Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden
Part 1
GOEDE VAÊR TROMP,
OF
HOE DE VEREENIGDE PROVINCIËN EENE ZEEMOGENDHEID WERDEN.
GESCHIEDKUNDIG VERHAAL
VOOR 'T JONGE NEDERLAND,
DOOR
P. LOUWERSE.
JONG NEDERLAND!
Toen de Uitgever van Mannen van Sta-vast mij uitnoodigde weer een geschiedkundig verhaal voor u te schrijven, meende ik eerst u het leven van onzen grootsten zeeheld M. A. DE RUYTER te schetsen. Reeds had ik hiertoe eenige bouwstoffen verzameld, toen 'k Mr. J. VAN LENNEPS Beroemde Nederlanders in handen kreeg.--Deze geleerde schrijver wijdt in dat werk ook eenige bladzijden aan den vlootvoogd MARTEN HARPERTSZ. TROMP en zegt o. a. van hem: ... "en nog heden wordt TROMP niet geschat op die hoogte waarop hij werkelijk behoort geplaatst te worden."
En dit is nu het oordeel van een Nederlander, wiens hart warm klopte voor de geschiedenis van zijn Vaderland; maar zelfs de Engelsche schrijvers vereeren Tromp, en zijne beeltenis hangt in de galerij te Greenwich.
Mijn besluit was genomen; ik zou onzen DE RUYTER niet schetsen, maar het leven van M. H. TROMP met u behandelen. 'K hoop, dat die ruil u niet berouwen zal. Van den "Vlissinger Michiel" weet ge immers toch al zooveel, daar er in alle leerboeken over de geschiedenis des Vaderlands over dezen man breedvoeriger gesproken wordt dan over anderen? Bovendien kan 'k, door het leven van TROMP te nemen, beter voldoen aan het tweede gedeelte van den titel: Hoe de Vereenigde Provinciën eene Zeemogendheid werden. Mocht "Goede Vaêr Tromp" eene welverdiende plaats in uw hart veroveren, dan zou het waarheid worden wat JOOST VAN DEN VONDEL eens schreef:
"Hij heeft zich-zelf in 't hart der burghren uitghehouwen, Dat beelt verduurt de pracht van graf en marmersteen."
'S-GRAVENHAGE, P. LOUWERSE.
Juni 1875.
HOOFDSTUK I
Een Winterdag op de Noordzee.
Het jaar 1650 had zich ruw en guur ingezet. Het vroor niet, het sneeuwde niet, maar het regende gestadig aan. Dagen achtereen was de wind noordwest en alleen tegen den avond gebeurde het, dat hij even door het noorden naar het noordoosten ging.--Alsdan flonkerden de sterren en werd het eenigszins glad op de straat en aan het scheepsboord.--Op straat hebben we echter niets noodig; want we bevinden ons op de Noordzee. Als de lucht niet zoo bewolkt was en de regen niet den horizon verduisterde, zouden wij den toren van het aardige visschersdorp Schevelingen kunnen zien.--
Op het voorschip van de Zuyerhuys, aan welks boord we zijn, liep een stoere jongen van omstreeks veertien jaren heen en weer.
Hij had de pelsmuts diep over de oogen getrokken en zijne handen zaten in de wijde zakken van den nog wijder broek van dik friesch laken gemaakt.
Een lederen riem om zijn middel met een mes er aan, doen ons dadelijk bemerken, dat we met een jong matroos te doen hebben.
'T was koud en guur, zeiden we zoo even, en dat kon men den jongen wel aanzien ook. Zijne roode, volle wangen waren nat geregend, doch het guitachtige, blauwe oog keek zoo vroolijk rond, dat men wel kon zien, dat de knaap zich niet veel van het onaangename weder aantrok. Integendeel, hij scheen er zelfs pret in te hebben; want, gewapend met een eind touw, dat hij gebruikte om zoo wat terzijde te slaan, even als een ruiter zijn karwats, als deze zijn paard niet slaan wil, begon hij eerst een deuntje te fluiten en daarna zacht te zingen. Het was een "Prince-liedt" van den Frieschen dichter Jan Janszoon Starter, die in den dertigjarigen oorlog, als soldaat, onder den Graaf Van Mansfelt, verdwenen was om nooit weer iets van zich te laten hooren.
