Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden
Part 6
De vloot, die dan afgezonden was om in Duitschland, in ons Land, of te Duinkerken de poppen aan het dansen te krijgen, was wel zeven en zestig zeilen sterk. Zelfs waren er vier galjoenen bij, die van vier en vijftig tot acht en zestig kanonnen aan boord hadden.--Ze had bovendien tienduizend man landingstroepen aan boord en even zooveel zeesoldaten. De Ammiraal van die vloot was Don Antonio D' Oquendo, die in dien tijd voor een heelen bol doorging. Maar eer die vloot in Het Kanaal kwam, had Tromp nog een ander appeltje te schillen met de Duinkerkers. Die luî waren met den dag brutaler geworden. In zes jaren tijds hadden ze van die van Maassluis alleen ruim tweehonderd haringbuizen genomen, die te samen zoo ongeveer een millioen guldens waarde hadden. Men zegt zelfs, dat een Duinkerker door zeeroof zoo rijk geworden was, dat hij den Koning van Spanje twaalf oorlogsschepen aanbood, als deze hem eene ridderorde wilde schenken.
Nu was Tromp van plan de haven in te sluiten, maar eer wij er waren hadden reeds twintig schepen het ruime sop gekozen. Onze heele macht bestond uit twaalf scheepjes, doch de Ammiraal was de man niet om het nu op een loopen te zetten, en daarom pakte hij ze maar dadelijk aan, en hij deed dit zoo knap, dat de vijand na twee schepen en zestienhonderd man verloren te hebben, het hazepad koos. En, het mag gezegd worden, zijn de Duinkerkers en Spanjolen knap in het stelen, ze zijn ook knap in het aan den haal gaan.--
Toen we van dien vijand zoo netjes afgekomen waren, was er wat te doen in ons Landje, en de Heeren Staten waren er zoo mede in hunnen schik, dat ze Tromp eene prachtige gouden keten gaven. De Koning van Frankrijk vereerde hem met de orde van Sint-Michiel.
Ondertusschen bleven wij in Het Kanaal kruisen, verlangend naar het oogenblik, dat we de vloot, waarover al zooveel geschreven en gezegd was, eens onder de oogen konden zien.
De vijandelijke schepen waren vast grooter van bouw dan de onze, maar wat gaven wij daar om?
"Grooter," riep er een, "ei wat, grooter! 'T zit 'm in de grootte niet! Als een olifant eene kat vervolgt, en poesje kruipt door de tralies van 't keldergat, dan staat meneer de olifant op zijne lange slurf te kijken, als Jut voor het landhek!"
De vijandelijke vloot telde ook meer schepen dan de onze! Maar wat gaven wij daar om?
"Meer schepen," riep een tweede, "meer schepen, wat zou dat? 'T zit 'm niet in zoo 'n menigte schepen! Eén vliegje maakt het twintig paarden op een' dag lastig!"--
De vijandelijke vloot telde meer kanonnen en meer manschappen! Maar wat gaven wij daar om?
"Meer kanonnen en meer zeevolk," riep een derde, "wat zou dat? Twintig haviken pikken naar ééne zwaluw en zij krijgen haar toch niet; want het beestje is die luî te glad af!"--
De vijand had een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal! Maar wat gaven wij daar om?
"Een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal," riep een vierde, "wat zou dat? Wij hebben Tromp, De With en Banckers! Tellen die drie niet voor honderd Spaansche Dons met namen van 'k weet niet hoe lang wel?"---
Zoo kon men nu eens dit en dan eens dat hooren; maar niet een was er, die den kop moedeloos hangen liet en voor Jan Bang speelde.
