Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden

Part 9

Chapter 94,083 wordsPublic domain

"Onze Goede Vaêr Tromp, de lieveling van al wat zeeman, heet, de held van Duins, de man, dien we op de handen zouden kunnen dragen en aan wien het Gemeenebest meer dank schuldig is dan zelfs aan den onvergetelijken Piet Hein, die milioenen thuis bracht,--die man is in ongenade gevallen. Men heeft alles op zijne rekening geschoven, en,--als het ons geen leed deed, dan zouden we er om kunnen lachen,--men geeft hem zelfs de schuld van den storm, die onze vloot uit elkander joeg, toen we gereed stonden den vuigen Koningsmoorder aan te vallen! Maar, al is Goede Vaêr in ongenade bij de regeering, toch niet bij ons! Leve Goede Vaêr Tromp!"--

Ze schreeuwden hunne kelen heesch die ronde, trouwe en dappere zonen der zee: "Leve Goede Vaer Tromp!"--

Weer was er een oogenblik van stilte.

"Witte Cornelisz. De With is zijn opvolger! Over een uur zal hij hier aan boord zijn. Tromps Ammiraalsschip wordt het zijne!"

"Geen vloekbeest hier aan boord!" klonk het uit den hoop.

"Wij jagen hem een kogel door den kop!" riep een ander.

"Het bevel kwam onzen Jan Evertsen toe!" bromde Gerrit Leinsz. "Ik en wil onder zoo'n ruw stuk vleesch niet dienen!"--

"Weg met het Kregelige Mennonietje!" schreeuwde Huib.

Daar klinken riemslagen.

De nieuwe opperbevelhebber nadert zijn schip.

"Jaagt hem een kogel door den kop! Weg, weg, met het vloekbeest! Haalt den valreep op! Als hij aan boord komt dan is hij onze Jonas en stuurt ons allen naar den kabeljauwskelder! Een musket! Geef hier een handspaak! Leve Goede Vaêr Tromp! Weg met Witte!" zoo klonk het van alle kanten.

Met tranen van spijt in de oogen verlaat Witte het oproerige schip zonder een voet op het dek gezet te hebben. Het kost hem eene ontzettende kracht zich niet aan zijnen bruisenden hartstocht over te geven, en aan boord te springen om de oproerkraaiers geheel alleen aan te vallen. Maar bij zijne aanstelling hadden Hunne Hoogmogenden hem ernstig op het hart gedrukt om door beleid goed te maken, wat Tromp verkorven had. En dát wilde, dát wenschte hij! Hij zou eerst zichzelven overwinnen om daarna over den vijand te triomfeeren.

In den korten tijd van zijn bevelhebberschap heeft Witte door die gestadige overwinningen op zichzelven getoond, dat hij sterker was dan een held, die steden verovert.

Maar die onvergelijkelijke moed werd later met ondank beloond. Ook Witte zou ondervinden, dat het volk slechts in hem een held ziet, die vele overwinningen op den vijand behaalt en gelukkig in zijne ondernemingen is.

Onderwijl De Ruyter nog met zijn smaldeel in zee kruiste, vernam hij dat Blake met de geheele Engelsche vloot uitgeloopen was om hem te bevechten, en daarom besloot De Ruyter in overleg met zijne kapiteins zich met De With te vereenigen. Dit gelukte hem en hierdoor was De With bijna even sterk in schepen als Blake; maar de vloot van den Engelschman was veel beter ten strijde uitgerust dan de onze. Toch zou dat niet zoo zwaar gewogen hebben bij Witte, maar door stormen beloopen, leden zijne schepen zooveel schade, dat er verscheidene naar het Vaderland terug moesten, wijl ze niet langer in zee konden blijven. Dit was ook het geval met Tromps voormalig Admiraalsschip waarvan de bemanning voor het grootste deel overging op De Gorcum, kapitein Aert Jansse Van Nes, die onder het zeevolk den bijnaam van "Boer Jaap" had.

Zoo kwam de achtste van Wijnmaand.

