Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden

Part 4

Chapter 44,194 wordsPublic domain

Kort daarop roeiden wij weer naar het Ammiraalschip! Maar, o jongen, welk eene verwoesting! De zee was bedekt met stukken hout, masten met fladderend want, brandende vaartuigen, wrakken en honderden dingen meer. Hier trachtte er nog een zwemmende het leven te redden en daar verdween een ander voor altijd in de diepte.

Onze kapitein bleef er niet lang aan boord, en toen hij in de sloep stapte om naar zijn eigen vaartuig terug te keeren, beefde hij van aandoening.

Ho, wat al nieuwsgierige blikken omringden ons toen we weder op het dek van de Bare stonden. Het was alsof ze allen begrepen, dat onze kapitein iets te zeggen had, dat ons allen aanging. Iedereen wilde weten of de Ammiraal werkelijk dood was, dan wel of de kapitein was gesneuveld.

"Luistert, jongens, luistert!" sprak hij.

"Laat mij ook luisteren!" sprak een onzer matrozen, die vreeselijk gewond op het dek lag. "Draag mij dicht bij onzen kapitein!"--

Men voldeed aan zijn verzoek en toen dat geschied was had men eene speld kunnen hooren vallen.

"Jongens," hervatte Tromp, "wat zou ik trotsch geweest zijn zoo onze wakkere Ammiraal ons schip in dezen toestand had kunnen zien! Wat zou hij ons geprezen hebben als echte, kloeke Nederlanders! Eilacie, 't mocht zoo niet zijn!

Reeds in het begin van het gevecht nam een kogel zijn linker been weg.

Hij is in zijne volle wapenrusting gestorven, zijn volk ten strijde aanmoedigende, zijne ziele Gode bevelende! De glansrijke overwinning is duur, heel duur gekocht! De Vereenigde Provinciën hebben een rechtschapen, dapper, beleidvol, edelmoedig en groot man verloren. Gij allen weet het, dat hij de Ammiraalswedde geweigerd heeft; hij diende zijn Vaderland om niet, en hoe diende hij het! Waar zullen ze een vinden als hij? Wie zal hem ooit gelijken?"

Martens wangen werden vuurrood, zijne oogen glinsterden en de hand zijns Vaders vattende zeî hij: "Vader, ik wil zoo'n Ammiraal worden!"--

"Gij zijt dwaas, jongen! Gij en weet niet wat gij wilt!" zeide Tromp; maar schipper Hein legde zijne hand op Martens hoofd en sprak: "Met God is alles mogelijk, jongen!"--

Zoo'n Hein! Onderwijl hij zoo sprak dacht hij zeker, niet, dat hij eenmaal aan 't Vaderland eenen anderen Heemskerk in zichzelven geven zou.

Nadat onze schade zoo goed mogelijk hersteld was, keerden wij allen met roem beladen naar het Vaderland terug; maar wij werden toch niet met die blijdschap begroet, als het geval zou geweest zijn, zoo Jacob Van Heemskerk zelf had kunnen zeggen: "Wij brengen u de overwinning! De Spanjaard is verslagen en zijne vloot is verbrand! De geheele wereld erkent onze meerderheid ter zee!"--

HOOFDSTUK IV

Gevangen genomen.

Wij bleven ruim een halfjaar te Rotterdam liggen. De Bare had in den slag bij Gibraltar ontzettend geleden en moest nu van onder tot boven worden nagezien. In al dien tijd was ik echter geen dag in Den Briel geweest; want ik kreeg daartoe geen verlof, omdat ik het niet en vroeg.--Ik had niet veel goeds van mij-zelven te zeggen.--Marten had echter van dien tijd gebruik gemaakt om tweemaal per dag bij onzen ouden meester ter les te gaan, en daar die jonge schipper Piet Hein hem zoo nadrukkelijk verzekerd had, dat er vast een kapitein uit hem groeien zou, als hij maar wakker leeren wilde, zoo deed hij dubbel zijn best.--