Eindelijk kregen we den vijftienden van Herfstmaand de vijandelijke schepen in het gezicht. Het was een prachtig schouwspel, vooral daar ze den wind vlak voor het lapje hadden.--
Tromp zond dadelijk een der kleinste vaartuigen uit om De With, die op de hoogte van De Cingels kruiste en Banckers, die de haven van Duinkerken ingesloten hield te gaan waarschuwen.--Om de zijnen te laten weten waar ergens hij zich bevond, liet onze Ammiraal om het half uur seinschoten doen, en vast moet Witte die gehoord hebben, want hij was met zijne vijf schepen al op weg om Tromp op te zoeken toen hij de tijding kreeg, dat de Spanjaard in het gezicht was. Toch verliep er nog een geheele dag eer hij zich met ons vereenigen kon, want hij had den wind vlak tegen.
Ik, die weer aan boord van Tromp diende, maar door hem niet herkend, of mogelijk niet gezien was, stond onbewegelijk op de boot te kijken, die van Witte's schip neergelaten werd. 'T spreekt van zelf, dat hij bij Tromp moest komen, omdat hij als Vice-Ammiraal onder hem stond.--
De boot leî aan den valreep, doch door onvoorzichtigheid van één der roeiers sloeg ze alweer terug, en daar had je het lieve leven gaande.
Razen, vloeken, schelden, tieren, anders hoorde men niet. De roeier kreeg, zooals mijn neef uit Sommersdijk zeggen zou, een boterham van belang.
Toen hoorde ik geschop, gestommel en getrap en eindelijk, daar stond hij in levenden lijve! Wat was dat "Kregel Mennonietje" veranderd! Zijne oogen draaiden onder zijne donkere wenkbrauwen als kooltjes vuur in het rond, en dikke plooien liepen van zijnen neus naar zijn hoog en breed voorhoofd. Alles was beweging aan hem; hij stond geen oogenblik stil en hij keek naar de Spaansche vloot, alsof hij die geheel alleen zoo maar op de vlucht kijken kon.
"Daer eî-je noe dat vloekbeest van 'n veint!" zeî een Zeeuwsch matroos achter me tot zijn kameraad, die ook uit Zeeland was, en per ongeluk op de Hollandsche schepen dienst deed.
"Wat eit ie alevel 'n zuur gezicht! Ie liekt veel op vaoders wacht'ond Turk! Nee, mer oor is, ik zou ik ok liever z'n biebel weze as z'n matroos, 'oore! En jie Uub?"--
Met dat "Uub" bedoelde hij mij, maar ik was te veel in gedachten om met die twee Zeeuwsche mannen te gaan praten en daarom zei ik maar: "'K en weet niet!"--
Ik kon mijne oogen niet van Tromp en Witte afhouden! Een goede dertig jaren geleden waren die twee mijne speelkameraads! En hier waren we weer alle drie. Een Luitenant-Ammiraal, een Vice-Ammiraal en ... een matroos!--Als ik kapitein ben dan wordt ge mijn pluimgraaf, had ik tot Witte gezegd, toen hij nog "Kregel Mennonietje" was. En nu ... Jonge Kees, ik heb me toen een klap in mijn gezicht gegeven van nijd, en 't was me, of 'k alweer dien Brielschen schoolmeester met zijn "Kwikkwik" voor me zag staan!
Hoe lang ik daar had staan droomen, dat en weet ik niet; maar eensklaps werd ik wakker en ik hoorde Tromp zeggen:
"Dus De With! je denkt dat...."
"Ik denk niet, ik zeg dat wij die luî daar aanpakken moeten. Zeventien Hollandsche jongens kunnen het wel een paar dagen tegen die vijgeneters uithouden, durf ik zeggen! Er zal wel versterking komen uit Holland en Zeeland. Laat mij maar voorop gaan! Ik zal die Spaansche langslapers een deuntje voortrommelen, dat ze een paar ooren opzetten zoo lang als die van hunne ezels! Bang,--bah, wie bang is moet op schildwacht!"--
"Goed," sprak Tromp, maar bleef heel bedaard, "goed, we zullen den vijand te lijf gaan! Bottelier, breng wijn! We zullen op den goeden uitslag klinken en drinken!"--
"En als de wijn op is, dan halen we wat bij den Spanjool," riep Witte en dronk in eenen zijnen beker ledig.
