Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden
Part 5
Het was in den zomer van 1625 dat ik te Enkhuizen met een mooie som gelds in den zak door de straten liep wandelen. Vijftien jaren lang had ik op onderscheidene Straatvaarders als matroos dienst gedaan. Zonder nu nog slecht opgepast te hebben, had ik toch niemendal gedaan om mij boven anderen te onderscheiden. Ik bleef, die ik was. Als matroos zeilde ik uit, als matroos kwam ik terug, en als matroos liet ik mij telkens opnieuw aanmonsteren. Soms verdiende ik weinig, soms weer veel geld, maar onverschillig of het veel of weinig was wat ik aan den wal bracht, het was altijd veertien dagen later, soms al vroeger, schoon op en dan was er weer maar niets anders te doen dan als matroos dienst te nemen. Wat heb ik wel met dat zuurverdiende, kostelijke geld geleefd! Het rolde zoo maar mijn zakken uit; nu eens in een huis waar men toeback dronk, dan weer in de gelagkamer van eene matrozentaveerne en menigmaal ook in den zak van dat soort volk, dat den onbezorgden matroos den laatsten duit voor allerlei snorrepijperijen weet af te troggelen.
Mijne laatste reize was eene uitmuntende geweest. De buidel was nog nooit ofte nimmer zoo goed voorzien geweest, en daarom besloot ik eens naar Amsterdam te gaan om daar,--och, wat helpt het al geef ik er een mooi kleurtje aan?--om daar mijn geld zoek te maken.
Wat zou ik doen? Varen, loopen of rijden? Varen? Dank-je, dat was wat al te saai, daar en had ik geen lust in! Loopen? Eene lieve wandeling van Enkhuizen naar Amsterdam! Rijden? Wel ja, dat moest ik eens doen! Ik had het zeker in geen twintig jaren gedaan!--
Dat was dus besloten! Ik zou rijden!--
Toen ik goed en wel op weg was, had ik er wel spijt van en dacht ik aan het zeggen van een oud kameraad: "Liever met eene oude schuit op zee, dan met eenen nieuwen wagen op het land," maar, ik had gekozen en 'k wilde nu niet als een echte flauwerd terug krabbelen.
Half ziek van het hotsen en schudden kwam ik's avonds om tien uur te Amsterdam aan.--Er was weinig verkeer meer op straat, doch aan den IJkant hoorde ik uit eene kleine taveerne een vroolijk gelach klinken.-- Waar gelachen werd daar moest ik wezen, dat zou me wat opknappen. Ik trad de taveerne binnen en kon in het eerst bijna niets onderscheiden, zoo vol was het met toebacksrook. Eene kaars, die op eene toonbank stond, geleek veel op een maantje in 't laatste kwartier dat in den mist opkomt. Ik hield de handen voor de oogen en ontdekte eindelijk aan een tafeltje, waar nog zoo'n laatst-kwartier-maantje stond te walmen, een stuk of zes matrozen. Ik schikte bij en weldra moest de nieuweling een rondje bier geven. De pijpen werden nog eens aangestoken, en de pret begon opnieuw.
Maar of het nu kwam door den rook, door het bier of door de vermoeienissen van de reis, ik en weet het niet, doch dat weet ik wel, dat ik op het laatst wat hoorde gonzen en babbelen; maar ik sliep eindelijk zoo vast, dat men wel een kanon aan mijne ooren had kunnen afschieten eer ik wakker was geworden.
Hoe lang ik geslapen had weet ik niet; maar ik werd wakker toen de zon al lang aan den hemel stond, en niet in de gelagkamer van de taveerne, maar op een' steekwagen, die op straat onder eene poort stond.--Ik wreef mijne oogen eens uit, ging overeind zitten en trachtte mij te herinneren waar ik den vorigen avond geweest was. Zou ik soms...? Ik voelde naar mijnen buidel en ... hier niet, daar niet,--weg! In een oogenblik was ik van den steekwagen aan den IJkant! Maar inplaats van ééne taveerne te vinden, zag ik er wel meer dan een dozijn en zij geleken allen op elkander als de eene droppel water op den anderen.--Ik ging ze binnen, doch werd overal ruw bejegend, ja, soms dreigde men mij met den Schout.-- Wat moest ik doen?--
"Zoek-je een schip, kompeer?" vroeg mij een varensgezel.
