Goethe: Een Levensbeschrijving

Chapter 1

Chapter 13,371 wordsPublic domain

Produced by Miranda van de Heijning, Marc Hens and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net

WERELD BIBLIOTHEEK

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.

UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR--AMSTERDAM

~GOETHE~

EEN LEVENSBESCHRIJVING

DOOR

E. d'OLIVEIRA

MET 26 AFBEELDINGEN

INHOUD

VOORWOORD

EERSTE BOEK.

HOOFDSTUK PAG.

I. Goethes jongensjaren te Frankfort 9

II. Goethes studietijd te Leipzig 27

III. Ziekte en inkeer 45

IV. Studietijd te Straatsburg 52

V. Merck, Urania en "Götz v. Berlichingen". 71

VI. Wetzlar 85

VII. Das Leiden des jungen Werthers 92

VIII. Allerlei genieën en "Clavigo" 105

IX. Lili 122

X. ~Oriëntatie~ 131

TWEEDE BOEK.

HOOFDSTUK PAG.

XI. Het gevaarlijke Weimar 143

XII. Charlotte von Stein 154

XIII. Grootmeester der apen 161

XIV. De ontnuchterde staatsman 165

XV. Verlangen naar Italië 171

XVI. Het land waar de citroenen bloeien 179

XVII. ~Stellige winst~ 185

XVIII. Egmont 189

XIX. Iphigenie in Tauris 195

DERDE BOEK.

HOOFDSTUK PAG.

XX. De grimmige halfgod en Christiane 215

XXI. De Fransche revolutie 222

XXII. ~God en Wereld~ 237

XXIII. De Xeniën 256

XXIV. Hermann und Dorothea 266

XXV. Wilhelm Meisters Lehrjahre 274

XXVI. Schillers dood 284

XXVII. Huwelijk 292

XXVIII. Die Wahlverwantschaften 297

XXIX. Laatste Kwarteeuw 310

XXX. Faust 326

XXXI. † 348

BIJLAGE

Vertalingen 351

Illustraties

CATHERINA ELISABETH GOETHE-TEXTOR (Goethes moeder) _Naar de lithographie van F. C. Vogel_

JOHANN CASPAR GOETHE (Goethes vader) _Naar de lithographie van F. C. Vogel_

GOETHE (Silhouet uit het jaar 1765) _Frankfortsche Goethe-Museum_

KÄTHCHEN SCHÖNKOPF _Naar een miniatuur_

CORNELIA GOETHE _In 1773 door haar broer op den rand van een drukproef geschetst_

FRIEDERIKE BRION (vermoedelijk)

KERKPLEIN MET "GOETHE-LINDE" TE GARBENHEIM

CHARLOTTE BUFF

_a_ JOHANN BERNHARD BASEDOW _b_ JOHANN HEINRICH MERCK _c_ JOHANN CASPAR LAVATER _d_ FRIEDRICH GOTTLIEB KLOPSTOCK _e_ FRIEDRICH HEINRICH JACOBI

_a_ GOETHE IN 1775 _Naar het gipsmedaillon van Melchior_ _b_ LILI SCHÖNEMANN

GOETHE IN "KAARSRECHTE HOUDING" (kort na zijn vestiging te Weimar)

GOETHES TUINHUIS MET VERANDA

CHARLOTTE VON STEIN _Naar haar zelfportret_

CARL-AUGUST HERTOG VAN SACHSEN-WEIMAR

CHRISTIANE VON GOETHE (Op 36 jarigen leeftijd) _Naar de krijtteekening van F. Bury_

GOETHE (in 1791) _Naar de teekening van Lips_

GOETHE-SCHILLER GEDENKTEEKEN

GOETHES WERKKAMER IN WEIMAR (Na zijn dood aldus gelaten)

_a_ GOETHE. _b_ GROOTHERTOG CARL-AUGUST (bij hun 50-jarig jubileum) _naar de teekening van H. F. Brandt_

GOETHE IN ZIJN LAATSTE LEVENSJAAR _Naar de teekening van C. A. Schwerdgeburth_

Einde Illustraties

VOORWOORD

Aan den invloed van Goethe dank ik, dat ik spoedig den weg tot mij zelve heb gevonden, nadat ik had gedwaald in de mooie oppervlakkigheid en de doodsche diepzinnigheid, die de voornaamste geestesstroomingen in ons land mij boden.

