Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden

Part 7

Chapter 7 4,220 words Public domain Markdown

Gijsels trachtte zich met den Vice-Ammiraal Tolck te vereenigen. De vijand hield het er voor, dat hij aan den haal ging on zette hem na. Maar Gijsels dacht: "Neen, dat bedoel ik niet!" en terstond liet hij wenden en gaf den Spanjaard de volle laag. De vijand meende echter dat hij zoo 'n hoopje garnaalschuitjes best aan kon en gaf Gijsels dubbel en dwars terug wat hij gegeven had,

"Mannen," riep De Ruyter, "onze Ammiraal krijgt het met die Spaansche Dons te kwaad; we gaan hem helpen!"

Zoo gezegd zoo gedaan.

Van 's morgens half tien tot laat in den achternoen vochten we als leeuwen.

"Aoist, aoist, aoist!" klonk het op eens naast me. [14]

Het was de Smeerdieksche reus, die een kanon afgeschoten had en ontdekte dat hij met zijnen kogel de vijandelijke Ammiraals-vlag aan narden schoot.

"Dat heb je 'm eens secuur gelapt, kompeer!" zeî ik.

"Jae, jae, dat 'eb ik net! Aoist, aoist, aoist!" juichte hij.

"Aan de pompen, aan de pompen!" kommandeerde De Ruyter, en 't was noodig ook; want de romp van De Haese moet veel op eene spons geleken hebben, zóó hadden ze ons beschoten.

Eindelijk ging Tolck, die een beetje minder dan niemendal gedaan had aan den haal, en of Gijsels ook al op hem schoot om hem te noodzaken terug te keeren, Tolck deed alsof hij het niet hoorde, en zette zijne wandeling voort. Misschien dat de man door zijn volk gedwongen werd om zoo te doen, ik en weet het niet, maar daar ben ik zeker af, dat hij ons leelijk in de pekel liet zitten.

Nu riep de Ammiraal de bevelhebbers der schepen, die hem trouw bijgestaan hadden, aan boord om te overleggen wat er gedaan moest worden. Ze besloten bijna eenparig het gevecht te staken, omdat de schepen te veel geleden hadden en het onmogelijk nog langer vol konden honden.--

De Spanjool scheen ook niet veel lust te hebben om de partij nog eens op te nemen en verwijderde zich van ons. In den nacht, die op dit gevecht volgde, kregen we nog eenen vreeselijken storm op ons dak en met heel veel moeite en zware averij waren we wel genoodzaakt om te Lissabon binnen te loopen.

De koning van Portugal gaf aan onze bevelhebbers mooie gouden ketenen met penningen, misschien wel in de hoop, dat we onze kunsten nog eens zouden toonen; maar Gijsels had daar geen lust toe, als de Portugeezen ons niet hielpen. Die luî waren echter liever koud dan moê, en daarom zeî onze Ammiraal op een' mooien morgen den Koning goeien dag en wij keerden naar het Vaderland terug.

Ik wil je wel zeggen, dat ik hard verlangde om weer eens een poosje aan den wal te leven; maar daar kwam niet veel van! Nauwelijks toch was ik aangekomen of 't was alweer maar: "Vooruit, Huibje! Help de Duinkerkers eens achter den broek zitten!"--Was dàt afgeloopen, dan was het weêr: "Ga nou met Witte Cornelisz. De With eens naar de Sont, Huibje! Die koning van Denemarken is een levende schrok, eene haai van de grootste soort! Omdat wij goede vrienden zijn met Christientje, die voor Koninginnetje van Zweden speelt, en omdat die Kris, die koning van Denemarken, uit meenens met haar ravot en stoeit, zoodat de splinters er afvliegen, zoo laat hij onze schepen, die de Sont passeeren schandelijk veel losgeld betalen! Toe, Huibje, help jij met je Brielschen kameraad, 't "Kregel Mennonietje," dien Kris eens op zijn nummer zetten! En jawel, hoor, daar ging het!