"Vive le Prince de Oranje! Vive ons Bescherm-Heer teghen Spanje. Vive ons vrijheyds vaste Borgh. Vive de Baeck daer wij na zeylen. Vive de Loots-man van ons peylen. Vive ons alderhooghste Sorgh!
Vive den Oorsprong van ons blijheyd. Vive de Handhaver van ons Vrijheyd. Vive die Schrijft: "Je Maintiendray." Vive die onse saeck houd staende. Vive die onse weeld houd gaende. Vive dat groene Pluijm-geway!
Vive de Vorsten van Nassouwen. Vive den Held daer wij op bouwen. Vive naest God ons toeverlaet. Vive den geessel der vijanden. Vive den Troost der Nederlanden. Vive den Stuerman van ons Staet!
Vive ons Roem in Kloeke Daden Vive ons Sorgh in wijse Raden. Vive de Waker voor ons Rust. Vive ons Hoop in bange tijden. Vive de Leydsman van ons strijden. Vive den Vinder van ons Lust.
Vive de Spieghel aller deughden. Vive de Schild van onze Vreughden. Vive daar elck voor sterven zou. Vive de Velt-heer in de Velden, Vive, o Roem van alle Helden, Vive Maurice de Nassou!"
Onder het zingen van dit liedje had hij zijne schreden steeds versneld, precies als één, die zich haast om gauw ergens onder dak te komen, doch nauwelijks had hij het geëindigd, of hij stond stil, wiesch de regendroppels van zijn gelaat, schudde zijne lange blonde haren naar achter, keek naar den man aan het roer, vervolgens naar den wimpel, maakte een luchtsprong als een speelsch jong katje, en begon aan Brederoo's kluchtig Boeren Gezelschap.
"Arent Pieter Gijsen, met Mieuwes Jaap en Leen, Klaasjen, en Kloentjen, trocken t' samen heen Na 't dorp van Vinckeveen: Wangt ouwe Franghs, die gaf sen Gangs, Die worden off' creen.
Arent Pieter Gijsen die was so reyn in 't Bruyn, Sen hoedt met bloem-fuwiel die zat hem vrij wat kuyn, Wat scheefjes en wat schuyn. Soo datse bloot, ter nauwer noot Stongt hallif op sen kruyn.
Maer Mieuwes, en Leentjen, en Jaapje Claas, en Kloen Die waren ekliedt noch op het ouwt fitsoen, In 't root, in 't wit, in 't Groen, In 't grijs, in 't graeuw, in 't paers, in 't blaeuw, Gelijck de Huysluy doen."
De regen en de wind werden den zanger thans te machtig, en daarom verschool hij zich achter de boot en weldra klonk vandaar opnieuw:
"As nou dat vollickje te Vinckeveen an quam, Daer vongdese Keesjen, en Teunis en Jan Schram, En Dirck van Diemerdam, Met Sijmen Sloot, en Jan de Doodt, Met Tijs, en Barend Bam."
Onder het zingen van het laatste versje kwam er een oud matroos naar boven en, zich begevende naar de plaats vanwaar nog altijd het gezang klonk, riep hij: "Ho, Jonge Kees, eeuwige dodelaar, waar zit-je?"--
"In mijn vel en als ik er uit kom dan ben ik niet wel, ouwentje," hoorde men spottend van achter de boot roepen.
"Bijlo, jij zult me daar ook veel zien, ja! ge staat me daar achter die boot te koekeloeren, als een bakker in den oven of de maan niet rijst!" zeide de oude matroos eenigszins ontevreden.
"Welja," antwoordde de knaap, dien we, "Jonge Kees" hoorden noemen, "wel ja, mij dacht: Huib schaft ook liever dan naar de Koningsmoorders [1] uit te zien, en mij laat hij gerust in den regen staan! Heeft de kost je wel gesmaakt, ja ofte neen.
