die den omkeer in zijn ziel verhaast en over zijn verdere carrière beslist hebben. Ze was geen onervaren maagd: ze was een rijpe vrouw, die haar minnaar, hoezeer ze hem martelde, wist te boeien; ze spaarde hem geen leed maar dwong hem door heur aantrekkelijkheden: iedere nieuwe kwelling tot het einde toe te doorleven, zoodat hij er zijn intellectueel weerstandsvermogen aan vormde. Zij bracht hem telkens in de hoop, dat ze nog eens geheel de zijne kon worden, maar hield zich toch op een afstand, zoodat hij haar zag "zooals men de sterren ziet" of als--"een Madonna die ten hemel vaart" en die slechts door een bovenmenschelijke daad zich zou laten verteederen. Met het ideaal van deze bovenmenschelijk schoone daad in zich, moest hij tot diep nadenken komen te midden van de ordinaire vermakelijkheden en de désillusies die hij te Weimar vond. Haar eisch, dat hij haar slechts broederlijke genegenheid zou toedragen, dwong hem tot steeds grooter zelfbeheersching; doch--hier schuilt de kiem der ontbinding--dit ook jegens den wijn, de andere vrouwen, de woeste geneugten die hij met den hertog een oogenblik had nagejaagd. En--ontwarend wat geweldige driften daar in zijn binnenst te temmen bleven--moest hij het beeld van de vrouw die hij hoopte te winnen steeds voor oogen houden, en sterker vereeren, naarmate de vereischte krachtsinspanning grooter scheen. Zij had te weinig eerbied voor zijn inborst om ook maar in de verte te vermoeden wàt zij eigenlijk van hem vergde. Doch dit belette niet dat hij haar, wier beeld hem ook in het overstelpende zakenleven toelachte als door een floers, ten slotte ging beschouwen als "de Godin" die hem toereikte "des dichters sluier met de hand der Waarheid"; de bovenaardsche, die hij slechts in wijsgeerige verzen (Die Geheimnisse, waarin wel van een zonderlinge monnikorde, maar van geen enkele vrouw gewaagd wordt) kon zeggen "hoe lief hij haar had".
Geesteshelden laten lang met zich spelen, daar zij een weerstand, die hun drijven treft, pas begrijpen, en zoo noodig wantrouwen, als een langdurig en pijnlijk zuiveringsproces zich in hun boezem heeft afgespeeld. Toen Goethe echter na tien jaar worstelens de volkomen-beheerschte, evenwichtige persoonlijkheid was geworden, waartoe liefde, vernedering, smart hem moesten doen rijpen; toen had hij Charlotte von Steins intentiën _overvleugeld_, en bespeurde hij dat hij aan innerlijke waardij meer gewonnen had, dan hij mocht bieden voor haar, die hij met zijn zelfstrijd eens meende te veroveren.
Stellig! zegt Aurélie in Wilhelm Meister, het is goed dat wij niet altijd de menschen kennen voor wie wij arbeiden!
XIII
Grossmeister der Affen.
De hertogin-moeder voelde, hoewel ze als zuster van Frederik den Grooten Fransch was opgevoed, een warme belangstelling voor Duitsche tooneelkunst; ze begreep dat een nationaal tooneel door verdringing van den overheerschenden Franschen smaak de Duitsche volkskracht zou kunnen vergrooten. Een aantal hovelingen te Weimar vormden een liefhebberijgezelschap, dat zich de hulp van beroepsspelers, in Goethes tijd o.a. Corona Schröter, assumeerde. Ook Carl-August trad er gaarne op, hoewel hij in den beginne de zaak zoo weinig ernstig nam, dat hij met zijn stinkende tabakspijp en zijn groote honden de voorstelling in de war stuurde. Onder zijn invloed nam het gezelschap de allures aan van een reizenden kermistroep. Midden in den nacht werden de leden soms uit hun rust geklopt, om zich naar het woud-theater of naar een naburig hof te begeven. Dan moesten in allerijl de keukenwagens rijkelijk van spijzen voorzien, de requisiten in koetsen met ruiters en zeer veel paarden er voor weggereden. Na afloop van de voorstelling, als de dames zich hadden geretireerd, begaf men zich aan tafel en haalde dolle streken uit. Trouwens, ook gedurende de voorstellingen gaven koddige toevallen aanleiding tot uitbundige wanordelijkheid; bijvoorbeeld het scheuren van een vleeschkleurig tricot, of de halsstarrigheid van een adellijk acteur, die dood moest en niet meer wist hoe, en ten slotte door een paar pootige kerels met een bulderend "Sterrf!" van het scène werd gesleept; of de critiek van een Wieland, die in pompeuse taal verkondde dat de zooeven vertoonde Venus niet deugde, wijl deze godin nooit andere kleren draagt als haar traditioneelen gordel....
