Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden
Part 2
Zoo'n oorlof, zoo'n oorlof! Ik zou wel eens willen weten waarom die schoolmeester hun dat gegeven heeft. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, zegt de Schrift en zoo'n schoolmeester arbeidt van de week maar vier en een halven dag! 'T is erg, meer dan erg!"--
'T gejoel op de straat nam steeds toe. Wel twintig jongens, die stokken droegen waaraan ze doeken geknoopt hadden, stonden voor de deur en ontvingen mij, toen ik buiten kwam, met luid gejuich.--
"Je moet naar den vader van 't "Kregelige Mennonietje," Huib,--riep Marten en stopte mij een stok met een doek er aan in de hand.--
"Ja," gaf ik ten antwoord. "'K moet kippenvoer gaan halen!"
Moeder kwam aan de deur en riep ons toe: "Voor den noen terug, hoor! Heb-je't verstaan, Huib? Als ge er niet en zijt, dan vindt ge den hond in den pot!"--
Ik zeide "ja!" doch mijn antwoord ging onder al het gejoel verloren.
Zingende, springende, lachende en snappende ging het langs de Voorstraat naar de Zuidpoort. Bij het Gasthuis gekomen hieven wij een gejuich aan, dat al de oude en zieke luiden vast van schrik moeten opgesprongen zijn, en draafden in eenen stevigen draf de Zuidpoort uit.
"Hei, jongens, een liedje ter eere van onzen Reinier Claessensz!" riep nu op eens Simon, de jongste zoon van onzen Baljuw Dirk Van Duvenvoorde.
"Ja, ja, een Wilhelmusje, een Wilhelmusje!" antwoordde Joost Van de Werve, dien we wel eens uitscholden voor "Spanjool" omdat zijn grootvader, die ook Joost heette, Baljuw onzer stad en het land van Voorne was, toen de dappere Watergeuzen haar innamen. Hij bleef den Spaanschen Koning getrouw, totdat hij in 1574 in den Waterslag bij Hoorn gevangen genomen werd, en daar in de gevangenis van verdriet en ergenis stierf. Zijn zoon was in Den Briel gebleven en was een zoo heftig vijand van den Spanjool als zijn vader een groot vriend.
"Maar wat is er toch met dien Reinier Claessensz. voorgevallen?" vroeg ik.
"Jongens, hoort ge 't? Hoort ge 't?" riep Marten. "Hier is een sul, die nog niet en weet wat er gebeurd is. Die Huib vraagt wat er met dien Reinier Claessenz is voorgevallen!"--
"Lacht hem uit! lacht hem uit!" klonk het thans van alle kanten.
"Jaagt hem door de braamstruiken daar aan den weg! schreeuwde Gerrit Claesz. Van Valkesteijn. "Wat doet hij dan met eene vlag te loopen, als hij niet en weet waarom hij er eene draagt!"
"Ja, ja, door de braamstruiken! Gerrit heeft gelijk!" riepen thans eenige jongens.
Thans vatte echter Marten mijne partij op, en zich voor mij plaatsende, zei hij: "Jongens, is Huib niet net zoo oud als ik? Is hij geen negen jaar oud en ben ik het ook niet?"--
"Ja, ja," joelde het troepje. "Gijlieden zijt even oud!"
"En is Huib mijn vriend niet?" hernam Marten.
"Ja, dat is hij!" antwoordde Simon Van Duvenvoorde. "Hij krijgt op de school al de klappen, die gij verdient!"--
"Dat is niet waar!"' zeide Marten. "Gisteren nog heeft de meester mij een striem gegeven, dien ik nog voel! Maar wie heeft jelui het geval van onzen Claessensz. verteld?"--
"Dat hebt gij gedaan!" sprak Gerrit.
"En als ik dat eens niet gedaan hadde, wat zoudt gij-lieden dan weten, zegt?"--
"Dan wisten wij niemendal, Marten!" sprak Simon.