"Ja, hoe eer hoe liever!" gaf ik ten antwoord.
"Ga dan maar mee," sprak hij.
Ik volgde mijnen nieuwen makker en een half uur later was ik aan boord van de Drie Zusters, een flink oorlogsfregat.--
De bemanning was voltallig. De kapitein kwam aan boord en ... bedrogen mij mijne oogen? Wie was dat? Nog zoo jong, lang, veel ouder geworden, maar....
"Zeg eens, ouwentje," vroeg ik een mijner kameraads, "hoe heet de kapitein?"
"De kapitein?" was het antwoord, "de kapitein? 'K zal dertigmaal eene reis om de wereld maken, als ik het weet! Ik ben hier ook pas! Zeg, jij daar met je bruine buis en je dunne spillebeenen, hoe heet de kapitein?"--
De aangesprokene keerde zich even om en zei: "Wou je 't weten?"--
"Ja, ik, ik wou het weten!" gaf 'k ten antwoord.
"Welnu dan, hij heet Marten Harpertsz. Tromp."
"Marten Harpertsz. Tromp uit Den Briel?" riep ik.
"Je raadt het. Hij is de lieveling van onzen Onder-Ammiraal Pieter Pietersz. Hein. Hij heeft met hem twee malen bij de Spanjolen gevangen gezeten en ik geloof haast, dat de een niet buiten den ander kan!"--
Het was of het dek van de Drie Gezusters een kogel geworden was met zeep besmeerd. Ik kon haast niet blijven staan en alles draaide voor mijne oogen in het rond. Dàt Marten Harpertsz. Tromp! Dàt mijn vroegere speelkameraad! Dàt op de Turksche zeeroover mijn slaapmakker, mijn gelijke! En nu--hij kapitein en ik--matroos!--O, die Zwijn, die Zwijn!--Hij was de schuld van alles! Ware die niet aan boord van De Bare geweest, dan, dan ...
Maar daar kwam die oude Brielsche schoolmeester weer in mijne gedachten en het was of 'k hem nog hoorde zeggen: "Kwikkwik, janslik demp mijn oor is peperpit" of hoe dat Latijnsche spreekwoord heeten mag, maar dat zooveel moest beteekenen als: "De tijd die voorbijging is verloren!"
We waren al veertien dagen in volle zee en hoe slim ik het ook menigmaal aangelegd had om Marten eens aan te spreken, het was mij niet gelukt.
Zoo peinzende op een nieuw middel liep ik 's morgens op den vijftienden dag doelloos van stuurboord naar bakboord en keek maar gestadig op het dek.
"Zoek-je wat, matroos?" klonk op eens eene stem naast mij.
Het was die van Marten.
"Neen, kapitein, maar, maar ..."
"Nu, wat is het? Heb je wat te vragen?"--
"Ja, kapitein, maar, maar ik durf haast niet!"
"Ben-je behekst, kerel? Ik ben toch geen haai! Vraag op, wat is het?"--
Ik beefde van, ja, ik weet niet waarvan, maar ik kon mijzelven haast niet verstaan toen ik vroeg: "Kent u mij niet, kapitein?"--
Marten bekeek me nauwkeurig en zei: "Ja, jawel, je bent,--je bent ... neen, ik ken je toch niet!"
Ik lachte als een kind dat slaag krijgt en dat lacht, omdat het anders nog meer krijgt.--
"Nu, wie ben-je dan?" vroeg Marten.
