Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden

Part 12

Chapter 12 2,522 words Public domain Markdown

Een jaar te voren was door de bemoeiingen van Constantijn Huygens een straatweg aangelegd tusschen Den Haag en Scheveningen. Het was een kostbaar en moeielijk werk geweest om dwars door de hooge duinen en het rulle zand zulk een weg te banen, die naderhand het sieraad van de Hofstad worden zou. Wat kon die weg vol wandelaars zijn en wat voer het voormaals zoo armoedige dorp er wèl bij!

Nu echter was er op den ganschen weg geen mensch te zien, dan hier en daar eene vischvrouw, die hare waren naar de stad bracht of met ledige manden naar huis keerde.

En geen wonder! Wel had men terzijden van den weg boompjes geplant en op enkele plaatsen kroop de berk met den kreupeleik wel langs het duin naar de hoogte, maar het was er overigens even zonnig en even heet als op het strand. De tijd om te wandelen was voor de Hagenaars nog niet aangebroken.

Tegen eene der hoogten op eene steenen bank, tusschen het kreupelhout in, zat echter toch nog een man, dien we van den weg, en nog minder van het strand af, niet zoo aanstonds konden ontdekken. Hij zit zoo dat hij de zee zien kan; al het andere is hem geheel onverschillig.

Zoo op den gis geven we dien grijze een zeventig jaar hoewel hij voor dien leeftijd wel wat kras schijnt te zijn.

Hoe lang de oude daar al gezeten had, wist hij misschien zelf niet, en hij zou nog geen haast gemaakt hebben om op te staan indien niet eene kloeke vrouw van ruim dertig jaren hem was komen roepen. Drie van hare kinderen waren haar gevolgd en rolden nu van het duin af dat het een aard had.

Een visscher, die langs den weg naar huis keert, zingt.

Dat hoort de jongste van de drie kinderen en de handjes naar den ouden uitstekende, roept het: "Grootvader, ook zingen!"

"Zoo dreumes, moet ik weer aan den slag, ja?"

"Stil, Betje, laat grootvader met rust. Het is nu te warm!" zegt de vrouw.

"Jaantje, Jaantje denk-je dan dat het zonnetje me hindert? Oude katten en oude mannen varen er wel bij, ja! Kom jij maar hier, kind!"

Betje zit op de knieën van den ouden man en deze zegt: "Nou zal ik het liedje eens zingen, dat ik met je vader gezongen heb op den weg van Maassluis naar Rotterdam. We hadden toen een matroosje van onze kennis opgezocht! Niet, Jaantje?"

"Grootvader Huib zet er stukjes aan, kinderen, hij zegt wel eens meer wat om me te plagen!" antwoordt de vrouw en hierop begint Huib met eene sterk bevende stem te zingen:

"Wat zongh het vrolyck vogelkyn, Dat in den boomgaert zat?"

en zoo ging het voort tot hij bleef steken midden in den regel:

Wy zaeien noch wy maeien nyet Wy teeren op....

"Jaantje, Jaantje, daar komt De Marten Harpertsz. Tromp aan! Komt, kinderen, nou naar huis!"

"Langzaam gaat zeker, grootvader! Niet te wild! Je zal er wel komen!" zegt de vrouw.

"Ja, Jaantje, kind, ik heb mijne tanden overleefd, hoor! Maar, dat is niemendal! Een mensch moet toch eens oud worden en...."

"Stil, grootvader, niet zulke praat! Je kan nog lang genoeg leven. Jonge Kees en ik zullen immers alles doen wat we kunnen om je 't leven zoo prettig en pleizierig te maken? Jan, geef grootvader eene hand!"

Jan is een jongen van een jaar of negen en de oudste van de drie.

Babbelende en snappende, maar heel langzaam, èn om de hitte, èn omdat grootvader niet meer zoo vlug weg kan, vervolgen ze hunnen weg naar het dorp.

Ik behoef u niet meer te zeggen, jongens en meisjes, wie die twee zijn! Ge begrijpt dat al lang.

"Maar hoe komen ze hier?"

'K zal het u zeggen.

Kort na het sluiten van den vrede te Westminster nam Huib zijn ontslag uit den dienst, "want," zeide hij, "nu Tromp dood is, kan ik er geen pleizier meer in vinden!"