"Welnu," hervatte Marten, "ik en heb het onzen Huib nog niet gezegd wat er gebeurd is, en daarom kan hij 't niet weten ook! Luister, Huib, ik zal het u vertellen. Mijne moeder kreeg van morgen eenen brief van vader, die thans met zijn schip te Enkhuizen ligt. In dien brief nu stond ook dit:--
In den loop van dezen zomer is de Ammiraal Hautain met vierentwintig schepen uitgeloopen om de Spaansche en Portugeesche vaartuigen, die uit de Oost- en Westindiën kwamen, te onderscheppen en als prijs naar onze havens te brengen. Door eenen fellen storm werden echter zes schepen van de vloot afgescheiden; de "Vice-Ammiraal Reinier Claessensz. was aan boord van een der zes. Bij kaap Sint Vincent gekomen ontmoetten ze acht zwaar gewapende Spaansche galjoenen, onder bevel van den laffen zoutdief Fiasciardo. [5] Deze zond onverwijld het grootste galjoen op onzen Vice-Ammiraal af, en terstond gingen de vijf Hollandsche schepen op de vlucht.--Claessensz. wilde van geene overgave weten. Veel liever stierf hij den heldendood, dan als gevangen man wreed om hals gebracht te worden. Twee geheele dagen vocht hij met onbezweken moed tegen de overmacht. Zijn groote mast was al over boord geslagen en zijn schip van alle kanten lek geschoten; vele van zijne matrozen waren reeds gesneuveld en aan ontzet viel er niet te denken. Hierop liet hij de overgeblevenen bij elkander komen en vroeg hun wat ze liever wilden, door den Spanjool gevangen genomen worden, of de lont in het buskruit steken.--Ze kozen allen het laatste en na een kort gebed tot onzen Lieven Heer stak Claessensz, zelf den brand in 't kruit en ... vloog toen met de zijnen in de lucht. Twee er van zijn half dood in de handen van den vijand gevallen. Die moeten dat zeker verteld hebben! Hoe vind-je 't, Huib, mooi, hé?"
"Ja, mooi, mooi!" riep ik en schreeuwde: "Leve Reinier Claessensz!"
"Leve Reinier Claessensz!" klonk het uit den mond der anderen. "En weet ge wat we nu gaan doen, Huib?" vroeg Marten.
"Neen," antwoordde ik.
"Nu, gaan wij naar den Burgheuvel te Oostvoorne om daar zeegevechtje te spelen! Ga-je meê?"--
"Ik en kan niet! Ik moet om kippenvoêr bij Cornelis Wittensz. De With en vóór den noen thuis zijn!"--antwoordde ik.
"Bijlo, alsof dat niet en kon! 'T is nu acht uur. We gaan eerst naar den Hoogendijk om kippenvoêr te koopen. Daar heb-je geen vijf minuten voor noodig. Dan gaan wij voorbij De Tinte en langs den Ruyghendijk naar den molen. Als we daar zijn dan kunnen we in een omzien langs den Voorweg op den Burgheuvel zijn!" sprak Marten.
"Neen, langs den Rick, den Konnewegh en Langenwegh is het nader!" meende Willem Hugensz.
"Dat zal geen vijf minuten verschillen," zeide Marten.
"'T is de vraag maar of Huib mede gaat, ja ofte neen!"---
"Zullen we voor den noen thuis zijn?" vroeg ik; want mijne moeder was niet gemakkelijk als ik niet en deed wat zij beval--
"Een uur vóór den noen zelfs!" sprak Jan Roete. "'T gevecht is in een uur afgeloopen!"--
"Dan doe ik het!" riep ik en snelde toen met de anderen naar het huisken van het "Kregelige Mennonietje."--
Toen wij daar aankwamen stond de kleine Witte aan het hekje waardoor men op het erf van zijnen vader kwam.
"Is je vader thuis? vroeg ik.
"Nee," antwoordde hij kortaf.
"Je moeder dan?" vroeg Marten.
"Ook al niet," zeide Witte.
"Komen ze niet gauw thuis ook?" vroeg Simon.
"Dat en weet ik niet. Ik moet op het huis passen, zie-je, dat moet ik! En als je me plaagt dan ga ik schreeuwen!"--
"Wat moet jeluî hier doen, bengels?" vroeg eensklaps eene vrouw, die van achter het huis kwam, "Komt gijlieden mijn arm jongske weer plagen?"--
"Neen moeder De With, ik kwam twee maten kippenvoer halen," zeide ik en liet haar mijne penningen en den ledigen zak zien.
