Part 11
[22] D. Fr. Strausz: Die christliche Glaubenslehre in ihrer geschichtlichen Entwickelung und im Kampfe mit der modernen Wissenschaft dargestellt. 1840 Bd. 1 S. 356. Vergelijk ook zijn „Der Alte und der neue Glaube” in het bijzonder II: Haben wir noch Religion?
Z.
[23] Van de gedachte aan een vervangen van den godsdienst kunnen zich zelfs mannen als _Wundt_, _Paulsen_, _Volkelt_ (over Volkelt’s nieuwere wijsgeerig-godsdienstige standpunt zie men zijn te Leipzich bij J. C. Hinrichs verschenen oratie: _Was ist Religion?_ en onze studie daarover in het Theol. tijdschrift 1914 Afl. III, onder den titel: _Gedachten van een wijsgeer over godsdienst_. G.) niet geheel los maken; met name echter hebben eenige Duitsche vertegenwoordigers van het Darwinisme daarin zulk een vervanging, althans in hun monisme een „Band zwischen Religion und Wissenschaft” (Häckel t.a.p.) willen vinden, en daarmee toch slechts aan het zuiver wetenschappelijk karakter van Darwin’s theorie te kort gedaan: natuurwetenschap is geen godsdienst en godsdienst is geen wetenschap!
Z.
[24] In zijn beroemd boek _Geschichte des Materialismus_, waarin hij na zijn prachtige kritiek op de materialistische wereldbeschouwingen de onmacht en betrekkelijke onwaarde der wijsgeerige wereldleer in het licht tracht te stellen met de eenzijdigheid van vele Neo-Kantianen, maar aan den anderen kant een religieus gestemd ethisch-idealisme leert, dat, hoe waardevol op zichzelf, noch het denken noch het godsdienstig gemoed geheel bevredigen kan.
G.
[25] Een ander surrogaat van godsdienst had Ziegler hier ook nog kunnen bespreken, de tegenwoordig ten onzent nog al gepropageerde Theosophie.
Hier ontmoeten wij een eigenaardig mengsel van wijsgeerige bespiegeling, voorstellingen van godsdienstigen aard, vooral aan de Indische religieuze philosophie ontleend, en godsdienstig gevoel. Het is zeer verklaarbaar dat in tijden van verwildering en onkunde op godsdienstig gebied, wanneer toch religieuze behoeften en verlangen naar hooger overtuigingsleven zich doen gelden, waaraan door gemis aan godsdienstige opvoeding en voorlichting niet wordt voldaan, de fantastische en mystieke Indische bespiegelingen bekorend werken, terwijl verwarring en strijd tusschen christelijke kerken en theologen meer afstoot dan aantrekt. Toch is het niet moeilijk in te zien hoe zwak de theoretische of wijsgeerige grondslag is. Men vergelijke daarover eens Prof. S. Speyer, _De Indische theosophie_. En naast deze gebreken van den denkinhoud, is ook vrij duidelijk, dat de Theosophie slechts aan enkele religieuze gemoedsbehoeften voldoet en dat nog op onvoldoende wijze, vgl. P. B. Westerdijk, _De Theosophie_. Toch acht ik deze beweging als correctief op de verwaarloozing van den godsdienst een sprekend teeken des tijds.
G.
[26] Men vergelijke hiervoor werken als Wendt, _System der Christlichen Lehre_. A. Bruining, _Het geloof in God_, en _Het onsterfelijkheidsgeloof_. T. Cannegieter, _Het openbaringsvraagstuk en de ontwikkelingsidee_. N. Theol. Tijdschr. 1915.
H. Y. Groenewegen, _De Evolutieleer en het godsdienstig geloof_. Wobbermin, _Der Chr. Gottesglaube in seinem Verh. zur heut. Philosophie_.
Ik doe maar een greep. Er zou natuurlijk veel meer en veel voortreffelijks nog te noemen zijn. De stroom van litteratuur op dit gebied vloeit steeds voort. Zonder veel moeite kan de lezer tal van wetenschappelijke of populaire geschriften vinden, die aan de ontwikkeling van zijn geloofsleven in verband met die van wetenschap en wijsbegeerte ten goede kunnen komen.
Vgl. o.a. de serie _Redelijke Godsdienst_. Baarn, Holl. Drukkerij.
G.