"Huib Maerlant!" stotterde ik.--
Tromp sprong wel drie schreden achteruit, doch kwam spoedig naar mij toe en zeî: "Huib, Huib, wie had dat gedacht toen we op den Burgheuvel te Oostvoorne zeegevechtje speelden, toen we te zamen voeren en--te zamen zweepslagen ontvingen! Je bent niet gelukkig geweest, Huib!"--
Ik meende te zeggen: "Zoo gelukkig niet als jij, Marten!" maar ik bedacht mij gelukkig intijds en sprak zuchtende: "Neen, kapitein, daar ontbreekt veel aan!"
"Ook niet zoo gelukkig, als ik!" sprak Tromp. "Maar jongen, om het zoo ver te brengen heb ik heel wat moeten doen en heel wat moeten doorstaan! Maar, herinner je dien jongen schipper nog, die eerst aan boord van De Bare was?"
"Jawel, kapitein! U bedoelt dien Pieter Pietersz. Hein?"
"Juist! Nu, ik ben gelukkig in zijne handen gevallen. Hij heeft mij gemaakt, die ik ben; aan hem heb ik alles te danken. Hij is nu onze Onder-Ammiraal!"
"Ik weet het kapitein! Maar weet u ook wat er van het "Kregel Mennonietje" geworden is?"--
"Die volgt mij op den voet, Huib! Hij is nu al luitenant aan boord van Boudewijn Hendriksz. den Ammiraal.-- Als Witte zoo voortgaat dan ..."
"o, Kapitein, toen ik als knaap afscheid van hem nam, zeî hij: "Als ik zeeman word dan moet ik ook Ammiraal worden!" Dat zeî hij en ... God, God, gij allen gaat mij vooruit en ik, ik blijf, die ik ben, een arm, arm matroos!"
Ik barstte in tranen uit.--
"Wat niet is kan nog worden, Huib! Moed gehouden! Later spreek ik u nog wel eens!"--
Tromp verwijderde zich; maar ik fluisterde: "Te laat! Verloren tijd keert nimmer weer!"--
Op de hoogte der Vlaamsche eilanden werden al de schepen vereenigd. Hadden we, zooals het plan was, ons met den Ammiraal kunnen vereenigen, dan hadden we eene schoone macht uitgemaakt, doch dit plan werd verijdeld en met negen oorlogsschepen en vijf jachten zett'en wij koers naar Amerika om de Spaansche Zilvervloot te onderscheppen. Ook deze toeleg mislukte en thans besloot onze bevelhebber Piet Hein naar Brazilië te stevenen en aldaar de Spaansche vloot op te zoeken.--Dit was niet moeielijk; want weldra vonden wij haar in de Allerheiligen baai, maar goed en wel gedekt door het geschut der stad.--
Toen Tromp van den krijgsraad terugkwam, werden wij allen bij elkander geroepen, en toen dit geschied was, sprak hij:
"Mannen, onze Onder-Ammiraal wil een stout stuk bestaan waarvan, als het ons gelukt, de wereld gewagen zal.--Er is roem, eer en lof te behalen. Gij allen weet hoe vreeselijk fel onze Opperbevelhebber op den Spanjool gebeten is. Werd hij niet eenmaal door den Spanjool gevangen genomen en gegeeseld? Heeft hij in de West-Indiën niet andermaal onder hen eene harde krijgsgevangenschap moeten verduren, en is hij daar niet twee volle jaren lang als een hond behandeld geworden?--Maar wat spreken wij van hem? Hebben wij niet allen een vader, grootvader, broeder of vriend op hen te wreken? Komt aan, toont dan den Braziliaan en den Spanjool wat ge durft en wat ge kunt!
Hoort, daar klinkt het eerste kanonschot! Piet Hein is de voorste en gaat op den vijand in! Wat zullen wij doen, hem volgen of...."
"Volgen, volgen, volgen!" klonk het van alle zijden.