"Zoo, dat is wat anders," zeî ze en mijn zak nemende kwam ze er weldra mede terug.
"Gebruik je het oorlof om buiten wat te gaan jagen en tieren?" vroeg ze mij onderwijl ik den krop van den zak stevig dichtknoopte.
"Neen, moeder De With," zeide Marten, "er is heel wat anders gebeurd." Hier begon hij haar de geschiedenis van Reinier Claessensz. te vertellen en toen hij geëindigd had, sloeg Witte's moeder de handen in elkander en riep: "Fij, fij, en hierover maken de jongskens zulk een getier? 'T ware beter dat gijlieden deedt als mijn Witte, die keert u de rechterwang toe, als ge-hem op de linker- eenen slag geeft!"--
Daar zag Witte op het oogenblik anders niet naar uit; want onderwijl Marten vertelde, was de kleine jongen,--die echter nog al kloek en stevig voor zijn leeftijd was, daar hij een paar dagen geleden eerst zeven jaar oud was geworden,--naar buiten gekomen en stond met glinsterende oogen en gloeiende wangen te luisteren.
"En waarheen gaat het nu?" vervolgde moeder De With.
"Naar den Burgheuvel te Oostvoorne om zeegevechtje te spelen!" zeide Jan Boete en voegde er terstond bij: "komt, jongens, anders wordt het te laat!"--
"Gijlieden moet zeker allen wel van die vechtersbazen ter zee worden, hé? Nu, mijn Witte zal daar gelukkig voor bespaard blijven. Hij zal het vreedzame handwerk van lijndraaien leeren, nietwaar, vent?"--
"Ik zou ook wel willen varen, moeder!" antwoordde Witte.
"Nu, dat en zult gij niet! Jongskens van zeven jaar en weten niet wat ze willen, die moeten doen wat vader en moeder begeeren!"--
"Maar waarom mag ik dan niet gaan varen, moeder? Een matroos moet toch niet altijd vechten, wel?"--
"Zwijg, Witte, zwijg! Je heb je door die bengels daar, den kleinen kop warm laten praten, dat hebt ge! En, wat ik zeggen wil, moet er nog iemand kippenvoêr? Niet? Nu, gaat dan maar heen en bedrijft uw zondig spel tot de Baljuw je voor je straf achter slot en grendel zet!"--Zeide moeder De With en haar zoontje in huis trekkende, deed ze de deur toe.
"Leve Reinier Claessensz. en het "Kregelige Mennonietje!" schreeuwde een der jongens, en zijn uitroep werd door allen krachtig herhaald.--
En thans zou het naar den Burgheuvel gaan; maar niettegenstaande Marten en Willem Hugensz. over den kortsten weg getwist hadden, weldra bleek het dat zij dien kortsten weg alleen van hooren zeggen hadden; want in plaats van den Ruyghendijck op te gaan, sloegen we te gauw links af en kwamen langs den Rietdijck en den Pannewegh voorbij de huizinge Kranenhout, wel een half uur later bij den molen, dan we gedacht hadden.
Het zweet droop mij langs het voorhoofd; want in het eerst droeg nu de een dan de ander mijn pakje; doch toen we bemerkten, dat wij verdwaald waren, lieten ze het mij alleen dragen.
De torenklok van Oostvoorne sloeg tien uren toen we op het dorp kwamen. De meeste menschen waren aan den arbeid en de kinderen in de school, zoodat we ongestoord naar den Heuvel konden gaan.
"Kijk, daar staat al een jongen op!" riep Simon.
"'t Is ons Kregel Mennonietje!" zeî Marten.
Het was zoo. Nauwelijks waren wij op de plaats waar we prachtig zeegevechtje konden spelen, of Willem Roete ging naar hem toe en zeî: "Hoe komt gij hier?"--
"Op mijne beenen!" antwoordde Witte. "Denk-je dat ik vliegen kan?"--
"En wat kom-je doen? Kom-je meevechten?" vroeg ik.
