# Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden

## Part 8

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/goede-vaer-tromp-of-hoe-de-vereenigde-provincien-eene-zeemogend-5e574517/index.md

De andere is wat jonger, maar veel langer dan Huib. Het is de lange Smeerdiekenaar, dien we zich als een kind zagen aanstellen toen hij voor het eerst in het vuur moest.

De derde is een heel jong en kort matroosje met eene flauwe stem. Hij heet Adriaan.

"Wel, 'Uib, zie je nog niks niemendalle?" vraagt de lange. [22]

"Jawel, 'k zie onze vloot, maar anders niet!"

"En jie, zie jie niks?" klinkt de vraag aan den jongen Adriaan.

"Een vraagal en wat schepen!" is het zachte antwoord.

"Hoor eens, Adriaan, je kunt dan vreeselijk kortaf zijn! Komt dat omdat men geen baard bij jou kan zien van al dat vel? Je lijkt, bij m'n ziel, meer op een vroolijk zusterken dan op een matroos. Hoe oud ben-je al?" vraagt Huib.

"Zoo oud als mijn handen en niet als mijn tanden!" klinkt het even bits.

"Brrrr, wat 'n antwoord! Heusch, Adriaan, dat komt omdat je geen baard hebt, dat je zoo kort van stof bent!"

"Wel, geef jij me dan maar wat pootjes! Je gezicht lijkt veel op een stoppelveld van zaadstroo! Maar weet je wel waar jij veel op gelijkt?"

"Neen, weet jij dat?"

"Jawel, je gelijkt precies op een, die altijd ontevreden is! Schort er wat aan?"

"Ja, Adriaan, er schort wat aan en dat ik ontevreden ben, dat is waar!"

"Zoo," zegt de Smeerdieker met een langgerekten uithaal, "zoo, ik docht ik dat er bie joe niks kon besannen!" [23]

"Zoo, Gerrit, dacht je dat? Nou, maar dan heb je 't mis, hoor!"

"Maar wat schort er dan aan?" vroeg Adriaan.

"Wel, dat zal ik je eens zeggen. Ik heb een kameraad gehad, een jongen daar wel wat in zat. Hij kwam van Schevelingen en heette "Jonge Kees." Oud was hij nog niet; ik denk dat hij tusschen de veertien en zestien jaar geweest is! Dat was er net een daar ik mee doen kon wat ik wilde. Ik kon op hem grommen, knorren, razen en tieren; ik kon hem zoo nu en dan eens door malkander schudden; maar ik kon hem ook dikwijls vertellen wat mij naar op het hart lag. We waren beste vrinden en sedert hij van boord is, ben 'k als iemand, die iets verloren heeft!"

"En waarom ging hij van boord?" vroeg Adriaan verder.

"Wel, zijne ouders gingen op Vlieland wonen en daar zijne dienstjaren om waren ging hij weg en werd haringvisscher. Een aardige jongen was het, en ik heb veel aan hem verloren! Als je er niet zoo meisjesachtig uitzaagt, Adriaan, dan zoudt gij zijne plaats kunnen vervangen!"--

"Zoo? Geef me dan van uwe stoppels, Huib," zeide Adriaan, "dan heb ik binnen veertien dagen een baard en ... maar stil, zie je daar niemendal, daar om de zuidwest?"--

"Verbeeldienge is erger as de derdendaegsche koose!" viel Gerrit in. [24] "Ik zien ik niks as...."

"'N schip, Huib, ik zeg je dat het een schip is!" riep Adriaan.

Gedurende eenigen tijd stonden de drie wachten uit te zien, maar ontdekten niets. Tegen het aanbreken van den dag echter zagen ze het schip alweer en toen het nader kwam, bleek het dat het De Crèvecoeur, kapitein Joris Van der Zaen, was.

De Admiraal werd gewekt en nu bracht Van der Zaen hem de tijding dat zeven straatvaarders, die te zamen wel vijftig tonnen gouds waarde hadden, groot gevaar liepen door de Engelschen genomen te worden.