[27] Een spoedige verzoening tusschen gelooven en weten meende _Fr. Paulsen_ weer te mogen verwachten: Einleitung in die Philosophie 1892 S. 11 fg. (Hollandsche vertaling van P. H. en Meta A. Hugenholtz, Amsterdam C. L. G. Veldt, blz. 10 vg.). Deze verwachting, gebaseerd op de school van Ritschl, is door het geval Harnack (cf. „Nation” 1892 10. Jahrg. Nr. 4 S. 51 ff. en het artikel van _Holtzmann_ in de Protest. Kirchenzeitung 1892 Nr. 45-48) wel zeer eigenaardig geïllustreerd en volkomen weerlegd.
Z.
[28] Om misverstand te voorkomen voeg ik hier aan toe, dat zij de groote metaphysische vragen niet ontwijken kan, en die dan ook bij geen der groote godsdienstwijsgeeren buiten beschouwing gelaten heeft. Het geloof in God bevat altijd ook een metaphysische overtuiging, een bepaald wereldbegrip. De verhouding daarvan tot de theoretische wereldverklaring der wijsbegeerte in onzen tijd na te gaan, de een door de andere te verrijken en te corrigeeren acht ik, blijkens mijn boven geciteerde geschriften, een even groote en belangrijke taak dezer wetenschap.
G.
[29] Juist daarom is het goed hier eens de aandacht te vestigen op het mooie boek van G. Th. Fechner, _Die drei Motive und Gründe des Glaubens_. Men zal hier veel in vinden dat Zieglers beschouwing aanvult. In andere werken, bijv. zijn _Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht_, en _Die Seelenfrage_ blijkt Fechner een dier zeldzame denkers, bij wien de nieuwere natuurwetenschap, psychologie en wijsbegeerte in volledige harmonie zijn gekomen met een diep religieus gemoedsleven en even hoog als rijk godsdienstig geloof.
G.
[30] Dat was ook de hoofdgedachte waarvoor reeds Spinoza opkwam in zijn _Godgeleerd staatkundig vertoog_.
G.
[31] Een interessante en fijne verklaring van veel vreemds en tegenstrijdigs in Luthers vroomheid, o. a. zijn wonderlijke gemeenzaamheid naast zijn diepen eerbied, zijn innig vertrouwen en grootmoedig afhankelijkheidsgevoel naast dit bijna brutale gevoel van rechten te hebben op God en eischen te mogen stellen, vindt men in Otto’s meergenoemde boek. De boven aangehaalde uiting wordt bij het vertalen in zijn ruwe oprechtheid licht te plomp en blijve daarom liever onvertaald. Men kan toch in de eerlijke hartstochtelijkheid van dit wanhopig verlangen en de felle kracht van het gevoel dat hij alles van God alleen hebben moest de geweldige uiting van sterk levende godsvrucht vinden.
G.
[32] _Schleiermacher_: Der christliche Glaube. 2e Aufl. Bd. 2 S. 476. Verg. ook zijn uitspraken over het gebed ibid. § 146 f. Bovendien „Ueber das Gebet. Ein religionsphilosophisches Fragment. Sendschreiben an Herrn E. Renan in Paris” door _M. J. Monrad_: Philosophische Monatshefte Bd. 28 S. 25-37.
Z.
[33] De gedachte van een dramatische beteekenis van den cultus is ontwikkeld door _Otto Pfleiderer_: Religionsphilosophie auf geschichtlicher Grundlage. 2 Aufl. Bd. 2 in het hoofdstuk over „Kultus und Kirche” S. 236 ff.
Z.
[34] Over het bedenkelijke van een liturgische muzikale godsdienstoefening van Protestantsch standpunt uit bezien heb ik mij reeds vroeger bijv. in een mijner beschouwingen over het geval Schrempf (Beilage zur Allg. Zeitung 1892 Nr. 182) uitgesproken; ik ben het hierin volkomen eens met _Eduard von Hartmann_ t. a. p. Bd. 2. S. 42 ff. Verg. ook _J. Gmelin_, Evangelische Freiheit, Tübingen 1892 S. 60.
Z.
[35] Goede en leerzame opmerkingen over dit onderwerp ook in Prof. Is. van Dijk, Aesthetische en zedelijke godsdienst.
G.
[36] Over de verhouding van godsdienst en zedelijkheid heb ik mij ook uitgesproken in mijn boekje „Sittliches Sein und Sittliches werden” 2 Aufl. 1890. S. 125-128.