"Neen, ik en mag niet vechten; ik kom maar kijken!" sprak Witte.
"Nu, als je ons dan maar niet in den weg loopt, dan is het minder," zeide ik. "Hier, ga daar maar staan en pas dan op mijnen zak met kippenvoer!"--
"Kogels maken, jongens, kogels maken! We nemen de doeken van onze stokken af en vullen die dan met zand! Wie zal er Claessensz. zijn?" riep Marten.
"We zullen er om trekken!" antwoordde Simon Van Duvenvoorde. "Hier, Witte, onderwijl wij kogels maken, moet gij twintig stokskens snijden, maar een moet er bij zijn, dat langer is dan al de andere. Wie het langste trekt, die is Reinier Claessensz. en mag vijf andere jongens voor zijne matrozen kiezen!"--
Eerlijker kon het niet! Wij gingen kogels maken en Witte liet zich van de hoogte glijden om stokskens te halen. Weldra kwam hij terug en daar ging het op een trekken. De "Spanjool" had het langste en koos mij en Marten met nog drie andere jongens tot zijne matrozen.
"Onze wapenkreet is "Holland!" sprak de "Spanjool."
"En de onze is "Spanje," antwoordde Simon, die voor Fiasciardo speelde.
Plof! daar viel de eerste kogel en vier jongens klauterden de hoogte op.
"Wacht," riep ik, "'k zal je leeren mij aan boord te klampen! Holland! Holland! Kom hier, als je durft!"--
"Spanje! Spanje!" klonk het van beneden.
Plof! Alweer een kogel net tegen mijne beenen. Ik tuimelde en zou van den Heuvel af te midden mijner vijanden gerold zijn, had niet de "Spanjool" het gevaar ziende, mij bij den arm gegrepen en tegengehouden.
"Je moet mij niet gooien, leelijke Spanjolen!" schreeuwde thans Witte uit al zijn macht, "ik zit hier maar te kijken! Wat doe-je mij zoo'n kogel tegen mijn hoofd te smijten?"--
"Het Kregel Mennonietje is ziekentrooster aan boord van Ammiraal Claesensz.!" schreeuwde ik naar beneden.
Plof! Daar kwam al weer zoo'n doek met zand tegen mijn lijf aan. Ik verloor het evenwicht, liep nog een eind vooruit om op de been te blijven, doch kwam toen tegen Witte terecht, en rolde met hem van boven neer.
Met daverend gejuich werden wij onder het geroep van "Spanje! Spanje!" ontvangen. Onder het rollen voelde ik dat ik vreeselijk gekrabbeld werd, doch ik had geen tijd om te zien of Witte dat deed. Wij kwamen in de braamstruiken, die beneden aan den heuvel en tegen de hoogte groeiden, aanrollen. Hoewel versufd door den val stond ik dadelijk op en naar Witte gaande zeide ik: "Je hebt mij gekrabbeld, Kregel Mennonietje!"--
"Ik en mag niet krabbelen!" zeî hij bedaard. Misschien zou hij nog meer gezegd hebben, doch daar kwam Simon met drie andere jongens aan die ons gevangen namen onder het schreeuwen van: "Spanje! Spanje! de ziekentrooster en de konstabelsmaat van den vijand! Hangen! hangen!"
"Ik en wil niet hangen! Ik en heb niet gevochten ofte gekrabbeld! Ik heb maar staan kijken! Blijft van mijn lijf of ik zal "moord" roepen!"--
"Wel hoor me dien razenden ziekentrooster eens aan!" riepen onze vijanden en zouden ons misschien zoogenaamd opgehangen hebben, als niet van de andere zijde van den heuvel een vreeselijk geschreeuw ons in de ooren geklonken had.--
Twee kampioenen, de beide bazen van het spel, Reinier Claessensz. en Fiasciardo, rolden arm in arm van boven neer en vielen met hun beiden op mijnen zak met kippenvoêr, die heelemaal berstte. Onder het worstelen van die twee kreeg de zak een schop, dat hij een heel eind verder in het water terecht kwam. Het regende kippenvoêr en dat, wat nog in den zak gebleven was, kon niet meer gebruikt worden, want het was doornat en vol modder en kroos.