Tromp wuifde zijn hoed en riep: "Leve de West-Indische Compagnie! Leven de Vereenigde Nederlanden!"--
Wij allen herhaalden die woorden, en daar ging het. De Gelderland en de Holland waren den Ammiraal spoedig op zijde, doch wij met nog vijf andere schepen vervielen onder den wind en konden niet volgen, zoodat die drie schepen den hond zijn kluif moesten ontnemen. En, heer, heer, wat ging het er langs. Piet Hein schoot, als of hij alleen alles wilde vernielen en toen wij eindelijk ook op zijde waren, begonnen de poppen eerst recht te dansen.
De Spanjaarden riepen genade!
Maar, jawel, wij hoorden er geen van allen wat van, dat wil zeggen, wij waren Engelsch doof en wilden niet hooren!--
Daar werd van het Ammiraalsschip eene boot neergelaten!
"De booten uit! De booten uit!" beval Tromp.
En nu ging het er zoo op los.
Als katten klauterden wij daar tegen die renzenschepen op en de Spanjolen waren zoo verslagen en stonden zoo versuft te kijken, dat we dit durfden doen, dat ze een - twee - drie rechtsomkeert maakten en over boord sprongen om hun leven te redden.
Ja, 't hielp wat of ze ook uit de stad schoten, we gaven er zoo goed als niemendal om, en die luiden moesten het zoo maar aanzien, dat we twee en twintig schepen vlak voor hunnen neus weghaalden.
Maar op het onverwachts bleef het Ammiraalsschip vast zitten en weldra volgde de Gelderland dat leelijke voorbeeld.
Welke moeite er ook gedaan werd, alleen de Gelderland kwam los en het Ammiraalsschip bleef zitten als een muur, niettegenstaande wij alle pogingen in het werk stelden om het vlot te krijgen.
Piet Hein kwam thans bij ons aan boord en het was eene liefhebberij om te zien hoe hij Tromp behandelde.
Om de waarheid te zeggen, ik had liever gezien, dat hij maar aan boord van een ander schip gegaan was; want ik verkeerde maar in de meening, dat hij mij ontdekken en herkennen zou. Ik bleef hem zooveel mogelijk uit zijn vaarwater en ik zorgde ook wel dat ik hem niet voor den boeg kwam. Was hij met Tromp in gesprek dan dacht ik: "Wie weet of ze 't nu niet over mij hebben!" --
Gelukkig was ik voor niemendal bevreesd geweest, en als ik maar een gerust geweten gehad had, dan zou ik begrepen moeten hebben, dat een Ammiraal zich zelden met matrozen ophoudt.
Intusschen ging 'k dien avond vroeg ter kooi en bekommerde mij al heel weinig om het schieten uit de stad op het nog vastliggend schip. Den anderen dag gingen wij er nog eens heen om weer andere middelen in het werk te stellen teneinde het vaartuig vlot te krijgen. -- 'T geleek veel op een zeef en Piet Hein zei: "Bij mijne trouw, het schijnt dat de Spanjool zich gisteren avond in het schijfschieten heeft geoefend! Bah! kwâjongens werk!"--
Na meer dan een uur lang onder het vuur des vijands alles gedaan te hebben wat we maar konden verzinnen, zonder ook maar een duimbreed te vorderen, gaf Piet Hein bevel alles uit het schip te halen wat er maar uit te halen was. Het geschut werd vernageld en vervolgens kregen we in last om op vier plaatsen den brand er in te jagen.--Juist toen ik hiermede bezig was hoorde ik eenen hevigen slag. Ik stormde naar het dek en zag de zee bedekt met de overblijfselen van het schip De Oranjeboom, dat, òf door eigen vuur, òf door dat van den vijand in brand geraakt was. Meer dan veertig man kwam bij deze gelegenheid op eene ellendige wijze om het leven. Slechts veertien van de zestig manschappen werden nog half levend, doch met verminkte ledematen uit het water gehaald.
Eindelijk scheen de Ammiraal over den behaalden buit tevreden te zijn en den vijand genoeg naar zijnen zin getuchtigd te hebben. Hij gaf bevel om af te houden en den koers naar het Vaderland te richten.