"Dan is het mijn plicht deze te gaan beschermen," zeide Tromp en beval dat de vloot zich in beweging zou stellen.

Nauwelijks waren zij onder zeil of ze ontdekten eene Engelsche vloot, die uit vijftien kloeke oorlogsschepen bestond. Een van deze schepen voerde de Admiraalsvlag en later bleek het, dat het die van den dapperen Robert Blake was.

Kan men van Marten Harpertsz. Tromp zeggen dat hij de Nederlandsche vloot tot eene geduchte sterkte wist te brengen, kan men van hem getuigen, dat hij het verwarde zeewezen van de Vereenigde Provinciën voor een groot gedeelte in het reine bracht, dat hij leerlingen had, die naderhand hem na- of voorbij streefden en dat hij onder het zeevolk eenen geest wist te brengen, die één man zooveel waard deed zijn als twee,--hetzelfde mag men ook gerust zeggen van Robert Blake, in wien Tromp een hem waardig tegenstander vond. Boven onze scheepsbevelhebbers had Blake nog dit voor, dat hij een zeer geletterd man was. [25]

Zoodra Tromp deze zeemacht ontdekte, meende hij dat de straatvaarders reeds genomen waren en, om nog den schijn van alle vijandelijkheid te mijden, liet hij bijna alle zeilen innemen en stelde eenen man bij de vlag om dezen te strijken.

Nu was Blake echter zoo dom niet om te denken, dat de Nederlandsche vloot daar zoo maar voor eene aardigheid kruiste. Hij begreep zeer goed waarom men hem als een hond nazat. Dat kon de voortvarende man niet dulden, en daarom liet hij ook, als een hond, een hol gegrom hooren, dat wil zeggen, hij joeg een kanonskogel over Tromps schip. Dit schot werd weldra door een tweede en nog door een derde gevolgd. De laatste kogel nam den arm van een onzer matrozen weg.

Tromp zag bij dat alles bedaard rond, maar toch schitterden zijne oogen als vuurkolen.

Aan boord van alle schepen was ieder man op zijn post. Ook Gerrit Leinsz. de konstabel, stond gereed.

Tromp ging naar dezen toe en zeî: "Geen bloed, Leinsz! De eerste kogel zij voor de kabeljauwen!"

De konstabel volbracht het bevel, doch Blake beschouwde het nog immer als geene gekheid en gaf Tromp de volle laag.

Thans werd het gevecht algemeen en ofschoon Tromp over eene veel sterkere macht beschikken kon dan de Engelschman, zoo maakte hij er toch geen gebruik van, omdat hij letterlijk wilde handelen naar het bevel, dat hij mede gekregen had, om namelijk slechts te zorgen, dat onze vlag geen schande werd aangedaan.

Het gevecht duurde vijf uren; men moest toen wel eindigen omdat de nacht inviel.

In Nederland vernam men de tijding van het zeegevecht met een verdeeld gevoelen. Aan de eene zijde juichte men er over, dat de Engelschen eens flink onder de oogen waren gezien; maar aan de andere zijde schrikte men er van terug, als men aan eenen oorlog met Engeland dacht. Intusschen was de noodlottige Eerste Engelsche oorlog begonnen.--Van weerszijden trachtte men zich te verontschuldigen. Tromp zeî: "Blake heeft het eerst geschoten," en Blake zeî: "Tromp heeft zijne vlag niet gestreken!"

Nog deden de Nederlanders bijna het onmogelijke om den vrede te behouden en zond men gezantschap op gezantschap naar Engeland, maar niets mocht baten. De gezanten werden soms met minachting ontvangen en wat ze ook vertelden, niemand geloofde hen. De oorlog was onvermijdelijk, men moest veehten of men wilde of niet, en vele leden der Regeering gaven thans Tromp van alles de schuld en zouden hem gaarne door een ander hebben doen vervangen, als ze maar iemand hadden kunnen vinden.

Maar De Ruyters zon was nog lang niet ter middaghoogte en voor die van den wakkeren Briellenaar was het nog geen tijd om onder te gaan.--

Gedurende dien tijd was Jonge Kees ook op zee. Maar niet bij Duins, Dover of Duinkerken; niet op een oorlogsschip, dat ieder oogenblik gereed is een ander schip aan te vallen, en dat sterk bemand en gewapend is.