"Dat is jou schuld, krabbelaar!" riep ik. "Jij hadt er op moeten passen! 'T is jou schuld en jij zult me twee maten kippenvoêr en eenen nieuwen zak teruggeven!"--
"'T is mijn schuld niet! Jij hebt me naar beneden gegooid en ik en heb niet gekrabbeld!" antwoordde Witte terwijl hem de tranen van nijd uit de oogen sprongen.
Ongelukkig genoeg gaf men den arme Witte van alles de schuld en het kwam niemand in de gedachten hem te beschermen. Scheldnamen, schoppen en duwen kreeg hij, van alle kanten, en wellicht hadden wij den armen knaap nog wel erger mishandeld, als niet een paar arbeiders, die van hun werk kwamen, Witte ontzet hadden en ons wegjoegen.
"Ik en heb niet meê gevochten! Ik en heb niet gekrabbeld ook; maar ik zal me wel laten doopen, dan mag ik ook slaan!" schreeuwde Witte terwijl zijne tranen zich vermengden met het stof dat op zijn gelaat lag, en hem het voorkomen van een neger gaven.
"Nu is hij een Neger-Mennoniet!" riep Simon en de nieuwe scheldnaam werd wel honderd malen door ons herhaald, doch hem op nieuw te lijf te gaan, dat durfden wij toch niet! De arbeiders zouden ons dat wel verleerd hebben.
Onderwijl wij nu stonden te beraadslagen wat we doen zouden en hoe ik mij tegenover mijne moeder verantwoorden zou, sloeg de torenklok twaalf uren.
"o Wee, daar is 't al noen, en nu vind ik bovendien nog den hond in den pot!" riep ik. "Mijn kippenvoêr weg,--geen eten, en morgen misschien Wittes vader bij ons aan huis! Dat is allemaal jou schuld, Marten! Jij hebt mij meê getroond!"--
"Ja, Martens schuld!" herhaalden de overigen, die graag zich wilden voordoen, alsof ze aan het geheele geval part noch deel hadden!
"Ik weet wat, jongens, ik weet wat!" sprak Marten, die erg in den knoei zat. "Wij zullen allen uit onze zakduiten wat bijpassen en nog eens twee maten kippenvoêr halen!"--
"Maar ik en durf bij Wittes vader niet meer komen!" sprak Simon.
"En ik niet! en ik niet!" was het algemeen geroep.
"Dat behoeft ook niet!" hernam Marten. "Wij koopen het bij Meeuwisz. op het Maerlant en halen eerst bij ons thuis eenen anderen zak!"--
"En als uwe moeder dien niet geven wil, wat dan?" vroeg Joost Van de Werve.
"o, Als moeder hoort wat er gebeurd is, dan krijgen we niet alleen eenen zak, maar nog geld voor twee maten kippenvoêr bovendien!" antwoordde Marten.
Dat plan werd goedgevonden en langs den hobbeligen Schrijversdijck liepen we, zoo snel als onze vermoeide beenen dit toelieten, naar Den Briel, waar we een paar minuten voor één uur aankwamen.
Langzamerhand verminderde echter het aantal jongens, en op het lest waren Marten en ik alleen toen we den klopper op de deur van de woning zijner moeder lieten vallen.
Ik kwam daar wel meer in huis en nauw had Marten uitgesproken of zijne Moeder zeî, dat zulke kwâjongens als wij waren maar zien moesten, dat zij hunne eigen bedorven zaken goedmaakten. Ik liet de lip al hangen, doch Marten vloog zijne Moeder om den hals en wist zóó te vleien, dat zij mij niet alleen eenen zak liet geven met de noodige penningen om ander kippenvoêr te koopen, maar ook uit puur medelijden, omdat ik thuis den maaltijd zou afgeloopen vinden, mij met Marten liet mede eten.--Toen ik hiermede klaar was nam Mie, de meid, een kleerschuier, borstelde mijne kleederen schoon en wiesch mij zelfs het aangezicht. De krabbels van Wittes nagels, of, zooals het Kregelige Mennonietje zeî, de schrammen van de braamdoornen kon ze niet wegkrijgen. Met die litteekenen op het gelaat kwam ik twee uren na den noen bij Moeder, die al dadelijk zag, dat ik eenen anderen zak medebracht.