Dit boek nu is ontstaan uit het verlangen: den mensch Goethe te naderen en rustig te aanschouwen. Het is een werk waaraan scheppende intuïtie en historiekennis, critische speurzin en beeldend begrip gelijkelijk aandeel hadden; zooals betamelijk is voor een werk dat niet met den verfkwast maar met den Geest werd voortgebracht. Het beantwoordt--naar mij dunkt--aan de eischen die ik in een tienjarig oplettend verkeer met Goethe aan een levensbeschrijving heb leeren stellen; deze eischen vindt men in De Ploeg (3e Jaargang, No. 7) nader uiteengezet.

Ik weet natuurlijk dat mijn boek min of meer uitdrukkelijk partij kiest tegen de meeningen van vermaarde Goethe-kenners en critici. In de verwachting dat het velen moge voorlichten die--den bloei van onze literatuur niet waardeerend--zoekend zijn zooals ik het ben geweest, vind ik hiervoor een heerlijken troost!

=d'OLIVEIRA.=

~EERSTE BOEK~

[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van 28 Augustus 1749 tot September 1765]

I

Bezems worden altijd stomp geveegd. En jongens altijd--geboren.

Aan de uiterste grens van het schemer-grijze Frankfort, leefde kleine Wolfgang opgesloten in een hol ouwerwetsch huis, met geheimzinnige wenteltrappen en getraliede venstertjes; zijn vader had hem vroeg geleerd, dat hij zich moest verzetten tegen het sprookachtige angstgevoel, dat hem beving in de half duistere schuilhoeken van zijn woning. Hij kwam niet dikwijls buiten: de menschen toen hielden niet van frissche lucht. En graag klom hij naar "de tuinkamer", die zoo genoemd werd omdat men er ... buurmans tuin kon zien. Zijn droomerige blikken gingen dan over de stadswallen en de vruchtbare Mainvlakten tot aan het wazige Taunusgebergte. Hij staarde op de aandrijvende onweerswolken of naar de ondergaande zon,--maar als hij dichtbij kinderen van zijn leeftijd zag spelen, werd hij weemoedig. Hij wist dat hij niet een gewoon kind was. Toen zijn moeder hem eens vertelde, dat hij door zijn kaarsrechte houding en zijn gebiedende manieren erg afstak bij zijn kameraadjes, zei hij ernstig: Dat is het begin, moeder; later zal ik mij door nog veel meer onderscheiden. Ik ben onder een gelukkig gesternte geboren.

--Maar andere kinderen denken toch niet aan zulke dingen!

--Moeder, waar een ander zich mee te vreden stelt, dat is voor mij niet voldoende.

Geheimraad Goethe vervolgde zijn zoon van den ochtend tot den nacht met zijn pedante, ouwbakken-schoolsche geleerdheid. Hij wilde zooiets als een wonderkind van hem maken, en stelde hem van begin af zijn uitvoerig opvoedingsplan voor oogen; wat ten gevolge had dat kleine Wolfgang vaker dan noodig nadacht over zijn eigen karakter. Meer geluk dan wijsheid dat hij ten slotte nog iets werd: een kind van zwakker aanleg ware onder Caspars opvoed-systeem gek geworden of bezweken.

Johann Caspar Goethe was een eerzuchtig, leergierig, koppig, soms grillig sinjeur. Zijn vader, een kleermakers-gezel, na veel omzwervingen in Frankfort terecht gekomen, had daar een logementhoudster tot tweede vrouw gekregen en fortuin gemaakt; maar hoogmoed krenkte zijn geest. Hij zelf had ijverig gestudeerd en daarna een reis gedaan door Italië, Frankrijk en Holland. Als bekwaam rechtskundige thuis gekomen, had hij, na een korte stage aan het opperste gerechtshof te Wetzlar, van zijn geboortestad een klein ambt gevraagd, dat hij onbezoldigd op zich wilde nemen, mits men hem niet blootstelde aan de toen gebruikelijke ballotage. Deze voorwaarde werd natuurlijk niet aanvaard, en hij legde in woede de gelofte af, nooit meer een gemeentebetrekking, welke dan ook, te zullen bekleeden. Om zich den weg daartoe voor goed af te sluiten, nam hij twee maatregelen: Hij verwierf den titel van Geheimraad, waardoor hij in rang gelijk kwam te staan met den eersten burger van Frankfort, den schout; en vervolgens dong hij naar de hand van diens dochter Elisabeth, een en twintig jaar jonger dan hij.