Het was of de Spanjaard geroken had wat er bij ons aan boord besloten was; want de vloot stelde zich in beweging en kwam recht op ons af. Don D'Oquendo was voorop!
Eer de vijand nog één schot gedaan had, was Witte al aan den gang. Hij liet zijne kogels vliegen als een bakker, die op Sint Silvester pepernoten te grabbelen gooit. Maar wij deden voor hem niet onder, dat verzeker ik je. 'T ging er aardig langs en het duurde niet lang of de vijand bedankte er voor den strijd langer voort te zetten, en liep met klein zeil om de noord naar den hoek van De Cingels. Den volgenden dag werden we door stilte en mist genoodzaakt stilletjes te blijven liggen, doch tegen elf uren in den nacht, toen de mist optrok, gaf Tromp bevel om het spelletje van den vorigen dag nog eens te beginnen. Om één uur begonnen we en eerst des morgens te tien uren hielden we op. Zoo vechtende waren we met den vijand naar De Hoofden afgedreven en hadden we al eens een enkel oogenblik eene harde noot te kraken gehad, niemand dacht er aan, dat we het wel eens konden verliezen, en vooral dachten we dat niet meer, toen de Commandeur Banckers onze kleine vloot met twaalf schepen kwam versterken.--De Spanjaard had ondertusschen de wijk genomen naar Duins en meende zeker, dat we 't wel niet in het hoofd zouden krijgen hem daar aan te pakken. En jawel, net waren we van plan den vijand al weer aan te vallen, toen meneer John Pennington bij ons aan boord kwam en in zijn Koeterwaalsch zeî: "Tromp, je hebt de groetenissen van Koning Karel van Engeland, en hij laat je weten, dat je, als je met den Spanjaard aan het bakkeleien en plukharen wilt gaan, dat dan maar op een ander plaatsje doen moet; want de Koning wil geen vreemde pottekijkers in zijn keuken hebben! Begrepen?"--
Hier werd Huib door een der matrozen in de rede gevallen, die zeî: "Zeg, Huibje, je verstaat geen Engelsch, hoe weet je dat die Pennington dat gezegd heeft?"--
"Och, loop," hernam Huib, "dat kon ik wel raden; want van vechten kwam er dien dag niemendal. Dat speet ons wat, dat kunt ge begrijpen; want we hadden er pret in gekregen. We hadden ons hart opgehaald "als Keuningen"!-- Ondertusschen begon het bij ons een mooi gezicht te worden; want met iederen dag werd onze vloot versterkt. Daar was leven in ons Land gekomen, en een leven, daar je geen begrip van hebt!"--
"Tuit, tuit, niet zoo haastig, kompeer," sprak thans dezelfde matroos. "Ik kan me dat best voorstellen, want ik heb Witsen's Scheepsbouw en Bestier, gelezen en daarin stond: De kaden, havens en scheepstimmerwerven van Holland en Zeeland woelden en grimmelden van nieuwe toerustingen te water en te land. Het scheen niet dat men van alle kanten schepen timmerde, maar of ze van zelve groeiden. Men zag geen opbod van Matrozen, maar hen van zelven in de schepen vallen!"--
"Ja," hervatte Huib, "gelezen is niemendal, je moet het gezien hebben, zooals ik het gezien heb. Met De With werd ik naar 't Vaderland gezonden om de gekwetsten en den behaalden buil over te brengen en om versterking te vragen. Toen heb ik het met mijne eigen oogen gezien, dat er te Rotterdam op één dag meer dan honderd matrozen zich aanmeldden. Het scheen wel, dat daar bij Duins suiker met potlepels en goud met emmers te scheppen was. Waar je kwam, ging of stond, daar hoorde je niets dan van Tromp, De With, Banckers, Evertsen, Duins, Engeland en Spanje praten. Jongens, ik ben blij, dat ik dien tijd beleefd heb! Wat gaf ik er toen om, dat ik maar matroos was! "Alles voor mijn Land en voor onzen Ammiraal!" dacht ik en duizenden dachten als ik.