Eindelijk was ons schip in Wintermaand van 't jaar '7 weer kant en klaar voor de reize en op zekeren dag kwamen de kapitein en Marten onverwacht aan boord.--

Marten kwam terstond bij me en betoonde zijne vreugde door mij alles te vertellen wat hij van Den Briel wist.--Het "Kregel Mennonietje" ging nog altijd school en was in dien tijd heel wat gegroeid. Leeren deed hij als de beste, maar daar hij door zijn boos humeur altijd met iedereen overhoop lag, zoo had hij onder de jongens niet een, die veel van hem hield. Zelfs de meester hield niet van hem, hoewel deze toch nooit last van hem had. Van mijne moeder bracht hij eenen duevekater [7] mede en ... meester had gevraagd of ik aan boord nog wat leerde lezen en of ik goed oppaste?

Op die laatste vraag gaf ik geen antwoord. Ik wilde niet zeggen "ja," want dan hadde ik eene onwaarheid gezegd. Ik had den weg in Rotterdam leeren vinden, dat was al. Wanneer 'k aan boord niet noodig had, dan was ik aan den wal gegaan, en 'k had al spoedig een paar kornuiten gevonden, die mij overal brachten waar ik niet en noodig had. Geen steegje zoo klein of ik wist het! Maar leeren! bah, wat zou'k leeren? Ik werd tóch nooit kapitein!

"Nu," zeî Marten, "kunt ge dat boekske, dat ik u met Allerheiligen zond, al lezen?"--

"Neen, 't was zoo moeielijk, ik en kon niet!"--

"Maar waarom hebt ge het dan den schipper niet gevraagd? Dat is een abel, bekwaam en treffelijk man!"

"Ik en durfde dat niet te doen; hij was zelf altijd met heel dikke boeken over de zeevaart-konst in de weer!"--

"'T is jammer, Huib! Maar als we nu maar weer in zee zijn, dan zullen we samen eens gaan leeren, hé? Ik reken nu al uit de cijferkonste van onzen treffelijken, geleerden Simon Stevin. Dat is een heel nieuw rekenboek en onze meester was er zelf nog niet recht achter!--Maar wat leelijke, gemeene slabbakken daar aan den weg staan. 'T is of ze staan te wachten!"

Marten wees naar den wal waar de twee jongens stonden, die mij den weg in Rotterdam geleerd hadden. Ik keek om, en, zoodra ze mij zagen, riepen ze:

"Kom-je, Huib? Kom-je? Trijn van de Floer Battensheul heeft naar je gevraagd?"

Ik keerde mij beschaamd om en meende dat Marten op mijn aangezicht zou kunnen lezen wat die jongens meenden. De Floer Battensheul was eene brug, die aan de Delftsche poort over eene vaart lag. Daar zat Trijn Blomzoetken, zooals wij, kwâjongens, haar noemden, iederen dag met warmoes en ooft. Menige penning was daar door mij besteed en toen 'k verleden week geene penningen meer had, toen schonk zij mij eene maat vol zure schijvelingen, daar mijne twee kameraads haar vertelden, dat ik kajuitswachter op de Bare was en de volgende week mijne gage ontving. Ik wist wel dat zulks niet waar was, maar nam alevel de appels aan en weldra hadden wij deze met ons drieën allemaal opgepeuzeld.--Na dien tijd waren we daar niet geweest, en nu had Trijn de jongens er zeker op afgestuurd om mij te halen.--

"Ken je die vuile, gelapte borsten, Huib?" vroeg Marten.

"Of hij ze kent?" sprak schipper Hein, die stillekens achter ons gekomen was, "of hij ze kent, Marten? Bijlo, het zijn zijne beste vrienden! Niet, Huibje?"--

"Hé, Huib! Huib! Huib! Kom-je?" klonk het van den wal.

Ik vatte moed en, als wilde ik schipper Hein tot eenen logenaar maken, riep ik: "Loopt, ik ken je niet!"