Het meisje, een kind nog bijna, was onder de hoede van een jonge, eenvoudig-brave moeder opgegroeid; had weinig geleerd, maar was echt natuurlijk gebleven; hield van vroolijke gezichten en zocht instinctmatig de keerzij van ieder verdriet. Zij was in stilte verliefd geweest op den schoonen maar ongelukkigen keizer Karel VII. Die reed vaak voorbij met herauten en gevolg en als hij toevallig opkeek naar haar venster, meende ze in zijn oogen wederliefde te vinden. Maar de keizer stierf en wekenlang bamden de klokken over de stad, iederen dag twee uur. Toen voelde mooie, bruingelokte Elisabeth in het aanzoek van den geleerden, vermogenden Caspar Goethe den vinger Gods. En zij volgde den Geheimraad, die haar vader had kunnen zijn, in het duistere heerenhuis, dat hij met zijn moeder alleen bewoonde; ze was toen zeventien.

Ze had hem niet lief: ze achtte hem en vertrouwde dat hij het goed met haar meende. Hij, van zijn kant, oordeelde zich verplicht, haar zang- en clavierles te geven, zelfs schrijfles. De goeie man had niets omhanden en als "Vrouw Raad" maar wat leerzamer ware geweest, hadd' hij haar met alle genoegen Italiaansch bijgebracht. Zij troostte zich met het humoristisch geloof, dat dit een uiting moest zijn van hoog-rustige, verstandige genegenheid. Doch ze leerde nu ook levensomstandigheden kennen waar geen zonnetje in scheen: het werd haar een gewoonte, voor zulke omstandigheden eenvoudig het oog te sluiten. Ze ontweek overbodige emoties; ze negeerde, als ze kon, ongeluk of verdriet totdat ze er mede was verzoend. Later zou ze haar bedienden uitdrukkelijk last geven, haar iedere nare tijding zoolang mogelijk te verzwijgen.

Toen haar jeugdzoon Wolfgang kwam--aanvankelijk een broos popje!--was ze tegen de onderwijswoede van haar echtgenoot beveiligd. Dichter dan bij hem stond ze bij haar kind. En niet alleen in leeftijd: de kleine werd haar vriend; hij hield haar jong. Hij kreeg veel van haar gelukkige karaktereigenaardigheden: In de eerste plaats de gave, waarvan hij later zou verklaren, dat noch de kunstenaar, noch de man van de daad ze kan missen; dat ook het beste verstand ze niet vervangt; de gave die hij kortweg "hart" noemde. Dan zijn onwrikbaar vertrouwen op den God "die hem in 't geheim zegende". Ook zijn weeke vatbaarheid voor indrukken. Maar--en hier treedt wellicht een gemoedstrek van den vader te voorschijn--zijn geest was heel snel verzadigd en wilde bijna terstond weer nieuwe indrukken tot zich nemen en verwerken. Van zijn gewone omgeving had hij dra genoeg; hij streefde hartstochtelijk naar afwisseling. Het best kon hij denken als hij liep, of worstelde met storm en ontij. Ook het sterke bewustzijn van eigenwaarde had hij van zijn vader; en dan de neiging om anderen van zijn ideeën te doen genieten; liefde voor détails die bijna pedanterie werd; stipt plichtsgevoel; drang naar zelfvolmaking. Maar dit alles zat bij hem veel dieper: hij had een vrouwelijk-teere inborst, die door een manlijken wil werd bestuurd.

Caspar Goethe bespeurde vroeg de wonderlijke begaafdheid van zijn zoon. In het byzonder zijn vlug verstand. Hij besloot hem zoo op te voeden, dat het kind op de wereld zou veroveren, wat de wereld den vader had onthouden: een staatsmans-carrière, waar hij zich dan door eerlijkheid en kunde naar voren moest dringen; zoodat hij--uit een werkmansgeslacht gesproten--zou gaan behooren tot de besturende kaste in de vrije stad Frankfort, waar de standen zoo scherp van elkander waren gescheiden. Hij wilde Wolfgang verre houden van de lichtzinnigheid en de brooddronkenheid die, volgens hem, tot in de school waren doorgedrongen. Hij wilde hem zelf onderwijzen. In de eentonige stilte van zijn schaduwrijke huizing, in de stijve tucht van zijn vroom gezin, zelf als een burchtheer geëerbiedigd, wilde hij hem wapenen tegen de vijandige wereld.