Ontkennen hielp niet; ik was wel verplicht de geheele geschiedenis te vertellen en toen dat gebeurd was, gaf ze mij de penningen, die vrouw Tromp mij gegeven had en zeî: "Breng dat geld terug, kwâjongen! Je moeder heeft geene aalmoes noodig!"--
Schoorvoetende voldeed ik hieraan.
"Zeg aan uwe moeder, dat ik te avond eens met haar over een en ander kom spreken," sprak vrouw Tromp onderwijl zij het geld in haren fluweelen beugeltasch, dien zij onder haar voorschoot had hangen, liet glijden.
Ik beloofde het te zullen doen en toen ik dit aan Moeder verteld had, zei ze: "Best, en jij nou naar bed! Je zult wel moede zijn van dat vechten, stoeien en ravotten!"
"Neen, Moeder, ik ben niet moede! Ik wou...."
"Dat je naar bed gingt!" sprak moeder gestreng.
"Ja, maar Moeder, 't is nog maar drie uren in den achternoen en nog veel te vroeg om te gaan slapen!"--
"Maar niet te vroeg om eens bedaard te liggen nadenken welk een verdriet gij uwe Moeder aandoet! Marsch, uit mijne oogen! Bij de Trompen heb-je voor eenen geheelen dag genoeg gegeten! Scheer je weg!"
Ik pruttelde nog wel wat tegen, maar Moeder bracht mij naar mijne slaapplaats op den zolder.--Ik ging dan ook werkelijk naar bed en of het nu kwam, omdat ik dien dag zoo druk in beweging geweest was, ik weet het niet; maar dat weet ik wel, dat ik weldra insliep en eerst ontwaakte toen de groote torenklok het uur van middernacht sloeg.
"De dag van ons oorlof is om," dacht ik even en mij eens omkeerende viel 'k alweer in eenen diepen slaap.--
"Goeden morgen, Moeder," zeî ik toen 'k den volgenden morgen, wel wat vroeg, beneden kwam.
"Goeden morgen, Huib!" was haar antwoord.
"Is Vrouwe Tromp gisteren avond geweest, Moeder?"--
"Ja, jongen, zij is geweest!"--
"En?"--
"We hebben't over Marten en u gehad. Als Herbert Martensz. Tromp weer naar zee gaat, kunt ge beide meêgaan!"--
"Hoezee! Hoezee!" juichte ik van blijdschap.
"Wat zijt gij blijde, jongen! Hebt ge 't dan waarlijk zoo kwaad bij uwe Moeder! kind?" vroeg ze met tranen in de oogen.
"Neen, Moeder, maar het leven op zee moet zoo heerlijk zijn! En 'k zal goed oppassen ook, dat beloof ik u!"
"God geve 't, Huib! Ge zijt anders nog zoo jong, en als ge uit Vaders en Moeders oog zijt, en zoo geheel alleen op eigen beenen door de wereld moet gaan, dan kunt ge zoo licht verkeerde wegen inslaan!"--
"Maar kan ik dan niet aan boord bij vader?" vroeg ik.
"Neen, dat kan niet, jongen! Je vader is geen kapitein of schipper zooals de oude Tromp is, je Vader is maar matroos!"
Moeder sprak nog veel met me eer 'k naar school ging, en als ik me nu eens bedenk, wat die goede Moeder toen zeî, en hoe ze er slag van had, mij te leiden, dan bejammer ik het, dat ik zoo vroeg naar zee ging en niet langer thuis bleef! 'K zou het dan verder in de wereld gebracht hebben, dan nu! Maar, lacie, 't is te laat! Hoor, Jonge Kees, je hebt wel eens van onzen dichter, den wijdberoemden Cats gehoord, niet?"--
"'K heb met Moeder wel eens visch aan zijne vrouw verkocht! Hij woont op Zorghvliet tusschen Schevelingen en Den Haag, weet-je!" antwoordde Jonge Kees, die met gespannen aandacht had zitten luisteren.