Zoodra dit geschied was zeide Piet Hein: "Tromp, waar is je barbier of houdt je er zoo'n meubel niet op na?"
"Zeker, zeker," sprak Tromp, "maar ... maar ..."
"Je kijkt zoo naar mijn baard, Tromp, neen, ik moet niet geschoren worden; hij moet mij wat verbinden!"
"Verbinden?" vroeg Tromp en zijne oogen werden zoo groot als twee rijstbeschuiten, "verbinden? U is toch niet gewond?"
"Och, 't is de moeite niet waard er veel water over vuil te maken. Ik kreeg een splinter in het been en een musketkogel aan den linkerarm, meer niet! Nu, nu, doe maar niet zoo raar, ik zal er niet van dood gaan!"
Ik had dat gesprek ongemerkt afgeluisterd en spoedde mij heen om den barbier te halen.
Deze kwam weldra en een uurtje later wandelde de dappere en kordate man heel bedaard over het dek.
Nu had ik altijd een ekel aan hem gehad, omdat hij mij, toen hij nog schipper was, gestadig zoo ongezouten de waarheid had gezegd, maar dat veranderde nu in een oogenblik. "Sapperloot," dacht ik, "dat is een man!" en nauwelijks had ik dat gedacht of, iemand tikte mij op de schouders.
"Wel, Huib, ben je er nu al zeker van of die vermaarde en excellente poëet Jakob Van Maerlant van je maagschap is?"--
Ik groette beleefd en lachte.
"Nu ja, maar alle gekheid terzijde, waarom ben je niet ten oorlog blijven varen, ge zoudt het licht zoo ver hebben kunnen brengen als ... als ... Tromp.--Heb je in dien tijd braaf wat geleerd?"--
Ik kreeg weer een ekel aan hem, was dat nu vragen! Tromp lachte mij toe, alsof hij zeggen wou: "Maak van de gelegenheid gebruik, wees vriendelijk en bescheiden! Piet Hein is nu Ammiraal, wie weet wat hij nog van je maken kan!"--Maar, neen, dat wilde ik niet, ik wilde niet vriendelijk en bescheiden zijn en om maar te maken dat ik gauw van hem afkwam, zei ik: "Ik en ken niemendal, geen letter, dat weet u wel!"--
Tromp fronste de wenkbrauwen en zonder nog een woord te spreken, draaide Piet Hein mij den rug toe.--Na dien tijd ben ik Tromp ook als trouw vriend kwijt geraakt. Toen meende ik mij tegenover dien grooten geluksvogel van Delfshaven al eens heel kordaat gehouden te hebben; maar ik heb mij later wat beklaagd! Vooral toen ik in 1641 met den Ammiraal Gijsels naar Portugal vertrok. Een kapitein Franse Jacobzen Touw werd toen benoemd tot lid van den krijgsraad, maar moest voor die eer bedanken, omdat ... hij niet lezen of schrijven kon. Toen gingen mijne oogen eerst goed open en ik dacht: kon Touw kapitein worden, dan hadden ze het mij nog beter kunnen maken; want ik kan in alle gevallen toch iets van de lees-en schrijfkonst!--Maar 't was te laat!"--
Hier hield Maerlant even op en toen Jonge Kees vroeg: "Nu Huib, wat volgde nu?" antwoordde hij: "Wij kwamen behouden in 't Vaderland aan! Maar laat mij eene wijle rusten; er zit eene haai in mijn keel, ik en kan niet meer spreken!"--
De waarheid was dat Huib te erg aangedaan was en nu meer dan vroeger misschien dacht aan de spreuk van den Brielschen schoolmeester: De tijd, die voorbijging is verloren!"
HOOFDSTUK VII
Toegejuicht en beweend.