Hij ging eerst in Den Briel wonen; maar niemand kende hem daar meer en daarom zag hij ook al uit naar eene andere woonplaats. Had Vlieland wat dichter bij gelegen dan zou hij daar zijn gaan wonen. Dan was hij dicht bij Jonge Kees, die al dadelijk van de vloot was gegaan toen deze na den dood van Tromp geheel verslagen thuis kwam.

Maar als hij eens naar Maassluis ging. Jaantje Lanoy kende hem toch, en die zou den ouden man wel voor een enkelen keer te woord willen staan. Ja, dat zou hij doen! Veertien dagen later zat hij bij Jaantjes moeder koffie te drinken, en zij had hem altijd zoo'n gezellig ouwentje gevonden, dat zij hem zelfs wel in huis wilde hebben.

Dat nam Huib gaarne aan. Overdag breide hij netten, knoopte touw of sjouwde wat aan de haven en 's avonds vertelde hij historietjes uit zijn zeemansleven. Gewoonlijk verdiende hij iedere week wel zooveel, dat hij zijn kostgeld betalen kon, en als dat een enkelen keer eens te weinig was, dan sprak hij zijn spaarpot aan; want, zie-je, behalve die vijfhonderd guldens, die daar nog altijd in eene kous en eene pulle in het kastje lagen, had hij nog een ander potje zuiver opgespaard geld.

Zoo had hij daar al vijf jaren gewoond. Jaantje bleef ongetrouwd en zeî altijd: "Moeder en Vader Huib kunnen me niet missen."

Ze leefden heel gelukkig en tevreden en juist toen ze op zekeren middag aan tafel zouden gaan, wordt de bovendeur opengedaan en iemand roept: "Hola!"

Huib rijst op en in den gang komende roept hij uit: "Jonge Kees, jongen, hoe maak-je 't? Wel, dat is goed dat je me eens komt opzoeken! Dat is goed!"

De persoon, die binnentrad en niemand ander was dan Jonge Kees, verwonderde zich zeer Huib hier te vinden en toen deze hem vroeg: "Hoe wist je dat ik hier woon?" antwoordde de jonge visscher: "Ik en wist niet, dat je hier woonde!"--

"Zoo, zoo," zegt Huib, "dus je komt niet om mij, maar.... Zeg eens, Jonge Kees, ben je al getrouwd?"

Jonge Kees wordt rood en Jaantje even aankijkende die ook al rood wordt, antwoordt hij: "Neen! Ik leef tegenwoordig met mijne moeder weer te Schevelingen. Vader is een paar maanden geleden gestorven en nu wilde moeder liefst niet te Vlieland blijven wonen. Ik heb nu mijne eigen schuit en raadt eens hoe die heet?"--

"De vrouw Adriana!" zegt Huib vroolijk lachende.

"Neen, De Marten Harpertsz. Tromp!" verbetert Jonge Kees.

"De Marten Harpertsz. Tromp? Dat is flink van je, jongen, dat is goed! Met die schuit moet je zegen hebben! Mag ik er mijne spaarduitjes in steken en deelen in de winst?"

"Welzeker mag je dat! Maar dan moet je bij ons te Schevelingen komen wonen!"

"O, Wat dat betreft--"

"Mannen, de boontjes worden koud," zeide vrouw Lanoy. "schikt bij en eet!"

Wat er na het maal zooal gesproken werd weet ik niet; maar dat weet ik wel dat Jonge Kees een half jaar later zijne Jaantje Lanoy als vrouw te Schevelingen had. Van zichzelve bracht zij mede: hare moeder en.... de mooie brieven. Huib had zichzelf meegebracht, was het altijd, als men hem vroeg hoe hij hier was komen wonen.

En 't gaat onze luidjes goed; er is welvaart in huis.

"Dat komt omdat onze schuit De Marten Harpertsz. Tromp heet. Dat is dankbaarheid, en dankbaarheid wordt door God beloond Als ons Landje dat ook maar doet! Als het zijne groote mannen maar in eere houdt en nooit vergeet wat ze voor het lieve Vaderland geleden, en hoe ze er voor gestreden hebben, dan kan het goed gaan! Maar als ze die mannen niet alleen niet vergeten, maar ze ook navolgen, dan zal het goed gaan; want ze waren braaf! En de brave mensch wordt nooit verlaten;-- voor de braven is er een Vader, die waakt!