Witte had het plan gevormd de Engelsche vloot bij Duins aan te tasten, doch Blake was hem voor en overviel hem zoo onverwacht, dat de Admiraal geen tijd meer had de onderbevelhebers bij elkander te roepen. Door middel van seinen gaf hij thans het bevel zich tot den slag te vereenigen.

Tegen drie uren in den namiddag nam het gevecht een aanvang, en De Ruyter, die de voorhoede onder zijn bevel had, zeilde den vijand onverschrokken te gemoet. Met leeuwenmoed streed Witte tegen Blake, wien hij zoo gaarne op de vlucht gejaagd of overwonnen zou hebben.

Had ieder kapitein het voorbeeld van Witte, De Ruyter, De Wilde en Evertsen gevolgd, dan zou de uitslag van het gevecht heel anders geweest zijn; maar velen volgden hun eigen zin en schoten zelfs door onze schepen heen, terwijl anderen zich geheel aan het gevecht onttrokken of op de vlucht gingen. Dat was nu juist geene lafhartigheid, maar bijna alleen onwil om De With te gehoorzamen. De haat tegen dien man ging zóó ver, dat ze de belangen van het Vaderland er aan opofferden.

Midden in het gevecht bevindt zich De Gorcum. Haar grooten mast, fokkemast, haar boegspriet en galjoen is ze al kwijt.

"We zijn verloren! Een ieder redde zich!" roept Boer Jaap en springt met zijnen zoon en een paar matrozen in eene boot en vlucht.

De Engelschen naderen om het schip te nemen.

"Zullen we ons om dien De With, dat vloekbeest, gevangen laten nemen!" riepen anderen en snelden naar de overgeblevene booten.

"Staat, lafhartige kerels!" dondert thans de stem van den opperstuurman Willem Adriaense Warmont. "Niet voor De With vechten wij, maar voor de eer van 's Lands vlag! Zijt gij een hoop losgelaten boeven of jongens van onzen Goeden Vaer? Op, op, slaat erdoorheen!"--

"Ik zal ik je 'n andje 'elpen," roept Gerrit Leinsz, en zich met eene lont in de hand bij eenige kruitvaten plaatsende, roept hij: "Ik vlieg ik liever mee schip en aol in de lucht as op den loop te gaen! As je niet an boord bluuft, dan gaet ie, 'oor!"--

De lange Smeerdieker zag er niet naar uit om zoo maar wat te zeggen wat hij niet meende.

Huib, Adriaan en Jonge Kees plaatsten zich naast Leinsz. en riepen: "Dood aan de Roôrokken! Leve Goede Vaer Tromp!"

Die vijf kloeke mannen bedwongen in de ure des gevaars door hun moedig gedrag eene gansche bent lafhartigen en wekten hunnen moed zóó op, dat ze de handen aan het werk sloegen en in weinige oogenblikken den vijand verdreven.

De Gorcum was behouden, en vreeselijk gehavend brengt Warmond haar binnen op veilige reede. [27]

De avond viel en De With had zich met zijne getrouwen staande gehouden. Vreeselijk was het verwijt dat hij richtte tot de kapiteins, die zijne bevelen in den wind geslagen hadden, en eindelijk moesten ze zich nog de woorden hooren toeduwen: "Voor lafaards is nog hout genoeg in het Vaderland om er galgen van te maken!"

Zoodra echter het gevecht hervat werd, gingen er nog veel meer op de vlucht dan bij de eerste ontmoeting, en thans zat er voor De With niets anders op dan den raad van De Ruyter te volgen en strijdend terug te trekken.

Het eerste werk van De With zoodra hij in het Vaderland was aangekomen, bestond daarin, dat hij bij de Algemeene Staten eene aanklacht tegen de weggeloopen kapiteins inzond.

Nu werden deze mannen wel tot onteerende straffen en boeten veroordeeld; maar men begreep toch ook waar de schoen het meeste wrong, en ze zagen te laat in, dat ze door het benoemen van De With tot bevelhebber eene verkeerde daad verricht hadden.