In Hooimaand van het jaar '44 staken twee en veertig oorlogsschepen onder bevel van onzen Witte, als Vice-Ammiraal, in zee. Wij hadden te zorgen voor negenhonderd koopvaardijschepen, maar Witte kreeg de boodschap mee alleen maar te waken, dat onze schepen den gewonen tol moesten betalen en geen geweld aangedaan werden. Ik diende bij hem aan boord, en dikwijls dacht ik zoo, in mijn eentje, aan dien morgen toen ik voor het eerst naar zee zou gaan en afscheid ging nemen. Toen had ik al heel leelijk gekeken, als Witte zeî: "Als ik ga varen, wil ik Ammiraal worden!"--En ik, dwaaskop, die ik was, ik had hem uitgescholden en gezegd, dat hij pluimgraaf zou worden op het schip waarop ik kapitein was!--

En nu! 'T is me gegaan zooals de Ridder Cats zegt:

"Veel roemen met een dommen geest, Een ijdel vat bomt aldermeest." [15]

Onze tocht liep goed af en beter dan ik gedacht had. Wel zag ik Witte nu en dan met zijnen degen op het dek stampen, wel hoorde ik hem enkele malen van kwaadaardigheid op de tanden knarsen, maar hij hield zich goed en geen pond kruit heeft hij laten verschieten. Nauwelijks was de goede man echter thuis, of de Denen begonnen het spelletje van voren af aan, en thans besloten de Staten-Generaal om in '45 nog eens eene vloot uit te zenden om de koopvaarders te besehermen. Nu was zijn lastbrief eenigszins anders. De koopvaardijschepen mochten in het geheel geen tol betalen, en hij zelf zou ze met zijne oorlogsvloot door de Sont brengen. Bij de minste beleediging kon hij van leer trekken, zoo hard hij wilde. Dat was een kolfje naar Witte's hand. Met vijftig wél uitgeruste schepen zeilde hij uit om eene vloot van weer maar zoo eventjes negenhonderd koopvaarders door de Sont te voeren.

Toen we dicht bij het kasteel Kroonenburg gekomen waren ging de eerste konstabel naar den Ammiraal en vroeg beleefd hoeveel schoten hij doen moest om den koning van Denemarken, die op het kasteel was, te begroeten.

Witte gaf geen antwoord.

"Hoeveel schoten zullen er ter eere van de Koning gelost worden, Ammiraal?" klonk andermaal de vraag.

"Hoeveel schoten? Eén, maar dan liefst met een zes-en-dertig ponder en dan zoo netjes gemikt, dat die Kris op den grond tolt als een dronken kadraaier!" [16]

"Dus maar dadelijk met scherp, Ammiraal?"

"Loop heen, kerel, je staat me daar net bij als eene geit voor het Prinsenhof. Snor uit, ik zal wel groeten!"

De konstabel verwijderde zich en ieder, die hem verstaan had, keek nieuwsgierig uit om te zien wat de wildeman doen zou.

Dáár lag het sterke Kroonenburg en dáár stond de Koning.

Zoodra Witte hem zag klom hij op de kampanje en lichtte dood bedaard een paar keeren zijnen hoed af, en zeî: "Dag Kris! Je hebt de groeten van de Heeren Staten, en wij betalen je nu eens geen duit! Als je ze hebben wil, dan kom je ze maar halen! Wij zullen in looden bolletjes uitbetaling houden."

De Denen stonden te kijken, alsof ze een klap van den molen gekregen hadden, toen ze ons zoo deftig door de Sont zagen trekken en de Koning kreeg zooveel eerbied voor onze macht, dat hij weldra vrede met Zweden maakte en de verhooging van de tollen wijselijk achterwegen liet. Ja, onze roem begon toen zóó te stijgen, dat zelfs vreemden bij ons de zeevaart kwamen leeren. [17] Na deze tochten naar het Noorden had ik nog al geen rust; want nauwelijks was ons schip voor den dienst afgekeurd, of ik kwam op een ander en ging naar ... Duinkerken.--

Ja, alweer naar Duinkerken waar Tromp de haven hield ingesloten. De Franschen sloegen het beleg aan de landzijde en langen tijd hielden de belegerden, wien het aan geen moed ontbrak, het beleg vol. Eindelijk moest Markies De Lede, die het bevel binnen de stad voerde, zich overgeven en het befaamde en geduchte roofnest was in handen van den Franschen Koning. Dit geschiedde den tienden van Wijnmaand van '46.