"Heeee! Hij en kent ons niet, Jan?" schreeuwde de een en begon met den ander, die Joost heette, allerlei sprongen te maken, en toen ze moede waren van al die malle luchtsprongen begonnen ze te zingen:

Fideldine, fideldijn! Ick en dans nyet, Ick en schrans nyet! Fideldine, fideldyn, Ick ken jou en jij kent mijn!

Fideldine, Heyntjeman, Ick en roep nyet, Ick en snoep nyet! Fideldine, Heyntjeman, Drinckt den wijn uit volle kan.

Fideldine, Zuyerzee, Ick en klinck nyet, Ick en drinck nyet! Fideldine, Zuyerzee, Huib blijft hier en Trijn gaet meê!

Fideldine, kakelbonght, Ick en krijgh nyet, Ick en swijgh nyet! Fideldine, kakelbonght, Volle kannen syn ghesont!

"Kom, Huib, zing dat fijne mopsjen toch mee, man!" zeî Hein.

"Ik en ken dat mopsjen niet'," gaf ik ten antwoord; maar de roode kleur, die ik kreeg, zeide maar al te wel dat ik loog.

"Heeee, fijnman, heeee! Kom dan toch, of we gaan alleen naar onze goede Trijn Blomzoetken!" schreeuwde Joost en gooide zijne muts in de hoogte, duikelde tweemalen over den kop, pakte Jan bij den arm en voort gingen ze. Al lang waren ze de naaste straat ingeslagen toen ik hen nog hoorde zingen:

Die backer Joosten al op den hoek, - Hi - ha - hoe! Die slaet syn wijf met Bagynenkoeck, - Bi - ba - boe! En so die Backer dat nyet en deed, Dan segh ick nyet wat ick wel weet! Hi - ha - hoe! Bi - ba - boe!

Marten had zich met den schipper verwijderd en was drok met hem in gesprek.

Ik bleef moederziel alleen staan en tranen van spijt sprongen mij uit de oogen. Intusschen was ik in duizend vreezen, dat Trijn Blomzoetken komen zou en mij om geld vragen, dat ik niet en had. o, Als dat gebeurde, wat dan?

Het eene uur na het andere verstreek evenwel en het werd één uur. Nog een half uur dan gingen we heen en als de kabels maar los waren, als de loopplank maar weggenomen was, dan....

Waarlijk, het geluk diende mij. Juist met klokke half twee werden de kabels losgemaakt, de plank werd ingehaald en onder het "Hoezee!" der toeschouwers verlieten we den wal. Juist bij tijds! Daar verscheen eene vrouw aan den kant, die de vuisten naar ons opstak en zeker allerlei scheldwoorden schreeuwde. Wij waren echter al te ver af en er was te veel beweging aan boord om haar te verstaan. De kapitein had haar echter wel gezien en deed bij den schipper onderzoek naar de zaak. Of die Hein er nu achter gekomen was, dat ik bij Trijn Blomzoetken schuld op den kerfstok had, dan wel of hij haar verstaan had, ik en weet het niet; maar toen wij des avonds met gunstigen wind Den Briel passeerden en ik onzen stompen toren naoogde zoo lang ik kon, kwam de kapitein bij me en zeî:

"Huib, ik en wil niet meer, dat mijn zoon met je omgaat. Een jongen als jij, die den kostelijken tijd verluilakt, goêvrindschap maakt met gemeene straatjongens, en er een kerfstok op na houdt bij appelvrouwen, als Trijn Blomzoetken van de Floer Battensheul, zulk een is geen geschikt kompeer voor mijn jongen! Ik zal je voortaan behandelen als ieder ander mijner matrozen, dat zal ik; maar reken er op dat joffer Driestreng [8] gereed ligt, als ik je op het achterschip zie. Je plaats is voor en je heet pluimgraaf! Begrepen?"--

Ik knikte maar gaf geen antwoord.