Het vaartuig waarop onze Jonge Kees thans vertoeft is eene kloeke, stevige vischschuit, van 't voorjaar eerst nieuw. De schuit draagt op den achtersteven den naam van: De vrouw Neeltje.--Neeltje, zoo heet zijne moeder.

De vorige reis heeft de vader van Jonge Kees een tros tegen zijne beenen gekregen, en deze zoo erg bezeerd, dat hij ditmaal niet met zijne schuit meê kon. [26]

Maar Jonge Kees is een wakkere borst, een stoere jongen, een knaap daar staal in zit, dat wist moeder Neeltje ook wel, en daarom zeî ze, toen haar man, hoe zwaar het hem ook viel, toch mee wilde gaan: "Laat je beenen nou rust houden, vader! Blijf deze reis maar eens thuis en laat onze Jonge Kees je plaats vervangen! De zee is tegenwoordig rustig, de jongen is bij de hand en het Schagerrif of Doggerzand is niet zoo heel ver af!"

"Ja, maar, moeder, de jongen is toch nog wel wat jong! Pas,--was 't niet met Drie Koningen?--zestien jaar! Wel wat jong, moeder, wel wat jong!"

Maar moeder Neeltje wist zoo te praten dat de vader eindelijk toegaf en zijn' zoon, voor ééne reis, tot stuurman op de mooie schuit aanstelde.

Op dit oogenblik is hij in de nabijheid van het Doggerzand. Hij en zijne manschappen zijn recht tevreden, want de vangst was uitmuntend.

"Nog één uurtje, mannen, dan gaan we eens kijken of er aan het Schagerrif ook wat te halen is!" zegt de jonge stuurman.

"Daar ginder komt een Roôrok, Jonge Kees!" zegt een der matrozen.

"Wel, dan gaan we niet weg! Die Koningsmoorder zou wel denken, dat we aan den haal gingen!"--

Men gaat voort met visschen.--

De Engelsche vischschuit komt al nader en nader en er klinkt een hevig gelach aan boord nu Jonge Kees zijne netten leêg ophaalt.

"Hij lacht ons uit!" zegt een matroos.

"Laat ze maar lachen! 'T is beter dat ze om ons lachen dan dat ze om ons huilen!"--

Nu haalt de Engelschman zijne netten ook leeg op.

Een hevig gelach klinkt er thans van De vrouw Neeltje. Ieder zijne beurt.

Maar dat kan de Engelschman niet dulden! Hij mag uitlachen wien hij wil, maar niemand mag dat doen te zijnen koste. En in zijne boosheid neemt hij een der steenen, die op zijn dek liggen, en smijt dien naar den brutalen Vlielander.

"Leer om leer kan ik je niet geven!" roept Jonge Kees, "maar smijt jij met steenen dan doe ik het met talhouten!"--

Zjst--daar vloog er al een.

Nu smeten al de Engelschen met steenen en al de Hollanders met talhouten.--Het was een grappig gezicht, vooral omdat geen van allen raak gooide.

Jonge Kees houdt op met smijten en roept: "Legt neer dat hout!"--

"Moeten we ons dan maar dood laten gooien?" vraagt er een.

"Wel neen," zegt Jonge Kees, "maar als je niet bang zijt, dan weet ik wel wat!"

"Bang? ' Ik en weet niet wat bang is!"

"Mooi, dan gaan we dien Roorok enteren, en als we 't gedaan kunnen krijgen, dan zullen we die luÎ aan hun eigen boord een pak rammel geven!"--

"Dat 's goed! Dat doen we!" roepen ze allen en in een oogenblik ligt De vrouw Neeltje tegen The Seal.

Vlug als katten springen de Hollanders met een talhout in de hand en het kaakmes in den mond aan boord van den Engelschman, die, na bont en blauw, geslagen te zijn, in zijn ruim vlucht.

