Goethe: Een Levensbeschrijving

Chapter 13

Chapter 133,594 wordsPublic domain

Genoeg om te doen zien, dat Weimar voor Goethe een gevaarlijke stad was. De roep van zijn schoonheid en zijn vurigheid ging hem voor, en geestelijk verkeer met vrouwen was hem een zielsbehoefte. Zijn dichtersroem, dien men in verband bracht met gedachten aan oproer en verboden liefde, aan goddeloosheid, zelfmoord, duivelslist en bigamie, maakte hem byzonder interessant voor de lichtzinnige _Misels_ (d.i. meisjes) die de diepten van gewone minnarijen reeds te vaak hadden gepeild. Behalve bals, die te weinig zeldzaam, en tooneelvoorstellingen, die in den beginne uiterst middelmatig waren, bood het landstadje hem weinig verstrooiing. Hij wilde er blijven, het behoorde tot zijn levenstaak, maar vaak smaakte zijn broodje hem zuur. Hij wilde de schoone kern, die hij in den hertog vermoedde, verder ontwikkelen; maar hij begreep dat hij, de burgerjongen, zijn intiemen invloed op den edelman zou verliezen, als hij niet toonde ook in het "miseln", _d.i._ vrijen, in het zuipen, knijpen en fuiven, in het tappen van heel gewaagde moppen, in het volhouden van dolle streken, waarbij zijn leven gevaar liep, tegen hem te zijn opgewassen. Daarbij kwam dat de regering van het rijkje weldra voor een groot deel op hem berustte en dat men hem in zooveel kleinigheden consulteerde, dat hij wel eens geërgerd uitriep: dat hij "ten slotte ook nog voor de nachtspiegels zou moeten zorgen". Zijn dichtergave scheen in het drukke zakenleven te verwelken, terwijl binnen hem alles op losse schroeven stond en het zeer lang duurde, voordat hij, volkomen met zichzelf in vrede, onafhankelijk stond tegenover de buitenwereld.... Zooveel redenen en aanleidingen voor hem om in de eerste maanden van zijn verblijf te Weimar den duivel macht over hem te geven,--gelijk Wieland het uitdrukt.

Maar toen ging de vrouw door zijn ziel, wier heerschzucht, meer nog dan haar liefde, het binnen hem plaats grijpend proces versnelde en hem dwong tot zelftucht.

* * * * *

Hij kwam laat-herfst te Weimar aan, door een uitgelezen troep "prave" jongens en Misels, de meesten tusschen de twintig en dertig jaar, geestdriftig verwelkomd. Hij was in Werther-uniform: blauwe sluitjas met koperen knoopen, geellederen vest en broek, kaplaarzen en gepoederd staart-coiffure--en daar het voor onwelvoeglijk doorging, in gezelschap van dames anders te verschijnen als "in kousen en lage schoenen", bleek reeds hieruit, dat hij ook aan het hof zijn vrijheid van beweging niet wenschte op te offeren. De jonge hertogin gedroeg zich dan ook koel tegen hem, en duldde niet dat hij aanzat aan de vorstelijke tafel, waar slechts edellieden toegang kregen. Als Carl-August niet in de gelegenheid was, zich met hem af te zonderen, dineerde hij in "De Roode Os" of wel bij Wieland. Die voelde zich terstond "als een dauwdrup van de morgenzon" vervuld van den rijzigen jongeling met de nu eens donker schitterende, dan weer zwaarmoedig smachtende tooveroogen, waarmede hij alle misels het hof maakte; kort daarop gaf hij in een vurig gedicht de schoonste en treffendste schets die wij kennen van den 26-jarigen Goethe. Voor mij--zoo liet hij zich tegen Merck uit--is het leven niet meer denkbaar zonder dezen wonder-jongen, dien ik lief heb als mijn bloedeigen eerstgeborene, en van wien het mij, zooals ook eenen echten vader past, innig genoegen doet, dat hij mij zoo mooi over den kop groeit en alles is, wat ik niet heb kunnen worden.--Doctor Wolf vergaf den Hofpoëet gaarne zijn oppervlakkig tijdschrift "De Mercuur", wetend dat diens talrijke kinderen, wier vriendschap hij spoedig won, grage magen bezaten.