Mijn lot was treurig; maar in plaats van mijzelven de schuld te geven en te denken aan het spreekwoord. "Wie met pek omgaat raakt er mede besmet," gaf ik anderen, vooral dien babbelaar van een schipper de schuld. Ik meende maar dat elk en een ieder het er op toelegde om mij ongelukkig te maken. Dat was zeer verkeerd; want zoo ik berouw gevoeld had, dan hadden de anderen mij niet altijd links laten liggen.--

Wij zetten eerst koers naar Vlissingen en wat 'n geluk! Daar ging schipper Hein aan boord van een ander vaartuig over, en wij kregen in zijne plaats een kloek Arnemuidenaar, die er uitzag als eene Maartsche bui en al dadelijk begon met mij te vertellen, dat hij mij, als ik hem in den weg liep, een schop zou geven dat ik in de Wielingen zou vliegen om met de bruinvisschen te leeren duikelen.

Met eene stevige bries zett'en wij koers naar Engeland, voeren door het Kanaal en kwamen weldra in den Oceaan.

Waarheen was de tocht? En waarom was ons schip zoo sterk bemand? Waarom hadden we zooveel kruit en kogels aan boord? Ging het naar den Spanjaard en mogelijk alweer naar Gibraltar? Ik zag geen land en niets dan lucht en water en water en lucht. De wind was omgeloopen en thans werd de koers, nadat we wel acht dagen lang maar altijd westelijk aangehouden hadden, naar het zuiden gericht.

Kon ik toch maar eens te weten komen waarheen het ging! Maar ik had met geen mensch kameraadschap gesloten, en 'k wist nu ook niet wien ik het zou durven vragen. Het werd al heeter en heeter! Midden op den dag was het in de zon op het dek niet uit te houden! Intusschen begonnen de konstabels en matrozen de Bare in eenen geduchten staat van verdediging te stellen. De kogels lagen op het dek en de vaatjes met kruit werden voor den dag gehaald.--

Ik wist niet eens welken dag van de maand wij hadden; en of het Zondag of midden in de week was, daar bekommerde ik mij niet om; ik zat en leefde maar alleen. Doch eens op een' dag,--'t moest Zondag zijn, want de schrijver las eene preek voor en deed het gebed,--riep de wacht ineens: "Een zeil! een zeil!" In een oogenblik was alles op het dek.

Dat was zeker geen schip van de Compagnie; want de wijze waarop wij het gingen ontvangen, was alles behalve vriendelijk. Het bleek ook weldra dat het niet één schip was; want ik telde er al heel gauw zeven en later zelfs twaalf.

In hunne vlag was een halve Maan en terstond begreep ik dat het Turksche zeeroovers waren. Denkelijk kwamen ze wel van Salee en loerden ze op onze rijk geladen Compagnie-schepen.

Daar klonk een schot van een der roovers en terstond werd het door de onzen beantwoord.

"Mannen," zeide de kapitein, "de vijand is talrijk, maar moed verloren, al verloren! Houdt dan couragie, jongens! Wakker er op in! Die Turksche rabauwen zullen weten dat wij geen katten zijn, die men zonder handschoenen kan aanvatten! Voor Zijne Excellentie Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"--

Ik had volstrekt geen plan om meê te roepen, doch 't is aanstekelijk geloof ik; want ik schreeuwde meê, zoo hard ik kon: "Voor Zijne Excellentie Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"--

De vreemde schelmen schenen zich om ons geschreeuw al heel weinig te bekommeren en hielden, voortgaande met schieten, steeds op ons aan. Zij schenen nog weinig verstand van het geschut te hebben, want al de kogels vlogen hoog door het want heen.--Onze konstabels daarentegen waren betere schutters; bijna elk schot was raak. Maar wat hielp het? In minder dan een uur waren wij rondom ingesloten. We hadden het thans van alle kanten te kwaad. Die rabauwen, 't moet gezegd worden, waren niet bang, en zonder dat wij het verhinderen konden, werd de Bare geënterd en klommen de vijanden als katten bij ons aan boord. Toen werd het een bloedig gevecht! De kapitein stond vooraan en sloeg er wakker op in; maar eensklaps ontving hij eene doodelijke wonde en viel voorover op het dek. Een oogenblik staakten de onzen het gevecht, doch toen Marten dit zag, bukte hij, greep den degen van zijnen vader en met vuurstralende oogen en met tranen op de wangen schreeuwde hij: "Jongens, helpt dan mijn arm vadertje wreken! Toe dan, toe dan, helpt mij!"--

