Godsdienst en godsdiensten

Part 10

Chapter 103,579 wordsPublic domain

Wat is er nu voor waarheid in die gedachten en verwachtingen? Ook nu wederom: ik ben geen profeet. Maar ik denk zoo: wanneer onder „l’Irréligion de l’Avenir”[58] verstaan moet worden, dat de menschheid als geheel, althans het ontwikkelde gedeelte, eenmaal geen godsdienst meer zal bezitten, dan kan ik mij bij dit geloof niet aansluiten. De zucht, het verlangen naar het oneindige met al de ideeële gevoelens die zij wekken, zullen blijven bestaan, omdat zij behooren tot ’s menschen psychologischen inventaris, en ook de voortschrijdende cultuur kan daarin geen verandering brengen. En eveneens zal zich de fantasie altijd weder beelden scheppen van dat oneindige om daarmede wereld en leven op vrome wijze te verklaren. En zoo zal er, voor zoover wij de menschen kennen, altijd godsdienst blijven bestaan. Een tijdlang scheen het alsof godsdienst nog slechts iets kon zijn voor de onbeschaafden, en goed genoeg was voor het volk, terwijl wij beschaafden ons langzamerhand daarvan geheel los zouden maken. Het komt mij echter voor, dat in onzen tijd het tegendeel plaats grijpt, en dat--hoe paradoxaal dat ook moge klinken--de godsdienst gevaar loopt bij de groote massa te worden verdrongen en een tijdlang zijn laatste veilige toevlucht zou moeten zoeken bij hen, die weten dat godsdienst als inbegrip van hooger ideeële gevoelens iets diepers en fijners is dan rechtgeloovigheid en het vervullen van kerkelijke plichten. Dat echter het gevaar ginds zoo groot geworden is, en dat wij den vasten grond, dien alle religie in ons eigen zieleleven heeft, zoo vaak niet vermogen te zien, dat is bovenal de schuld van de kerk en van het in haar en door haar gekweekte misverstand van wat godsdienst eigenlijk is. De godsdienst is in gevaar! roept men uit, terwijl in werkelijkheid slechts een of andere kerkgenootschap of een belijdenisformule wordt aangevallen of verouderd blijkt. En daarom, wanneer wij zooeven zeiden: godsdienst zal er altijd zijn, dan wil dat niet zeggen, dat een bepaalde godsdienst, een bepaalde kerk, een bepaalde belijdenis zal in stand blijven en eindelijk als de eenige en algemeen geldende zal worden beschouwd. Met de levensbehoeften en levensvoorwaarden, met het lot der volkeren en den voortgang der beschaving, met de intellectueele en zedelijke opvattingen der menschen wisselen ook de religieuze voorstellingen en vormen, wisselen derhalve ook de godsdiensten. Dat éen der thans bestaande godsdiensten alle anderen in zich opnemen en als absolute wereldgodsdienst alleen overblijven zal, dat is, te oordeelen naar den loop der dingen, niet aan te nemen. Het universalistische streven, zooals wij dat in de Katholieke kerk belichaamd zien, zal zich tegen het mystische individualisme en tegen het protestantsche vrijheidsgevoel ten alle tijde met succes blijven verzetten; de vraag is slechts of de verdere ontwikkeling meer naar de eene of andere zijde zal overhellen, òf--evenals tusschen de idee van het Koninkrijk Gods en het persoonlijk onsterfelijkheidsgeloof--een voortdurend weifelen en wankelen tusschen universalistische en individualistische perioden en stemmingen het laatste woord zal zijn: en wijl wij niet weten wat de toekomst ons aan nieuwe scheppingen op godsdienstig gebied zal brengen, kunnen wij die vraag niet beantwoorden. En zoo beteekent dus gelooven in de toekomst van _den_ godsdienst niet: gelooven in de toekomst van een bepaalden godsdienst; ook hier blijft Jezus' woord van kracht: „in het huis mijns Vaders zijn vele woningen”; en juist in godsdienstige dingen is individualisme en verscheidenheid beter dan gelijkheid en gelijkvormigheid, naar het woord van Goethe: „Aan den kleurrijken glans herkennen wij het leven”.