Ondertusschen lagen we reeds eene maand voor Duins. Onze vloot was reeds tot negentig schepen aangegroeid en iedereen brandde van verlangen, om toch weer eens van leer te trekken; maar hierin werden we iederen dag teleurgesteld. De Engelschen wilden niet hebben, dat we op hunne reede aan het vechten zouden gaan, en reeds was men begonnen ons te dreigen, dat ze den Spanjaard helpen zouden, en uit Holland, waar men ook bevreesd was, aan te tasten, omdat men vreesde met Engeland in onmin te komen, kwamen ook iederen dag allerlei boodschappen.
"Welnu," zeî Tromp, "dat de Spanjaard dan in de open zee kome, daar vecht ik ook liever!"--
Meneer Pennington bracht die boodschap naar zijnen vriend D'Oquendo, doch kwam al heel gauw terug en zeî: "De groeten van Don Antonio en hij laat je weten, dat hij niet kan uitzeilen, omdat hij gebrek heeft aan masten en stengen, die hij te Dover heeft laten liggen!"--
"Als 't anders niet is, dan zullen we dat varkentje wel wasschen," sprak Tromp. "Ik zal ze laten halen!"--
Terstond werden eenige schepen naar Dover afgezonden, en de Spanjaard had zijn wensch; maar toch kwam hij niet.
Daar kwam Pennington alweer en zeî: "Hoor eens, Tromp, onze goede vriend zou wel eens even met je aan den slag willen gaan; maar de man heeft geen buskruit!"
"Dat 's niemendal," luidde weer Tromps antwoord, "ik zal hem eenige duizenden ponden verschaffen!"--
Ook hieraan werd terstond gevolg gegeven, maar.... de Spanjaard bleef waar hij was.
Eindelijk kwam er bericht van Hunne Hoogmogenden, dat men nu terwille van Engeland genoeg gesammeld had, en dat er een einde aan komen moest. Tromp mocht gerust den Spanjaard aanvallen, onverschillig waar hij hem vond.
In den nacht tusschen den twintigsten en eenentwintigsten van Wijnmaand liep de wind naar het noordwesten en was dus bijzonder in ons voordeel om den vijand van de reede te verjagen. Hoe lang D'Oqueudo ook al had kunnen voorzien, dat hij eindelijk toch wel aangevallen zou worden, toch kwam de aanval nog onverwacht en vele schepen waren genoodzaakt hunne ankers te kappen. Hierdoor ontstond verwarring en deze werd niet weinig vermeerderd toen ze elkander op de nauwe reede weldra in den weg kwamen, en eindelijk aan den grond bleven zitten.
Hieraan stoorde Tromp zich niet en hij stoorde zich nog minder aan de Roôrokken, die met het geschut uit hunne sterkten de Spaansche schepen in bescherming namen. Oorverdoovend was het gedonder van het geschut, en de Spanjaarden van de schepen, die omhoog zaten, kregen het zoodanig te kwaad, dat ze hals over kop in het water sprongen en zwemmende hun leven trachtten te redden. Onderwijl Tromp zich zoo bezig hield met de schepen op de reede, had Ammiraal Jan Evertsen het Portugeesche gedeelte der vloot aangetast. De Portugeezen vochten dapper, en zeker zouden ze niet zoo geheel verslagen zijn geworden, als het Ammiraalschip De Theresea, die wel duizend man aan boord had, niet in de lucht gevlogen was. Onder al die bedrijven was het D' Oquendo toch gelukt in zee te loopen, doch hier was hij evenmin veilig als op de reede. Woedend werd hij aangevallen en woedend verdedigde hij zich. Toch zou hij op het laatst zich hebben moeten overgeven; maar eene mist en daarna een hevige wind stelden hem in staat met een tiental schepen te Duinkerken binnen te loopen. Van de zevenenzestig schepen bleven er achttien behouden; voor het overige was die schoone vloot vernield, of in handen der onzen. Wij namen ongeveer tweeduizend man gevangen en vijfduizend waren gesneuveld of verdronken. Wij verloren slechts honderd man en één schip. De vreugde te beschrijven, die er in ons land heerschte, kan ik niet! Dat moet men bijgewoond hebben. Groot en klein, rijk en arm, oud, jong, aanzienlijk en gering, iedereen was vol vreugde. Gedenkpenningen werden geslagen, gouden ketenen werden uitgedeeld en de poëeten maakten liederen, die klonken als klokken. En de luiden, die zoo juichten hadden het bij het rechte end, want als de Spanjaarden eens overwonnen hadden, dan had het er voor de Vereenigde Nederlanden niet te best uitgezien. Met de vrijheid en onze macht ter zee was het al vast gedaan geweest en, als we die moeten missen, dan is het met ons land mis. Op de zee ligt onze welvaart; op de zee ligt ons bestaan;--op de zee ligt ons alles! De Zee is de bruid van ons Gemeenebest, en wee ons, als die bruid door eenen driesten vijand ons ontnomen wordt!