"Ja, ik wil je helpen," riep de lange schipper en zijn bijl wegwerpende pakte hij eensklaps een der opperhoofden om zijn middel, tilde hem van het dek op en smeet hem over boord.

"Doet als ik!" riep hij en wilde eenen tweeden vijand op dezelfde manier over boord smijten, doch deze zag het spelletje aankomen en deed een geduchten houw naar hem.

"Wel ja, wou je me daar zoo maar een lik uit de pan geven?" riep de Arnemuidenaar lachende. "Ik en lust geen likjes, maar misschien lust jij wel een zoopje haaienwijn!"

Ook deze vijand werd als een veer opgetild; doch hij was sterker dan de ander en hield zich aan den schipper vast.

"Nou, niet of graag! Wil je me niet loslaten dan gaan we samen! Adie, jongens, houdt je goed!"--

Zoo riep hij en eensklaps sprong hij van de verschansing en verdween in de diepte.--

Nog een oogenblik hielden we den ongelijken strijd vol; maar ten leste moesten wij den kamp opgeven en we zagen ons genoodzaakt, wilden we het voorbeeld van den wakkeren en moedigen schipper niet volgen, de wapenen neer te leggen en ons over te geven.--

Marten en ik werden met nog drie anderen aan boord van het grootste roofschip gebracht, om daar als honden behandeld te worden en den bevelhebber op zijne wenken te bedienen.--Op zijne wenken, precies, want geen van de vijf kon die kerels verstaan. Gelukkig dat we nog aanspraak aan elkander hadden en, dat Marten vergat, dat ik te Rotterdam met zulke gemeene jongens kennis had gemaakt. Het liefst sprak hij met mij over zijn' Vader en zijne Moeder, en ook ik hoorde er graag over spreken; want als Marten van zijne Ouders vertelde, dan vertelde ik van de mijne, en als hij 't over Den Briel had, dan had ik het ook daarover. Wij aten uit één bak; wij dronken uit één kroes; wij sliepen in één vuil hok; wij kregen slagen met dezelfde zweep! Wij waren de beste vrienden; wij waren beide gevangenman en nu ... nu kent hij mij amper en hij is Luitenant-Ammiraal en ik ben matroos! Jonge Kees, jongen, spiegel je aan mij! Maar de zon is onder; ik ga ter kooi! Morgen de rest! Wel te rusten!"--

HOOFDSTUK V

Ontvlucht en nog eens bij t' "Kregel Mennonietje."

"Onze galei zette koers naar Salee. Bijna twee jaren lang hadden we met de roovers heen en weer gezworven en in al dien tijd geen enkel schip van de Compagnie gezien. Wel hadden we in dien tijd een stuk of drie Spaansche schepen overmeesterd, maar voor het overige hadden we niet veel meer gedaan dan geluierd."--

Zoo begon Huib den volgenden morgen zijne vertelling, doch in plaats van enkel Jonge Kees tot toehoorder te hebben, had hij er nu wel tien van de bemanning om zich heen. Nauwelijks toch had Jonge Kees aan één zijner makkers verteld, dat de oude Huib bezig was de geschiedenis van Goede Vaêr Tromp te verhalen, of deze briefde het aan anderen over. Zoolang Huib nog niet aanwezig was, vertelde Jonge Kees alles wat de oude man hem den vorigen dag verhaald had. De matrozen waren dus redelijk op de hoogte der geschiedenis en luisterden met ingespannen aandacht naar hetgeen Huib thans ging mededeelen.