Maar het is tijd te eindigen, hoe fragmentarisch en onvolledig het ook zij, wat ik u in deze bladzijden heb kunnen geven. Veel moest afgebroken en onbeantwoord blijven, veel was er dat niet eens overdacht of vermeld werd. Voor een deel is dat te wijten aan de weinige ruimte waarover ik mocht beschikken, voor een deel ook aan mijn niet beter weten en niet beter kunnen; want juist wanneer men het beste zoekt te geven wat men bezit, eischt de godsdienst zoowel als de eigen wetenschappelijke zin, niet meer te geven dan men heeft, niet meer te zeggen dan men verantwoorden kan, in éen woord om hier bovenal geheel en al waar en eerlijk te zijn. Voor een deel echter ligt het toch ook aan het onderwerp zelf, als menige vraag onbeantwoord, menige verwachting onvervuld is gebleven. Schrijven over godsdienst beduidt noch godsdienst geven, noch godsdienst ontnemen, maar godsdienst leeren verstaan, en waar moeilijkheden rijzen en gevaren dreigen, deze onbevangen onder de oogen zien en aan te wijzen. Ze op te lossen en weg te nemen, dat kon noch mocht onze taak zijn. Dat moge ten mijnen gunste niet worden voorbijgezien.

* * * * *

Aan dit persoonlijk slotwoord van den schrijver moge voor den Hollandschen lezer de herinnering worden toegevoegd aan het schoone gemeentelied (Godsd. Liederen van den Ned. Prot. Bond, lied 74), waarin veel wat hier overdacht is wordt bezongen:

Daar ruischt door alle hemelstreken Een zucht, een bede, een klacht, een lied: In duizend talen ’t eene teeken Van ’t geen niet eene kan vertolken, En toch in ’t hart van alle volken Zich altijd weder hooren liet. Het is de kreet van ’t menschenharte, Bij ’t angstig worstlen met het lot, Om licht, om steun, om troost in smarte, Het is, wat wisslen moog of keeren, De kreet van ’t innigst zielsbegeeren, Het is de kreet naar U, o God!

AANTEEKENINGEN VAN PROF. ZIEGLER EN PROF. GROENEWEGEN

[1] Prof. Ziegler staaft deze opmerking door te verwijzen naar Duitsche toestanden en gebeurtenissen, die aan zijne lezers genoegzaam bekend zijn om te bevestigen wat hij betoogt. Voor onze lezers zijn zij dat natuurlijk niet. De vertaler heeft dus terecht zich veroorloofd in de eerstvolgende bladzijden af te wijken van den tekst en een nieuw stuk in te voegen, dat voor Hollandsche lezers meer geschikt was om het bewijs te leveren, dat de godsdienst inderdaad een veel grooter beteekenis heeft gehad en weder heeft gekregen voor heel ons geestelijk, maatschappelijk en staatkundig leven dan de kortzichtige vrijdenkerij, in de perioden toen Materialisme en Atheïsme overheerschende geestesstroomingen waren, begrepen en voorzien heeft. Enkele sprekende feiten, zooals de strijd in Duitschland over de Apostolische Geloofsbelijdenis, over Harnack’s Wesen des Christentums, over de zaak Schrempf enz., zijn in ons vaderland niet aan te wijzen, deels omdat sinds de dagen van de opkomst der „Moderne Theologie”, toen ongeveer iedereen theologiseerde, de theologie, zoolang er geen partijbelangen mede zijn gemoeid, slechts matige publieke belangstelling geniet, met de natuurlijke gevolgen van veel onkunde, vooroordeel en misverstand ten aanzien van deze groep wetenschappen bij vele „algemeen” ontwikkelden;--anderdeels omdat bij ons niet, gelijk in Duitschland, de staat zeggenschap heeft op het gebied van het kerkelijke leven en dus godsdienstige en theologische kwesties niet ver buiten den kring der waarlijk belangstellenden in al wat den godsdienst raakt de aandacht plegen te trekken. Daarom verwijst de vertaler slechts naar feiten van algemeenen aard, die trouwens sprekend genoeg zijn. Wie nog een concreet feit genoemd wenscht te zien, merke op, hoe alle groote, kerkelijk-neutrale bladen, in het laatste tiental jaren belangrijke rubrieken bevatten, niet alleen met gebeurtenissen maar ook met uitvoerige beschouwingen over godsdienstig en kerkelijk leven in ons vaderland. De groote pers is in dit opzicht niet alleen de voorlichtster, maar zeker niet minder de spiegel van den tijdgeest, die de ontzaglijke beteekenis van godsdienstige overtuigingen, beginselen en stroomingen voor heel het geestesleven eindelijk weer begint in te zien.

