Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden
Part 10
"Ik ga al, stuurman, ik ga al!" antwoordde Jonge Kees. "Maar zeg, zie-je wel, dat Blake zoo raar doet?"
"Hij zelf of zijn schip? Wien of wat meen-je?"
"Het schip, ik en ken hem niet!"
"Welnu, hij ontwijkt het plekje waar ze zulke pepernoten strooien; ik denk voor 't naaste dat Gerrit Leinsz. hem weer een schot onder water gegeven heeft!"
Andermaal gaf Tromp aan Blake de volle laag en bijna onmiddellijk daarop klonk het geschreeuw van den konstabel Gerrit:
"Aoist! aoist! aoist! De baes eit piene in z'n buukje! Kiek 'm is gek doen!"
Wend het roer!" kommandeerde thans Tromp.
De stuurman deed het en richtte den steven naar den Oost-Indievaarder De Struis, kapitein Adriaen Cruick. Zulk een rijke buit zou den Engelschman welkom zijn! Met woede wordt hij aangevallen, maar Cruick geeft leer om leer.
"Wat henker! is er dan geen mensch, die dien armen vent bijstaat, dan zullen wij het doen!" zeide Tromp. "Kan je geschut het halen, Gerrit?"
"Jawel, Ammiraal, 'eel best!"
"Mooi, geef jij dan die twee Engelschen, die daar dien Oostindievaarder zoo fel bestoken, eens hun bekomst!"
"Ze zullen ze 'ebben, Ammiraal!" antwoordde Gerrit, en deed zooals hij zeî.
Voor den moedigen Cruick was het echter te laat; want hij stierf met den degen in de vuist en zwichtende voor al te groote overmacht.
Niet ver van de plaats waar Cruick sneuvelde, lag kapitein Jacob Cleydyck, omringd door drie groote Engelsche schepen.
"Ze krijgen me niet levend!" roept hij en verdedigt zich aan alle kanten. Toch zou hij het eindelijk hebben moeten opgeven, als niet de Zeeuwsche kapitein Regemorter hem te hulp gesneld was.
"Daar komen ze, daar komen ze!" juicht hij en smijt zijnen hoed van het hoofd. "Nou zullen die Koningsmoorders peper eten!"
Bom!--Bom!--
De Engelschman, die het dichtst bij hem ligt, krijgt zijn laatste schot en zinkt in de diepte.
"Kapitein, kapitein! wij zinken ook!" roept de stuurman.
"Dat zie ik wel!" geeft Cleydyck ten antwoord, en met den degen in de vuist op den anderen Engelschman overspringende, roept hij: "Hier is de loopplank om bij Regemorter te komen!"
Zijne manschappen volgen het voorbeeld van den wakkeren man. De Engelschen kijken verslagen rond en weten niet wat er eigenlijk gebeurt.--Ook Cleydycks stuurman waagt eindelijk den sprong, en zoo als hij zijn voet op het vijandelijke dek heeft, zinkt zijn eigen bodem achter hem.
Reeds in het begin van het gevecht is Regemorter gestorven, zoodat Cleydyck niets beters weet te doen dan het bevel van het Zeeuwsche schip op zich te nemen, en dat bevel is hem zoo goed toevertrouwd, dat de beide aanvallers op de vlucht slaan.
Een donderslag, die alles dreunen doet, die de zee doet bruisen en koken, wordt thans gehoord!
"Wat is dat?" vraagt Jonge Kees verschrikt.
"Wat gebeurt er?" vraagt Adriaan terwijl zijne kleur verschiet.
Huib kent dat vreeselijk geluid zeer goed. Hij hoorde 't voor het eerst in de Baai van Gibraltar en ofschoon dat reeds zesenveertig jaar geleden is, toch herinnert hij het zich, alsof het pas gisteren gebeurd was. Naderhand heeft hij het meer gehoord; maar nooit maakte het op hem zulk een indruk als toen.
"Er vliegt een schip in de lucht!" antwoordt hij kalm.
"Vreeselijk!" zegt Jonge Kees.