Toch had onze dappere Briellenaar in dezen strijd bijna het onmogelijke verricht door zich-zelven te beheerschen. Hij had zich geschikt naar de inzichten van De Ruyter, Evertsen en De Wind. Het was waarlijk zijne schuld niet, dat het eerste gevecht niet reeds eene overwinning was geweest; maar ... "wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!--

De With werd op zijde gezet en de Algemeene Staten stelden andermaal Goede Vaer Tromp tot Luitenant-Admiraal aan.

De miskende werd erkend; de erkende werd thans miskend!

Toch betoonde Tromp niet veel lust voor dat vernieuwde bewijs van vertrouwen en toen men hem naar de oorzaak vroeg, schreef hij: "Want met den vijand te slaan en mijn leven te wagen, verwekt bij mij geene de minste bekommering; maar dat ik, alles doende ten dienste van het Vaderland wat in mijn vermogen staat, te huis komende blootgesteld ben aan de verdenkingen en de afgunst van kwaadwilligen, en, na alles wat soldaat- en zeemanschap, naar het verstand, dat God mij gegeven heeft, te hebben aangewend, genoodzaakt werd rekenschap te geven van mijne verrichtingen en mijne beste daden misduid worden, dat is het wat mij bekommert en dat mij den lust en ijver ontneemt!"

Goede Vaêr Tromp had gelijk en het strekt hem tot groote eer, dat hij na zooveel onverdiende beschuldigingen, na zooveel laster tegen hem ingebracht, het welzijn van den Lande hooger schatte dan zijn eigenbelang.--

Daar heerschte vreugde op de vloot toen men vernam dat Tromp alweder met het opperbevel belast was en de goede geest, die op dat bericht zich van het scheepsvolk meester maakte, was eene halve zeemacht.

"Heb ik het niet gedacht?" riep Huib. "Ze kunnen Goede Vaer niet missen! Nou ga ik weer met pleizier aan den dans, al was het vandaag! Gaat ge mede, Jonge Kees? En jij ook, Adriaan?"

"Houw en trouw!" was beider antwoord.

HOOFDSTUK XII

Daar werd gestreden.

Als bevelhebber van 78 oorlogschepen ging Tromp den eersten van Wintermaand onder zeil. Tweehonderd koopvaarders hadden zich onder zijne bescherming gesteld en na verloop van eenige dagen werd het aantal schepen van oorlog zelfs tot over de honderd gebracht.

Deze vloot had gerust de "Onoverwinlijke" mogen heeten, als ze maar niet zoo gebrekkig samengesteld ware geweest, en die gebrekkige samenstelling weer was een gevolg van het bestaan van vijf Admiraliteits-collegiën, die elkander in vele opzichten dikwijls zeer vijandig waren. Naijver was er altijd, en inplaats dat die naijver de leden dier Collegiën aansporen zou om door daden met de andere te wedijveren, bleven ze dikwijls met hunne daden achter, omdat ze zich in deze of die opzichten verongelijkt gevoelden. Zelfs vreemdelingen viel dit in het oog.

Tromp verdeelde zijne vloot in vier smaldeelen. Hij zelf nam het eerste; het tweede gaf hij aan zijnen stadgenoot Witte Cornelisz. De With, doch daar deze door ziekte verhinderd was aan den tocht deel te nemen, liet hij het bevel er van aan Michiel Adriaensz. De Ruyter. Het derde stelde hij onder de bevelen van den Zeeuwschen Vice-Ammiraal Jan Evertsen en het vierde vertrouwde hij aan den Schout-bij-Nacht Pieter Floriszoon toe.

De geheele vloot bestond thans, daar er nog vele koopvaarders bijgekomen waren, uit bijna vijfhonderd zeilen.

Aanvankelijk beloofde deze tocht alweer niet veel goeds; want wind en regen en nog eens regen en wind noodzaakten Tromp naar de vaderlandsche kusten weder te keeren.

Eerst den 9den van de maand kwam de vloot te Dover aan en den 10den kwam het tot eene ontmoeting met de Engelschen onder Blake.