G.

[2] De godsdienstwijsbegeerte heeft in de periode die vlak achter ons ligt, zich te veel overgegeven aan de illusie, dat de geschiedenis van den godsdienst met haar nieuw en rijk onderzoekingsgebied de bronnen zou ontsluiten voor de wijsgeerige kennis omtrent wezen en oorsprong der religie. Vandaar dat in Duitschland een denker als Pfleiderer zijn Religionsphilosophie in den 3en druk historisch omwerkte, en ten onzent Tiele in zijn _Inleiding tot de godsdienstwetenschap_ meende op vasten bodem te staan en veel verder te komen dan bijv. Rauwenhoff in zijn Wijsbegeerte van den godsdienst. Men ging een „phaenomenologie” van den godsdienst opstellen, veralgemeende eenige, vaak willekeurig gegrepen verschijnselen en meende daarmede voor de psychologie te kunnen volstaan. Mij is het altijd voorgekomen, dat de historische berg op deze wijze een wijsgeerige muis baarde, vlg. mijn _De Theologie en hare Wijsbegeerte_ blz. 72-78, _De Theologie der Universiteit en hare wijsgeerige vakken_, blz. 23-24. Men kan dit erkennen zonder te kort te doen aan de waarde der godsdienstgeschiedenis op zichzelve en voor alle andere theologische wetenschappen, ook de wijsgeerige. Psychologen als Ziegler zien thans veel juister in hoe wij tot het inzicht in het wezen en den oorsprong der religie als zielkundig verschijnsel moeten komen. James' _Varieties of religious experience_, ook in het Hollandsch vertaald, sloeg reeds een beteren weg in, maar kwam slechts halverwege. Een der beste nieuwere studies is R. Otto, _Das Heilige_, waarvan ik schreef in mijn _Het heilige_ in het Nieuw Theologisch Tijdschrift 1917.

G.

[3] Dit al te „theologisch” karakter van sommige Religionsphilosophieën komt bijv. sterk uit bij H. Siebeck, _Religionsphilosophie_, die zijn overigens zeer leerzaam boek besluit met een breed onderzoek over „de normaliteit van den godsdienst”. Wie daarvan meer wil weten verwijs ik naar mijn studie _De nieuwere wijsbegeerte van den godsdienst_ (Theol. Tijdschrift, 1896, blz. 150 vlg.)

De eenzijdige Kantiaansche opvatting van het religieuze als „norm” komt het meest uit bij W. Windelband, _Das Heilige_ (in Präludien 2e Ausg.). Ik heb deze theorie beoordeeld in mijn opstel over _Het Heilige_ (Nieuw Theol. Tijdschrift 1917).

G.