HOOFDSTUK IX
Naar Zee! Naar Zee!
Na de schitterende overwinning bij Duins kon een groot gedeelte van de oorlogsvloot, waaronder ook vele koopvaarders waren, naar de havens terugkeeren, of hunne reizen naar Oost en West hervatten.
Rust kwam er evenwel niet; want de Duinkerkers waren er nog met hunne roofschepen, en, al zeî ook heel de wereld, dat wij de eerste mogendheid ter zee waren, daaraan stoorden deze luiden zich niet, ja, 't was of ze met den dag brutaler werden.
Onderwijl wij voor Duins lagen hadden zij hun kans waargenomen, en ze waren aan het rooven getrokken, dat het een aard had. Op één enkelen dag maakten ze eens elf schepen prijs. Ze kwamen zelfs tot voor Aland in de Bothnische golf, namen daar een Nederlandsen oorlogsschip en vier koopvaarders en sleepten uit de baai van Shetland nog vier onzer oorlogsschepen mede.
Het gebeurde dat er wel zestig Duinkerker-kapers te gelijk in zee waren.
Nu deed Tromp wel wat hij kon om dien luiden dat rooven, plunderen en moorden af te leeren; maar hij kon toch met zijne vloot niet op alle plaatsen te gelijk zijn. En toch, hoe akelig en naar het voor onze kooplieden was zoo telkens bestolen te worden, toch houd ik vol dat ze die Duinkerksche baasjes wel eens mochten gaan bedanken, inplaats van ze te verwenschen.
Weet je waarom?
'T is anders zoo duidelijk en klaar als een lantaarn in het donker.
Door die slimme en dappere Duinkerkers telkens gefopt, moesten we op het laatst ook wel slim en dapper worden, of we wilden of niet! We werden, als ik het zoo eens zeggen mag, zoo glad als een aal, zoo slim als een vos, zoo brutaal als een wolf en zoo dapper als een leeuw.
De geest van Tromp is in velen gevaren, en er is nooit een schoolmeester geweest, die zijnen discipelen zoo goed zijne schrijfhand leerde namaken, als Tromp zijnen kapiteins zijne manier van oorlog ter zee voeren!
Laat Witte Cornelisz. De With maar eens toekijken als we aan het vechten gaan, dan zal hij zien van wien de onderbevelhebbers meer geleerd hebben, van hem of van Tromp.
Die eene Brielsche kwâjongen is méér dan de andere, de roem van zijne stad en de eer van zijn Land geworden!
Onderwijl we zoo tegen de Duinkerkers kruisten kreeg De Haese, dit was de naam van het schip waarop ik voer, bevel om met nog eenige andere vaartuigen, die onder het oppergezag van Ammiraal Aertus Gijsels stonden, naar Portugal te stevenen om daar den nieuwen Koning een handje tegen de Spanjaarden te helpen.