Met zijn moedertje en zijn jongere zus Cornelia vormde Wolfgang van begin af een sentimenteel verbond tegen de rechtzinnigheid des vaders. Deze drie schuilden bijeen, als zochten ze warmte en vastheid tegen een ijzigen storm. Maar de vader trok zijn jongen toch òok aan: de overeenstemming in karakter verloochende zich niet. Wolfgang wilde leeren, rusteloos.

En zelfs in hun vrijen tijd moesten de kinderen nuttig werk doen, de stinkende zijdewormen van hun vader voederen, zijn kopergravures bleeken in de zon, met taai geduld; of zij moesten bestellingen overbrengen aan leveranciers, of, toen zij ouder waren, rapporten opmaken over belangrijke gebeurtenissen in de stad. Lezen leerden zij al heel vroeg; vóor zijn achtste jaar schreef Wolf niet alleen zijn moedertaal maar ook Fransch, Grieksch en Latijn. Italiaansch had hij spelenderwijs opgepikt, terwijl zijn vader het zusje in die taal les gaf; het leek hem een grappig soort van Latijn. Een reizend onderwijzer, die aanbood de kinderen in vier weken Engelsch eigen te maken, werd gretig ontvangen; de Geheimraad blokte ijverig mee.

[Illustratie: CATHERINA ELISABETH GOETHE-TEXTOR (Goethes moeder) _Naar de lithographie van F. C. Vogel_]

Wat afwisseling kwam er, toen voor de oude talen een leeraar werd geëngageerd en wel twintig kinderen van vrienden en bekenden verlof kregen, diens voordrachten bij te wonen. Ook, toen de heer Goethe begon, zijn kweekelingen al wandelend de geschiedenis van hun geboortestad te demonstreeren, aan de vele oude gebouwen die zij voorbij kwamen: die gebouwen, vestingen binnen de veste, herinnerden aan veelbewogen tijden.... En het werd bijna vroolijk, als de stijve ouwe Frankforter dansles gaf, zijn kleintjes met effen gelaat en starre ruggegraat tot een menuet schaarde en hun pasjes begeleidde op een dwarsfluit. Hij hield wel van muziek en hij was ook zoo barsch niet als hij scheen; maar hij wilde zijn jongen niet teerhartig maken en achtte zich verplicht zijn weekere gevoelens stelselmatig te verhullen.

Al wat hij zei berustte op nauwkeurig overleg; bij al wat ze deden moesten de kinderen zich afvragen: Wat is de consequentie hiervan? waar loopt dit op uit?--en als er in het duistere huis een of ander werk was aangepakt, dan moest het ook onvoorwaardelijk afgemaakt. Caspar kreeg het plan, ook de avonden nuttig met de zijnen door te brengen: hij las aan vrouw en kinders de Geschiedenis der Pausen van Bower voor--van welk werk toen reeds vijf kwarto deelen waren verschenen. En hij wilde daarmee niet ophouden, al begon hij ook zelf telkenmale het eerst van narigheid te geeuwen.

Slechts oogluikend liet hij toe, dat het moedertje nu en dan ter ontspanning een van haar sprookjes vertelde, die zij onder 't vertellen phantaseerde. Dan verslond kleine Wolf (dit zijn haar eigen woorden) haar al gauw met zijn groote zwarte oogen. Als het een van zijn lievelingen niet voor den wind ging, dan zag zij de driftaders op zijn voorhoofd zwellen en merkte dat hij zijn tranen verbeet.--Terloops zij gezegd, dat haar jongen geen zwarte oogen had, doch bruine; zijn pupillen waren echter zoo groot en zoo schitterend, dat men de iris niet zag.--Tusschen "Vrouw Raad" en de oude grootmoeder (die 't huishouden bestierde) heerschte een eigenaardige diplomatische afspraak. Moesten de kinders naar bed voordat een sprookje was uitverteld, dan vertelde dat sprookje zich zelf ten einde in Wolfgangs roerige verbeelding. En hoe het dan afliep met zijn helden vertrouwde hij aan het frissche witgekleede vrouwtje toe.... Die bracht het stillekens aan de moeder over. Den volgenden avond werd dan de ontknooping ingericht, zooals hij die graag had; opgewonden luisterde hij naar de vervulling van zijn wenschen, en "men kon zijn hartje onder zijn kanten kraag zien bonzen".