Ik kwam eindelijk weer in het Vaderland terug en daar mijne dienstjaren om waren zoo besloot ik te Rotterdam kaaigast te worden.

Kaaigast, jawel, een goed baantje voor die landkrabben, maar niet voor een zeeman, die al bijna veertig jaren op de zee had rondgezwalkt.

Als ik zoo bezig was een Oostindievaarder te helpen lossen, dan dacht ik dikwijls: "Huib Maerlant, wat ben je toch een gek! Je gaat hier aan den wal om een vrachtje vechten, je verdient soms net zooveel als je noodig hebt om te kunnen leven en soms niemendal! Je kost is dunnetjes, je slaapplaats niet te best en slaven en draven is de boodschap als je niet van honger sterven wilt. Je doet nou net als die lange slungels, die bang zijn om ter zee te varen, omdat ze op zee kunnen verdrinken. Je bent een flauwerd, Huib, een rechte Jan Salie, ja, dat ben-je!"

Bovendien was het aan den wal ook al niet pluis. De vrede met Spanje is tegen den zin van onzen Stadhouder Willem gesloten en sedert, is het tusschen hem en de voornaamste Heeren in Holland ook al geen botertje tot den boôm. Dat is harrewarren hier en harrewarren daar. Zelfs onder ons sjouwerluî kwam er al verdeeldheid, en dat gaf maar oorzaak tot ruzie en vechtpartijen.

Jelui weet het allen zoo goed als ik, dat de Prins zes heeren op Loevestein heeft gevangen laten zetten omdat hij deze voor de hoofdpersonen hield, die alles wisten door te drijven wat hij niet geern zag.

En wat was het gevolg?

Jan trok partij voor de mannen van Loevestein en hunne kornuiten, en Piet zeî alweêr: "De Prins heeft wel groot gelijk, dat hij zoo doet!"

Zoo dat, wil ik maar zeggen, iedereen partij koos.

Nu ben ik op mijn manier niemendal. Ik kan niet zeggen dat ik zoo bijzonder voor den Prins ben, en ik kan ook niet zeggen, dat ik zooveel op heb met de Heeren Staten van Holland. Ik heb in die dagen ondervonden, dat ik voor landkrab niemendal deug; maar het leelijkste was, dat ik daar zelf nooit aan gedacht had, tot op zekeren mooien dag, nu misschien een jaar geleden.

Het ging me nu altijd zoo wat als dien Voornschen boer in den tijd van de Hoeken en Kabeljauwen!"

"Welke boer was dat, Huib?" vroeg Jonge Kees.

"En weet je dat niet? Luistert dan maar, ik zal je 't vertellen. In den tijd toen de menschen hier te lande verdeeld waren in Hoekschen en Kabeljauwschen, liep Krelisboer van Nieuwenhoorn, toen hij van zijn werk kwam, met een dorschvlegel op zijne schouders naar huis. Pas had hij een stap of wat gedaan, of daar kwam een troepje Kabeljauwsche schobbejakken aan. [18]

"Hei, boer," riepen ze, "wat ben je, Kabeljauwsch of Hoeksch?"

Krelisboer, die geen onderscheid zien kon tusschen Hoeken of Kabeljauwen, zeî op de bonnefooi [19]: "Wel Hoeksch, mannen!"--

"Wacht, we zullen je Hoekschen," riepen die luî en gaven Krelis een hard pak slaag.

"Dat heb ik al vast beet," dacht onze maat en ging verder.

'T was of het werk sprak, daar kwam weer zoo'n troepje van die vechtersbazen; maar dat waren Hoekschen, en die vroegen ook aan Krelis: "Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?"