[Illustratie: GOETHE IN "KAARSRECHTE HOUDING" (kort na zijn vestiging te Weimar)]

Carl-August, nog zoo kort geleden aan den dwang van moeder en leermeesters ontsnapt, voegde zich slechts geleidelijk tot de ingetogenheid, die regeerings- en huwelijksplichten van hem eischten. Met naast zich den dichter, die gold als de verpersoonlijking van het "kracht-geniale" (_d.i._ de onbekommerde uitleving van alle echt-persoonlijke neigingen en verlangens) gaf hij zich over aan wat hij een natuurlijk en vrij leven achtte. Wolfgang zakte gedurende eenige maanden tot een lager levens-niveau af: geleid door de motieven die wij reeds noemden, maar toch ook onder den invloed van zijn omgeving. Zondagochtend-bijeenkomsten, waar men elkander bij wijn en punch met dwaze verzen hekelde; geforceerde tochten te paard, onmiddellijk gevolgd door danspartijen; wilde zwijnenjachten, waarbij hij wel eens in doodsgevaar verkeerde; overnachten in het winterwoud; eten op de straat voor het "vorsten-huis", onder het volbrengen van de ruwste streken, ten aanschouwe van de gapende burgerij; wedstrijden in het klappen met de jachtzweep, 's nachts, midden op de markt; dansen en vrijen met de boeredeernen uit de naburige dorpen; schaatsenrijden (een plebejisch bedrijf te Weimar!) bij fakkellicht; caricaturale maskerades; drinkgelagen, met schedels en voor-historische urnen, die de asch van echte Tuitschers hadden bevat, bijwijze van bekers; en een lange lijst van onbehouwen grappen als daar zijn: belletje trekken en het dichtmetselen van de slaapkamer eener laat thuiskeerende hofdame.

Vergat Wolfgang ook soms dat nobele beweegredenen hem tot deze bandeloosheid hadden gebracht, meestal spande hij zijn krachten om den lichamelijk zwakken hertog voor overdrijving te behoeden, hem te genezen van zijn gebrek aan practische menschenkennis. Hij maakte van vele uitstappen gebruik om op zijn schimmel "De Poësie" het land te verkennen. Bij iedere gelegenheid wees hij den jongen vorst op den vervallen toestand van zijn rijkje. In zijn brieven aan hem schreef hij zonder commentaar bijbel-spreuken af, die Carl-August op hartstochtelijken toon tot zijn plicht riepen. Een ander maal trad hij, als eenvoudig boertje verkleed, op den landheer toe en hield hem in een trouwhartig gedicht voor, dat het boersche trouwe bloed nog altijd zijn beste goed was, waaraan hij meer vreugde kon beleven dan aan paarden en aan stoeterijen. Tot diep in den nacht zat hij met zijn Carl soms bijeen, en dan werden er over verleden en toekomst harde woorden gesproken, die het diepste van 's hertogs karakter roerden en hem aanzetten tot arbeid; lastertongen wisten te vertellen dat zij zich dan achter gesloten deuren bedronken....

Maar Carl-August, hoewel meermalen door uitputting op het ziekbed geworpen, verlangde steeds terug naar zijn "woedige" uitspanningen (als Wieland ze betitelde), waartoe ook zijn natuurlijke vlugheid in het afdoen van loopende zaken hem verleidde. Goethe daarentegen, aan zulk een leventje ontgroeid, liet noode zijn werkkracht en zijn organisatietalent ongebruikt en verlangde innig naar rust. Evenals Margaretha in zijn treurspel Egmont "voorzag hij veel dat hij niet kon veranderen". In het begin van het nieuwe jaar ontsteeg hem een bede, zoo kinderlijk-oprecht, dat Pestalozzi ze later een Zwitsersche boerin en hare kinderen als avondgebed in den mond kon leggen:

"Der du von dem Himmel bist, Alles Leid und Schmerzen stillest, Den, der doppelt elend ist, Doppelt mit Erquickung füllest, Ach, ich bin des Treibens müde! Was soll all der Schmerz und Lust? Süsser Friede, Komm, ach komm in meine Brust!"

(_Wandrers Nachtlied_).

Onderdanen en bewindslieden gaven luide hun misnoegen te kennen over het vertrouwen dat de regeerende vorst den belletristischen burgerman, die bovendien zooveel onzedelijke en opstandige boeken had geschreven, bewees. Men beschouwde Goethe als aanstichter van de straks genoemde wanordelijkheden en vervolgde hem met dreig- en maanbrieven. Werthers: Schaamt u, gij nuchteren! ware hier zeker van toepassing. Het korte, zakelijke antwoord, dat hij Klopstock toezond op zijn goedbedoelden maar te hooghartigen brief, had een definitieve breuk ten gevolge.