Adriaan zucht en fluistert: "Heere, wees de zielen van zoovele arme menschen genadig!"--
"Heb-je gezien wie daar in de lucht vloog, Huib?" vraagt Gerrit Leinsz.
"Neen, weet jij het?"
"Jawel, 't is Schelte Wiglema! Hij werd door twee Britten erg in het nauw gebracht!"
"Dan heeft hij zelf de lont in het buskruit gestoken," zegt Huib. "Hij heeft het reeds meer dan eens gezegd, dat hij het doen zou! God hebbe zijne ziel!"
"En de ziel van zoovele wakkere Friesche borsten!" murmelde Adriaan.
"Amen!" fluisterde Jonge Kees.
Hoe meer de zon ten ondergang neeg, hoe meer ook hier en daar het gevecht gestaakt werd, en toen de avond gevallen was, kwam alles tot rust.
Van weerszijden had men de uren van den nacht meer dan noodig om de geleden schade eenigszins te herstellen.
Tromp liet De Ruyter en Evertsen aan boord komen om met hen te overleggen wat er nu diende gedaan te worden.
"Vochten we alleen voor de eer," zeide Evertsen, "dan zou mijn raad zijn den strijd voort te zetten. Maar we moeten eene vloot beschermen, en deze met hare rijke lading behouden binnen te brengen, moet nu ons hoofddoel zijn!"
"Ook is onze krijgsvoorraad niet zoo wonder groot meer," merkte De Ruyter aan.
"Zoudt gijlieden het dan goedkeuren, als we de koopvaarders insloten en ons bij eene verdediging bepalende, langzamerhand naar de Maas of Schelde terugweken?" vroeg Tromp.
De Ruyter en Evertsen meenden van ja, en hiermede was de zaak, zooals men meende, beslist.
Reeds vroeg in den morgen werden alle bevelhebbers aan boord geseind, en Tromp drukte allen op het hart toch te bedenken, dat ze Nederlanders waren en eenen eervollen naam droegen.
Gedurende den nacht was Blake de Hollandsche vloot gevolgd. Die rijkgeladen koopvaarders waren een te rijken buit om dien zoo maar te laten glippen.
Admiraal Tromp schaarde zijne schepen in slagorde en liet ze eene halve maan vormen. Tusschen de twee hoornen in kwamen de koopvaarders te liggen.
Daar kwam Blake aan. Zijn voornemen was dwars door de halve maan heen te breken, doch tot zesmalen toe werd hij zoo moedig ontvangen, dat hij het voor de zevende maal niet meer beproefde.
De bodems van De Ruyter en Florisz. waren bijna reddeloos geschoten; maar moedig bleven zij onverzwakt standhouden; zij wisten van geen wijken!
Den ganschen dag door beproefde de vijand de koopvaarders te vermeesteren, hetgeen hem slechts met weinigen gelukte, en die nog in zijne handen kwamen, hadden het aan eigen onvoorzichtigheid te wijten.
Van alle zijden kwam men Tromp berichten dat er gebrek aan kruit en lood was. Uit het eenige voorraadschip, dat hij bij zich had, liet hij uitdeelen zoolang de voorraad strekte; maar alras bleek het, dat er voor zulk een ontzettend gebrek op verre na niet genoeg was.
En toch had men den vijand nog steeds in de nabijheid en het was aan alles te zien, dat Blake de behaalde voordeelen niet prijs zou geven.
De derde dag kwam.
Men bevond zich op de hoogte van Bevesier.
Hier was het dat veertien jaren geleden de machtige Spaansche vloot door Tromp ontdekt werd, doch zijne kansen waren toen minder hachelijk dan nu!--
De moedige man blikte peinzend over den waterspiegel.
"Veertien jaren geleden reeds," mompelde hij. "Wat de vloot toen gebrekkig samengesteld was!--Wat is zij nu? Hebben de Staten-Generaal naar mijnen raad gehandeld? Ten deele; maar er ontbreekt nog zooveel.-- De Engelsche vloot is één, en wij?--"Eendraght maeckt maght," wanneer zal dat daar ginds begrepen worden?"