Krelis voelde nog de klappen, die hij had gehad en zeî: "Kabeljauwsch, mannen! Rondom Kabeljauwsch!"

"We zullen je Kabeljauwschen!" was het antwoord en daar ging het weer, van hetzelfde laken een pak.

"Die heb ik al weer beet," zeî Krelis, "maar nou zullen ze me niet weer vangen!"--

Daar kwam het derde troepje en 't was al weer: "Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?"

"Wel," zei Krelis, "dat zal ik jelui nou eens netjes vertellen! Eerst ben ik Hoeksch geweest, toen Kabeljauwsch en nou ben ik duivelsch!" en den dorschvlegel van zijn schouder nemende, sloeg hij net zoo lang links en rechts, tot al de lui op den loop gingen.--

Maar hoort nu, hoe het verder met me afliep.

Daar was een rijk geladen Oostindie-vaarder thuis gekomen en lag aan den wal te Rotterdam. Ik stond al sedert een paar dagen op werk te loeren, en schoot nu als een pijl uit den boog op het schip toe, dat nog niet eens aan de ringen gemeerd was. [20]

"Hei, jij, ouwe robbevanger, houd je maar mak!" riep een jonge kaaigast, dien ik tegen het lijf liep. "Dat vrachtje is voor ons!"

"Heeft de kapitein jeluî dan al aangenomen?" vroeg ik.

"Neê, maar jij blijft er af, 't is voor ons!" zeide de ander en duwde me met een flinken ribbestoot terzijde.

Nou ben ik wel geen vechtersbaas in mijn hart, althans niet op het land, maar om me zoo maar een opstopper te laten geven door den eersten den besten kwâjongen, dat en ging toch niet en daarom lichtte ik mijn' arm even op om mijn vuist op zijn ruigen krullebol te laten vallen en zeî: "Daar heb je al vast een teerpenning op het vrachtjen vooruit!"--

Maar, o wee, pas had ik dat gedaan of een stuk of tien van zijne kameraads trokken zijne partij en begonnen me te kloppen, dat mij alles groen en geel voor de oogen werd. Gelukkig hadden eenige van mijne kameraads, die vroeger ook gevaren hadden, gezien hoe ik er van langs kreeg en in een ommezien, waren ze bij me.

"We zullen je helpen, Huib! Houd je maar taai!" riepen ze en begonnen onder het schreeuwen van: "Landkrabben!" ankersmidje te spelen. Hunne vuisten waren de voorhamers en de koppen van de "Landkrabben" de aanbeelden. Dat was een geklop en een getier van belang! Al vechtende schoven we al verder en verder achteruit en hiervan maakten andere kaaigasten, die niet van kloppen hielden, gebruik om aan boord van het schip te gaan en ons de lading te ontfutselen.--Wij, oude zeerobben, waren in de minderheid en weken meer en meer achteruit, totdat wij onzen kans schoon zagen en aan den haal gingen.

Ik zag er vreeselijk uit, en juist was ik bezig met mezelven wat op te knappen, toen een man mij op den schouder tikte.

Ik keek hem aan en dacht: "Jou heb ik meer gezien!"

Hij had een netzakje met springlevende bot aan zijnen arm hangen en het zakje openende, haalde hij er een van de wildste botjes uit en leî het op straat neer. Het dier lag erg te spartelen, maar kwam niet ver.

Ik keek hem aan, alsof ik zeggen wou: "Schort het je in je bol?"

De man lachte even en zeî: "Als een visch op het droge, Huib!"

Nu herkende ik hem. Het was stuurman Willem Adriaense Warmont, die mij vroeger gezegd had, dat er tweeërlei soort van menschen waren, doch ik was het vergeten.

"Hoe maak-je 't, ouwe jongen?" vroeg ik en stak mijne hand uit.

"Goed, goed, Huib! Zeker tienmaal beter dan jij! Je ziet er uit als een uitgeklopte wolbaal! Ben-je heelemaal vergeten wat ik je eens gezegd heb?"