Groot genoegen vond hij ook in het poppenspel, de vertooningen van "David en Goliath" die de grootmoeder gaf met Kerstmis. Maar hij rustte niet eer hij wist hoe dit alles in zijn werk ging en hij het tekstboekje ter inzage kreeg. Toen moest hij natuurlijk ook zelf voorstellingen geven. Weldra had hij van de poppen genoeg en vormde uit de buurt-kinderen een tooneelgezelschap.

Geheimraad Goethe paste wel op dat zulk vermaak niet te ver ging, of te veel tijd in beslag nam. De oude boeken die hij zelf had doorgeblokt werden uit de stoffigheid opgediept: Romeinsche antiquiteiten en Grieksche fabelleer, een bijbel met prenten en een aardrijkskundeboek op rijm. Ook allerlei langvergeten Duitsche dichters, waarvan Wolf beweerde dat hij er "veel meer uit leerde lezen dan dat hij ze las"; en reisbeschrijvingen, die men thans te realistiesch zou vinden. De toen moderne poëten, als de "Messias"-zanger Klopstock, werden zorgvuldig verbannen wijl zij rijmlooze verzen schreven; en hiervan moest de conservatieve Geheimraad (die zoo veel van Italiaansch hield, dat hij in die taal het relaas van zijn reis stelde) heelemaal niets hebben! Zijn vrouw las nu Klopstock in het geheim met haar kleintjes, die spoedig aangrijpende passages van buiten kenden en declameerden.

In al die wetenschap hield Wolfgang een helderen kop; en toen hij er een beetje in thuis geraakte en tijd vrij kreeg, werden nieuwe vakken bij het onderwijs getrokken. In wiskunde bracht hij het niet ver. Teekenen naar de natuur was zijn liefhebberij; en een van zijn meesters vond het jammer dat hij geen schilder mocht worden. Deze meester heeft niet een goed inzicht gehad in zijn talenten. Want ofschoon Wolfgang zich later onder de bekwaamste mannen van zijn tijd met groote volharding in het schilderen oefende, hij bracht het nooit boven middelmatigheid. Hij zag alles met schildersoogen; doch de kracht om binnen hem levende en kleurende beelden op doek te leggen bleef hem ontbreken, al gaf hij de studie nooit geheel op.--Muziek, clavier- en fluitspel leerde hij vroegtijdig, beoefende hij langdurig; werd hij ondanks al zijn liefde nooit dragelijk meester. Doch het heimwee naar tastbare beelden en snel wisselende kleuren en ontroerende melodieën zou uit zijn streven spoedig blijken....

Hij werd een echte baas in paardrijden en schermen; de vele lichaamsoefening gaf hem een houding als van een prins: hij ging grooter lijken dan hij werkelijk was.

Godsdienstonderwijs kreeg hij aanvankelijk alleen van zijn innig vrome moeder. "Vrouw Raad" die bij iederen tegenspoed naar haren bijbel greep, doch niet zoo orthodox was als zij wel meende, las met haar kinderen het Oude Testament. De Heilige Schrift met haar hartstochtelijke, diepbewogen taal, met hare helden, zinnebeelden en idyllen, met haar warme gebeden en hare trillende liefdesliederen, werd den veel-wetenden, immer zoekenden knaap in waarheid het Boek der boeken; zij hielp hem zijn verstrooide geleerdheid ordenen. Zijn latere bedrevenheid in natuurwetenschappen kon zijn eerbied voor naïef-onwaarschijnlijke wonderverhalen nooit schokken. Maar de tijding van de aardbeving in Lissabon, waarbij, naar men zeide, zestigduizend menschen het leven hadden verloren, greep den zesjarigen knaap smartelijk aan. Wat! riep hij uit (en de toen tienmaal zoo oude Voltaire riep het zelfde) onze God die aarde en hemel heeft geschapen en in stand houdt; God, die volgens ons eerste geloofsartikel zoo wijs en goedertieren is; is God onvaderlijk genoeg om brave en slechte menschen in éen slag te vernielen? Dat kan ik niet gelooven.--En dagen lang trachtte hij zijn twijfel te overwinnen. Zijn vader, die hem liefst rechtzinnig hield, pakte hem mee naar de kerk, waar een bekend dominee naar aanleiding van de ramp een preek gaf. Nu, zei de kleuter bij het thuis komen, ik heb er nog eens over nagedacht, maar de zaak is toch eenvoudiger dan dominee zegt: God zal nu toch ook wel weten, dat onsterfelijke zielen niet vernietigd kunnen worden door aardsche gebeurtenissen.