[4] De methodologische problemen vindt men breeder behandeld bij _Max Reischle_: Die Frage nach dem wesen der Religion. Grundlegung zu einer Methodologie der Religionsphilosophie. Freiburg 1889. Hij eischt in plaats van een langs inductieven weg verkregen algemeen begrip een „Normbegrip” en maakt verschil tusschen de waarachtige en eigene religieuze ervaring en een „nur hypothetisches Nacherleben”.

Z.

[5] Om misverstand te voorkomen is het niet overbodig hierbij op te merken, dat de samenhangende groep wetenschappen die onder den historischen naam Theologie ten onzent aan de Universiteiten worden beoefend en onderwezen, geenszins van een dergelijke dogmatische vóor-onderstelling als hier wordt verworpen, uitgaan noch daaraan hun onderlingen band, hun innerlijke waarde of invloed naar buiten ontleenen. Dogmatische theologie zooals de kerken laten onderwijzen, heeft het recht zich aanstonds te stellen op het standpunt van het geloof in de volstrekte waarde en in het gehalte aan geopenbaarde waarheid in het Christendom, zooals iedere op een leerstelligen grondslag gebouwde kerk dat opvat en predikt. Voor den geloovige zal het dan ook van bijkomstig belang blijken of men aan deze „geloovige wetenschap” al of niet, geheel of gedeeltelijk wetenschappelijke waarde toe wil kennen. Zuiver wetenschappelijke theologie, die letterkundig, geschiedkundig en wijsgeerig het verschijnsel „godsdienst”, zijn litteratuur, zijn historische ontwikkeling, zijn zielkundigen inhoud en vormen onderzoekt, heeft geen ander uitgangspunt, geen andere wijzen van onderzoek, geen ander doel dan iedere andere wetenschap die soortgelijke litteraire, historische en philosophische kennis tracht te bevorderen. Uit een wetenschappelijk oogpunt komt dan ook de vraag naar den invloed dezer studiën op de ontwikkeling van den godsdienst eerst in de tweede plaats, en de vraag naar de betrekkelijke of volstrekte waarde van eenigen vorm van Christendom eerst aan het einde, voor zoover althans deze vraag geen zuiver religieuze is en dus buiten het gebied der wetenschappelijke beoordeeling valt.

G.

[6] Een menigte definities van den godsdienst geeft _Max Müller_ aan het begin van zijn voorlezingen over „Natural Religion”.

Z.

[7] Behalve Ed. v. Hartmann, die zijn Religionsphilosophie _Das religiöse Bewusstsein der Menschheit_ begint met de zonderlinge vraag of ook de dieren religie hebben. Tot zulke vragen komt men wanneer men de evolutie- of descendentie hypothese als een dogma op de spits drijft. Het antwoord laat zich raden. Natuurlijk onderstellen wij ook bij de hooger begaafde dieren gevoelens van ontzag, vrees, aanhankelijkheid. Maar deze hebben op zichzelf bij den mensch nog niets religieus. Zonder meer is daaruit dan ook de godsdienst nooit af te leiden. Want eerst bij den godsdienstigen mensch zullen ze godsdienstig worden. Maar zulke gevoelstoestanden hebben in het dierenleven tot niets geleid dat ook maar uit de verte met religie vergelijkbaar was. Terecht noemt Ziegler dan ook, in een paar zinsneden, die ik wegliet om ze liever op mijne wijze en iets breeder in deze aanteekeningen te behandelen, Hartmanns vraag gezocht en curieus.

G.

[8] Over het gevoel als orgaan van den godsdienst heb ik mij nader uitgesproken in mijn boek over „Das Gefühl”, eine psychologische Untersuchung. 5 Aufl. 1912.

Z.

[9] De eenzijdige rationeele en de eenzijdige ethische opvatting van den godsdienst, die terecht door Ziegler wordt bestreden, zijn bij alle richtingen te vinden. Maar uitteraard is het gevaar voor verrationaliseering der religie grooter waar de vroomheid zich aan een leerstelsel bindt, en zal men het meest de verethiseerde godsdienst vinden waar de strijd tegen leerstellige godsdienstigheid wel tot religieuze moraal in denken en leven, maar nog niet tot warmer, vaster en klaarder „geloof des harten” heeft geleid.