Want als de kost u niet en smaeckt, Dan ben je in 't Sieckenhuys gheraeckt."--
"Kapitein Joost Verschuyr van de Zuyerhuys laat zijn manschap geen gebrek lijden, bengel, dat weet je wel. Jij moest maar eens eene maand lang je voeten zetten op het dek van de Blinkert dan zou je wel minder zanglustig zijn en minder praats hebben!"-- [2]
"Heusch, ouwentje, de gort was aangebrand, anders zou je zoo brommig niet zijn en mijne liedekens verwenschen!"--
"Mijne liedekens!--Als Starter en Brederoo nog leefden zonden ze je wel wat anders zeggen! Van mijn part, zing zoo veel je wilt, al was het van den noen tot middernacht!"--
"En 't spek was niet gaar of net smaakte naar het vat!" sarde Jonge Kees.
"Kwâjongen, die je bent! Als je nu niet op en houdt met over onzen scheepskost te kallen en te schreeuwen, dan smijt ik je over boord, dan kan je de roôrokken opzoeken!"-- [3]
"Dankje hartelijk, Huib, dankje! Als je smijten wil, smijt dan je kwaad humeur over boord, ga op wacht en in den regen staan, en laat mij aan den bak gaan, anders eten mijne maats alles op!"--
"Nou, ga maar, dan ben ik je kwijt! Ik kan je missen als ... als ...
"Als aangebrande gort met rauw spek! Ha, ha, ha!" riep Jonge Kees en spoedde zich tusschendeks om zich daar aan den bak wat te verwarmen met het gewone scheepskostje: gort met spek.
Weldra was hij echter weer boven en bij den ouden zeerob, dien hij, niettegenstaande zijne onvriendelijke uitvallen, toch gaarne lijden mocht.
"Bar weer, hè?" zeide Jonge Kees om een gesprek aan te knoopen.
"Ja!" was het antwoord; maar de oude keerde zich om en zag in zee.
De jongen was een weinig uit het veld geslagen en wist niet, wat hij nu zeggen moest. Ten slotte bedacht hij wat. "Ligt de Brederode nog te Vlissingen, Huib? "Of is ze al uitgezeild?"--
"Weet ik het?" bromde Huib. "Van mijn part blijft hij voor goed aan wal!"--
"Voor goed aan wal? Wel, dan zou het er mooi voor ons uitzien! Dan konden de Vereenigde Provinciën ook wel zeggen: "Nacht, Nies, ik ga de nachtschuit in!"--
"Alsof ze alevel de nachtschuit niet ingingen! Kijk, zoo waar als ik Huib Maerlant heet en vijf en twintig jaren ter zee gevaren heb, zoo waar is het, dat de Vereenigde Provinciën zich er onder zullen werken!"--
"Alsof we niemendal meer waren! Daar zou onze Ammiraal Tromp een ander boekje van opendoen, Huib! Ben-je dan dat kostelijk zeegevecht bij Duins vergeten?"--
"Ho, dat is al elf jaren geleden, en toen liep je aan moeders hand naar het strand om schelpkens te zoeken! Zoo'n jongske moest daar niet van willen meêpraten. Toen was toen, en nu is nu!"--
"Denk-je' dan, Huib, dat wij te Scheveling nooit ergens anders over kallen dan over scholletjes en tongetjes? Vader heeft me dikwijls verteld...."
"Dat je een wijsneus waart, zeker! Maar ik geef onzen Vice-Ammiraal Witte Corneliszoon De With gelijk. Die klaagt ook over den slechten toestand der vloot, en zal er bij gelegenheid wel eens een woordje over spreken ook. Als 't moet dan durft hij 't onzen Hoog-Mogenden wel vlak in het aangezicht te zeggen!"--
"Een lieve jongen, die De With! Een....
"Wel ja, 't staat je fraai zoo over je meerderen te spreken! Heb ik geen gelijk gehad toen ik zeî, dat je een wijsneus was?"--
"Een wijsneus? Je scheldt me altijd uit ook! Heb je dan zelf niet verteld, dat hij eens voor een krijgsraad, waarvan Tromp voorzitter was, heeft moeten verschijnen, en dat hij op den raad, hem gegeven, om den Stadhouder vergiffenis te vragen, geantwoord heeft: "Dat en doe ik nooit ofte nimmer! Ik ben een eerlijk man, en geen kwajongen!"--
"Dat's waar!" zeide Huib.