"Spijkert het dicht, spijkert het dicht!" roept Jonge Kees en houdt, onderwijl er een man naar boord terugkeert om hamer en spijkers te halen, met vier man bij het luik de wacht.

De ander is spoedig terug, en daar gaat het,-- klop-klop-klop, de eene spijker na den anderen wordt er flink ingedreven.--'T is of het nooit meer open moet.

"En nu naar huis," zegt Jonge Kees.

Daar heerschte pret op Vlieland toen De vrouw Neeltje met zoo'n flinken prijs aankwam, en er werd dadelijk besloten, dat Jonge Kees en zijne matrozen het vaartuig naar Amsterdam mochten opbrengen.

De Admiraliteit van Amsterdam hoorde met wonder veel genoegen het verslag van het gebeurde aan en gaf Jonge Kees en de zijnen de Engelsche vischschuit met alles wat er op en in was. De visschers werden gevangen gehouden.--

Vroolijk begaf Jonge Kees zich thans aan boord van The Seal, maar eer hij nog van den wal gestoken was, kwam Dr. Andries Bicker, lid van de Admiraliteit, aan de loopplank, en verzocht den jongen stuurman te spreken.

Jonge Kees verscheen.

"Het Collegie der Admiraliteit zendt mij tot u af, om je te vragen of je niet aan boord van Tromp zou willen dienen. Hij moet een stuurman hebben!" zeide Bicker.

De flinke knaap, die ook wel wist, dat het Vaderland bedreigd werd, had wel lust, doch wilde eerst zijnen vader daartoe verlof vragen. Het zou in alle gevallen maar voor zoolang zijn als de oorlog duurde.

Toen Jonge Kees den heer Bicker gezegd had wat hij wilde doen, vond deze het goed mits hij dan maar spoedig bericht zond; want Tromp was erg verlegen.

Niet dan met veel moeite gelukte het hem zijn vader over te halen; maar toen deze daartoe verlof gaf, was er niemand blijder dan hij. In plaats van een bericht aan de heeren te sturen ging hij zelf, zoodat we hem een paar dagen later alweer voor Dr. Bicker zien staan.

"Het doet ons veel genoegen, Jonge Kees," zeide deze, "dat ge uw Vaderland dienen wilt ook daar, waar er meer eer dan voordeel te behalen is. Maar eer zult ge behalen; wij beginnen er nu al mede!"--en dit zeggende hing hij den blozenden knaap een eerepenning aan een rood-wit-blauw lint om den hals.

"Hoezee!" juichte Jonge Kees zonder op de tegenwoordigheid van zoovele aanzienlijke personages te letten. "Hoezee! Als Huib en de Ammiraal me zoo terugzien, dan zullen ze net zoo blij zijn als ik ben! Ja, dat zullen ze! Hoezee!"

En 't was zooals Jonge Kees gedacht had. De heer Bicker gaf hem eenen brief voor den Admiraal mede en toen Tromp dien gelezen had, gaf hij den knaap de hand en zeî: "Jonge Kees, het Vaderland verwacht groote dingen van u! Blijf altijd zoo trouw, eerlijk en moedig, dan zal het u wèlgaan!"

Jonge Kees bloosde van blijdschap en had de handen van Goede vaêr Tromp wel willen kussen.

Een groot deel der bemanning stond van verre toe te zien wat er toch gebeurde. De kampanje naderen om te luisteren durfde men evenwel niet; want de Admiraal was wel goed, maar ook gestreng en dikwijls had de een of ander, die al te vrijmoedig was, al eens moeten hooren: "Hoor eens, jongen, al te goed is buurmans gek, hoor!"

Maar Tromp liet hem los en in een oogenblik was Jonge Kees onder de matrozen, die hem met allerlei vragen bestormden.

De knaap stond echter niemand te woord en zag maar naar alle kanten rond.

"Wien zoek-je, maat?" vroeg Adriaan.

Jonge Kees zag den matroos met zijne fijne stem in het vriendelijke, baardelooze gelaat en zeî: "Ik zoek Huib, Huib Maerlant!"--

"Die is ziek; maar zelfs de barbier weet niet wat hem deert! Wij gelooven, dat hij het heimwee heeft," zeide Adriaan.