Hierbij mag ook opgemerkt worden, dat beide eenzijdigheden, waardoor het diepst en wezenlijk religieuze niet tot zijn recht komt, niet alleen bij populaire of leeken-beschouwingen over den godsdienst, maar evenzeer bij theologen te vinden zijn. Bij de orthodoxen komt het eerstgenoemd gebrek het meest voor en leidt dan tot dogmatisme. Bij de vrijzinnigen tot rationalisme en het tweede tot ethisch-modernisme. Beide theologische eenzijdigheden bevorderen weer de religieuze, waaruit zij zijn voortgekomen. Een noodlottige cirkel, waaraan slechts te ontkomen is door dieper en voller religieus leven, dat op zijn beurt door klaarder inzicht in het wezen der religie bevorderd kan worden en dan tot boven-partijdige geestesgemeenschap kan voeren.

Voor theologen is in dit opzicht zeer leerzaam het boven reeds genoemde boek van R. Otto, _Das Heilige_, wat ik in mijn gelijknamig opstel heden aanwees. (_Nieuw Theol. Tijdschr._ 1917).

G.

[10] Het hier aangevoerde indirecte bewijs voor het gevoelskarakter van den godsdienst is het eerst geleverd door _Schleiermacher_ in zijn „Reden über die Religion” en zijn „Glaubenslehre.”

Z.

[11] Voor de meeste lezers zal deze korte verklaring van Ziegler’s instemming met Schleiermacher’s leer van het volstrekte afhankelijkheidsgevoel als grondslag voor de religie voldoende zijn. Voor wie dieper in de hoofdvraag der godsdienstpsychologie door wil dringen, voeg ik hier een paar opmerkingen aan toe.

Men kan Schleiermacher’s beschouwing vinden in zijn Chr. Glaube § 4. 4. Bij nauwkeurige vergelijking ontdekt men spoedig dat Ziegler veel meer dan Schl. bij dat afhankelijkheidsgevoel aan gevoel van eindigheid tegenover het oneindige denkt. Mij komt het voor dat dit laatste wel een bestanddeel is van ontwikkeld religieus gemoedsleven, maar geenszins het eerste en oorspronkelijk religieuze in den mensch. Daarbij bedenke men dat noch afhankelijkheids- noch eindigheidsgevoel op zichzelf reeds religieus zijn. Zij worden dat eerst bij den religieuzen mensch. Nu wordt een niet-godsdienstig gevoel niet godsdienstig alleen door toename in sterkte en diepte, dus ook niet wanneer het van betrekkelijk volstrekt (slechthinnig) wordt. Gevoel van absolute nietigheid, eindigheid en afhankelijkheid kan ook nog irreligieus zijn. Juist op datgene wat alle analoge, nog niet-godsdienstige gemoedsaandoeningen omstemt, opheft tot andersoortige, schoon verwante aandoeningen, dus op het specifieke religieuze komt het aan. De jongste godsdienstpsychologie komt dan ook tot het inzicht, dat al het religieuze voortkomt uit en behoort tot een eigen gebied van ons gevoelsleven, als men wil, een bijzonderen religieuzen zielsaanleg van den mensch. De fijnere ontleding daarvan, het dieper onderzoek van zijn invloed op heel ons geestesleven, is een taak waaraan wij pas zijn begonnen.

G.

[12] _Karl von Hase_: Annalen meines Lebens 1891 S. 13.