"Zoo, dàt jok ik dus niet! En is het ook niet waar, dat hij met Tromp, Evertsen, De Ruyter, ja, met de heele wereld overhoop ligt?"--
"Dat 's ook waar!" was het antwoord.
"En vloekt hij onze matrozen niet doof, en zien wij hem niet liever gaan dan komen, zeg?"--
"'t Is waar, 't is altemaal waar, Jonge Kees!" luidde het eenigszins ontevreden. "Maar, jongen, je moest hem van zijne jeugd afaan gekend hebben, zooals ik hem ken! Je moest net, als ik, met hem, al vechtende, van den Burgheuvel te Oostvoorne gerold zijn, dan zou je anders praten. Een ruw man, dat is hij, door en door! Vloeken, razen, kijven en schelden, dat kan hij als de beste Schevelingster, die er naar Den Haag loopt. Maar vechten kan hij ook, en bang-zijn is een woord, dat hij niet en kent. Eerlijk is hij als goud en ... het Vaderlandt ghetrouwe!"--
"Dat's waar!" zeide Jonge Kees op zijne beurt.
"En," vervolgde Huib, "als je je plicht doet en toont dat je nog wat meer kan dan een schaftbak leeg maken, dan mag hij je eens uitschelden voor al wat leelijk is, als hij een uur later bij je komt, dan is hij alles weer vergeten!"--
"Ei, Huib, dat zou 'k maar zachtkens zeggen! Is hij dan van onzen "Goeden Vaêr Tromp" zulk een excellent vriend? En van den Zeeuwschen Ammiraal Jan Evertsen?"--
"Hoor eens, Kees, je slaat daar als een blinde vink door! Onze De With vind het niet pleizierig, dat hij gelijk gesteld wordt mèt, ja, soms onder de bevelen moet staan van een Ammiraal uit een kleiner gewest dan Holland. En wat Tromp betreft, goed is hij, en die durft te zeggen, dat hij dat niet en is, die moet dat maar eens onder vier oogen durven vertellen, dan zal ik toonen, dat de oude Huib Maerlant nog knuisten aan zijn lijf heeft! Ik zal hem...."
Onderwijl Huib dit zeî, raakte hij meer en meer in vuur. Eensklaps pakte hij Jonge Kees bij de schouders en schudde hem gevoelig heen en weer.
"Wat, Satan, Huib, ben-je behekst? Ik en heb dat niet gezegd!" schreeuwde Jonge Kees.
"Ja, ik zal hem ringelooren, dat zal ik!" riep Huib en ging voort met schudden.
"Laat me los, laat me los, laat me los!" klonk het thans nog luider uit den mond van den knaap.
Huib scheen echter tot bedaren te komen en Jonge Kees, loslatende, zeî hij: Zie-je, zóó, zóó zal ik doen!"--
"Ik wou met dat al, dat je twintig zeemijlen van mij af waart, leelijk vernageld kanon!" antwoordde Jonge Kees en wreef met de linkerhand over het bijna ontwrichte rechter schouderblad.
"Wat, ik een vernageld kanon?" riep Huib verwonderd en toornig uit, "waarom zeg-je dat, kwajongen?"--
"Jawel, hij speelt de Leuke Piet nog! Heb-je me daar pas niet door elkander geschud dat mij alles groen en geel voor de oogen werd?"--
"Heb ik dat gedaan? Ik?"--
"Welja, zeker heb-je dat gedaan! De sterrekens dansten me voor de oogen alsof het klaar nacht was. De scheepsbarbier mag straks mijn armen en schouders wel verbinden!"--
"Hoor, Kees, 't is waar, ik herinner me nu ook, dat ik je zoo even heen en weer geschud heb! Maar, jongen, dat moet-je me niet euvel duiden! Als ze van mijn "Goeden Vaêr," van mijnen ouden speelkameraad, kwaad beginnen te spreken, dan ben ik mij zelven niet meer meester!"--
"Ei, maar heb ik dan wat kwaads van hem gezegd?"--
"Neen, maar...."