Een persoon van gewicht was de vindingrijke timmerman Mieding, de _Director der Natur_, wiens dood Goethe zou bezingen. Hij zette het openlucht-tooneel ineen, zorgde voor phantastische verlichting, watervallen van glasscherven, blikken harnassen, rotsen, vaak ook voor costuums, o.a. ook voor vogelpakken met beweegbare vleugels en rollende oogen, gebruikt in Goethes schaterspel _Die Vögel_, een satyre naar voorbeeld van Aristophanes, waarin de zwarte adelaar met grage klauwen Pruisen voorstelde.
Natuurlijk was Doctor Wolf een kostelijke aanwinst voor den troep, niet alleen wijl hij zelf gaarne meespeelde en vooral in komieke rollen succes had (tragische zaken overdreef hij), maar ook wijl hij uitmuntte in het bedenken van verstrooiingen, die toch ook altijd iets te leeren gaven. Hij leende er zich toe "in dienst van de ijdelheid, de feesten der zotheid op te sieren met maskerades en schitterende invallen, daarmede zijn eigen angst en de nood van anderen overstemmend". Behalve zijn reeds voltooide stukken kwamen op de planken schaduw- en herdersspelen, balletten, zangspelen op muziek van hertogin Amalia of van Corona Schröter, poppenspelen (Jaarmarkt te Plündersweilen), kluchtstukken, waarin sentimenteele liederen met waldhoornbegeleiding, allegorische stukken à grand spectacle (De verzoeking van den H. Antonius) en stukken die de spelers improviseerden. Vaak ook werden achter in het tooneel enorme vleugeldeuren geopend en betrok men heel de omringende natuur in de enscèneering; men speelde op de rivier en hare oevers (Die Fischerin); of in het woud (de Zigeunerscène, die Goethe uit den Götz had gelicht). Op jaar- en naamdagen bracht hij gelegenheidsstukken, bespotte hij van de planken af de aanwezigen beurt om beurt, en zoo scherp dat slechts de demonstratieve vroolijkheid van Carl-August uitbarstingen voorkwam. Door zijn _Lila_--oorspronkelijk De Goede Vrouw geheeten--trachtte hij in te werken op het hertogelijk paar, dat in onmin leefde. Met zijn _Triumph der Empfindsamkeit_ of: _De Opgelapte Bruid_--"een klucht zoo dol en zoo grof mogelijk"--parodiëerde hij de valsche Werther-stemming, de ziekelijke natuurzucht waaraan de jongelingen destijds laboreerden, zoodat ze zich verplicht achtten hem gevoelige brieven te schrijven, hem overal aan te spreken, zich te zelfmoorden in Werther-uniform. De hoofdfiguur, een prins, heeft een groote machine laten vervaardigen, die zonsondergang, stergeflonker, maneschijn en woudgeruisch nabootst--voor de echte natuur is hij bang!--en in die machine vrijt hij met een pop, voorstellende het meisje dat hij eens lief had. Als deze pop nu door een samenloop van omstandigheden wordt opengemaakt, blijkt haar buikje gevuld met modeboeken uit dien tijd, waaronder ook de Werther.--Van een ander stuk in hetzelfde genre getuigt Vrouwe Aja: "Dat ding moet men lezen als men een verstopt onderlijf heeft en voor de kuur sta ik borg".