In extenso luidt de plaats aldus: „Sinds korten tijd heb ik bij mijzelf nagegaan hoe het toch met mijn vroomheid gesteld was. Dat ik mijn leven niet zou kunnen wijden aan eenige zaak die mij niet zeer lief was, dat spreekt voor mij van zelf. Wanneer ik nu de christelijke vroomheid in haar eigenaardig historisch karakter opvat als het uitsluitend zoeken van het Eeuwige en Oneindige, een bovenaardsch verlangen waarvoor het aardsche leven slechts een pelgrimstocht is naar den hemel, dan begrijp ik zulk een stemming zeer wel en weet haar ook te eerbiedigen, gelijk alles waarbij _eén_ ding zoo krachtig mogelijk wordt begeerd en boven alles bemind; maar in mijzelf is toch ook een stuk heidendom, dat de wereld liefheeft, opgaat in haar schoonheid en haar smart, en dat niet gelijk de vromen gewoonlijk doen, half met een kwaad geweten, maar zonder berouw, ten volle bewust en bezonnen, omdat ik het tegenovergestelde voor een eenzijdigheid houd, hoe verheven zij dan ook vaak geweest moge zijn. Was ik eertijds in Athene geboren, stellig had ik mij aangesloten bij een Themistocles en een Alcibiades; in den tijd der apostelen zou ik, hoop ik, ook niet gevreesd hebben om het martelaarschap op mij te nemen; maar in onzen tijd meen ik kan slechts een vereeniging van den oud-Griekschen met den Christelijken zin tot levensschoonheid en harmonie voeren.”

Z.

[13] _Ludwig Feuerbach_: Sämmtliche Werke 7er Band: Das Wesen des Christentums. 8er Band: Vorlesungen über das Wesen der Religion. 9er Band: Theologie.

Z.

[14] Bijzonder leerzaam voor de kennis der diepste godsdienstige aandoeningen en behoeften is het reeds genoemde boek van den Amerikaanschen psycholoog W. James, _The varieties of religious experience_, die veel van wat hier door Ziegler gezegd is met voorbeelden en uitspraken van groote godsdienstige geesten illustreert. Voor de fijnere analyse verwijs ik nog eens naar Otto’s werk.

G.

[15] Met name de Ritschliaan _Wilhelm Bender_: Das Wesen der Religion und die Grundgesetze der Kirchenbildung. Bonn 1886 heeft deze prioriteit der religieuze praxis en cultus voorgestaan. Dat ik het brok waarheid daarin niet heb voorbijgezien moge blijken uit het op blz. 73 gezegde.

Z.

[16] Inderdaad. Het is alweer Schleiermacher, wiens theorie de moeder is van de hier bestreden beschouwingen. Voor hem was in het volstrekte afhankelijkheidsgevoel het bewustzijn van onze betrekking tot God besloten. Want in dat bewustzijn achtte hij het antwoord op vraag: van wien afhankelijk? verborgen. En voor hem is God datgene wat ons afhankelijkheidsgevoel veroorzaakt en bepaalt, waartoe wij het als het ware herleiden. Maar dat zou toch slechts door een redeneering, een causale verklaring van een in ons zelf gevonden gemoedsgesteldheid mogelijk zijn. En godsdienstig geloof is in aard en oorsprong toch iets geheel anders dan een beredeneerd gevoel. Bovendien kan zulk een afleiding van ons afhankelijkheidsgevoel het denken ook tot een geheel ongodsdienstig geloof, tot de Materialistische leer van een geesteloos-blind spel van stof en kracht in het heelal brengen. En zelfs zoo het denken ons tot de erkenning van een geestelijken wereldgrond en wereldwezen brengt, is dit nog maar philosophie en theoretische wereldverklaring, en nog geenszins godsdienst. Eerst wanneer de mensch daarbij van godsdienstige aandoeningen en aandriften wordt vervuld, is er religieus leven.

G.