"Dan zal ik hem wel beter maken," was het snel gegeven antwoord en in een omzien was hij beneden en stond voor de hangmat waarin de oude Huib lusteloos, bleek en vermagerd terneder lag.

"Dag Huib, dag Huib! Hier ben ik alweer!" riep de knaap.

"Eylaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaem beeft, 't Is uyt wanneer de wolf syn tanden over-leeft!"

zeide Huib, zonder zich om te keeren.

"Ben-je wel dwaas, Huib! Jij je tanden al overleefd hebben? Kom, vent, keer-je om! Kijk eens wie hier voor je staat en zie eens hoe mooi ik ben!"--

Huib keerde zich om, doch nauwelijks had hij Jonge Kees gezien, of hij riep, terwijl hij beide handen van den knaap tusschen de zijne drukte: "Jij, Jonge Kees, jij hier? Ja, nou wordt de oude Huib weer beter! Ik had het heimwee naar je, jongen, en ik en durfde het niemand zeggen! Maar wat hangt daar op je borst te slingeren?"

"Nou, kijk maar eens! Je mag wel zien hoe mooi ik ben!"

"Een eerepenning? Hoe kom-je daaraan?"--

De knaap vertelde het, maar onderwijl hij dat deed werd Huib steeds onrustiger. Hij keerde zich heen en weer en riep eindelijk: "Er uit, ik moet er uit! Help me dan toch, ik moet er uit!"--

Daar stond hij van zwakte te waggelen als eene eend.

"Jonge Kees, je zal het verder brengen dan ik, dat zal je! De goede God zegen je, jongen!" riep hij eindelijk en gaf den knaap op elke wang een kus.

De zeelui waren de een na den ander naar beneden gekomen, doch Huib zag het niet. Eindelijk sloeg hij de oogen op en riep: "Ja, Jaantje, een meisken ben je vast, en jij daar, Gerrit Leinsz, dit is nou mijn Jonge Kees, en nou de jonge den ouwen weer opzoekt, nou zal het weer gaan als een lier op een' Zondag! Dit is nou Jonge Kees, daar ik zooveel van verteld heb; maar alles weet jelui nog niet. Het mooiste komt achteraan. Ziet jelui die eerepenning op zijn borst slingeren? Nou die...."

"Neen, ik en wil niet dat je 't vertelt, Huib!" riep Jonge Kees.

"Ja, ja, vertellen, vertellen!" klonk het in koor.

Er was niets aan te doen; Huib zou zijn zin hebben en vertelde nu de geschiedenis van De Vrouw Neeltje en The Seal in al zijne kleuren.

"'Ier ei-je m'n knuuste, joengen!" zeî de lange Gerrit Leinsz. "Pak an, je bint mien kameraad ok!"

"En de mijne, en de mijne!" riepen de anderen.

Jonge Kees werd letterlijk verdrongen door die ruwe mannen, die met tranen van geestdrift in de oogen om de vriendschap van den jeugdigen held vroegen.

Alleen Adriaan hield zich van achteren en eerst toen Jonge Kees alleen was, kwam hij naar hem toe en hem de hand biedende zeide hij blozende: "Wil je mijn vriend ook zijn, zooals je van Huib bent? Ik wil je voorbeeld volgen!"--

"Welja," zeî Huib, "dat kunnen we wel doen! De handen in elkander! Zie zoo, dat is er zes. Zoo sterk als een ketting! Wie kan die verbreken? Geen mensch; want ik zeg: Houw en trouw in nood en dood!--En wat zeg jij, jonge Kees?"

"Houw en trouw in nood en dood!" klonk het ferm.

"En jij, Jaantje,--neen, ik en wil je niet meer voor den gek houden; want je hebt verleden met die Rôorokken gevochten als een leeuw;--Adriaan dus, wat zeg-je?"

"Houw en trouw in nood en dood!"

De stem was nauwelijks hoorbaar; maar toch was het: "Houw en trouw in nood en dood!"--

HOOFDSTUK XI

Miskend en Erkend.