"Jij mij gezegd? Wàt heb je mij gezegd?"

"Ja, ja, ik! Weet je niet meer hoeveel soorten van menschen er zijn?"--

"o, Ja, dat 's waar ook: matrozen en landkrabben!"--

"Precies, Huib! Maar wat doe je nu hier? Kan een visch op het droge en eene krabbe aan den wal leven? Neen, man, je bent buiten je element en 't zal je gaan als de Wolf waarvan de Heer Raadpensionaris Jacob Cats spreekt!"--

"Wat zegt die excellente puikpoëet dan?"--

"Ken je 't versje niet? Nou hoor dan: Er staat boven: Wann de Wolff altet, soo reiten hem de Krehen.

"Eens was ick hoogh geducht; geen beyr en quam mij tergen, Geen leeuw en hadder lust om mij een krijght te vergen, Ick was in 't woudt gesien, en overal gevreest, Maer nu ben ick een spot oock van het minste beest, Oock van 'k en weet niet wat: nu rijen mij de kraeijen, Omdat ick mijnen hals niet om en weet te draeijen, Omdat ick niet en ben, omdat ick niet en mach, Omdat ick niet en doe, gelijck ick eertijts plach. Nu ben ick maer een romp; want oock mijn eijgen jonghen, Die komen tegen mij, en over mij gesprongen: Eijlaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaam beeft, 't Is uijt wanneer de wolf sijn tanden over-leeft."

"Nou, ja, maar ik en heb mijne tanden nog niet overleefd," zeide ik.

"Nee, Huib, nog niet; maar blijf nog eens een jaar aan den wal, dan ben je net als dit botje!"

Hij wees op den visch, die niet meer spartelde, maar dood op den grond lag.

"Ik wil het gelooven, je hebt er op getrapt!" gaf ik heel wijs ten antwoord.

"Je bent gladder dan ik dacht, Huib," zeî de ander weer, en na nog eene levende bot uit het netzakje gehaald te hebben, smeet hij het beest in de Maas.

"Ben je nou heelemaal van lorretje gepikt?" vroeg ik.

"Ik geloof het niet; maar trap die bot eens dood als je kan!"--

"Welke bot?"

"Wel, die ik in de Maas smeet!"

"Dat kan niet, dat beest is vrij en jij en krijgt je vischje nooit meer weerom!" antwoordde ik.

"Dat 's niemendal, Huib! Als ik jou maar overtuigen kan, dat een matroos nooit eene goede landrot worden kan, dan heb ik er het heele zootje voor over! Je moet alweer naar zee, Huib, anders, en 't is zoo vast als een ringbout in het dek, heb je, eer we een jaar ouder zijn, even als de wolf, je tanden overleefd!"--

"Maar ik en heb geen zin meer in het varen!" gaf ik eenigszins schoorvoetend ten antwoord.

Rrrt, daar vloog de netzak met bot de Maas in en stampvoetende van kwaadheid, riep hij: "Daar heb-je 't! Daar heb-je 't! Jawel, als de luî bang beginnen te worden voor een mondvol zeewater, als ze liever dunne landkrabbensoep eten dan matrozengort, zeg dan maar: "Adjuus, Vereenigde Provinciën! Heel de wereld groeit je over den kop en je bent in tel als eene rotte kool bij eene groenvrouw! Huib, Huib, weet-je 't dan niet, ouwe jongen, dat de zee voor ons Gemeenebest alles is? Ze geeft ons brood, drank, kleeding, woning, geld, macht, kloekheid en stevigheid! Hoor naar mijne woorden, Huib, en let er wel op! De dag waarop voor het eerst gebrek is aan zeevolk op onze schepen, die dag zal de eerste zijn van den ondergang van ons Land!

Heb je je Land lief? Naar zee!

Wil je graag een eerlijk en goed stuk brood verdienen? Naar zee! Naar zee!

Wil je weten hoe rijk de lieve God onze aarde geschapen heeft; wil je knap, wijs en verstandig worden; wil je gezond blijven, oud worden en een gerusten, onbezorgden ouden dag beleven? Naar zee! Naar zee!