[17] De eerste godsdienstwijsgeer, naar ik meen, die de groote beteekenis der dichtende verbeelding voor de totstandkoming van godsdienstige geloofsvoorstellingen heeft aangetoond was Rauwenhoff in zijn _Wijsbegeerte van den godsdienst_ (blz. 611-675). Juist op dat punt is hij zeer bestreden en misverstaan. De verklaarbare vrees, dat daarbij het waarheidsgehalte onzer godsdienstige overtuigingen en hun recht voor het denken in twijfel getrokken, zoo niet ontkend werd, beheerschte een goed deel der critiek. Wanneer men echter tweeërlei in ’t oog houdt, is dit misverstand te vermijden. Vooreerst is de fantasie waarvan hier sprake is, nooit gelijk te stellen met willekeurige inbeelding. Zij is een bepaalde vorm van denken, die niet naast of buiten ons weten staat, maar waarin al onze kennis is opgenomen. In plaats van den vijand der wetenschap, is zij meestal haar voorgangster en wegwijsster. Geen wetenschap die niet aan haar invloed den prikkel ontleent om verder te komen en door haar zich telkens de richting van onderzoek en denken ziet aangewezen. Van ’t Hoff heeft dat dan ook in zijn beroemde rede over de fantasie zelfs voor de natuurwetenschappen erkend. Ten andere bedenke men, dat deze fantasie de bron kan zijn van waarheid niet alleen, maar juist van de hoogste waarheden, die èn voor het louter redelijk denken èn voor het overtuigingsleven des gemoeds bereikbaar zijn. Het hoogste wat wij dragen in geest en gemoed, waaraan te twijfelen zelfvertwijfeling zou wezen, hebben wij aan deze heerlijke gave te danken.

G.

[18] Een der beste vertegenwoordigers van dit standpunt is de Deensche wijsgeer H. Höffding. In zijn _Religionsphilosophie_ beschrijft hij den godsdienst als een bepaalde vorm van wereldwaardeering en haar doel acht hij het behoud van „waarde”. Hoe weinig daardoor wezenlijk de waarheidsvraag en de denkwaarde onzer godsdienstige geloofsovertuigingen geëlimineerd kunnen worden trachtte ik aan te toonen in mijn rede over _Het metaphysisch deel der wijsbegeerte van den godsdienst_ en nader in het laatste hoofdstuk van mijn _De theologie en hare wijsbegeerte_, waar, naar ik meen, ook de weg gewezen is om het door Ziegler aangewezen gevaar van overheersching des geloofs door de wijsbegeerte te vermijden.

G.

[19] De Aufklärung was een nuchter verstandelijke richting in het godsdienstig denken der 18de eeuw, die van den rijkdom der Christelijke geloofsgedachten slechts de drie bovengenoemde grondideeën behield, daartoe allen godsdienst herleidde en dan zoogenaamd wijsgeerige bewijzen bijbracht om hare waarheid voor het denken te staven. Kant mag zelf onder haren invloed hebben gestaan inzoover ook voor hem godsdienstig geloof in de aanvaarding dier grondideeën opging, hij heeft zich toch verre daarboven verheven. In zijn _Kritik der reinen Vernunft_ en _der praktischen Vernunft_, en in zijn _Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft_ wees hij de grenzen van ons kennen, de beperktheid van ons denken aan en trachtte de hoofdgedachten van alle religieus geloof een vasteren grondslag dan wijsgeerige bespiegelingen te geven door ze als noodzakelijke, door het denken zelf, op grond van ons zedelijk bewustzijn geëischte overtuigingen, althans tot een persoonlijk gewaarborgd geestelijk bezit te verheffen.

In ons vaderland is Kant’s beteekenis voor den godsdienst het best verstaan en het meest bevorderd door P. van Hemert. Vgl. mijn _Paulus van Hemert als godgeleerde en als wijsgeer_.

G.

[20] Vgl. hierbij Rauwenhoff, _Wijsbegeerte van den godsdienst_ blz. 74.

G.

[21] De grootste der Christelijke denkers, die dat in de eerste eeuwen van het Christendom heeft gedaan, was de kerkvader en wijsgeer Origenes in zijn _Tegen Celsus_ en _Over de grondbeginselen_.

G.