In Oogstmaand van '41 liepen we uit, zoodat ik tot mijn spijt niet behoorde tot de luî, die met Ammiraal Tromp, den zoon van Frederik Hendrik naar Engeland gingen brengen.
Ik had dolgraag dat gezicht van dien Engelschen Koning Karel eens gezien. Hij ontving Tromp heel beleefd en stelde hem zelfs aan de koningin voor als den grootsten Ammiraal der wereld. Nu kunnen ze me nooit wijsmaken dat die Koning dat meende; want bij Duins had Tromp getoond dat Koning Karel bij hem niet erg in tel was. Maar dat zijn dingen waaraan een zeeman niet denken moet en ik zou haast gelooven, dat de wakkere stuurman Willem Adriaense Warmont gelijk had toen hij zeî: "Ben-je mal, jongen, wat bekommer je jezelven over dingen, daar je toch niet bij en kunt met je verstand? Weet je dan nog niet dat er tweeërlei soort van menschen zijn en wel matrozen en landkrabben? Als ik jou tegenkom en ik heb wat tegen je, dan zeg ik: "Hier ben ik! en jij zegt dan: "En ik ben hier!"--En als we dan zoo over en weer mekaêr gegroet hebben, dan pak ik jou bij je kraag en jij mij, en dan gaat het links, rechts, neer, op, rechts, links, op, neer! net zoo lang tot een van ons beiden zijn bekomst heeft en zegt: "'K heb niemendal meer in te brengen, je bent, de baas!" Zie-je, Huib, zoo zouden wij, matrozen en varensluî, doen, en daar we toch wel nooit grutter of raadpensionaris zullen worden, zoo moesten we er ons zelven ook maar geen oogenblik het hoofd mee vermoeien met te denken wat de landkrabben doen!"--
Het was een rare sijs die stuurman, en daar hij veel geleerd had en bijster knap was, zoo en heb ik me ook maar nooit meer bekommerd over dingetjes, die geen stuurboord of bakboord gezien hebben.
Maar ik dwaal heelemaal van mijne geschiedenis af.
Onderwijl Ammiraal Tromp dan de Duinkerkers vervolgde en heel deftige bezoeken in Engeland bracht gingen wij naar Portugal om dat land een handje te helpen tegen de Spanjaarden. [10] Behalve Gijsels, die onze vlootvoogd was, hadden we onder hem nog als Vice-Ammiraal Jacob Pieterse Tolck, en als Schout bij Nacht den Vlissinger, Michiel Adriaensz. De Ruijter. Onder dezen laatsten diende ik.--Dat Gijsels een dapper en ervaren zeeman was is vast, maar of die Tolck dat ook was, dat en weet ik niet. Maar dat onze Schout bij Nacht een flinke kerel was, daar af zou ik jelui heel wat kunnen vertellen. Hij was toen nog maar vier en dertig jaren oud; maar zelden heb ik iemand van dien ouderdom gezien, die zóó moedig, zóó verstandig, zóó slim, zóó beleidvol, zóó goed, zóó rechtvaardig en zóó vriendelijk was als hij. Kijkt, jongens, ik en ben geen profeet, maar ik zie er in, dat diezelfde Michiel De Ruijter, die een kwâjongen moet geweest zijn zoo groot als er ooit een geleefd heeft, een Ammiraal zal worden zoo groot, dat hij den roem van onzen Marten in de schaduw zal zetten. Die man heeft alles wat een jong man hebben moet om eens een groot man te kunnen worden.--Van iedereen wil hij leeren van den Ammiraal af tot den kajuitswachter toe. Hij is niet zoo trotsch en eigenwijs om te gelooven, dat hij alleen alles weet! En dat behoort zoo! Zoo deden Piet Hein en Tromp ook. Zoo doet Witte Cornelisz. De With niet altijd en dat is zijn ongeluk.--
Onze vloot was slechts twintig schepen sterk en, daar ze meest allen nieuw waren en nog geen proeftocht gedaan hadden, zoo hadden we met veel moeielijkheden te kampen. En dan was de uitrusting ook alles behalve in orde. Het Ammiraalschip telde slechts 118 man, en bestond dan nog voor een groot deel uit luî, die nooit zeewater geproefd hadden. Reeds in Het Kanaal werden onze bevelhebbers het met elkander oneens, en toen er zoo'n klein stormpje opstak, liepen er zes van de tien te grienen en te huilebalken, te lamenteeren en te klagen, alsof hun leste uurtje al geslagen was.