Wil je graag rond en oprecht blijven; houd je niet van listen en streken? Naar zee! Naar zee!"

Onderwijl de stuurman zoo in vuur geraakt was onder het spreken, waren er van alle kanten mannen en vrouwen komen opdagen, die met open ooren en monden stonden te luisteren. Dat zag de wakkere man en toen hij even ophield met spreken om adem te halen, klonk het hier en daar: "Ga voort, ga voort!"

En Warmont sprak: "Ik en weet niet of jeluî altemaal Rotterdammers zijt; maar wat geeft dat? Ik ben een vrije, vrije Fries, die daar"--hij wees op mij--is een Briellenaar! De Unie telt zeven gewesten en bijna ieder van de zeven kibbelt om den voorrang! Hier aan den wal zijn we niet één, niet twee, niet zeven, neen, wel honderden meer! Zooveel vroedschappen, zooveel landjes,--zooveel gilden, zooveel baasjes! Maar op zee, op zee zijn we één! Daar legt de Ommelander zijn knuist in die van den Zeeuw, de Drentenaar maakt kameraadschap met den Hollander, de Stichtenaar zweert den Fries houw en trouw, en als ze allemaal bij elkaêr zijn, dan kijken ze naar het oranje, blanje, bleu, aan den achtersteven en hebben maar één vijand en één vriend! De vijand is hij, die ons voor den boeg komt;--de vriend is de Oceaan, die ons op zijne golven de schatten van Oost en West van Zuid en Noord aanbrengt, die ons kloek en krachtig maakt, en die ons den vedel speelt of den trommel slaat, als we aan den dans willen gaan! Mannen van het Gemeenebest der Vereenigde Nederlanden, meen je 't wel met je Land, met je vrouw, met je kinderen, meen je 't wel met je zelven, smijt dan den kiel van den baliekluiver, de ganzenveer van den armen klerk weg, schiet het matrozenbuis aan en, naar zee, naar zee!" [21]

Het zweet gutste den stuurman van het voorhoofd en terwijl hij zich het gelaat stond af te drogen, schreeuwde de menigte: "Hoezee! Hoezee!"

Dien dag werd ik met nog twintig anderen weer zeeman; ik ben het nog en ik hoop het nog een poosje te blijven om "Goede vaer Tromp" nog eens in al zijne kracht te zien; want dat is vast: vrede met Engeland houden we niet! En, als de oorlog uitbreekt, dan zullen we toonen, dat we, al zijn we oud, onze tanden en handen niet overleefd hebben. "Goede vaer Tromp" zal voorgaan, dat is zeker, en wij zullen volgen, dat is ook zeker!"--

* * * * *

Huib rees op en ging ter kooi; want de avond was gevallen, en ieder der hoorders volgde zijn voorbeeld.

Thans wist men ook wie Tromp was.

HOOFDSTUK X

Houw en Trouw.

Koning Karel I van Engeland had zijne stijfhoofdigheid en de woelingen der burger-partijen met zijn leven moeten boeten. Den negenden van Sprokkelmaand beklom Karel het schavot en ten aanzien van duizenden toeschouwers sloeg een gemaskerde beul hem het hoofd af.

Zulks geschiedde op bevel van zijne tegenpartij aan wier hoofd een zekere Olivier Cromwell stond.

Die Cromwell was ontegenzeggelijk een knap man--Engeland heeft veel aan hem te danken--en Koning Karel had groote gebreken gehad en vele verkeerdheden begaan; maar de haat, dien hij den Vorst toedroeg was veel te verregaand.--Toen hij het doodvonnis van den Koning onderteekend had, streek hij zijne met inkt gevulde pen over het gelaat van zijnen vriend Martyn en zeide: "De beurt is aan u!"

Een mensch, die rechtschapen is, kan zóó al vast geene doodvonnissen onderteekenen.