Al aanstonds bij den aanvang van het gevecht werd Tromp door twee groote schepen De Bonaventura en De Rozenkrans aangevallen. Hevig was het gevecht en het vermoeden is niet zoo heel onwaarschijnlijk, dat de twee Engelsche kapiteins gezworen hadden, dat ze den Hollandschen Admiraal levend of dood hunnen bevelhebber zouden aanbieden. Maar, kon onze Marten de kogels, die, uit een vreeselijk schrootvuur op hem gericht werden, niet van zich weren, dan zou de vijand toch ervaren, dat een man als Tromp wel sneuvelen, maar zich niet overgeven kon.

"Marten, berg-je!" riep eensklaps Huib toen hij zag dat een achttal musketten op hem gericht waren.

Tromp boog zich en zes kogels doorboorden den wand van de hut waartegen hij geleund had.

"Kinderen, nu moet het ons gelden! Elk doe zijn best!" sprak hij tot de matrozen en zich even tot Huib wendende, vroeg hij: "Zijt gij niet mijn oude speelmakker Huib Maerland?"

"Jawel, Ammiraal!" was Huibs verlegen antwoord; want hij schaamde zich dat hij van een onbewaakt oogenblik gebruik had gemaakt en Marten bij zijnen naam had genoemd.

"Zoo gaat het goed, Huib!" zeide Tromp lachend, doch verwijderde zich terstond om elders nieuwe bevelen te brengen.

"Hij kent me nog, die ouwe, trouwe, goeië Marten!" fluisterde Huib en pinkte een traan van blijdschap weg.

Daar lag De Rozenkrans tegen het Admiraalschip aan. Het want liep in elkander.

"Huib, Huib, dat gaat er van langs!" riep Jonge Kees. "Als er nu niet spoedig een einde aan komt dan zullen de haaien gauw met mijn eerepenning zich opschikken! Maar wat ga-je doen? Huib, ben-je dol? Huib, Huib dan!"

'T was te laat; Huib hoorde niet meer!

Met eene vlugheid, die men niet bij den ouden zeerob zou gezocht hebben, slingert hij zich in het want, klimt in den grooten mast van De Rozenkrans en....

"Hoezee! Hoezee!" klinkt het uit de hoogte.

Huib scheurt de Engelsche vlag in flarden en laat de stukken met den opkomenden wind wegwaaien. De Hollandsche vlag wordt er opgezet, en na nog twee keer "Hoezee! Hoezee!" geroepen te hebben, daalt hij zoo vlug als eene kat naar beneden en komt ongedeerd aan boord van zijn schip terug.

"Huib Maerland, je bent een held!" roept Tromp. Maar Jonge Kees pakt den ouden matroos beet en omhelst hem, zeggende: "Huib, wat ben ik blij dat jij mijn vrind bent!"

"Stil, Jonge Kees, stil! Kijk eens, wie wordt daar weggedragen?"

"'T is Adriaan, ik zie het! 'T is Adriaan! Ik ga hem even troosten!" roept Jonge Kees, maar wordt in zijn wensch teleurgesteld, want niemand mag naar beneden als hij tot de dekmaats behoort.

Al vinniger en vinniger werd de strijd en ware Jan Evertsen niet juist van pas te hulp gesneld, dan had Tromp met heel de bemanning zich moeten doodvechten of... zich gevangen geven!--Neen, niet gevangen geven, dat deed een man als Tromp niet, dat wilden mannen als Huib Maerlant en Gerrit Leinsz. niet.

De laatste had immers nog eene brandende lont en beneden was nog buskruit!

"Jae, jae, Jan Evertsen komt Goede Vaer 'elpen! toe mer joengers, saobelt ze neer, slaet ze dood! Ik eb ik ok nog wat!" roept Gerrit, maar het geluid van zijn schot gaat onder het gedonder van honderden vuurmonden geheel verloren.

Maar al hoort men het schot niet, de kogel treft toch zijn doel. De groote mast van De Bonaventura stort krakend over boord en in de blijdschap zijns harten maakt Gerrit eenen luchtsprong en schreeuwt weer: "Aoist! aoist!"--

De vijandelijke schepen wijken en nu Tromp vrijer gezicht over zee heeft, ziet hij dat Blake weldra den strijd zal opgeven.

"Houd moed, kinderkens, houd moed! 'T is nog om een kwaad half uur te doen!" klinkt de stem van Tromp.