Natuurlijk moest ieder blijk van oprechte kinderlijkheid in haar al te ernstigen Wolf de moeder diep treffen, vooral wijl hij zijn beste gevoelens binnenhield als men hem die niet ontlokte. Toen hij in zijn negende jaar zijn jonger broertje verloor, huilde hij niet, want Broer was bij God in den hemel.--Maar hield je dan niet van 'm, dat je zoo makkelijk zonder hem kunt?--Of ik van hem hield...? Wolf snelde naar zijn dakkamertje en haalde van onder zijn bed een pak papieren. Lessen, oefeningen, eigengemaakte verhalen: Kijk, dat heb ik allemaal voor 'm bewaard, zei hij eenvoudig; dan kon hij er later plezier van hebben.

Na den dood van de grootmoeder liet Geheimraad Goethe zijn huis--tot dan toe ongeschonden bewaard--verbouwen en gezelliger inrichten. Geleidelijk, en stelselmatig, opdat de kinderen overal van konden leeren. Zóo geleidelijk, dat de bewoners in hun bedden nat regenden. Kleine Wolfgang, als metselaar gekleed, legde den eersten steen; en hoe toen de meesterknecht een redevoering wilde houden, doch middenin bleef steken, vinden wij in een van zijn Latijnsche opstellen verhaald. Nu moesten de kinderen den heer des huizes helpen: zijn rijke mineralen-verzameling, zijn collectie Venetiaansche glazen, zijn oude wapenen, zijn talrijke boeken moesten gerangschikt: gangen en zalen werden met gravures van Italiaansche landschappen, met schilderijen behangen; overbodige meubels en erfstukken werden van de hand gezet; Wolf moest op kunstvoorwerpen bieden in veilingen, en maakte van de gelegenheid gebruik om zich zelf een en ander aan te schaffen. Nu kwamen allerlei werklieden en fijnschilders in huis; die moesten hem hun procédés en handgrepen uitleggen; hij keek ze op hun vingers, en trachtte de wisselwerking tusschen karakter en beroepskeus in hen na te speuren. Te midden van al die drokte vond hij zich zelf, daar de vader hem niet zoo streng op de hielen kon zitten.

Zijn aanleg tornde op tegen Caspars stelselmatige grondigheid: Hij schreef oude en nieuwe talen, hij schreef ze correct, en wist toch weinig van spraakkunst. Hij was niet in staat, zijn weten langzamerhand en uit kleine onderdeeltjes op te bouwen. Het was hem allereerst te doen om den dràad; hij wilde de zaken ineens, van uit hun kern doorzien. Nu deze taal beoefenen en over een uur weer een andere, dat stond hem niet aan. Hij zon op middelen om al zijn kennis tegelijkertijd te beheerschen en uit te breiden. Zoo schreef hij een veeltaligen roman in brieven: Een half dozijn broers en zusters, over heel de aarde verspreid, vertelden elkander hun wederwaardigheden, in lange epistels, zooals die destijds vaak van hand tot hand gingen. De een had het in deftig Duitsch over zijn reizen, waarop een zuster in zoogenaamd "vrouwenduitsch", met korte gebrokkelde zinnetjes, antwoordde. De theologische student van het troepje bediende zich van 't Latijn en maakte Grieksche na-schriften; twee kantoorbedienden schreven Fransch en Engelsch, een musicus Italiaansch, en een die thuis was gebleven, in zijn geboortestad had opgelet, schreef Jodenduitsch.--Een dergelijke poging tot samenvatten is te vinden in de "Ochtendgelukwenschen", die hij in zijn geboortemaand Augustus aan zijn "dierbaarsten vader" opdroeg. Tot den 14en schreef hij ze in 't Duitsch, daarna in Latijn en Duitsch, vervolgens in 't Grieksch.