Carl-August stoorde zich nergens aan, en verzocht hem de vergaderingen bij te wonen van den "Geheimen Conseil" (_d.i._ Ministerraad) om te ervaren, hoe hij zich als regeeringspersoon zou voelen. Dit lokte de ontslagaanvrage uit van den eersten minister, een zeer bekwaam man, die niet met Doctor Goethe in éen _collegio_ wilde zitten, daar de aanwezigheid van Doctor Goethe de waarde van dit collegium zeker moest drukken. De fier gestelde kantteekening op het verzoekschrift van den minister, waarmede Carl-August zijn beleid verdedigt, stempelt den negentienjarigen schrijver er van tot een waarachtig vorst:

"Een man van genie op een andere plaats gebruiken dan daar, waar hij zelf zijn buitengewone gaven kan benutten, beteekent hem misbruiken. Wat echter de tegenwerping betreft, dat door zijn toetreden vele verdienstelijke lieden zich gepasseerd zouden kunnen achten, zoo ken ik in de eerste plaats niemand onder mijne dienaren, die, voor zoover ik weet, op deze plaats hoopte; en in de tweede plaats zal ik nooit een ambt, dat in zoo eng verband met mij, met het wel en het wee van al mijn onderdanen staat, naar ancienneteit, ik zal het steeds slechts naar betrouwen vergeven. Het oordeel van de wereld, dat misschien misbillijkt, dat ik D. Goethe in dit mijn voorname College plaats, zonder dat hij te voren Schout, Professor, Kamer- of Regeeringsraadsheer is geweest, doet niet ter zake. De wereld oordeelt naar vooroordeelen, ik echter zorg en arbeid, gelijk ieder ander die zijn plicht wil doen, niet terwille van de instemming van de wereld, doch om mij voor God en mijn eigen geweten te kunnen rechtvaardigen".

Intusschen vreesde men niet zonder grond, dat Weimar, die "stad van tienduizend dichteren en eenige inwoners", langzamerhand geregeerd ging worden door louter half-miskende Muzenzonen: Zoo was graaf Von Stolberg (dien de lezer reeds ontmoette als liefhebber van tyrannenbloed) tot kamerheer benoemd. De kettersche, vrijgeestige predikant Herder werd, ondanks hevige protesten van het Opper-consistorie, met het toezicht op den eeredienst belast en had van Goethe in een spottig gedicht verlof gekregen, zich--evenals te Straatsburg--met de punten van zijn mantel in zijn broekzakken te vertoonen. Hij begon met een preek te houden die den Hertog op zoo felle wijze aan zijn plichten herinnerde, dat men niet anders dacht of Carl-August zou hem uit den kansel trappen; de hertog echter meende dat het een brave preek was "heelemaal zonder speldeprikken". Herder praalde zoo hardnekkig met zijn geestelijk overwicht, dat men hem in het buitenland den Bisschop van Weimar noemde. Klinger, de "peetvader" van de Sturm- und Drangbeweging, dook plotseling te voorschijn, en op den achtergrond glimlachte het blonde, intrigeerende dichtertje Lenz, dat praatjes rondstrooide over den dollen boel te Weimar en onderwijl voor hertogelijke rekening hooge verteringen maakte; waaraan misschien de sage ontleend is, dat de Weimarsche schatmeester in zijn grootboek een aparte rekening hield voor "Kousen en broeken aan doortrekkende Genieën". Hertogin Louise beklaagde zich bij haar bloedverwanten over de misdragingen van haar gemaal; overdreven lasterpraat ging om.

Goethe denkt er niet aan, alle schuld van zich te schudden. Maar hij is niet van zins, de nieuwsgierigheid van vreemden te stillen; door vriendschap aan zijn Carl gebonden, beseft hij dat het nu tijd is tot lijden en tot zwijgen. En in het tot den hertog gerichte verjaarsgedicht _Ilmenau_, dat hem zelf voorstelt: gezeten bij het wachtvuur van zijn onrustig slapenden heer, afrekenend met het verleden, erkent hij dat het zijn geest is, die hier onheil heeft gesticht:

Ik haalde een reine fakkel van het Altaar maar wat ik heb ontstoken is niet reine vlamme, de storm verhoogt den gloed en het gevaar, ik sta rechtop terwijl ik mij verdoem!--

Maar hij durft hopen dat Carl-August nu weldra zijn plichten ernstiger zal opvatten:

Gewiss, ihm geben auch die Jahre Die rechte Richtung seiner Kraft. Noch ist, bei tiefer Neigung für das Wahre, Ihm Irrtum eine Leidenschaft. Der Vorwitz lockt ihn in die Weite, Kein Fels ist ihm zu schroff, kein Stegzu schmal; Der Unfall lauert an der Seite Und stürzt ihn in den Arm der Qual. Dann treibt die schmerzlich überspannte Regung Gewaltsam ihn bald da, bald dort hinaus, Und von Unmutiger Bewegung Ruht er unmutig wieder aus. Und düster wild an heitern Tagen, Unbändig, ohne froh zu sein, Schläft er, an Seel und Leib verwundet und zerschlagen, Auf einen harten Lager ein: Indessen ich hier still und atmend kaum, Die Augen zu den freien Sterne kehre, Und, halb erwacht und halb im schweren Traum, Mich kaum des schweren Traums erwehre....

Onder zijn invloed ging de hertog de oppositie tegen zijn benoeming met groote bedachtzaamheid en matiging te keer. Eerst negen maanden na zijn aankomst, en nadat minister Fritz zijn ontslagaanvrage door voorspraak van de hertogin-moeder had ingetrokken, kreeg hij definitief (weldra met den titel "Geheim Raadsman", de hoogste onderscheiding die een Duitsch burger ten deel kon vallen) zitting en stem in den _Conseil_, op een jaarwedde van 1200 daalders,--een bedrag dat juist voldoende was om zijn ambtskleedij en zijn tooneelbenoodigdheden (waarvan nader) te bekostigen. Zijn vader--wel gevleid door de onderscheiding die "den Doctor" te beurt viel, maar zeer ontsticht wijl hij zijn groot huis nu alleen moest bewonen, zonder schoondochter, zonder kleinkinderen--had zich in den tusschentijd slechts door herhaalde brandbrieven laten bewegen, hem nu en dan geldelijk te steunen. Nu moest vrouw Aja weer pleiten om een uitzet en een klein jaargeld (zooals ook Cornelia had) voor haar grooten zoon. Kamerheer Von Kalb werd naar Frankfort gezonden om te bewerken dat de oude Goethe in het minister worden van zijn zoon toestemde(!); hij moest hem onder 't oog brengen, dat door deze kleine opoffering zijnerzijds vele duizenden gezegend zouden worden; dat de benoeming slechts ten doel had, Wolfs vriendschappelijke verhouding tot den hertog een officiëelen vorm te geven, en niets te kort deed aan diens vrijheid, te allen tijde weg te gaan of verlof te nemen.

Eens sprak de hertog zijn schatmeester in deze woorden toe: Bertuch, ik moet je tuin hebben. Ik kan er niets aan doen. Goethe wil hem hebben en hij kan er niet zonder leven.--Hij had Wolfgangs trek naar de eenzaamheid bespeurd en hij hoopte hem in Weimar te houden door hem een flinken tuin met een eenvoudig gemeubelde woning er in, waarbij wachtershuis, honds- en bijenstal en schietbaan, eerst in bruikleen, later ten geschenke te geven. Goethe leidde zelf de werkzaamheden, die het bouwvallige, spitsgedakte huisje en de hellende vallei, door de Ilm bespoeid, herschiepen tot een tooverachtig dichtersnest, door hooge boomen omgeven, door gebarricadeerde bruggen van de buitenwereld afgesloten, met priëelen, gewijde steenen en mosbanken.

Ich geh' meinen alten Gang Meine liebe Wiese lang, Tauche mich in die Sonne früh, Bad' ab im Monde des Tages Müh,

zong hij. Hier speelde hij met de kinders van Herder en van Wieland, hij ontving er den hertog, die vaak op de sopha overnachtte en dan met een eierstruif als maal genoeg moest maken. In volstrekte afzondering leefde hij er als een stuk natuur, gedrenkt van aardreuk, en hij noemde zich van toen af (naar een Elsasser legende) Erdkülin, _d.i._ aardkoetje. Vaak ook sliep hij, in een mantel gewikkeld, op zijn veranda, zoo vast dat donder noch regen hem konden storen. En tegen valavond baadde "de tweede man des rijks" zich in de koele rivier, waarbij hij dan, de druipend zwarte haren over zijn facie gestreken, terwijl alleen zijn hoofd boven de golven uitstak, met geheimzinnige geluiden menig voorbijganger schrik aanjoeg: Onder de boeren in den omtrek leeft nog thans het geloof aan watergeesten. Overigens schijnt zijn vertrouwelijke omgang met het koude nat en de open lucht op de destijds gemakzuchtige en onfrissche Duitschers een diepen indruk te hebben gemaakt.