En alsof ze zooeven bij het gevecht zijn gekomen, zoo trekt iedereen aan het werk. Het voorbeeld van den wakkeren bevelhebber werkt ongelooflijk; maar dat hartelijke woord: "Kinderkens!" doet nog veel meer! Het is een tooverwoord, dat den vermoeide zijne krachten teruggeeft, den lafhartige moed inboezemt, den half stervende nog het wapen doet hanteeren.

'T werd avond en het gevecht van dezen dag was beslist, --de Hollanders hadden overwonnen.

Toen men geschaft had en weer ijverig aan den gang ging om den volgenden morgen het gevecht te hervatten, naderde de scheepsbarbier den Admiraal en fluisterde hem wat in het oor.

Een oogenblik later liet Tromp zijnen ouden kameraad roepen.

"Zoo Huib," dus begon hij en stak hem de hand toe, "wat ben ik blij, dat ik je al weer eens zie! Een heete dag geweest, nietwaar?"

"Ja, Ammiraal!"

"Maar je bent er nog niet veel op veranderd, Huib! Ik zou 't je niet graag nadoen! Je hebt een verdienstelijk werk gedaan en ik zal zorgen, dat Hunne Hoogmogenden uw heldenfeit te weten komen! Maar zeg eens, heeft Jonge Kees nog eene zuster?"--

"Ik en weet niet, Ammiraal!"--

"Zoo; maar ken-je dien Adriaan ook al lang?"

"Sinds eene maand of zes, Ammiraal! Toen is hij aan boord gekomen en bracht een hart mede daar staal en vuur in zat!"

"Je sprak wel eens met hem, is 't niet?"

"Jawel, Ammiraal!"

"En nooit iets opgemerkt?"

"Nee, Ammiraal, en--ja, toch wel wat!"

"Nu, wat dan?"

"Dat hij zulk eene fijne stem heeft en geen baard kan krijgen!"

"Ei-ei!"

"Ja, en daarom noemden wij hem wel eens uit gekheid: "Jaantje" of "Adriana"!"

"Maar als het nu eens werkelijk een meisje was, wat zou je dan zeggen?"

"Dan zou ik zeggen, dat ik het altijd gedacht heb. Mar, ... Ammiraal! Maar voor een meisje is ze toch heel wat mans en menig matroos, ja, menig kapitein heeft ze 't in moed, dapperheid en trouw aan den Lande afgewonnen!"--

"Je weet wel, Huib, wat Joost Van den Vondel van Huig De Groots vrouw, de edele Maria Van Reijgersbergen gezegd heeft:

"Een vrou is duizent mannen t' ergh. "o Eeuwighe Eer van Reygersbergh!"

Zoo even is de barbier bij me geweest en deze zei: "De matroos Adriaan is een meisje! Ze heeft een schrampschot in het rechterbeen gekregen! Jij als goede vrind van die arme meid moest nu haar oppasser worden en zorgen, dat er geen mensch van de bemanning achter komt. Het kind zou zich dan zeker schamen en dat heeft ze aan ons niet verdiend!"--

Huib beloofde dat hij haar oppassen en haar geheim aan niemand verklappen zou, en het moet tot zijne eer gezegd worden, dat hij het zelfs voor Jonge Kees verzweeg.-- [28]

Den volgenden morgen was de vloot weer in slagorde geschaard doch Blake was naar Duins geweken en bracht zich in veiligheid op de Theems.

Terstond liet Tromp de onderbevelhebbers en de voornaamste kapiteins aan boord seinen.

De eerste, die aan de oproeping gevolg gaf was Michiel Adriaensz. De Ruyter.

"Kijk eens, Huib, wat een patertje Goedleven!" zeî Jonge Kees.

"Een echte zeerob! Maar heb ik je 't niet gezegd, dat die De Ruyter nog eens een man worden zou, die de lust van ons kleine Landje zal zijn? Hij is al mooi op weg!" sprak Huib.