Nog lang bleef Tromp peinzend voor zich staren, doch eindelijk ontwaakte het oude heldenvuur.
"De wind is even als gisteren in het voordeel van den vijand," bromde hij; doch de prediker, die bij hem aan boord was, deze uitdrukking gehoord hebbende, trad hem stoutweg op zijde en sprak: "Heer Ammiraal, er staat geschreven: "En sijt nyet besorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen: elcke dagh heeft genoegh aen zijnszelfs quaed "--
"Ge hebt gelijk," antwoordde Tromp. "Dat de manschap op het dek kome en bidden wij!"
Met eerbiedige aandacht werd het gebed gevolgd en het scheen ieder toe, alsof er kracht in hunne matgestreden ledematen gekomen was.
Te negen ure in den morgen greep Blake de Hollanders aan.
Mannelijke tegenweer werd van alle kanten geboden, totdat enkelen, die volstrekt geen kruit of lood meer hadden den moed verloren en met volle zeilen op de vlucht wilden slaan. Tromp zag dat en sloot de vluchtelingen in.
Met nog geen dertig schepen moest hij thans den vijand wederstaan en hij, De Ruyter, Evertsen, Floriszoon en anderen kweten zich zoo wakker van die moeielijke taak, dat twee uren voor zonsondergang de vijand het vervolgen staakte en afhield.
'T was meer dan tijd; want geen half uur hadden de Hollanders den strijd kunnen volhouden. Ze konden hunne kanonnen toch met geen moed laden! En kruit was er niet meer.
Tromp rustte een weinig uit toen hij den predikant andermaal voor zich verschijnen zag.
"En sijt nyet besorgd voor den dagh van morgen!" sprak hij.
"De Voorzienigheid heeft de oogen des vijands met blindheid geslagen, dominé," zeide Tromp. "Een halfuur langer en..."
"De Heere kent zijnen tijd!" sprak de ander.
Een oogenblik later stonden de ruwe matrozen in eerbiedige houding het dankgebed na te prevelen, dat de dominé uitsprak.
En aan wien was nu de eer der overwinning?
Aan de Engelschen.
Omdat Blake zwaargebouwde schepen onder zijn bevel had, waagde hij zich niet te dicht bij de Vlaamsche kusten waarheen Tromp vechtende geweken was. Dat was de oorzaak dat hij afhield.
Maar was Blake de overwinnaar, Tromp was de roemrijk overwonnene en zelfs een Engelsch schrijver zegt: "De overwinnaar Blake heeft geen grooter roem behaald-dan Tromp, die de overwonnene was!"
Dat deze driedaagsche zeeslag ons op groote verliezen te staankwam, spreekt vanzelf. Vijf onzer oorlogsschepen werden vernield en vier werden door den vijand genomen. De koopvaardijvloot werd van vier en twintig bodems beroofd en menig wakker held verloor het leven.
Thans waren de Staten-Generaal overtuigd, dat bijna allen van den Luitenant-Admiraal af tot den minsten bevelhebber toe gedaan hadden wat zij konden. De belooningen bleven dan ook niet achter. Tromp, Evertsen, De Ruyter en Florisz. kregen gouden kettingen met eerepenningen, en de mindere bevelhebbers ontvingen mede een blijk van tevredenheid. De moedige opperstuurman van de De Gorcum Willem Adriaense Warmont werd tot kapitein en Gerrit Leinsz., de kordate Smeerdieker, tot luitenant bevorderd. En onze Huib ontving op zekeren dag namens de Admiraliteit van de Maze eene belooning van vijfhonderd gulden voor zijn manmoedig gedrag bij het wegnemen der Engelsche en het vasthechten der Nederlandsche vlag.
HOOFDSTUK XIII
Van Maassluis naar Livorno.
De Bloeimaand was in 't land en strooide geur en kleur langs veld en wegen. Zelfs de stad droeg de kleuren van den Mei waar hier en daar een potje met voorjaarsbloemen voor de ramen stond.