Z.
[37] _Kant_: Religion innerhalb der Grenzen der bloszen Vernunft. viertes Stück: Vom Dienst und afterdienst unter der Herrschaft des Guten Princips, oder von Religion und Pfaffentum.
Z.
[38] Verg. over de christelijke moraal mijne critische besprekingen in mijn „Geschichte der Christlichen Ethik”. 2 Ausgabe 1892.
Z.
[39] Wat betreft de zedelijke problemen verg. mijn: „Sittliches Sein und Sittliches werden” in de tweede en derde voordracht.
Z.
[40] Uitvoeriger, hier en daar gewijzigde en belangrijke beschouwingen over de oudste en meest primitieve vormen van godsdienst geeft C. P. Tiele, _Inl. tot de godsdienstwetenschap_, 54.
G.
[41] De definities van Totemisme, Fetischisme en Animisme zijn ontleend aan _Max Müller’s_ „_Natural Religion_”. blz. 159-160. Verg. hierbij ook het _Lehrbuch der Religionsgeschichte_ van _P. D. Chantepie de la Saussaye_ 2 Bdl. 2e Aufl. 1897, en _Herbert Spencer_ in zijn _Principles of Sociology_.
[42] De tegenstelling tusschen deze twee typen van vroomheid is zeer duidelijk in ’t licht gesteld en aangewezen in tal van historische karakters door W. James in zijn meergenoemd boek _The varieties of religious experience_. Hij onderscheidt ze met de namen van „sick souls” en „healthy minded”, kranke zielen en gezonde geesten. Maar men zie in deze namen geen bepaalde waardeering. De kracht, diepte, warmte en innigheid van godsdienstig leven kan in beide typen gelijk zijn. Dat hangt geheel van den persoonlijken religieuzen aanleg en ontwikkeling af. Ook bedenke men dat slechts zelden de vroomheid van een mensch uitsluitend een dier typen vertoont. Er is geen volstrekte tegenstelling, maar tallooze schakeeringen, waarvan in een menschenleven zich verschillende kunnen voordoen.
G.
[43] Aangaande de christelijke mystiek zie mijne Geschichte der Christlichen Ethik S. 380 ff., 516 ff. Daar vindt men ook, hoe de Scholastiek gepoogd heeft aan de mystiek een bepaalden weg voor te schrijven hoewel dat met haar wezen niet in overeenstemming is (S. 89).
Z.
[44] _Rudolf von Ihering_: Der Zweck im Recht Bd. 2, 2 Aufl. 1886. Verder het opstel van denzelfden schrijver over: „Die gastfreundschaft im Altertum” in de Deutsche Rundschau 1887. Daarentegen meent _W. Wundt_: Ethik 1886: „In den meisten Fällen scheinen religiöse Vorstellungen die letzten Quellen zu sein, aus denen die Sitte geflossen ist; sie erscheint dann als eine Kultushandlung.”
Z.
[45] De tegenstelling tusschen Romeinen 13 en Apocalypse 13 ontleende ik aan _Holtzmann’s_ geestige Redevoering „Das Neue Testament und der Römische Staat” (Straszburg 1892). Verg. verder het artikel „Staat und Kirche” van _J. Köstlin_ in den 14en band van Herzog’s Realencyclopädie für protest. Theologie und Kirche. 2 Aufl.; voor den eersten tijd, _K. J. Neumann_: Der römische Staat und die allgemeine Kirche bis auf Diokletian. Bd. 1. 1890.
Z.
[46] Dat het kerkrecht in tegenspraak is met het wezen van kerk en christendom, is betoogd van orthodox-Luthersch standpunt uit door _R. Sohm_: Kirchenrecht. 1 Bd.: Die Geschichtlichen Grundlagen 1892.
Z.
[47] _Schleiermacher_: Reden über die Religion. Vierte Rede: „Ueber das Gesellige in der Religion”. Daar zegt hij: „Hinweg also mit jeder solchen Verbindung zwischen Kirche und Staat! Das bleibt mein catonischer Ratsspruch bis auf Ende oder bis ich es erlebe, sie wirklich zertrümmert zu sehen”.
Z.