Nederlandsche jongens en meisjes! Onze historie kan op vele mannen wijzen, die zijn zooals Huib, die bedoelt Vereert die mannen dan en volgt hen na. Maar, eer ge dat kunt doen, leert hen kennen. Een hunner hoop ik voor u geschetst te hebben in

GOEDE VAER TROMP.

AANTEEKENINGEN.

[1] De scheldnaam "Koningsmoorders" werd door den Kommandeur Jan Van Galen in 1653 aan de Engelschen gegeven. Daar het Nederlandsche zeevolk echter zeer op het Engelsche geheten was, zoo is het wel waarschijnlijk dat Van Galen geen nieuw scheldwoord verzon, maar dat het al kort na de onthoofding van koning Karel I in 1649 hij onze zeelieden in gebruik gekomen is.

[2] Tot 1636 was de voeding en het geheele onderhoud van de manschappen op een oorlogsschip aan den kapitein toevertrouwd.--Niet zelden gebeurde het nu dat een kapitein zich ten koste van den minderen man wist te verrijken. Toen de klachten hierover algemeen werden beproefde men een ander middel en men liet het geheele onderhoud van een schip eenvoudig aanbesteden. Dit gaf nog meer stof tot ontevredenheid en daarom keerde men in 1641 weer tot het oude gebruik terug. --Wie nu een eerlijk kapitein had, trof het; maar wie dien niet had, klaagde dikwijls, en niet ten onrechte, steen en been.--Hoe lang deze wijze van handelen geduurd heeft, ben ik niet te weten kunnen komen; maar dat is vast, dat in 1653 bij de Zeeuwsche Admiraliteit die gewoonte nog bestond.

[3] In een der journalen van Tromp leest men van "Capteijn Fielding en nog een andere Roôrok." De haat tegen al wat Engelschman was strekte zich dus ook uit tot de Nederlandsche bevelhebbers.

[4] Straatvaarders waren schepen, die op de Walvischvangst uitgingen.

[5] Fiasciardo had eenigen tijd te voren op de hoogte van de West-Indische eilanden zeven weerlooze zoutschepen genomen en de bemanning op eene wreedaardige wijze om het leven laten brengen.

[6] Davids zijn de ijzeren standers aan de zijden van het achterschip, waaraan de booten en sloepen hangen.

[7] Een duevekater was een soort van koek of gebak. Men zond het elkander op sommige feestdagen tot een geschenk.

[8] Een driestreng, knuttel of knut is een touw waarmede de matrozen geslagen worden, als ze straf verdiend hebben.

[9] Witte Cornelisz. De With liet zich in 1610 door den predikant Leuwins van NIEUWENHOORN doopen. Zijn vader was reeds in 1602 overleden. Witte zelf bleef tot zijn 17de jaar aan wal en had in dien tijd twaalf ambachten en dertien ongelukken.-- Toen ik tot zoover in mijn verhaal gekomen was, wist ik niet dat Witte's vader al gestorven was.--Zijne moeder overleed echter eerst in 1624.

[10] PORTUGAL was van 1580 tot 1640 met SPANJE vereenigd geweest. In 1640 echter werd PORTUGAL onder Johan IV, Hertog van Bragança, weer een onafhankelijk koninkrijk en nu lag het op onzen weg de Portugeezen tegen de Spanjaarden te helpen.

[11] Een fregat was een vaartuig dat vooral in dezen tijd veel in gebruik kwam. Daar het niet zoo log gebouwd was als de groote oorlogsschepen bewees het in de zeeoorlogen door zijne snelheid van bewegingen, uitnemende diensten.--Een jacht was mede een zeer snelzeilend vaartuig dat, òf tot den oorlog uitgerust werd en dan oorlogsjacht heette, of mede genomen werd om brieven of boodschappen over te brengen. Deze laatsten kregen den naam van adviesjachten.--Galjoenen waren vaartuigen, die vooral door de Spanjaarden als vrachtschepen gebezigd werden.--Koningsschepen waren die groote oorlogsvaartuigen, die de hoofdmacht van de vloot uitmaakten. Zij werden nergens anders toe gebruikt dan om oorlog te voeren, terwijl de andere na afloop van den oorlog dikwijls ook weer als koopvaarders in dienst werden gesteld.

[12] SINT MAARTENSDIJK een dorp op het eiland TOLEN heet in de wandeling steeds SMEERDIEK.