Met eene vloot van 96 schepen en eenige branders, te zamen elf duizend man aan boord hebbende, zette Tromp koers naar Duins in de hoop daar Blake te vinden.

"Zeg, Huib, denk-je dat die Blake nog te Duins is?" vroeg Jonge Kees.

"Ik en-weet het niet! Maar waarom? Zou-je denken, dat onze Ammiraal hem ook niet kan opzoeken als hij daar niet meer en is?"--

"Dat weet ik wel; maar ik wilde zoo geern mijn eerepenning wat beter verdienen. 'K heb met die Roôrokken meer dan één appeltje te schillen, hoor!"

"Daar ligt Duins," zeide Adriaan, "en ik zie de masten van groote schepen. Je zal dus je zin hebben, Jonge Kees!"

Maar Jonge Kees kreeg zijnen zin niet en Tromp natuurlijk ook niet; want weldra vernamen ze, dat de hoofdvloot onder Blake uitgeloopen was. Slechts een smaldeel van 31 schepen, onder bevel van den Vice-Admiraal Ayscue lag er nog.--Tromp besloot al vast te kunnen beginnen met deze schepen aan te vallen en te vernielen; maar door stilte en daarna door eenen fellen wind werd hij in zijn voornemen verhinderd.

Na zoo verscheidene dagen verloren te hebben laten gaan, gaf Tromp bevel Blake op te zoeken. Eilacie, 't was te laat om een groot verlies te voorkomen; want Blake had de heele Hollandsche haringvloot genomen, niettegenstaande de oorlogsschepen, die deze vloot moesten beschermen zich dapper geweerd hadden. Maar, hij kon ze Blake weer afnemen! Ja, dat kon hij ook, maar dan moest hij dien Blake toch vinden, en ziet, dat gelukte hem eerst na lang heen en weer varen.

Het was aan den avond van den vijfden van Oogstmaand toen hij de Engelsche vloot in het gezicht kreeg; maar in den nacht, die daarop volgde werd hij door eene vreeselijken storm overvallen. Den anderen morgen was zijne geheele vloot naar alle kanten verstrooid; ze had ook ontzettend geleden en, Blake was er niet meer.

Er zat nu voor het oogenblik niets anders op dan met de ontredderde schepen, wier aantal tot op de helft verminderd was, naar het vaderland terug te keeren.

Nu was Leiden in nood en Holland in last.

Van zulk eene schoone vloot had men de grootste verwachting gehad, en waarop kwam het uit? Op groote verliezen.

"'T is me een schoone vlootvoogd, die ons eenen oorlog op den hals haalt en niets dan verliezen weet te bezorgen," zeî de een.

"De man is over het paard getild en meent nu dat zijn uil al een wonder mooie valk is!" sprak een tweede.

"Daar heb-je nu den moed van dien Tromp! Veel geschreeuw en weinig wol! Omdat het geluk hem bij Duins gediend heeft, dachten alle luiden, dat hij een onovertreffelijk, moedig en beleidvol Ammiraal was!" schreeuwde een derde.

"Ze moesten dien kalen Briellenaar van zijn ambt ontzetten!" meende een vierde.

"Ja, en hem alleen al de schade, die hij ons berokkend heeft en door zijn onverstand nog berokkenen zal, doen vergoeden. Die kerel zal wel al lang zijne schaapjes op het droge hebben!" liet een handelaar in koloniale waren zich hooren.

De geest van het volk, dat gewoonlijk al heel gauw oordeelt, was sterk tegen hem. En niet alleen het volk, neen, ook velen uit de Staten-Generaal en uit de Admiraliteits-Collegiën verhieven hunne stem tegen hem, en brachten het zelfs zoo ver, dat de Admiraal ter verantwoording geroepen werd.

Nu bleek het wel, dat hij onschuldig was, maar ... men kon het voor een keer toch wel eens met een ander beproeven.

Maar wien zou men nemen?