En maakte Goethe zich druk op de verjaardagen van zijn vrienden--niet zoo druk als Merck, die hem tot ernstigen arbeid maande, wel geloofde--zijn vrienden lieten zijn herinneringsdagen ook niet ongemerkt voorbijgaan. Zoo werd in 1781, bij de opening van den nieuwen schouwburg, een schaduwspel gegeven dat de geboorte van Minerva uit het hoofd van Jupiter op doek bracht. De godin der Wijsheid, door andere goden van haar bekende attributen voorzien, zegent den 28sten Augustus,--den dag waarop het stuk gespeeld werd want: Voor drie en dertig jaren werd een man geboren, die als een van de wijsten en besten vereerd zal worden! En in de wolken verschijnt een engel, die Goethes naam toont, waarop Minerva den naam bekranst en haar zooeven ontvangen geschenken, waaronder een gouden lier, voor Goethe bestemt. In vuurletters verschijnen de woorden Faust en Iphigenie.
Langzamerhand, met de wilde haren, raakte men den lust in het tooneelspelen kwijt: een troep "teutsche Comedianten" kreeg verlof den schouwburg te gebruiken. Toen verklaarde Amalia (op de hovelingen doelend): Ze snorken allemaal! en ging Grieksch leeren.
Goethe heeft in zijn Wilhelm Meister vele gebeurtenissen uit den hier besproken tijd naverteld. Toen hij, uit Italië teruggekeerd, zich van het verleden had gezuiverd, trachtte hij opnieuw, weldra met medewerking van Schiller, de totstandkoming van een nationaal tooneel te bevorderen. Hij heeft in zijn school enkele goede kunstenaars ontwikkeld, heeft ook, naar den lezer zal blijken, eenige stukken gegeven, zooals men ze zeker niet alle dagen ziet opvoeren. Doch zijn tooneel stond te ver van het volk om rechtstreeks als beschavingsmiddel te kunnen fungeeren. Het zou volksleiders opvoeden, die grover dan hij van spraak en gebaar zijn meeningen zouden vulgariseeren. Maar zijn meeningen laten zich niet gemakkelijk in den volkstoon zeggen, bestaan bijna niet zonder den toon waarop hij ze zeide.
Niet als meeningen, maar als daden van een machtig en onafhankelijk man kunnen Goethes ideeën onder de menschen komen!
XIV
Dem Geier gleich, Der auf schweren Morgenwolken Mit sanften Fittig ruhend, Nach Beute schaut....
HARZREISE.
Hij zou zijn taak te Weimar niet zoo gereedelijk aanvaard hebben, indien niet steeds de practische staatsmanskunst in zijn gezichtskring had gelegen. Als kind en als student interesseerde hem het doen en laten van de werklieden uit zijn omgeving, zocht hij verband tusschen hun karakter en hun beroepskeus. Nijverheid, mijn- en boschbouw hadden voortdurend zijn aandacht, vooral gedurende de Straatsburger periode. De zevenjarige oorlog, de Fransche inkwartiering, het verkeer met den schout, zijn grootvader, brachten hem vroegtijdig in aanraking met groote diplomaten en legeraanvoerders van dien tijd,--en het wijze jongetje had hun meer op de vingers gekeken dan zij wel vermoedden. Hij stond in vertrouwelijke relatie tot een groot aantal mannen die--zooals de eeuw het wilde--niet alleen op het gebied van het ideaal, maar ook op het terrein van de practische politiek werkzaam waren: Merck, Jacobi, Schlosser, Kestner, Laroche. De groote staatkundige vraagpunten van dien tijd droeg ook hij in zich om: omtrent vrijhandel, emancipatie en ontlasting van den derden stand, verlichte despotie, had hij zich een eigen overtuiging gevormd, en zoo kan het niet verwonderen dat in zijn van de hand gewezen academiesch proefschrift zulk een vraagpunt nogal resoluut wordt opgelost. Schoon hij vroeg wist wat er achter de schermen te koop was, deelde hij nooit de hoovaardige minachting voor het openbare leven, waarmede de Sturm-und-Drängers pronkten. Neen, geïnspireerd door Herders Shakespeare-vertolking, wilde hij het lot van een volk leiden, niet zoozeer uit liefde tot het volk als wel om zijn behoefte aan actie, orde, rechtvaardigheid te kunnen bevredigen. Goethe (aldus Lavater) ware een heerlijk handelend wezen bij een vorst. Daar behoort hij. Hij zou als koning niet ontsieren.