Reeds twee jaren lang had ik op een der oorlogsschepen van de West-Indische Compagnie gevaren en er was geene sprake geweest van verhooging in rang. Vermoedelijk had Tromp het zoo bewerkt dat ik op een ander schip dan het zijne geplaatst werd, maar ik weet het niet recht. Men zeide dat er aan boord van de Witte Leeuw kapitein Jan Jansz. van Hoorn gebrek aan bevaren matrozen was, en daar men mij toch in alle gevallen de eer gunde tot de bevaren matrozen te behooren, zoo werd ik overgeplaatst. Ik had er geen spijt af. Kapitein Jan Jansz. was een abel en dapper man en bij het volk zeer gezien.--
"Mannen," zeî hij op zekeren mooien Meidag van het jaar 1628, "mannen, de West-Indische Compagnie heeft geld noodig en daar wij, lacie, bij ons te lande geen zilver of goud kunnen vinden, zoo is er besloten geworden den Spanjool eens aan den pols te voelen. Dat Amerika levert ieder jaar onzen vijand goud en zilver in overvloed en dat wordt overgebracht met eene vloot, die door de Spanjaarden zelven de Zilvervloot genoemd wordt!--Dat vosje gaan we vangen, maar ik zegge u, dat geen uwer het hart in zijn lijf moet hebben aan het plunderen te slaan; want zoo waar ik kapitein Jan Jansz. ben, ik zal ieder, die dat durft te doen als deugniet ergens aan wal laten zetten.--De kat komt een graatje toe, zegt het spreekwoord en ik en zeg niet dat dit logen is; maar zij die dat zeggen nemen gewoonlijk de visch voor zich en gunnen de graat een ander! En nu, handen aan het werk! Vooruit!"
Wij voegden ons bij de vloot, die een en dertig schepen telde en onder bevel van Piet Hein stond. Aanvankelijk hadden we geen tegenspoed, doch toen we dicht bij Amerika kwamen hadden we zooveel met tegenwind te kampen, dat iedereen dacht: "Nu zal de buit ons toch ontgaan!"
Wij waren al in de nabijheid van liet eiland Cuba en wel in de baai van Matanza bij Havana gekomen, toen we eensklaps de ontdekking deden, dat de prachtige vogeltjes daar in de kevie zaten. Zoo handig als de gouverneur van Havana dit doen kon, zond hij een schip uit om den bevelhebber der Zilvervloot te zeggen: "Den g'ndag van mijn baas, en hij laat je weten, dat je de vogeltjes niet moet laten vliegen; want de kat loopt te tafelschuimen!"
Maar wij waren dat meneertje te vlug af en spoedig was het: "Kip, ik heb-je! We zullen zelf de boodschap wel doen!"
De bevelhebber der Zilvervloot nu, denkende dat er geen vuiltje aan de lucht was, zeilde uit en kwam midden in den nacht tusschen onze schepen in. Hij meende echter dat wij ook Spanjolen waren en toen het dag was geworden, en hij zijne leelijke vergissing zag, was het te laat om zich nog voor eene flinke kloppartij gereed te maken, zoodat er niets anders op zat, dan zich als een weerlooze te laten doodschieten, of zich over te geven. De man lustte echter te graag zijn fleschken Malaga om zich zoo maar te laten vermoorden, en daarom besloot hij, op voorwaarde van lijfsbehoud, zich met het geheele boeltje, zooals het reilde en zeilde, aan de Hollanders over te geven.
Dat was eene schoone vangst en dat zonder slag of stoot! 'T was haast niet om te gelooven. Geen wonder dat het volk, toen wij in het Vaderland weergekeerd waren, Hein als het ware, op de handen droeg. Elf millioen guldens was ook geene kleinigheid! En wij? Nu, we deelden meê in den lof, die onzen Ammiraal toegezwaaid werd, maar voor het overige viel er niet veel te verdienen. Als wij niet ietewat voor ons zelven gezorgd hadden, dan zouden we van het vischje nog minder dan het graatje gekregen hebben. Piet Hein werd tot Luitenant-Ammiraal van Holland benoemd en de heeren van de West-Indische Compagnie deelden vijftig percent winst uit.