[48] Ziegler spreekt voor Duitschers en handelt over Duitsche toestanden. Het leek mij beter den tekst niet te veranderen en geheel naar Hollandsche toestanden te wijzigen. Het is ook voor ons leerzaam de moeilijkheden te zien waarmede men elders kampt. Dat ten onzent het vraagstuk van de verhouding van kerk en staat oud en onopgelost is, behoeft hier slechts vermeld te worden. Vergeleken bij andere Protestantsche landen is de toestand hier zeer bevredigend. De band tusschen kerk en staat is zoo los als eenerzijds de godsdienst zelf en de volledige geloofsvrijheid, anderzijds het staatkundig leven en het belang dat de staat heeft bij bevordering van religieus-moreele volksopvoeding dat vorderen. Historische toestanden en rechten doen zich daarbij natuurlijk nog gelden. De veelheid en verscheidenheid der kerkgenootschappen, die, wanneer ze door den Staat zijn erkend, gelijke voorrechten en vrijheden genieten, blijkt meer en meer bevorderlijk aan de door Ziegler terecht gewenschte vrije ontwikkeling van het godsdienstig gemeenschapsleven. Daarnaast is plaats en werkkring voor godsdienstige vereenigingen van gelijkgezinden, die zich uitbreiden over de kerkgenootschappelijke grenzen heen. Maar in een land als het onze waar de godsdienstige tradities, innig samengeweven met de geschiedenis van land en volk, krachtig nawerken, is dan ook veel minder behoefte aan die losse, tijdelijke kringen waarin het godsdienstig leven van Amerika zich veelal heeft belichaamd. Kerken zijn bij ons slechts godsdienstige organisaties met historische beginselen, eigen karakter en vrijheid van zelfbestuur, door den staat niet boven andere bevoorrecht, hoogstens krachtens verkregen rechten finantieel gesteund, en onderworpen aan voor allen geldende wetten die gelijke rechten en vrijheden waarborgen. Moge misschien het beginsel der scheiding van kerk en staat in bijzonderheden nog beter zijn toe te passen, al heeft de beginselruiterij, hiermede vaak gedreven, zeker zijn bezwaren en gevaren, de toestanden zijn toch ten onzent zoo dat het persoonlijk en gemeenschappelijk godsdienstig leven zich naar eigen eisch volkomen vrij ontwikkelen kan.
G.
[49] _Ed. Zeller_: „Die Entwicklung des Monotheismus bei den Griechen”, in zijne „Vorträgen und Abhandlungen” Bd. 1 S. 1-29. Aldaar ook „Ueber ursprung und Wesen der Religion”. Bd. 2 S. 1-92. En daarnaast _August Baur_: „Ed. Zeller als Religionsphilosoph”, in de Philos. Monatshefte Bd. 26. S. 536-603.
Z.
[50] Belangrijk en leerzaam voor de kennis van den ontwikkelingsgang die volksgodsdiensten doorloopen om wereldgodsdienst te worden, en voor de wijze waarop, vooral in Israël, uit het polytheïsme en henotheïsme monotheïsme is ontstaan, is nog altijd A. Kuenen, _Volksgodsdienst en wereldgodsdienst_.
G.
[51] _Schleiermacher_ Reden. Zweite Rede: „Ueber das wesen der Religion”.
Z.
[52] De diepst doordachte en tegelijk innigst religieus doorvoelde geloofsovertuiging van deze soort in den nieuweren tijd geeft ongetwijfeld Fechner. Men vergelijke daarvoor weder de laatste hoofdstukken van zijn _Die Seelenfrage_, in de uitgave van Paulsen, blz. 223 enz., en de eerste hoofdstukken van zijn _Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht_ tot blz. 70. Wie zijn geloofslied, dat aan Paul Gerhard herinnert,
In Gott ruht meine Seele, Weil Gott lebt, lebe ich, Denn er allein hat leben; Ich kann nicht stehn daneben Er kann nicht lassen mich.
in zijn geheel vergelijkt met het boven aangehaalde mystieke liedje van Angelus Silesius, zal daarin een veel Christelijker gevoelstoon en gedachteninhoud ontdekken. Men vindt het o.a. in de _Tagesansicht_ blz. 65 en stelle daarnaast zijn troostlied blz. 162.