"En dat is noe een lans van mien!" zei Gerrit. "Wat 'n patente kerel, é? 'T is een veint as'n beer!" [29]

Vriendelijk naar alle kanten groetende trad De Ruyter op Tromp toe. De kloeke, zwaargebouwde zeeman met de kleur der gezondheid op de bolle wangen, en met opgeruimdheid, kracht en moed in de donkere oogen, was op dit oogenbilk vijfenveertig jaar oud.

"Dag, De Ruyter, hoe maak-je 't?" zeî Tromp en stak de hand uit.

De hand van "Vlissinger Michiel" scheen intusschen wel een soort van bankschroef te zijn; want Tromp zette een eenigszins pijnlijk gezicht toen De Ruyter de aangeboden hand met echte zeemansrondheid schudde.

"Best, best, Ammiraal! Jongen, dat heeft gisteren een warm daagje gegeven, hé? '--

"Ja, ik had niet gedacht dat Blake zoo gauw krimp zou geven!"

"Nou, hij zou misschien zelf wel niet aan 't wandelen gegaan zijn; maar als een mensch gekwetst is dan....

"Zoo, is Blake gekwetst?"--

"Hoezee! Hoezee! Hoezee!" klonk het thans daverend uit den mond van een paar honderd matrozen.

Het was een lange, magere man, die thans aan boord kwam.

"Leve de Vice-Ammiraal Jan Evertsen!" riep het volk.

Met een vriendelijken hoofdknik beantwoordde Evertsen het gejuich.

"Het volk dankt je voor je kostelijk gedrag, Evertsen! Het dankt u omdat ge ons leven gered hebt, en ik voeg mijn dank bij den hunnen!"

"Geen dank, Ammiraal! Ik deed mijne verschuldigde plicht. Gij zoudt hetzelfde gedaan hebben zoo ik in nood had gezeten! Dag, De Ruyter! Kerel, je zult nog zoo dik worden, dat je niet meer door de Rammekenspoort kunt! Sinds lang niet in Vlissingen geweest?"--

"Neen, Evertsen, neen, ik heb nu te Amsterdam mijne huisgoden:

"Zeven kind'ren en een wijf Zijn een aardig tijdverdrijf!"

"Zoo, De Ruyter, heb-je zeven kinderen?" vroeg Tromp.

"Wel neen, Ammiraal, dat is zoo maar bij manier van spreken!"--

Thans kwam Pieter Florisz. aan boord.

"Nou maar, als er een schip met dikke luî vaart dan gaat onze goede vriend Pieter Florisz. ook meê, hoor!"

"Vindt ge 't, De Ruyter?" zeî Florisz. tot den man wien hij die opmerking lachende hoorde maken.--"Ik wil je anders wel zeggen, dat een mensch niet zoo heel veel dagen, als gisteren, noodig heeft om zoo mager te worden als een talhout! Jongens, jongens, wat ging dat er van langs! 'K geloof dat ik de helft van mijn kruit verschoten heb!"--

"Ja, Florisz., wij hebben ons hart als keuningen opgehaald! Maar gaat mede in de kajuit, daar komen de andere heeren!" sprak Tromp.

Het was een mooi gezicht zooveel kloeke mannen bij elkander te zien. Daar had je vooreerst Jan De Liefde en De Haes, twee mannen, die zich de kaas niet van hunne boterham lieten halen; vervolgens Bastiaan Centen, Hendrik Jansze Camp, Jan Gideonsz. Verburgh, Jan Van Hoesen en Lein Pijcke en eindelijk, toen deze kapiteins ook al binnen gegaan waren, kwamen er nog een stuk of drie, die ook mochten genoemd worden, namelijk Brandt, Gilles Boone en Michiel Foort.

De vergadering had plaats genomen en Tromp stond thans op.

"Mannen, ik heet u allen van harte welkom op dezen scheepsbodem! Gij hebt gisteren allen getoond, dat het Vaderland op u vertrouwen kan! En, voor 't heil van den Lande te leven is schoon. De vijand is thans aan ons kanon ontweken en heeft zich in veiligheid gesteld op de Theems. Wat zullen wij thans doen om Hunne Hoogmogenden zooveel redenen tot tevredenheid te geven als ons mogelijk is?"