"Nu, wat dan?"--
"Nù zal je nooit kwaad van hem spreken, dat 's vast!"--
"'n Lieve jongen!"--
"Ben-je boos, Kees?"--
"Wou-je me dan altemet ook vriendelijk hebben? Zeker ben ik boos, en ik zeg nog eens, ik wou dat je twintig zeemijlen van me af waart!"--
"'t Was een ongelukje, Kees, 't was een ongelukje! Jij bent een veel te flinke "jooi" om jou te mishandelen.-- Beloof me, dat je 't me vergeven zult, dan vertel ik u morgen, als we in Vlissingen liggen om gekalefaat te worden, de historie van onzen "Goeden Vaêr!"--
"Top, dat doe ik! Maar woord houden, hoor!"--
"Een man, een man; een woord, een woord! Maar nu naar de Engelschen en de Duinkerkers uitgekeken!"--
"Ik meende daar straks een zeil te zien!"--
"Toen ik je zoo heen en weer schudde?"--
"Neen, vernageld kanon, toen niet; maar zoo even! Kijk, daar is het weer!"--
Thans keek Huib in de door Jonge Kees aangeduide richting en riep: "Eén zeil! Bij mijne ziel, er zijn er twee! Het voorste is een Duinkerker. Brutaal als de cipier van het rasp-en spinhuis, zijn ze. Dat durft zich bijna op onze kusten vertoonen!"--
"En 't andere schip, Huib?"--
Dat en weet ik niet! Ik ga er onzen kapitein kondschap af geven!"--
Huib verwijderde zich en kwam weldra terug met den bevelhebber van de Zuyerhuys, kapitein Joost Verschuyr.
"Waar zag-je ze, Huib?" vroeg de kapitein.
"Op de hoogte van Ter Heyden, kapitein!"--
Verschuyr vestigde zijnen scheepskijker naar de plaats en riep weldra: "nu nog schooner! Een Duinkerker kaper, die jacht maakt op een onzer straatvaarders! Dacht-je dat? Mis man, mis. 'T is een Engelschman, 'k zie het aan zijne geheele tuigage; hij kan me niet bedotten al voert hij de Duinkerker vlag. In alle gevallen we zullen trachten den straatvaarder te verlossen. [4]
In een oogenblik was alle man in de weer! Er woei een stevige bries uit het noordwesten; de Zuyerhuys telde vijftig kanonstukken en had ruim twee honderd man aan boord; maar, al wilden kapitein en bemanning ook nog zoo gaarne aan den dans, hunne handen waren te veel gebonden door het bevel van Hunne Hoogmogenden om alleen in de grootste noodzakelijkheid tegenover den Engelschman tot vijandelijkheden over te gaan. Men wilde zoo lang mogelijk den vrede bewaren.
Vroolijk danste het welbemande oorlogschip op de baren; en scheen beter bezeild te zijn dan de kaper en de straatvaarder, althans na verloop van drie uren was men den kaper voorbij en het koopvaardijschip was onder bescherming van de Zuyerhuys.
"Dat valt den Roôrok vast niet meê!" zeide Jonge Kees tot Huib.
"Meevallen of tegenvallen, 't is me om 't even," bromde deze en mompelde tusschen de tanden, "en dat moeten wij zoo maar toezien!"--
Zoo stonden ze nog een poosje te kijken. De zon, die op het punt van ondergaan was, kwam nog even door de wildjagende wolken kijken, en....
"'T weerlicht!" riep Jonge Kees.
Nauwelijks echter had hij dit gezegd of er vloog iets door het want dat de groote ra aan stukken sloeg, en een donderslag klonk langs de baren.
"Kapitein, kapitein, nòg niet?" vroeg Huib aan Verschuyr, die dicht bij hem stond.
In plaats van antwoord stampte Verschuyr met zijn langen degen op het dek en knarste op de tanden.--
"Ze schieten weer!" schreeuwde Jonge Kees, die 't nu niet langer voor weerlicht aanzag. Geen tien tellen later hoorden ze een oorverdovend geruisch, alsof er wel honderd ketels water over eene rood gloeiende ijzeren plaat gegoten werden.-- 'T was de kogel van den vijand, die op eenige vademen afstands van het schip door het water vloog.