Zoo er echter één naar verdienste beloond werd, dan was het onze Ammiraal, en meer dan jammer was het, dat hij van zijne hooge waardigheid zoo weinig pleizier zou hebben. Weet-je waarom? Luister maar!
Die van Duinkerken hebben altijd vele noten op hunnen zang gehad en toch zingen ze leelijk; maar in dien tijd hadden ze nog veel te vertellen. Ze zaten maar op den loer of er ook rijkgeladen koopvaarders door Het Kanaal kwamen en, wee het schip, dat geene mooie dubbele rij holle ijzeren tanden kon laten zien; want om een paar kiezen en eenige melktandjes gaven ze net zooveel, als een boer om eene rotte kool.
Om deze luidjes nu eens wat tot rede en plicht te brengen, werd Piet Hein het volgende jaar met eenige schepen uitgezonden. Zijn eerste werk was de haven der stad zoo netjes in te sluiten, dat er geen schip in of uit kon. Drie der roofschepen waren echter bijna nog ontsnapt, maar de wakkere Ammiraal liet zich nu maar niet zoo bedotten. Hij zette hen achterna en begon een scherp gevecht. Marten was er ook weer bij en op het oogenblik, dat deze een bevel ontving, zag hij den bevelhebber aan zijne zijde wankelen en neervallen.
Geen woord kwam er meer over zijne lippen; de man was ineens dood. Een stuk schroot uit grof geschut had een einde gemaakt aan het leven van eenen man, dien de Vereenigde Provinciën zoo zeer noodig hadden.
Met groote droefheid werd de tijding van zijnen dood in Holland ontvangen, en veertien dagen later werd het overschot van den moedigen man, onder eenen grooten toeloop van nieuwsgierigen, te Delft in de Oude kerk begraven.
Met Piet Hein verloor Marten ook zijnen grootsten beschermer en machtigsten voorspraak. Hij bleef nog eenigen tijd, als kapitein, aan boord van de Groene Draak, doch werd toen van zijne betrekking ontslagen. Waarom dit geschiedde weet ik niet recht.
Geen wonder dat Marten zich thans geheel aan den zeedienst onttrok en rustig aan den wal ging leven.--
De oorlogszaken ter zee gingen echter weldra verkeerd en eindelijk werd er besloten, dat men een wakker zeeman, een moedig en beleidvol kapitein zoeken moest, om dezen aan het hoofd der vloot te plaatsen en aan den slechten toestand, waarin zij verkeerde, een einde te maken. Lang zocht men nu eens hier en dan eens daar, doch men kon maar tot geene keus komen, totdat de oogen van Stadhouder Frederik Hendrik, zaliger, op onzen Tromp vielen.
Dit geschiedde in 't jaar '37.
HOOFDSTUK VIII
Bij Duins.
Na het sneuvelen van Piet Hein had ik den dienst ter zee voor de West-Indische Compagnie verlaten, en maakte even als vroeger, weer tochten met de Straatvaarders. Langzamerhand begon echter de walvischvangst minder voordeelen af te werpen, en daarom besloot ik andermaal weer in dienst van den Lande te gaan. Ik deed dit vooral omdat ik in 's Lands dienst nu elf gulden per maand verdienen kon en ... omdat ik naar afwisseling verlangde. En afwisseling zou er komen, dat stond zoo vast als eene belboei aan eenen hardsteen. Allerlei geruchten deden de ronde in het land. Nu eens was het: "Spanje rust eene sterke vloot uit om de Oostenrijkers en enkele Duitsche staten tegen de Zweden te helpen!" Dan weer was het: "Mis mannetje, misgeschoten, er wordt eene landing in ons land voorbereid!" Eindelijk kwam een derde en die vertelde, dat geen van ons allen van toeten noch blazen wist, want dat "de Landvoogd in de Spaansche Nederlanden,"--ik meen dat het toen de kardinaal Infant Ferdinand was,--aan den koning van Spanje om hulp had gevraagd en dat die vloot te Duinkerken zou binnenloopen.