"We hadden gedurende die twee jaren niet veel anders gedaan dan geluierd," zoo vervolgde de verteller. "Hadden we maar beter voedsel gekregen, waren we maar niet zoo mishandeld geworden en hadden we maar geene Moeder in Den Briel gehad, zie, we zouden ons vrij goed in ons lot hebben kunnen schikken! Maar nu! o, Wat hebben we met ons vijven al plannen gemaakt om te ontvluchten! Nu verzon de een dit, dan de ander dat plan! Maar de Turken hielden ons altijd in het oog en bewaakten ons zorgvuldig.

Ten leste hadden we alle plannen ter ontvluchting maar opgegeven, en hoopten we alleen, dat de goede God ons onverwacht uitkomst zou geven.

Zoo als ik zeî, wij zett'en koers naar Salee, en dat wel hoofdzakelijk omdat ons vaartuig eenige noodzakelijke herstellingen moest ondergaan. 'T was een oude, versleten kast!--Daar vertoonde zich eensklaps aan den gezichteinder donkere wolken, die al hooger en hooger kwamen. 'T werd bladstil en de groote zee leek meer op eenen gladden spiegel dan op een stormachtig bewogen waterplas.--De rooverkapitein zag het onweder nader komen en scheen er niet veel vrede meê te hebben, daar hij wel begreep, dat het oude schip niet veel weerstand zou kunnen bieden.--Achter aan 't vaartuig had men de boot al gereed liggen om, als de nood drong, hiermede te trachten althans het leven te redden.--Intusschen brak er een hevig onweder over ons hoofd los. De storm verdubbelde zijn geweld.

'T was klaar dat het schip het niet houden zou en daarenboven schenen we in de nabijheid van vele blinde klippen te zijn.

De rooverkapitein gaf het teeken, de bemanning maakte de boot los, vulde ze met proviand, bond ons alle vijf aan scheepsboord vast en verliet het vaartuig.

Marten lag dicht bij me en scheen te bidden. Nu, dat was dan ook wel noodig; want het gevaar waarin wij verkeerden was zeer groot. We zagen niets dan den dood voor oogen.

Het brooze vaartuig werd naar alle zijden heen en weer geslingerd.--Maar dat zou juist ons geluk zijn. Men had Marten met de handen aan een touw gebonden, dat als een muur zoo vast, tusschen twee watervaten zat.--Er zouden reuzenkrachten noodig geweest zijn om zich los te rukken, maar de holle zee was sterker dan een reus.-- Eene golf, zoo groot als ik nog nooit gezien heb, sloeg over de verschansing; wij dachten dat ons laatste uur geslagen was, en...een der vaten was omgekanteld en het touw was los. Thans waren Martens handen spoedig vrij en al lag de knoop ook vast om zijn beenen, die kwam toch ook los.

"Ik zal u helpen, mannen," sprak hij, en kroop op handen en voeten naar de kajuit. Weldra kwam hij met een mes terug, hij sneed onze banden los en, juist toen de storm op het felste was, waren we alle vijf vrij.--De andere drie matrozen waren bevaren gasten en inplaats van zich kleinmoedig te betoonen, sloegen ze de handen aan het werk. De hoop, van nog eenmaal het lieve Vaderland terug te zien, gaf dubbele kracht.

Langzamerhand bedaarde de storm. Wel stond de zee nog hol; maar wij vertrouwden er op dat de Heer redding zou geven.

"Wien God bewaart is wel bewaard, mannen," sprak de oudste matroos en wij allen zeiden hierop: "Amen!"

Na meer dan twee uren lang tegen den storm en de zee geworsteld te hebben, waren we het gevaar te boven, als we maar zorgden dat de twee pompen nooit stil stonden. Zoodoende was er altijd één eenige oogenblikken vrij om wat te rusten of te eten.--Twee dagen lang hadden we zoo doorgebracht; we waren door en door moede en langzamerhand begonnen we te vreezen, dat we ten leste het toch nog zouden moeten opgeven.--We hadden geen tijd om behoorlijk uit te zien of er ook een schip naderde, zoodat we opschrikten toen we een schot hoorden klinken.