--De wanhopige liefde tot de "naakte" werkelijkheid, die binnen hem de stemmingspoëzie afwisselde, had zich omgezet in een verlangen om in het practische staatsleven geen abstract, veelomvattend ideaal, doch billijkheid en tucht te vestigen, waarbij zich dan nog kwam voegen het inzicht, dat de Duitsche volkskracht ten koste van de nageaapte Fransche beschaving moest gevoed. Hij wilde de werkelijkheid rechtstreeks aanvatten en omvormen naar zijn gading, gelijk hij deed met de taal. Hierbij trad het zuiver-persoonlijke zoo uitsluitend op den voorgrond, dat hij er niet aan dacht, die werkelijkheid in staat te stellen méde te regeeren, zoo min als hij den man van de straat zou hebben uitgenoodigd hem bij te staan in de redactie van zijn Werther.
Een jong vorst voor zijn opvatting te winnen, was meer dan hij had durven hopen. Gedurende een tiental jaren werd hij in alle opzichten Carl-Augusts leidsman. Aanvankelijk vol geestdrift voor zijn taak, waande hij dat hij slechts den monarch, het hart van den staat, had te veroveren om het kleine Weimar tot welstand te brengen niet alleen, doch ook om door zijn voorbeeld de andere Duitsche vorsten op den goeden weg te helpen.
De hertog was door zijn moeder en Wieland wel idealistiesch maar niet verstandig opgevoed. De eischen van zijn ongebreideld temperament vloekten tegen Goethes streven naar orde en bezuiniging, zoodat de nieuwe minister vaak bovenkrachtelijk moest strijden om den overigens goedwilligen jongeman binnen de perken terug te dringen. Door korte, kernachtige troostwoorden in zijn dagboek trachtte hij dan zijn moed te bewaren en zijn breeden kijk op de verhoudingen, die door den vaak langdurigen détail-arbeid werd bedreigd.
Hij behaalde een groote overwinning toen hij Carl-August op een reis naar Zwitserland van allen rompslomp en overbodige weelde isoleerde, en, door aanraking met de "engelenstilte" van Lavater en de zijnen en met de grootsche natuur tot bezadiging bracht. Ook in Frankfort stapte hij af en hij logeerde met Carl-August eenigen tijd onder vrouw Aja's dak. De hertog kon het goed vinden met de verstandige moeder, en deze had geen woorden genoeg om Amalia haar bewondering kenbaar te maken voor den jongen vorst, zoo ernstig, zoo rijk aan menschenkennis en toch pas 22 jaar! Half Frankfort was op de been om "Goethes hertog" te zien, en van toen af ging er geen jaar voorbij, of in het sombere ouwerwetsche huis logeerden een paar hovelingen. Hertogin Amalia kwam zelfs over om moeder Aja bij te staan in de verpleging van haar ouden Caspar, die zwakzinnig werd.--
Op deze reis legde Goethe ook bezoeken af bij Friederike, die hij vond zooals hij haar acht jaar te voren had gelaten, en bij Lili, die tot een edele, zeer schoone vrouw was opgegroeid. In Wurtemberg bij den regeerenden hertog te gast, woonde hij de overdreven-plechtige opening bij van diens militaire school. Hier werd de gevierde Götz-dichter langdurig en aandachtig gade geslagen door een mageren, bleeken jonkman met rosblond haar en ontstoken oogen, den meermalen bekroonden medicus Schiller, die toen in het geheim zijn Räuber schreef.