Maar blind voor al dat heerlijke en schoone der natuur en doof voor het gezang der vogelen, die op den boomtak en in de lucht hunne voorjaarsliedjes deden weergalmen, was de man die daar langs den toen nog weinig bewoonden weg van Schiedam naar Maassluis liep.
Nu en dan rammelde hij met gerande zilverstukken of stond stil om er enkelen, die hij uit den zak haalde, te bekijken.
"Was ik nu nog een twintig jaren jonger, dan wist ik wel wat ik deed. Maar nu, oud en ongeleerd, nergens goed voor dan voor matroos! Ver gebracht, Huib Maerlant, ver gebracht. Ze draven je allemaal voorbij. Warmont wordt kapitein en Leinsz. luitenant; Jonge Kees krijgt een eerepenning en ik... ik... ik krijg vijfhonderd guldens. Eene mooie som als ik maar wist wat ik er mee doen moest!--
Maar, halt, wat ik er mee doen moet, dat weet ik toch! Waarom ga ik naar Maassluis?"--
"Wat zongh het vrolyck vogheleyn Dat in den boomgaert zat? Hoe heerlyck blinckt de zonneschyn Van ryckdom en van schat!"
klonk het op een flinken toon een heel eind voor hem uit.
Huib Maerlant hoorde het niet en liep mijmerend voort.
"Hoe ruischt de koelte in 't eickenhout, En versch gesproten lof! Hoe straelt de boterbloem als gout! Wat heeft de wiltzangh stof!
Huib hoorde wat van "eickenhout, boterbloem en gout," en begon het een met het ander in verband te brengen; maar het gezang hoorde hij echter nog niet goed, hoewel het steeds nader kwam.
"Wat is een dier zyn vryheid waert! Wat mist het aan zyn wensch; Terwyl de vreck zyn potgelt spaert! O slaef! O, arme mensch!"
"Nu nog mooier! Nu ik "potgelt" heb, zou ik een "vreck" zijn. Neen, ik en ben geen "vreck", ik en wil geen "vreck" zijn ook!"
Het gezang klonk nu heel dichtbij.
"Waar groeien eicken 't Amsterdam? O kommerziecke Beurs, Daar noit genoeghen binnen quam! Wat mist die plaets al geurs! Wy voghels vlieghen warm gedost Gerust van tack tot tack. De hemel schaft ons dranck en kost, De hemel is ons dack.
Wy zaeien noch....."
Het gezang houdt ineens op en een stoere varensgezel van ongeveer zeventien jaar snelt op den eenzamen wandelaar toe en roept: "Huib, Huib, waar jij heen?"
Huib kijkt op en ... "Bijlo, kwâjongen, je laat me schrikken. Waar kom-je vandaan, Jonge Kees?"
"Wel, ik ben eens even naar Vlieland geweest en op zee ben ik overgestapt op eene visschersschuit van Maassluis! En waar gaat gij heen?"
"Ik ga naar Maassluis!"
"Naar Maassluis? En dan?"
"Naar Rotterdam!"
"En dan?"
"Aan boord!"
"Dan ga ik met je meê! Dat treft! Ik en had niet gedacht dat ik zulk schoon gezelschap hebben zou!"
"Jawel, maar kan-je hier niet blijven wachten tot ik terug ben?"
"Zeker kan ik dat; maar dat en doe ik liever niet! Goed gezelschap maakt korte mijlen, Huib!"
"Nou, ga dan maar meê! Je mag ook wel weten wat ik doe!"
"Je maakt me nieuwsgierig, Huib!"
"Dat kan wel zijn; maar ik en zeg toch nu nog niet wat ik daar ginds ga uitvoeren!"
"Mij goed, ik kan wel zoo lang wachten!"
Gedurende een vijf minuten liepen onze twee bekenden langs den weg zonder een woord te spreken. Dat begon Jonge Kees te vervelen en in de hoop, dat hij zijn makker wat opvroolijken zou, zette hij Joost Van den Vondels keurigen Wilt-zangh voort.
"Wy zaeien noch wy maeien niet: Wy teeren op den boer. Als 't koren in zijn airen schiet Bestelt al 't land ons voêr. Wy minnen zonder haet of nyt. En danssen om de bruit: Ons bruiloft bint zich aan geen tydt, Zy duurt ons leven uit!"