Trouwens het door dogmatisch rationalisme beheerscht vooroordeel tegen het pantheïsme, ziet voorbij dat de pantheïstische opvatting van Gods verhouding tot wereld en mensch in de eerste plaats naar haar denkwaarde te beoordeelen is, en dat, onafhankelijk daarvan, de religieuze waarde ook door andersdenkenden onvoorwaardelijk te erkennen is. De grootste pantheïstische denkers zijn diep religieuze naturen geweest, vele der grootste mystiek religieuze naturen (bijv. een Eckehart) zijn tot geloofsuitingen gekomen die van pantheïsme niet meer te onderscheiden zijn. Voor de religie is niet de denkwijze of voorstellingsvorm, maar het zuiver en innig religieus doorleven van de geloofsgedachten hoofdzaak.
G.
[53] _Max Müller_, Natural Religion.
Z.
[54] Over het openbaringsbewustzijn handelt bijzonder mooi en fijn _Otto Pfleiderer_ in zijn „Religionsphilosophie” Bd. 2 S. 422 ff.
Z.
[55] Het problematisch karakter van ons historisch Jezusbeeld is bijzonder scherp in het licht gesteld door _D. Fr. Strausz_: Der Alte und der neue Glaube. S. 78 f.
Z.
[56] Over Buddha worden wij wel het beste voorgelicht door _Hermann Oldenberg_: Buddha, sein Leben, seine Lehre, seine Gemeinde. 1890. Dat hij geen koningszoon was S. 108, dat hij geen sociale hervormer was, S. 165 ff. Toch kan ook wat in den tekst daarover gezegd werd, behouden blijven. Verg. ook _Chantepie de la Saussaye_ a. a. O. Bd. 1 S. 390-437.
Z.
[57] Het komt hier niet zoozeer aan op de persoonlijke, historisch moeilijk te bepalen betrekking van Jezus tot de particularistische of universalistische opvatting van zijn beroep, als wel op de verschillend klinkende berichten van het Nieuwe Testament aangaande dit punt.
Z.
[58] _l’Irréligion de l’avenir_, étude de sociologie, heet een werk van _M. Guyau_, dat in de 4e uitgave. Parijs 1890 voor mij ligt. Dat de titel (en niet alleen deze!) berust op een verwisseling van Dogmatiek en godsdienst, blijkt uit Rauwenhoff, t. a. p. blz. 795; en zoo kan ook Guyau zelf weer zeggen: „l’irréligion de l’avenir pourra garder du sentiment religieux ce qu’il y avait en lui de plus pur”.
Z.
EENIGE NIEUWERE LITERATUUR
_Otto Pfleiderer._ Religion und Religionen 1906.
_Ernst Troeltsch._ Die gegenwärtige Lage der Religionsphilosophie 1904. Psychologie und Erkenntnistheorie in der Religionswissenschaft 1905. Die absolutheit des Christentums und die Religionsgeschichte 2e Aufl. 1912. Gesammelte Schriften Bd. II 1913.
_Rudolf Euken._ Der Wahrheitsgehalt der Religion. 3 Aufl. 1912 Hauptprobleme der Religionsphilosophie der Gegenwart 5 Aufl. 1912. Können wir noch christen sein? 1912.
_M. Heinze._ Artikel „Religionsphilosophie” in Realencyclop. für prot. Theologie und Kirche. B. 16 1905.
_Erich Adickes._ Wissen und Glauben, Deutsche Rundschau Bd. 94 1898.
_Theobald Ziegler._ Glauben und Wissen. (Strassburger Rektoratsrede) 1899.
_J. Volkelt._ Was ist Religion? Leipzig 1913.
_R. Otto._ Das Heilige, Breslau 1917.
_W. James._ Varieties of religious experience, 1904, ook in Nederl. vertaling.
_G. Wobbermin._ Der Chr. Gottesglaube i. s. Verh. zur heutigen Philos. u. Naturw. 1911.
_P. D. Chantepie de la Saussaye._ Lehrbuch der Religionsgeschichte, 1897.
_A. Sabatier._ Esquisse d’une Philosophie de la religion d’après la psychologie et l’histoire 1897.
_H. Höffding._ Religionsphilosophie 1901.
REGISTER
A Aesthetica, p. 16, 41, 46-50, 51, 72. Afhankelijkheidsgevoel, p. 13 vgl., 18, 44, 45, 51, 88, 107, 108. Agamemnon, p. 74. Agni, p. 19. Ahriman, p. 58. Akosmisme, p. 89. Albertus Magnus, p. 27. Alexandrië, p. 27. Animisme, p. 63, 64. Anthropomorphisme, p. 24 vgl., 50 vgl., 62, 70, 90. Apologetiek, p. 26. Ariers, p. 74. Aristoteles, p. 32. Ascese, p. 41, 55 vgl. Atheïsme, p. 87, 90, 105. Aufklärung, p. 21, 111. Augustinus, p. 58, 76, 98. Avesta, p. 90. Azië, p. 99.