De lastertongen hadden beweerd dat deze reis naar Zwitserland weer een gewone dwaze streek van Goethe was, maar toen men den hertog terugzag moest men erkennen, dat hij een ander mensch was geworden. Goethe was met dit resultaat zoo ingenomen, dat hij een gedenkteeken wilde oprichten ter herinnering aan den gelukkigen ommekeer dien zij bij Carl-August te weeg had gebracht.
In den beginne kon hij slechts via zijn kweekeling den loop der gebeurtenissen in Weimar eenigszins leiden: zijn stem in den geheimen _Conseil_ verleende hem daartoe allerminst bevoegdheid. Maar snel breidde zijn invloeds-sfeer zich uit, doordien hij aan het hoofd kwam te staan van de commissies voor wegbouw en krijgszaken, en eindelijk Voorzitter van de Kamer en beheerder van Financiën en domeinen werd. Toen bewerkte Carl-August (zeer tegen zijn zin) dat hij door den Keizer werd verheven in den adelstand. Hiermede was de oppositie van een deel der notabelen gebroken. Maar toen Goethe de oorkonde aan Vrouwe von Stein zond, voegde hij er o.a. deze ontboezeming bij: Hoeveel heerlijker zou ik mij bevinden, indien ik, van den strijd der politieke elementen verre, tot kunsten en wetenschappen, waarvoor ik ben geboren, mijnen Geest kon wenden!--Deze "kruipende, hoofsche vorstendienaar" (gelijk vele schrijvers die zijn leven noch zijn werk doorgronden hem noemen) voelde maar al te zeer, dat zijn verheffing slechts een formaliteit was, teneinde te ontwapenen de bende aan het--"Muzenhof", welke hem wilde beletten de zaken te ordenen die zij had verwaarloosd:
Het landje kwijnde. Eigenmachtige, gedemoraliseerde ambtenaars voerden er een wanordelijke administratie en lieten het volk bloeden. Nu sloeg Goethe overal de hand aan 't werk en zorgde dat de overheid iets werd voor de onderdanen. Hij verliet 's nachts zijn tuinhuis om--zooals hij te Frankfort in de Judengasse had gedaan--het blusschen van groote branden persoonlijk te leiden. Hij organiseerde een reddingsdienst, keerde den watersnood, zorgde voor besproeiïng van de akkers, voor verbetering van wegen en gebouwen. Hij ging zelf recruten keuren en verkleinde het leger van 600 op 310 man, daarin gedwarsboomd door Carl-August die met zijn troepenmacht maar wat gaarne "macaroni" _d.i._ fratsen maakte. Hij bracht de mijnen van Ilmenau, die verlaten waren, opnieuw in ontginning, nadat hij het mijnwezen in het algemeen en den bodem van Thüringen speciaal had bestudeerd. Hij schraapte geld bijeen voor de hoogeschool van Jena, die onder zijn beheer tot bloei zou komen. Hij bevrijdde de kleine luyden van belastingen en heerlijke rechten--waardoor hij het bij den adel nog meer verbeurde--en hield onverbiddelijk de schatkist gesloten, toen hij merkte, dat de hertog meer uitgaf dan zijn civiele lijst gedoogde: Ik wil mijn zaken in orde hebben of--opdoeken!
Er dreigde oorlog tussen Pruisen en Oostenrijk en hij trok met Carl-August naar Berlijn om daar de neutraliteit van Sachsen-Weimar te verzekeren. Frederik den Grooten kreeg hij niet te zien (deze had het te druk met zijn leger) doch hij dineerde met den kroonprins. Hij zag aan het Hof heel wat gordijnen scheuren, en wat hij daarachter te aanschouwen kreeg ontlokte hem den uitroep: Hoe hooger hoe zotter. Teruggekeerd, bemerkte hij dat zijn land een groot gevaar dreigde: Pruisen wenschte op 's hertogs gebied soldaten te ronselen, en was daar al mede begonnen, zonder op verlof te wachten. Verzet hiertegen zou natuurlijk duur komen te staan, terwijl men het toch ook niet mocht toelaten, daar Oostenrijk dan dezelfde voorrechten zou eischen of nemen.