"Ben-je al getrouwd, Jonge Kees?" vraagt Huib eensklaps.
Een luide schaterlach, die de vogels opjaagt en de kikvorschen van schrik in de sloot doet springen, klinkt langs den weg.
"Nou, ik en zie niet in waarom jij daar zoo om lachen moet!"
"Ik wel," zeî Jonge Kees, "ik wel! Ik ben pas drie weken van boord en nog geen zeventien jaar oud! Is dat niet om te lachen?"
"'T is waar ook, Jonge Kees, 't is waar ook.--Maar zeg, weet-je wat ik van de Ammiraliteit van de Maze gekregen heb voor het neerhalen van de Engelsche vlag?"
"Neen! Een toebacks-doos?"
"Ik en drink geen toeback! Neen, vijfhonderd gulden!"
"Vijfhonderd gulden? Maar, Huib, dan ben-je een rijk man! En wat zal je er meê doen?"
"Die breng ik naar Maassluis bij eene goede vriendin van me om ze voor me te bewaren!"
"Bij eene goede vriendin! Huib, Huib! Vroeg-je daarom of ik getrouwd was? Zoo'n oude paai! Hij is bang dat ik hem zijne vriendin onder de hand ontfutselen zal! Huib! Huib!"
Op deze wijze werd het gesprek voortgezet tot ze te Maassluis kwamen en daar een eenvoudig huisje binnentraden.
"Goeden morgen, vrouw Lanoy! Is je dochter thuis?"
"Ik en weet niet, ik, mannen, mijne dochter.. maar.."
De dochter had evenwel de stem van Huib gehoord en kwam uit het schuurtje, dat bij de achterdeur was, in haar werkpak te voorschijn.
"Dag Huib! dag Jonge Kees!" zeî ze.
"Dag Adriana!" sprak Huib en Jonge Kees bromde dien naam na, doch stond heel vreemd op te kijken, dat een meisje, dat hij, zoover hij wist, nooit gezien had, zijnen naam kende. Toch kwamen die gelaatstrekken hem wel bekend voor, maar ...
"Komt binnen, komt binnen! je treft het, moeder heeft net de koffie gezet!"
Die stem kwam Jonge Kees ook bekend voor. Maar waar kon hij die Adriana gehoord of gezien hebben?
"Nou, even willen wij wel binnen komen; maar ik en heb niet veel tijd en deze jonge borst ook niet. Wij moeten vanavond nog te Rotterdam zijn, zie-je!"
"Kom, kom, één bakje troost nemen, daarvoor is er toch tijd genoeg zou ik meenen! Maar ik en wist niet dat je me zoo gauw zou komen opzoeken! Er is toch geene zwarigheid, wel?"
"Nou, zwarigheid neen en ja! Mijne zakken zitten tot berstens toe vol met guldens, die ik gekregen heb voor het afhalen van de Engelsche vlag. En daar ik zonder maagschap ben en niet en weet waar ik dat geld veilig zal laten, zoo kom ik vragen of ik het jou geven mag. Ik en heb het niet noodig!"
"Welzeker, we willen het dolgeern voor je bewaren, nietwaar moeder?"
"Ja, ja, kind, dat willen we! Daar boven in dat kastje in eene kous of in die oude pulle daar op het kabinet!"
"Bewaren?" roept Huib, "neen, dat meen ik niet! Ik geef het jeluî om het te gebruiken!"
"Jaantje, is dat die Huib Maerlant, die je aan boord zoo goed opgepast heeft, toen je dat schampschot aan je been gekregen hadt?"
Jonge Kees sprong op! Thans wist hij wie dat meisje was en naar het blozende Jaantje, die haar geheim door hare moeder zoo eensklaps verraden zag, gaande, sprak de flinke knaap: "Oude makker, nou ken ik je! Nou weet ik wie je ben! Moeder Lanoy, je dochter is eene heldin!"
"Ja, jongen, daaraf heeft ze ook mooie brieven! Jaantje, kind, haal die pampieren ereis!"