En met zulke baliekluivers moesten we uit bakkeleien gaan. 'T stond bijster mooi aan.
Na verscheidene weken gekruist te hebben, ontdekten we in den vroegen morgen van den derden van Slachtmaand eene sterke vloot. Wij dachten eerst dat het de Portugeezen zouden zijn. Wij kwamen die luî helpen en het was dus niet meer dan een staaltje van hunnen plicht om ook mede te doen. Maar, jawel, ze lieten zich fluiten als een kikker in het riet, en al heel gauw werden we gewaar, dat het vlootje, dat we zagen aankomen maar eens even bestond uit negen groote Spaansche galjoenen, tien Duinkerksche koningsschepen, vier fregatten en één jacht. [11]
"Goeien morgen, Huib," zeî ik tot mij zelven, "goeien morgen, Huib, dat katje moet jelui vandaag de bel aanbinden! Dat zal er spannen!"--
Onderwijl ik dat zoo zeî, hoorde ik iemand achter me snikken. Ik keerde mij om, en, 't was om de oogen uit het hoofd te schamen, een reus van een kerel stond achter me te schreien als een kind, dat zijne koekskens in den modder heeft laten vallen.
"Wat hapert er aan jou, kameraad?" vroeg ik.
"Och, nou en zal ik nooit meer mijn lief Smeerdiek terugzien!" gaf hij mij ten antwoord. [12]
Zoo'n lummel!
"Denk-je dan dat je vandaag blind zal worden?" vroeg ik.
"Nee, jae, en toch nee! Mer ze zulle me herstikke dood schieten! En as ik dood bin, dan kom ik nooit niet meer weromme, en ik zien ik nooit niet meer m'n Smeerdiekje mee z'n klokkespilletje!"--
"Och, och, hoe erg!"--
"Jae, en dicht bie dat mooie torentje mee z'n klokkespilletje, daer weunt m'n meutje en daer 'oud ik zoovee van!"--
"Wel, wel, dat 's verschrikkelijk!"--
"En as ze me noe is doodschiete, wat zal m'n meutje dan jule!" [13]
'T was of de kerel gek werd zoo stelde hij zich aan; hij zette een mond open als een bakkersoven en huilde als een wervelwind.
Eindelijk kwam onze Schout bij Nacht ook aan en toen hij mij zoo zag gieren van het lachen, zeî hij: "Dat moet je niet doen, Huib! En jij, goeie vrind, moest niet huilen; want dat helpt toch niemendal. Maar weet je wat je doen moet?"--
"Nee, nee, lieve Schout bie Nachtje, dat en weet ik nie!" snikte de man.
"Nu, luister dan, vrind! Vooreerst moet je een weinigje op den goeden God vertrouwen; want die heeft voor 'n armen zeeman ook wel wat over. En dan, je heb knuisteu als voorhamers en armen als kluifhouten! Denk je dat je die gekregen hebt om er je tranen meê af te vegen? Mis, man, mis! Jij hebt die nou is om er vandaag klappen mee uit te deelen, links en rechts! En als je niet weet, hoe je dat doen moet, kijk dan maar eens naar onzen Huib, en als je wil, naar mij, dan wed ik dat je er vanavond schik in hebben zult, dat je vandaag zooveel geleerd hebt!"
Zoo sprak De Ruyter en begon terstond zich tot den slag gereed te maken. Het gebed werd gedaan, daarna kreeg ieder gelegenheid om eens goed te schaften, de vlag werd aan de vlaggespil vast gespijkerd en ... daar ging het er van door!