"Zoo, maar 'k had nog liever, dat ge zijne kostelijke veerzen kendet, dan hem zelf; want hij is de man, die spijkers met koppen slaat, en 'k denk dikwijls aan zijn veersken: Jonck rijs is te buijgen, maer geen oude boomen!"
"Dat veersken ken ik," zeide Jonge Kees, "dat heb ik van stuurman Pronk geleerd; hoor maar.
"Terwijl het rijs is jonck en zwack, En heeft niet eenen harden tack, Terwijl het spruytje buygen kan, Zoo moet een geestig boogert-man Het boomken leyden metter handt, Het boomken houden in den handt; Ten eynde dattet zonder bocht Ter voller hooghte komen mocht. Leyt vriend' en leert u weerde kint, Zoo haest zijn eerste jeught begint, Want kromt het dan, en recht gij 't niet; Zoo ist een eeuwigh huysverdriet."
Is het zoo niet, Huib?"--
"Ja, jongen, zóó is het. Vergeet dat nooit. Vergeet het niet, zooals ik het vergeten heb, dan zult ge op drieënvijftigjarigen leeftijd, als de Heere u het leven zoolang gunt, iets meer zijn dan matroos!"
HOOFDSTUK III
In de baai van Gibraltar.
Vier weken later gingen Marten en ik te zamen naar onzen schoolmeester, dien we zoo vaak geplaagd en gesard hadden. Vooral was ik hierin altijd de eerste geweest en wat nog wel het ergste van al was, 'k had gedurende vier jaren zoo goed als niemendal geleerd en menigmaal anderen van het werk gehouden bovendien.
De meester was een oud, vriendelijk man, die nimmer naar de plak of de gard zou grijpen, als het niet meer dan noodig was. Het was half vijf toen wij de school binnentraden en het begon daar binnen al duister te worden; want de kleine vensterkens met in lood gezette ruitjes lieten, zelfs midden op den dag, maar heel weinig licht door.
De oude man stond aan zijnen hoogen lessenaar toen wij binnenkwamen en vroeg ons vriendelijk wat we begeerden.
"Zeg jij het maar!" zeide ik en stootte Marten even aan.
"Neen, ik en durf niet!" luidde zijn antwoord.
"Nu, jongens, wat is het? Heb-je wat te zeggen, dat ge niet en durft uit te brengen?" klonk het andermaal.
Thans vatte ik moed en wat vooruit komende, zeide ik: "Meester, wij zijn volleerd en weten genoeg; wij gaan met de volgende week naar zee!"--
De meester lachte even en herhaalde mijn woord "volleerd," doch rekte dat uit als de draad van een kluwen, en trok er zulk een zonderling gezicht bij, dat ik onwillekeurig in den lach schoot.
"Ja, jongen, lach maar! Eens komt er een tijd dat gij niet en-zult kunnen lachen, al wildet ge ook nog zoo geerne! "Volleerd!" Wie heeft u gezegd, dat ge zoo spreken moest?"
Ik stond met den vinger in den mond, doch zeide niets.
"Nu, kan iemand, die "volleerd" is, niet spreken als hem wat gevraagd wordt? Fij, zoo'n bijster verstandige kop moest weten, wat hij antwoorden moest en begrijpen, dat alleen domme, kleine jongskens, die hunnen tijd met spelen en tuischen doorbrengen alleen met den vinger in den mond staan. Quidquid transiit temporis, periit!"--
"De oude man had mij beleedigd, meende ik, en daarom zeide ik heel driest: "Ik en versta geen Latijn, meester!"
"Ha, ha, alsof ik dat niet en wist! Ge verstaat zelfs geen Hollandsch, en ik twijfel er aan of ge mij begrijpt, als ik zeg, dat die Latijnsche spreuk, die ik zoo even aanhaalde, beteekent: "De tijd, die voorbij ging, is verloren!"--
Marten begon medelijden met mij te krijgen en zeide: "Jawel, meester, maar Huib heeft zich versproken. Hij meende te zeggen, dat wij beiden van school afgingen; maar wij weten ook wel beter, dat wij niet "volleerd" zijn!"