"Welke brieven zijn dat?" vroeg Huib.
"Och, het zijn maar brieven vanwege de Ammiraliteit van de Maze!"
"Ja mannen, en ze wordt daarin wat geprezen! o, Ze zijn zoo mooi! Als ik de leeskonst machtig was, dan las ik die brieven driemaal per dag! Toe dan, kind, haal ze eens!"
Jaantje voldeed aan het verlangen harer moeder en reikte ze Huib en Jonge Kees over, die beide hun best deden om dat geschreven schrift met slingertjes, slangetjes en krulletters te lezen.
Een paar uren brachten Huib en Jonge Kees in de woning van de weduwe en dochter door, en verlieten haar na eenen stevigen maaltijd, en na de belofte gedaan te hebben gauw terug te komen.
De vijfhonderd gulden bleven bij haar in bewaring. De moeder had ze in eene kous en in de ledige pulle geborgen.
"En nou vraag ik je nog eens, Jonge Kees, of je getrouwd bent, ja ofte neen!" zeî Huib toen Maassluis achter hem lag.
"Ik heb immers straks al gezegd van neen, wat maal je toch?"
"Nou, als je dan eens trek krijgt om aan den wal een vrouwtje te vinden bij je thuiskomst, dan weet ik er een voor je, hoor! En laat me nou eens samen met je zingen. Als je wil dat liedeken van zoo even.
"Wat zongh het vrolyck voghelkyn, Dat in den boomgaert zat?"
Hun vroolijk gezang klonk in den lieven Meiavond wijd in het rond en ze waren te Vlaardingen eer ze er aan dachten.
"We willen hier eens even ankeren en een glaasje drinken op Jaantje Lanoy, het matroosje! Vind-je 't goed, Jonge Kees?"
Deze maakte geene tegenwerpingen en weldra traden ze eene herberg bij het hoofd binnen.
Er was zooeven eene sloep met zeevolk aangekomen, dat hier ook binnen gegaan was. Bovendien waren er nog al enkele burgers ook, zoodat er heel wat drokte en beweging heerschten.
"Stilte!" klonk op eens eene stem als eene klok en iedereen zweeg.
"Wat er onlangs in de Noordzee gebeurd is, dat weet gij allen! Wij waren er trotsch op toen we dit vernamen! Maar niet alleen hier in de buurt hebben we 't met de Engelschen te kwaad!. Wij komen uit de Middellandsche zee en brengen nieuws mede!"
"Vertel, vertel!" klonk het van alle kanten.
"Het is er een van de vloot van Jan Van Galen!" fluisterde Huib. "Ik ken hem wel!"
"Heb-je wel eens gehoord van Jan Van Galen, mannen?" dus begon de verteller.
"Van Van Galen gehoord, wie zou dat niet? Maar weet je dat hij gestorven is aan eene wonde, die hij in een gevecht tegen de Roôrokken ontving? Dat en weet gij niet! Maar luistert wat er gebeurd is.
Nadat de moedige Kommandeur reeds verscheidene malen met roem en voordeel tegen de Duinkerker kapers en de Turksche zeeroovers gestreden had, vielen de oogen van Hunne Hoogmogenden op hem, als op een geschikt man om onze koopvaardijvloot in de Middellandsche zee tegen de Engelschen en Turken te verdedigen. Nu, dat bevel was hem wel toevertrouwd; hij was een leerling van onzen roemruchten Tromp. Reeds vóór het uitbreken van den oorlog hadden de onzen eene vloot in de Middellandsche zee. Ze stond onder het bevel van den Kommandeur Joris Catz, doch toen de Engelschen hunne macht daar versterkten, werd het noodzakelijk dat wij het ook deden.
Ten vorigen jare togen wij er heen en we behoeven er geen doekjes om te winden, wij waren grootsch op onzen Kommandeur. Hij zelf trok, om er gauw te zijn, over land naar Livorno en was er dus wel wat eer dan wij, al waren wij ook vroeger vertrokken.