[Illustratie: GOETHES TUINHUIS MET VERANDA]

Kort voordat hij besloot in Weimar te blijven, maakte hij alleen (zooals in zulke gevallen zijn gewoonte was) een uitstap naar Leipzig. Daar ontmoette hij zijn onherkenbaar geworden Annette. Ook zag hij er de zangeres Corona Schröter weer, aan wie hij als piepjong studentje reeds eenige bewonderende verzen had gewijd. Zij had zich toen koel getoond, als waren haar classiek-schoone lichaamsvormen inderdaad uit marmer gehouwen. Nu wist hij deze "engel" met haar vele begaafdheden naar Weimar te tronen, waar ze zich als tooneelkunstenares en als componiste zeer zou onderscheiden. Is ze meer hem geweest dan een vriendin, een phantastiesch speelgenoot? Men zegt.... Zeker is dat men haar in zijn toovertuin vaak kon aantreffen in de eenvoudige Grieksche dracht waarmede ze de "Iphigenie" creëerde, dat zij daar dikwijls bij droomige avondbelichting in een gazen kleed roerloos op een bank zat....

[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van 1774 tot voorjaar 1781.]

XII

So hast du meine ganze Natur an dich gezogen, dass mir für meine ubrigen Herzens-pflichten keine Nerve ubrig bleibt. GOETHE aan CHARLOTTE v. STEIN.

Een jaar vóordat hij Carl-August volgde, had Goethe kennis gemaakt met den _galanten_ doctor Zimmermann, en onder de honderden silhouetten, die deze hem vertoonde, had hem byzonder getroffen het schaduw-profielbeeld van Vrouwe Charlotte von Stein-Kochberg, hofdame te Weimar. Nog toegedaan de destijds heerschende meening, dat men iemands inborst op zijn gelaat kan lezen, en ijverig medewerker aan Lavaters "Physiognomische Fragmente", had hij de silhouette naar zijn Zwitserschen vriend gezonden met deze karakterschets (die zijn aandoenlijk pogen naar objectivistische koelheid doet blijken):

"_Stein_ vastheid .... zelfbehagen Liefdevolle vriendelijkheid naïeveteit en goedheid, van zelf vloeiende spraak Toegefelijke vastheid Welwillendheid Blijft trouw Verovert met strikken"

Er onder schreef hij: Het ware een heerlijk schouwspel, te zien hoe de wereld zich in deze ziel spiegelt. Zij ziet de wereld gelijk ze is en toch door het medium der liefde. Van daar dat zachtheid haar algemeene (gelaats)uitdrukking is.--Toen kort daarop doctor Zimmermann in Frankfort bij hem logeerde, vertelde die hem zooveel van Vrouwe von Stein, dat hij drie nachten niet kon slapen.

[Illustratie: CHARLOTTE VON STEIN _Naar haar zelfportret_]

Charlotte was toen drie en dertig jaar, zeven jaren ouder en zeven kinderen rijker dan hij. Verslaafd aan de koffie en verre van schoon; sprekende, verstandige, wat kwijnende trekken en verflenste huid; rijk lichtbruin haar, heldere oogen en wijkend voorhoofd; een nog slanke gestalte, die door verfijnde aan vormen en stemmingen zich passende kleedkunst zeer tot haar recht kwam. Een ontwikkelde dame, vaardig met penseel zoowel als met veder of borduurnaald; absoluut zich beheerschend, in ieder gezelschap het hare denkend, zonder meer los te laten dan ze wenschte, terwijl toch haar diplomatiesch gesponnen taal aan openhartigheid deed denken. Met haar veelomvattende levenservaring, door huwelijksleed en smaak voor goede boeken nog verdiept, stak ze ver uit boven de triviale hoflieden in haar omgeving en hoopte op verkeer met buitengewone menschen. Ze was getrouwd aan een Opperstalmeester, die ongevoelig bleef voor haar ietwat perverse bekoorlijkheid--haar zelf wèl bekend. Eens per week logeerde hij onder 't echtelijk dak en overigens verwaarloosde hij haar voor jachthonden, volbloed paarden en vette ossen. Aan 't kniezen geraakt, nadat ze een paar jonge kinderen ten grave had gedragen, achtte ze zich te hoog om--als velen in haar omgeving--afleiding te zoeken in een gewone liaison. Doch het medegevoel van de wereld mishaagde de liefdebehoevende en scherpzinnige vrouw, die in haar levensmoeheid zich bewust bleef van haar waarde.--Zimmermann had haar aandacht gevestigd op al wat Goethe over haar zeide en schreef. Toen sprak zij den wensch uit, dezen beroemden dichter eens te ontmoeten. Zeer treffend antwoordde hier op de galante doctor: "Ge wenscht hem te zien? Arme vriendin, ge weet niet, hoe gevaarlijk deze lieve man U kan worden!" Inderdaad: haar gemoed, haar talent, haar levenslot: alles riep om zulk een lieven man. Toch zou hij haar niet gevaarlijker worden dan zij--na rustige overweging--wenschte toe te laten.