"Den vijand uit zijne laatste verschansing jagen!" riep De Ruyter.

"Dat is eene gevaarlijke onderneming!" sprak Evertsen.

"Ik dacht dat een echte Vlissinger geen gevaar kent!" merkte Jan Van Hoesen aan.

Wij zijn de vloot niet, kapitein!" antwoordde Evertsen kalm. "Al wil ik mijn leven wagen, daarom is het nog niet gezegd, dat ik er het welzijn van den Lande mede bevorderen kan! Overigens als het algemeen gevoelen is dat we de Theems zullen opzeilen, ik zal medegaan en mijn plicht doen!"

"Ik houd het er voor dat het wel kan," zeide De Ruyter, "edoch, daar komt een groote maar bij!"

"En dat is?"' vroeg Tromp.

"Wij en hebben geene geschikte loodsen!" was het antwoord.

"En aan een Rôorok zijn bodem te vertrouwen, dat gaat niet! De kerel zou ons zoo kostelijk omhoog laten zeilen, als je 't ooit gezien hebt!" meende Pieter Floriszoon.

Na veel over- en weerpraten werd het voorstel van Tromp in stemming gebracht. Eene kleine meerderheid besliste om zijn plan ten uitvoer te leggen, doch toen men in ernst begon te overleggen, hoe de zaak moest aangelegd worden, kwam het er op uit, dat men eerst maar geschikte loodsen moest zien te krijgen, en had men die, dan kon men verder zien.

Later bleek het dat De Ruyter goed geoordeeld had; want loodsen waren nergens te krijgen. De zaak had dus geen voortgang.

Gedurende eenige weken bleef Tromp nu op de Engelsche kusten kruisen, en bracht eindelijk eene vloot van meer dan honderd koopvaarders door Het Kanaal heen in den Oceaan, waar ze tamelijk veilig hunne reis konden voortzetten.

Hij zelf liet te Sint Martin, eene stad op het eiland Ré, de schade, die zijne schepen in het gevecht bekomen hadden, herstellen en ging niet eer in zee, voor alles weer zoo goed mogelijk in orde was.

Intusschen hadden zich weer een honderdvijftig rijkgeladen koopvaarders onder zijne bescherming gesteld, en met deze zeilde Tromp uit met het voornemen den schat van Oost en West in behouden haven te brengen.

Maar Olivier Cromwell was de man niet om na de geleden nederlaag met de handen in den schoot te gaan zitten. Neen, met eene verbazende snelheid werd er weder eene sterke vloot uitgerust, en daar Blake nog niet geheel van zijne wonden hersteld was, zoo werd het bevel voor een gedeelte opgedragen aan George Monk, hoewel Blake altijd met het opperbevel belast bleef.

De Engelschen telden zeventig schepen waaronder er waren van de grootste soort.

Op de hoogte van Portland stieten de vloten op elkander en dadelijk besloot Tromp den vijand aan te tasten.

Onze Admiraal, die met Pieter Florisz. de voorhoede kommandeerde, viel eerst Blake aan en deed dat door hem eerst van bakboord en daarna van stuurboord de volle laag te geven.

"Dat zal er weer spannen, Jonge Kees!" zeide Adriaan, die van zijne wonden hersteld was en weer dienst deed als gewoon matroos. De Ammiraal had haar hiertoe de vergunning gegeven tot ze weer in het Vaderland zouden aangekomen zijn.

"Ja, Adriaan, dat zal het net!" zeî Jonge Kees.

"Ben-je zoo nu en dan toch niet eens bang, dat je doodgeschoten zult worden?" vroeg Adriaan weer.

"Nu, een enkele maal denk ik er wel eens aan en dan wordt het mij raar om het hart. Maar als ik dan zie hoe Goede Vaer Tromp zich weert, dan zeg ik tot mij zelven: "Flauwerd, denk-je weer om je moeders pappot? Pak ân, anders gaan ze nog aan 't schijfschieten op je luie lichaam!"

"Wat staat gij daar te parlesanzen als ge kloppen moet? Hei daar, jij met je mooie eerepenning, steek je handen uit je mouw, of...."