Onze vloot was, behalve de branders, veertien schepen sterk en toen Van Galen te Livorno aankwam, zag hij dat zes kloeke Engelsche schepen in de haven lagen. Deze stonden onder bevel van Appleton en nauwelijks waren wij aangekomen, of Van Galen besloot dien Engelschman eens zoo netjes op te sluiten als je 't ooit gezien hadt.
Als jeluî 't niet weet, dan wil ik je wel zeggen, dat Livorno eene handelsstad is in het groothertogdom Toscane, en nu was de Groothertog volstrekt niet in zijn schik, dat Appleton maar in, en Van Galen maar vóór de haven bleef liggen; want daardoor stond de handel geheel en al stil.
Toen dat een poosje geduurd had, vernam de Kommandant dat Bodley met eenige oorlogsschepen en gewapende koopvaarders uit De Levant kwam. Hierop gaf hij het bevel over eenige schepen, die voor de haven lagen aan kapitein Van Salingen en zeilde zelf den Kommandeur Bodley te gemoet. Hij ontmoette hem dicht bij Elba en viel hem zoo krachtig aan, dat Bodley na een dapperen tegenstand de wijk nam naar Elba. Hier hield Van Galen hem tot aan het begin van Sprokkelmaand ingesloten. Dat verveelde hem en daarom zette hij koers naar Livorno in de hoop dat de Engelschen hem zouden volgen. Dit gebeurde ook; want Bodley meende zijn kans nu schoon te zien om ons tusschen twee vuren te brengen.
Dit had Appleton gezien en verliet de haven van Livorno, maar Van Galen viel hem zoo onverwachts en hevig aan, dat die mooie oom met verlies van twee schepen op de vlucht ging. Thans wendden wij den steven en zeilden regelrecht op Bodley aan. Deze was echter op een fellen tegenstand voorbereid en ontving ons met de volle laag.
"Vooruit ligt de weg der victorie!" riep Van Galen en sloeg zich door twee schepen heen. Kapitein De Boer veroverde De Luipaard, het grootste schip, dat Bodley onder zijn bevel had.
"Houdt je goed, mannen, houdt je goed!" klonk de stem van den Kommandeur alweder, doch nauwelijks had hij dit geroepen of hij kreeg eene wond aan den voet. Wij dachten, dat het erger was en schaarden ons om hem heen, doch hij hinkte naar den grooten mast en riep: "Wat sammelt gij om eene kleine wonde! Op, op! Het is schoon voor het Vaderland te sterven te midden der overwinning!"
De wakkere man had gelijk; het werd eene overwinning, doch eer het zoover was, moest hij in de kajuit gedragen worden waar hem het been werd afgezet! En wat denkt gij, mannen van Vlaardingen, dat Van Galen deed? Schreeuwen en gillen van pijn en smart? Neen, geen enkele klaagtoon kwam over zijne lippen en toen de pijnlijke bewerking geëindigd was eischte hij een glas wijn, dronk het uit en het glas op den grond smijtende riep hij: "De Engelsche koningsmoorders moeten toch alles betalen!" Eenige dagen later stierf hij aan eene wondkoorts in de haven van Livorno waar de Groothertog hem met vele bewijzen van hoogachting ontvangen had!--Hé, wat zeg-je? Heeft de Kommandeur zich wél gekweten ja, ofte neen!"
Een onstuimig geschreeuw van bijval vervulde de kleine ruimte.
"Ja, nu schreeuwt gijlieden allen dat het zoo mooi is! Maar denkt er eens aan wat Van Galen gezegd heeft: "De Engelsche koningsmoorders moeten toch alles betalen!"-- En weet je wat wij hen nog niet betaald gezet hebben? Zijn dood! Mannen van Vlaardingen, nog is de oorlog met Engeland niet geëindigd, toont dan dat ge den heldendood van een moedig man te wreken hebt!"
Hier zweeg de matroos, en daar het op een groot leven en geschreeuw uitliep, zoo verlieten Huib en Jonge Kees de herberg en begaven zich verder op weg. Eerst laat in den avond kwamen ze te Rotterdam aan.
HOOFDSTUK XIV
Wie niet hooren wil moet voelen.