We keken op, en... o, vreugde, niet zoo heel ver van ons kwam een Oostindie-vaarder op ons af.--

Nog altijd woei de vlag met de Halve maan van den achtersteven! Schielijk werd ze neergehaald en door allerlei teekenen gaven wij te kennen, dat wij geene zeeroovers waren. Men scheen ons maar half te gelooven, want vier welgewapende booten kwamen op ons af.--Met gejuich werden ze door ons begroet en met groot gejuich werden we door die mannen opgenomen.

Wij waren gered; maar, o jongens, toen 'k eindelijk het dek van de Maria onder mijne voeten had, toen scheen er aan mijne vreugde geen einde te zullen komen.

De Maria was een goed bezeild schip; de wind was voorbeeldeloos gunstig en toch gingen we naar onzen zin veel te langzaam. Eindelijk kwamen we echter toch waar we wezen moesten en den 14den van Wintermaand in 't jaar 1610 lagen we weer voor Rotterdam.

Spoedig begaven we ons naar Den Briel. Wat zou mijne goede moeder blijde zijn als ze me weer zag!---Maar, eilacie, nog was ik niet in de stad toen 'k een droeve tijding vernam.--

"Hei, hei!" hoorden we achter ons roepen.

We keken om en zagen een breedgeschouderden knaap op ons afkomen. Marten meende hem te kennen, maar toch....

"Waar kom jeluî van daan?" vroeg de knaap toen hij ons genaderd was.

"Heb ik het niet gedacht," riep Marten, "'t is ons "Kregel Mennonietje!"--

"Ei, ei, wat ge goed raden kunt, en jij bent, he-- heee--die bruine is Marten en die halve zwarte is Huib! Heee!"--

"En hoe gaat het in Den Briel?" vroeg ik.

"Goed, goed, best, opperbest zelfs! Sinds een paar weken geef ik geregeld iederen dag een stuk of drie jongens op hun falie want, weet-je, 'k heb me laten doopen! Lekker, hé? Kom nog eens aan mijn lijf als je durft!" [9]

Wij stonden met groote oogen te kijken en Witte had er zooveel pret in, dat hij dadelijk zijn buis op den grond smeet en zeî: "Wil-je, zeg, wil-je? Allebei te gelijk, kom maar op!"--

"Neen, Witte, we willen niet vechten! Zeg ons maar hoe 't in Den Briel is!" zeide Marten.

"o Goed, goed! 'K heb gisteren je moeder nog gezien, springlevend maar een weinig treurig.--Jou vader en moeder zijn dood, Huib! Je vader is hier in 't zeegat over boord geslagen en verdronken, en je moeder is vandaag voor eene week gestorven. Ze zeggen van verdriet! Maar zeg, wil-je nou niet ereis?"--

"Wil-je nou niet ereis?" Wie zou nu lust in 't vechten hebben? Maar hij kon het wel zeggen om mij te plagen en daarom vraagde ik: "Maar zeg, Witte, is het waar?"--

"Als je me niet gelooft dan begin ik dadelijk! Ik en ben geen leugenaar!" was het antwoord.

Ik snelde naar de stad, kwam bij ons huisje en vernam daar van de buren wat er gebeurd was!--

Ik keerde mij om en ging buiten de poort eens uitweenen!

Die arme goede, goede, brave, lieve Moeder!

Ik kwam niet in de stad terug; maar twee dagen later was ik weer te Rotterdam, waar ik mij op een Straatvaarder liet aanmonsteren.

Een half jaar later dan ik kwam Marten aan boord van De Haai, een schoon schip waarover Pieter Pietersz. Hein Kapitein was.

Marten was in goede handen!

En ik?--

HOOFDSTUK VI

Bezuiden de Linie.