[13] Jule is hetzelfde als weenen en meutje of moei de echte Nederlandsche naam van tante.

[14] Aoist! is vooral op WALCHEREN een uitroep van buitengewone blijdschap.

[15] Veel roemen beteekent velen roemen en een ijdel vat is een ledig vat.

[16] Een kadraaier of kaaidraaier is een man, die met een roeivaartuig bij de schepen komt om eetwaren te verkoopen.

[17] De beroemde Zweedsche vlootvoogd Carel Gustaaf Wrangel vertoefde een jaar in ons land om de zeevaartkunde te bestudeeren; men zegt zelfs, dat hij op onze vloot gediend heeft.--Nicolaas De Witte een Deen, Oloff Steffers en Morgester zijn officieren in Nederlandschen dienst geweest en Gustaaf Adolf koning van ZWEDEN had reeds twintig jaren vroeger Nederlandsche officieren en onder-officieren uitgenoodigd bij hem in dienst te treden.

[18] Een schobbejak was in de riddertijden het geschubde jak dat de mindere man in den oorlog droeg. Later werd het een scheldnaam.

[19] De Kabeljauwschen droegen grauwe en de Hoekschen roode mutsen.--Bonne fooi is eene verbastering van het Fransche bonne foi en beteekent eigenlijk goede trouw. Zooals wij het gebruiken beteekent het op goed geluk af.

[20] Meeren is het vastleggen van schepen aan palen of ringen.

[21] Die toespraak van Warmont moogt ge wel eens goed overlezen. Me dunkt, dat zulk eene toespraak in den tegenwoordigen tijd ook niet ongepast zou zijn. Veel lust tot den zeedienst bestaat er althans bij onze knapen niet en dat is wel jammer; want er is veel van waar als onze bekende kinderdichter Dr. J. P. Heije zegt: "Zout water geeft het zoetste brood!"

[22] Niks is niets.

[23] "Zoo, ik docht ik dat er bie joe niks kon besannen," beteekent: "zoo, ik dacht dat er bij u niets op aankwam!"

[24] "as de derdendaegsche koose" beteekent: dan de derdendaagsche koorts.

[25] Blake was oorspronkelijk voor de letteren opgeleid en een zeer geleerd man. Hij was een vurig aanhanger van Cromwell, die zijne veelvuldige diensten, hem bewezen, beloonde met hem eene aanstelling als generaal te geven. Later plaatste hij hem op de vloot als opperbevelhebber. Onder hem stonden ook nog de generaals George Monk en Richard Deane.--Cromwell, die zeer goed begreep, dat een oorlog ter zee andere bekwaamheden vereischt dan een landoorlog, stelde ook nog andere bevelhebbers aan, die volkomen met de zeezaken bekend waren. De voornaamste dezer waren: George Ayscue, William Penn en John Lawson.--Blake was niet te trotsch om gedurig met deze laatsten te raadplegen en hieraan is het dan ook hoofdzakelijk toe te schrijven, dat hij als bevelhebber der vloot zooveel roem inoogstte.-- Onze Admiralen waren over het algemeen zeer ongeletterd, zoodat er in hunne brieven dikwijls heel veel fouten voorkomen, en men moeielijk begrijpen kan, wat zij eigenlijk bedoelden.--Cornelis Tromp kan hierop eene gunstige uitzondering gemaakt hebben.-- De beroemste onzer vlootvoogden, Michiel Adriaensz. De Ruyter, schreef in 1641 aan de Admiraliteit van ZEELAND: "Ick sal mij als een heerlijck (eerlijk) capiteijn in mijn harte gedraghen, in de hoope, dat Godt het werck daer wij om uitgesonden zijn sal segenen tot heere (eere) van ons lieve Vaderlandt."

Machgyl Adriaense De Ruyter.

[26] Een tros is een lijn, die uit drie of vier strengen gevlochten is.

[27] Willem Adriaense Warmont werd tot kapitein over het schip dat hij had helpen behouden, benoemd, terwijl hij daarenboven nog een gouden eerepenning kreeg. De moedige konstabel werd luitenant.

[28] Dat er reeds vroeger meisjes aan boord kwamen om dienst te doen, als matroos, bewijst het oude liedeke: "Daar was laatst een meisje loos."--Behalve van Adriana Lanoy lezen we in de geschiedenis ook nog van eene Anna Jans van TESSEL.

[29] Een lans beteekent hier landsman.