B Bijbel en bijbelgeloof, p. 91 vgl., 95. Bijgeloof, p. 16, 51, 62. Böcklin, p. 68. Bruno, Giordano, p. 34. Boeddha en Boeddhisme, p. 11, 92, 93, 96, 98, 118. Byzantinisme, p. 76.
C Calvijn, p. 58, 79. Celsus, p. 26, 112. Christendom, p. 9, 10 vgl., 26 vgl., 40, 52 vgl., 55, 56, 58, 61, 67, 75 vgl., 85 vgl., 91, 98 vgl. Constantijn de Groote, p. 76. Cultus, p. 12, 18, 40 vgl., 51, 69, 72, 114.
D David, p. 47. Delphi, p. 63, 75. Dionysus, p. 47. Dogma en dogmatiek, p. 27 vgl., 31, 36, 53, 71, 76. Drieëenheid, p. 86. Dubbele waarheid, Leer van de, p. 27. Duivel, p. 58, 75.
E Eckart, Meester, p. 71. Eudaemonisme, p. 54. Extase, p. 70, 71.
F Fantasie, p. 8, 26, 29, 31, 35, 46, 51, 63, 72, 85, 100, 110. Fechner, G. Th., p. 114, 117. Fetisch en fetischisme, p. 63, 64. Feuerbach, L., p. 16, 23, 109.
G Gebed, p. 12, 40, 41 vgl. Gemeenschap, religieuze, p. 66, 72 vgl., 80. Germanen, p. 53, 73, 100. Gevoel, p. 10, 13 vgl., 19, 40, 65 vgl., 72, 100. Godsdienststichters, p. 31, 51, 52 vgl., 92 vgl. Grieken, p. 19, 24 vgl., 31, 32, 47, 57, 62, 74, 84.
H Hartmann, Ed. von, p. 107. Hase, Karl von, p. 14. Heilige boeken, p. 83-90, 91. Heiligendienst, p. 86. Hellenisme, p. 31, 86. Hemert, P. van, p. 111. Henotheïsme, p. 85. Herder, p. 19, 88. Herrnhutters, p. 67. Höffding, H., p. 111. Hooglied, p. 70. Humanisme, p. 56.
I-J Jacobi, p. 88. Jahwe, p. 12, 85. James, W., p. 109, 115. Jeremia, p. 94. Jezus, p. 12, 42, 53, 75, 94, 102, 118. Ihering, R. von, p. 73, Indiers, p. 19. Individualisme, p. 65 vgl., 92, 102. Indra, p. 19. Inspiratie, p. 91. Intellectualisme, p. 10 vgl., 28, 29, 63, 91. Job, het boek, p. 55. Joden, p. 74, 78, 84 vgl.
K Kant, p. 51, 54, 56, 111, 115. Katholicisme, p. 49, 77, 81, 86, 98, 101. Kerk, p. 30, 34, 50, 54, 57, 63, 68 vgl., 71, 75-82, 89. Koran, p. 90. Kuenen, A., p. 117. Kunst, p. 46 vgl. Kwade, het, p. 58 vgl.
L Lao-tse, p. 92. Lange, F. A., p. 35, 112. Lessing, p. 20, 60, 70, 88, 91, 95. Liturgie, p. 46 vgl. Luther, p. 42, 56, 77, 94, 97, 114. Lutheranen, p. 71, 98.
M Melanchton, p. 42. Metaphysica, p. 21, 35, 37, 113. Methode der godsd. wet, p. 6-9. Mohamed, p. 94. Monotheïsme, p. 83-86. Mozes, p. 53, 96. Müller, Max, p. 92. Muziek, p. 47-49. Mystiek, p. 68, 69, 71, 88, 89. Mysticisme, p. 69-71. Mythologie en Mythen, p. 6, 24, 29, 31, 57, 83 vgl.
N Nationale religie, p. 83, 99. Natuurgodsdienst, p. 83, 90. Nero, p. 75, 76. Nieuwe Testament, p. 69, 75, 91, 97, 99. Nominalisme, p. 27. Noord-Amerika, p. 79 vgl.