De eerste kennismaking viel Goethe--wiens verwachtingen sterk gespannen waren--niet mede. Maar kort daarna bezocht hij haar op haar slot Kochberg: Daar zag hij haar in huiselijken kring met hare jonge kinderen, hoorde haar spreken over de misstanden aan het hof, over de slechte verstandhouding tusschen Carl-August en zijn jonge, preutsche gade, wier vertrouwelinge zij was.--Een van de onderwerpen die (mits handig geëxploiteerd) een courtisane in staat stellen, met een wildvreemde intiem te zijn, zonder dat men haar ooit kan noodzaken, dit te erkennen. Sprekend over Goethes invloed op den hertog, die alles ten goede zou kunnen leiden, vergunde zij hem, haar ziel te beroeren. En met zijn rumoerige openhartigheid, zich opwindend aan haar vrij goedkoope instemming, zette hij haar zijn plannen uiteen, beredeneerde en verbeeldde haar zijn meeningen en zijn ideeën. Natuurlijk had hij weldra aanleiding tot het geloof, dat ze in zijn geheimste wezenskern kon lezen, en in een leven hiervoormaals zijn zuster was geweest of zijn vrouw.

Bijna terstond kwam zijn eerbiedige doch gloeiende liefde voor haar tot hartstochtelijke uiting, waarop ze hem gedurende enkele dagen onmeedoogend ontweek, en hem deels in briefjes of gedichtjes deels in wel-bestierde "explicaties" te kennen gaf, dat haar echtelijke plicht haar gebood hem slechts een zusterlijke vriendin te zijn. En wijl hij, meer en meer genoeg krijgend van het "woedige" hofleven, haar omgang niet wilde ontberen; toen zijn ongelukkige zuster Cornelia op haar kraambed was gestorven niet meer ~kon~ ontberen: liet hij zich de belofte in den mond leggen, dat hij zou trachten zich te bedwingen. Een "belofte" die hij telkens herriep, niet alleen door zijn gedragingen, maar ook door de vaak herhaalde verklaring, dat hij zich niet capabel achtte, zijn "Ungezogenheiten" af te wennen. Maar op iedere poging zijnerzijds tot toenadering volgde straf: zij verbood hem haar te zien, ging ondanks zijn smeekbeden op reis, als zijn ambtsplicht hem te Weimar hield, sloot zich op, dreigde met hem te zullen breken, beriep zich op de lasterzuchtige wereld.

Dergelijke straffen en vermaningen (wanneer zij niet uitzondering blijven doch regel worden) kalmeeren den verliefden man niet; zij verontrusten en verwarren hem. De vrouw die ze uitdeelt, toont niet de reine genegenheid waarvan ze spreekt: de oprecht beminnende vrouw vertrouwt dat haar bijzijn, indien zij 't wenscht, haren minnaar tot rust zal brengen. Zij neemt niet haar toevlucht tot dwang, wijl zij hoopt dat liefde meer vermag. Zij weet--en zeker wanneer haar levenservaring zoo rijk is als die van Vrouwe von Stein is geweest--dat ook de reinste hartstocht die een vurig man tot een vrouw drijft niet verkeert in broederlijke genegenheid, wanneer die passie met geweld wordt ingeperkt; zij tracht derhalve een man, wien ze niet "meer" dan zuster kan zijn, niet te boeien. Zij schrikt terug voor het leelijke schouwspel van een geestvol man, door handig toegebrachte tikjes en prikjes zoodanig verward, dat hij belooft wat hij niet meent, zijn gevoelens verloochent op bevel, en kruipt voor haar, die slechts haar egoistiesch-kalme heerschzucht op hem voor heeft.