De Ruyter? Ja, als dát kon! Maar De Ruyter was aan het hoofd van een smaldeel op zee en had meer dan zijne handen vol tegen den Engelschen Vice-Admiraal George Ayscue, dien hij reeds eenmaal verslagen had! Anders, De Ruyter, ja ... maar wat nu niet kon, dat kon niet, en men moest een ander zoeken.

Douwe Aukes dan?

Douwe Aukes? Wie was dat?

Wel, hij was op het oogenblik in 't Vaderland om zijn schip, dat zwaar geleden had, te laten herstellen. Dat was anders een man! Had hij De Struisvogel in het gevecht onder De Ruyter tegen Ayscue, niet door zijn moedig gedrag behouden? Wat zou er van het schip en de bemanning geworden zijn, als hij,--toen hij van alle zijden door den vijand werd aangetast en het volk den moed verloor,--niet met eene brandende lont naar de kruitkamer gesneld was en gezegd had: "Houdt moed jongens, houdt moed! Als we 't niet meer houden kunnen, dan zal ik met deze lont u den weg wijzen, dien we bewandelen moeten om niet schandelijk gevangen genomen te worden!"--

Ja, die Douwe Aukes was een flinke kerel, maar ... zoo jong, zoo onervaren!

De wakkere Jan Van Galen dan? Had deze in den gedurigen krijg tegen de Turksche zeeroovers niet getoond dat men op hem vertrouwen kon? Hij was niet jong meer; zijn beleid was zoo groot als zijn moed! Waarom hem niet?

Ja, Jan Van Galen zou een uitmuntend opperbevelhebber zijn; maar er was op staanden voet iemand noodig en hij kruiste met eene vloot in de Middellandsche zee om de Hollandsche koopvaarders tegen de Engelschen en de Turken te beschermen.

Witte Cornelisz. De With dan? Die was met een smaldeel in de Noordzee. Hem hadden ze dadelijk bij de hand! En zeg eens dat deze geen moed had! Was er één op de vloot, die durfde wat hij waagde te doen? Had hij zijn Vaderland niet boven alles lief? En zoo hij vroeger ook al blijken had gegeven, dat hij meer moed dan beleid bezat, hij was een jaartje of wat ouder geworden en zou nu wel een weinig bedaarder zijn!

Ja, dat alles was wel waar, zeker, zeker, maar....

Nu maar?

De matrozen, ja, zelfs de kapiteins haten hem!

Tut, tut, dat zal zoo erg niet wezen, als ze wel roepen, Die zeeluî zetten er altijd een stukje aan. Me dunkt, we konden het met hem wel eens beproeven!--

Het werd beproefd en 't Kregelige Mennonietje, de man, die geene vrees kende, die goed en bloed voor 't Vaderland veil had, die, al had hij tien levens, ook tien levens zou willen opofferen om zijn Land groot te maken, zag de stoute wensch van zijne jeugd vervuld: hij was bevelhebber eener vloot!

"Waar onze Ammiraal toch zoo lang blijft?" zeide op zekeren dag Adriaan tegen Huib.

"Dat weet de Hemel! Als die landkrabben hem maar geene kool gestoofd hebben!"

"Hoe bedoel-je dat?"

"Wel, dat ze hem de schuld geven van alles wat er in den laatsten tijd gebeurd is! Als er overwonnen wordt dan is hij, die overwonnen heeft, de beste; maar als er verliezen geleden worden, dan en is er geen slechter dan hij. Maar stil, daar komt Jonge Kees van den Vice-Ammiraal Jan Evertsen terug. Misschien weet hij wel wat!"

Eenige oogenblikken later kwam de kapitein aan boord. Jan Evertsen had de verschillende kapiteins bij elkander geseind om hun eene mededeeling te doen.

"Laat alle man op het dek komen!" beval de kapitein met een gelaat, dat op eene noordsche bui geleek. "Ik heb u allen wat te zeggen!"--

In een oogenblik was de gansche bemanning bij elkander en thans zeide de kapitein: "Mannen, de Vereenigde Provinciën worden thans door oude vrouwen geregeerd, of een booze geest is in 's Lands Raadzaal gevaren!"

Doodsche stilte.