"In vrede, hij voert een Duinkerker-kapers vlag," zeî Verschuyr. "Niet gesammeld, jongens! Houdt je goed en geeft dien Koningsmoorder een paar ijzeren pillen te slikken!"--
Dat was geen dooven gezegd.-- Alles beijverde zich om aan dat bevel gehoor te geven, en net toen de zon onderging en alles in duisternis verkeerde, flikkerde er een licht uit een der geschutspoorten van de Zuyerhuys, een hevige slag volgde en door de felle beweging van het schip werd Jonge Kees, die nog nooit een zeegevecht had bijgewoond, het onderste boven gesmeten.
"Fij, wiegekindeke, gaode ge liggen rollen? Blaif maor liggen zulle, daor kommen er nog meer. We zullen portaon dien Roôrok 'nen kier zainen zin geven! Blaif maor liggen, manneken; gai ligt daor goed!" zeî een Vlaamsch matroos.
"Ik kan wel opstaan, hoor," antwoordde Jonge Kees, maar juist toen hij hiertoe pogingen aanwendde, gaf de Zuyerhuys het tweede schot en de knaap kwam nu met het hoofd tusschen de voeten van den Antwerpenaar terecht.
"Kaik, ie staot; jaowel, ie staot!" hernam deze lachende, doch rolde toen het derde schot gelost werd, daar hij door het woelen van Jonge Kees zelf al niet vast meer op zijne beenen stond, ook op het dek, tot groot genoegen van Huib, die den Antwerpenaar napraatte en zeî: "Kaik, ie staot; jawel, ie staot! Blaif maor liggen, kompeer, daor kommen er nog meer! Ikkik verrassereer het doe!"
Huib had echter onwaarheid gesproken; want de Engelschman hield af en aan vervolgen was in den donkeren nacht niet te denken. Daarenboven was de Hollandsche straatvaarder de Vrije Konsten zwaar geladen en een slecht zeiler.--
Men wendde derhalve den steven en zette koers naar Brielle, doch de felle tegenwind, die bijna tot een storm aangegroeid was, dreef de beide schepen af en den breeden mond van de Honte of Westerschelde in.
Bij het aanbreken van den dag lagen ze voor Vlissingen. De Zuyerkuys liep de haven binnen en de Vrije Konsten zette koers naar Rotterdam, waar het twee dagen later behouden aankwam.
Zoodra het schip aan de kade gelegd was, kwamen vele nieuwsgierige Vlissingers aan boord om een en ander van de laatste gebeurtenissen ter zee te vernemen.
Jonge Kees echter troonde Huib mee naar het voorschip en zeî: "Vertel me nu de geschiedenis van onzen "Goeden Vaêr!" We hebben nu volop den tijd!"
Huib voldeed hieraan met graagte; want al had hij het aan dezen of genen al zoo vaak verteld, 't was hem nooit te veel om het nog eens en nog eens te doen.--Hij zette zich daarom op een hoop zeilen en uit den wind en begon zijn verhaal.
HOOFDSTUK II
Een dag Vacantie.
'T was een prachtige Octoberdag van het jaar onzes Heeren 1606. Wij hadden dien dag ter school verlof, en reeds driemaal had ik mijne goede moeder bij haar huiswerk in den weg geloopen. Ik stond, geheel onschuldig, gereed dit voor den vierden keer te doen, toen mijne moeder zei: "Hoor eens jongen, ik wenschte wel dat de schoolmeester je vandaag geen verlof gegeven hadde; want gij loopt mij telkens in den weg. Is er niets te doen voor je?"
"Ik en weet het niet, moeder!"--
"Ik en weet het niet! Fij, dat een jongen van negen jaar met zijnen ledigen tijd geenen weg weet. 'T is meer dan erg!"--
"Maar, moeder, laat mij dan maar boodschappen doen!"--
"Ik en heb geen boodschappen voor je! Maar ja, toch. Weet-je den Hoogendijk?"
"Ja, moeder!"