Intusschen was Karels oudste zoon, die hem later als Koning opvolgde, na vele vergeefsche pogingen aangewend te hebben om de kroon te heroveren, het land ontweken, en vertoefde nu eens hier en dan daar. Zoo kwam hij ook in Den Haag en genoot daar van vele zijden gastvrijheid.

Cromwell, die na het eindigen van den burgeroorlog Lord-protector van Engeland geworden was, had al vroeger bij onze Staten aanzoek gedaan om zich met Groot-Brittannië tot één gemeenebest te vereenigen. Maar hoe genegen sommigen Cromwell nu ook waren, dáárin hadden ze volstrekt geen lust, en het aanbod werd dan ook eenstemmig van de hand gewezen.--Dit hinderde den Lord-Protector erg en bovendien was hij ontevreden op ons, omdat de Prins van Wales, Koning Karels oudste zoon, hier te lande zulk eene gastvrijheid genoot. Ieder oogenblik had de man wat met ons uitstaande, nu over dit, dan over dat; maar het meest over zeezaken. Het ging ons gemeenebest zeer voordeelig en nog hadden we in Europa den naam, dat we de eerste mogendheid ter zee waren! Dat hinderde de Engelsche natie vreeselijk en Cromwell was er steeds op uit dat aanzien en die eer te fnuiken.--Stoutweg verklaarde de Engelsche regeering, dat zij de eerste zeemogendheid was en beweerde, dat iedere Natie verschuldigd was hare vlag te eeren en hulde te bewijzen. Wie dat niet deed zou als vijand beschouwd en behandeld worden. Men gaf brieven van kaapvaart aan ieder, die meende, dat hij door de Nederlanders in een of ander opzicht benadeeld was geworden. Stoutweg voeren die kapers dikwijls onder de Engelsche vlag, en dan was het toch wel erg vernederend om de vlag voor eenen kaper te strijken.

Eindelijk begon men hier toch in te zien, dat het zoo niet langer blijven kon en daarom werd er den derden van Lentemaand 1652 besloten honderdvijftig schepen van oorlog uit te rusten.

Het duurde dan ook niet heel lang of Admiraal Tromp kon met vijftig tamelijk goed uitgeruste schepen zee kiezen. De bestemming van die vloot was, onze koopvaarders te beschermen en zorg te dragen, dat maar niet iedereen, die daartoe lust gevoelde, ze onderzocht. Over het strijken van de vlag werd niets gezegd. Zeker omdat men toch wel begreep, dat dit den oorlog niet verhinderen kon. Toch kreeg Tromp bevel zoo veel mogelijk van de Engelsche kust af te houden, daar men zelf zoo lang dit maar kon den oorlog wilde uitstellen, en althans dien niet beginnen.

De Admiraal besloot, was het ook met heel veel moeite, dit bevel ten uitvoer te brengen en ankerde met zijne vloot tusschen Duinkerken en Nieuwpoort; maar door een Noord-oosten storm beloopen was hij genoodzaakt de ankers te lichten en zich om den hoek van Dover in veiligheid te stellen. Nauwelijks was hij daar aangekomen, of hij zond twee fregatten uit om den Engelschen Kommandeur Bourne, die bij Duins lag, uit zijnen naam te begroeten en tevens te zeggen, dat hij van Dover vertrekken zou, als hij het doel van zijnen tocht bereikt had.--Bourne liet hem heel beleefd terug groeten en het scheen wel, dat het haast eene onmogelijkheid was, dat er van oorlog sprake kon zijn.

Maar, 't was de stilte, die de uitbarsting van een vulkaan voorafgaat.--

'T was nacht!

Eenzaam en stil lag daar een schip op de baren der Noordzee te wiegelen. Als men evenwel wat scherper toekeek dan zag men hier en daar, donkere plekken zich tegen de bewolkte lucht afteekenen, en zoo nu en dan een licht.

Aan boord van het schip, dat we thans betreden, vinden we drie mannen, die de wacht houden.

De oudste is Huib, die, op een hellebaard geleund, zijne oogen in het rond laat gaan als eene kat, die eene prooi zoekt.