O Offer, p. 12, 40 vgl., 54. Oneindige, het, p. 16 vgl., 18 vgl., 23-26, 35, 44, 50, 66, 69, 83, 100. Onsterfelijkheidsgeloof, p. 24, 55, 64, 66, 102. Onverdraagzaamheid, p. 30. Oorsprong van den godsd., p. 62 vgl. Openbaring, p. 62, 91, 92-96. Opvoeding, p. 39, 54, 57, 92. Orient, p. 74. Orthodoxie, p. 10 vgl. 28, 62, 67, 71, 79. Otto, R., p. 106, 114. Oude Testament, p. 12, 19, 90.
P Pantheïsme, p. 50, 86, 87, 90, 118. Paganisme, p. 3. Paradijs, p. 19. Paulus, p. 12, 75, 94. Paus, 68, 77. Phaenomenologie, p. 106. Philosophie, p. 22, 25, 26 vgl., 29, 33, 35 vgl., 84, 86 vgl. Piëtisme, p. 56, 67, 71. Plato, p. 55, 57. Polytheïsme, p. 83 vgl. Presbyteriaansche kerkinrichting, p. 79. Priester, p. 62 vgl., 68, 73, 75, 77, 96. Profeten, p. 12, 85, 94. Protestantisme, p. 28, 48, 56, 77 vgl., 81, 86, 97, 98, 101. Puriteinen, p. 67.
Q Quakers, p. 67. Quietisme, p. 11, 70.
R Rationalisme, p. 28, 62, 71. Rauwenhoff, p. 50, 110, 112. Religionsphilosophie, p. 36, 37, 38. Religionspsychologie, p. 7, 36, 37, vgl. 106, 109. Renan, E., p. 94. Rome, p. 75, 77. Romantiek, p. 47, 49.
S Samuel, p. 74. Saul, p. 74. Schiller, p. 5, 20. Schleiermacher, p. 13, 44, 76, 88, 89, 90, 108, 110, 116. Scholastiek, p. 27, 115. Semieten, p. 74, 85. Sick souls and healthy minded, p. 115. Siebeck, H., p. 106. Sociale denkbeelden, p. 96 vgl. Soma, p. 19. Spinoza, p. 87, 88, 89, 114. Staat en kerk, p. 74-82, 105, 116. Strausz, D. Fr., p. 29, 112, 118. Sudra’s, p. 96. Supranaturalisme, p. 28. Synode, p. 79.
T Tao-te, p. 91, 98. Territorialisme, p. 77. Tetzel, p. 58. Theodicee, p. 55, 58. Theologie, p. 33, 36, 62, 69, 107. Theosophie, p. 112 vgl. Thomas van Aquino, p. 27, 89. Tieck, p. 68. Tiele, C. P., p. 115. Toekomst van den godsdienst, p. 100-102. Totem en totemisme, p. 63 vgl. Traditie, p. 25, 30, 32.
U Universeele godsdiensten, p. 83, 99. Universalisme, p. 98, 100, 102, 118.
V Varuna, p. 19. Verethiseerde godsdienst, p. 108. Verhooren des gebeds, p. 43-45. Verrationaliseerde godsdienst, p. 108. Verstandsgodsdienst, p. 28, 62. Vervanging van den godsdienst, p. 112. Volkelt, J., p. 112.
W Wereldgodsdienst, p. 83, 99, 100, 117. Weten en gelooven, p. 3, 10, 18, 39, 53, 56, 59, 89. Wonder en Wondergeloof, p. 43, 95.
Z Zeus, p. 72. Zwingli, p. 78. Zonde, p. 58 vgl.
INHOUD
Bladz. EEN WOORD VOORAF, door Prof. Groenewegen V
EERSTE HOOFDSTUK: Inleiding. Het wezen van den godsdienst 1
TWEEDE HOOFDSTUK: Religieuze voorstellingen en denkbeelden. Gelooven en weten 18
DERDE HOOFDSTUK: De cultus als religieuze handeling. Kunst en godsdienst. Godsdienst en zedelijkheid 40
VIERDE HOOFDSTUK: De godsdiensten. Individualisme en mystiek. Kerk en staat 61
VIJFDE HOOFDSTUK: De godsdiensten. Polytheïsme. Monotheïsme. Godsdienststichters en het geloof in openbaring. De toekomst van den godsdienst 83
AANTEEKENINGEN van Prof. Ziegler en Prof. Groenewegen 105