"Kostelijk. En weet-je daar net op den hoek van het Lage Woudt en de Drie Stucken, dat kleine boerenhuisje staan?"--
"Ja, moeder, ja, daar woont het "Kregelige Mennonietje!"--
"Wie zegt je, daar, jongen? Het "Kregelige Mennonietje?"--
"Ja, moeder, dat is een jongentje van zeven jaar, die o, zoo kwarrig en kregel is. Wij plagen hem wat dikwijls en dan moest ge zijne facie eens zien. Vooral als wij hem "Kregel Mennonietje" noemen dan stampt hij van kwaadheid en krabbelt zichzelven in 't aangezicht. Want weet u, moeder, Witte's vader, de oude Cornelis Wittensz. De With en zijne Moeder Neeltjen Andries, zijn beiden Mennonieten en deze mogen niet slaan, niet vechten, niet zweren en wat weet ik daar nog al meer af!"--
"'T staat u waarlijk fraai, Huib, zoo'n armen knaap te bespotten omdat zijn vader en moeder een soort van ongeloovigen zijn! En doet ge dat spulletje alleen?"--
"Welneen, Moeder! Daar heb-je Marten, den zoon van Herbert Martensz. Tromp, den zeekapitein, die is altijd haantje de voorste!"
"Dat wil ik wel gelooven! Wat er van dat jongsken worden moet, dat en weet ik niet. Hij is heelemaal baas over zijne moeder, die veel te goed voor zoo'n bengel is. Die Marten moest mijn jongen zijn, ik zou wel raad met hem weten, ja, dat zou ik!"
"Gij zoudt hem slaan, Moeder?--Als Marten uw jongen was zoudt ge dat niet doen; want hij is door en door goed, als een kalf, ja!"--
"Sla ik jou wel eens, Huib? En ben-je ook niet dikwijls heel kwaadwillig en ondeugend? Neen, ik zou met Marten doen, zoo als ik plan heb met jou te doen, als je vader uit de Oostzee terug is!"--
"Wat dan, Moeder, wat dan?"
"Dan ga-je naar zee, jongen! Aan boord gaan er die wilde haren wel uit! Reken daarop!"--
Toen moeder dit zeî sprong ik wel twee voet hoog van den grond en begon haar te omhelzen en te kussen van belang! Want naar zee te gaan, dat beviel me vrij wat beter dan in het school op die harde banken te zitten. Ik leerde bovendien heel weinig, omdat ik er geen lust in had. Lacie, wat heb ik mij hierover later beklaagd!--Kan-je lezen en schrijven, Jonge Kees?"--
"Jawel, ik heb dat te Schevelingen van onzen dominé geleerd. Die man houdt veel van me!"--
"Zoo, dan is het goed, dan kan-je ook nog wat worden in de wereld. Maar ik, oude stumperd, ik, die niet en wilde leeren, ik ben niets geworden, niets dan matroos.--Voor matroos geboren zal ik ook wel voor matroos sterven! Spiegel u aan mij, knaap, en zorg dat ge wat meer wordt dan ik.--Doch laat ik nu met mijne vertelling voortgaan.
Toen mijne Moeder zich uit mijne woeste omhelzing losgemaakt had, zeî ze: "Welnu, Marten moet ook naar zee. Vader Herbert zal hem de ooren wel wasschen, als hij het verdient! Doch wat ik zeggen wil, ga nu naar den ouden Cornelis Wittensz. De With en haal me daar een paar maten kippenvoer. Ik heb gehoord, dat hij het goedkooper geeft dan Meeuwisz. hier in de buurt!"--
Onderwijl ik in ons schuurtje ging om eenen zak te halen, hoorde ik een geweldig gejoel op straat. De bovendeur werd open gedaan en de stem van mijn vriend Marten riep: "Moeder Maerlant, mag Huib zich wat met ons buiten de poort gaan vermeien?"--
"Huib moet eene boodschap gaan doen op den Hoogendijk, Marten!"
"Top, dan gaan wij met hem mede! Eene frissche wandeling op zulk eenen schoonen dag!"--
"Nu, mijnentwegen kunt gij medegaan! Maar pas op, hoor, dat ik geene klachten over u krijg en dat ge mijn Huib tot geene dolle streken verleidt!--