Part 8
[II.] Den volgenden morgen riep hij een volksvergadering bijeen. Heftig beklaagde hij zich daar over het gedrag van de vrijers; zij zwegen op het krasse verwijt van zijn woorden. Alleen Antìnoös nam het woord en wierp alle schuld op Penèlope, die list op list verzon om aan het opgedrongen huwelijk te ontkomen. Nu weer was ze bezig met het weven van een kleed en had beloofd, zoodra dit af was, zich een uit de velen tot gemaal te kiezen. Maar ’s nachts, bij het schijnsel der toortsen, rafelde zij weer uit wat zij over dag had gewerkt. Zoo kwam zij nooit klaar, maar zoo zou ook nooit het geweld der minnaars ophouden. Neen, het zou toenemen, verzekerde een ander, ondanks voorteekenen en verzekeringen van zieners, totdat door Penèlope een keuze zou zijn gedaan! En de vergadering ging uiteen, zonder dat ook aan Telèmachos het schip en de makkers, waarom hij voor zijn voorgenomen reis had gevraagd, waren toegestaan. Toch kreeg hij, door Athene’s bemoeiingen, een vaartuig en roeiers. Diep in den avond kwamen allen aan het strand bijeen; de witte zeilen werden geheschen, de riemen ter hand genomen en vlug doorkliefde het schip de golven.
II. TELEMACHOS IN PYLUS EN SPARTA.
[III.] Den volgenden morgen reeds bereikten zij, onder Athene’s geleide, de haven van Pylus, in het landschap Messenië, op de westkust van den Peloponnesus. Hier woonde Nestor, die onder de helden voor Troje voornamelijk om zijn jaren en zijn wijsheid in hoog aanzien had gestaan. De vriendelijke grijsaard ontving den zoon van Odysseus met groote hartelijkheid, vertelde hem van de helden voor Troje al wat hij had ervaren, maar van Odysseus wist hij niets, daar hij vroeger dan deze was weggereisd. Hij ried hem echter naar Sparta te gaan, waar Menelaos en Hèlena woonden, die hem misschien meer inlichtingen omtrent zijn vader zouden kunnen geven. Paarden en een wagen zou hij hem verschaffen, als hij de reis over land wilde maken, en een van zijn zonen zou hem tot geleider strekken. En zoo geschiedde. Nadat in den vroegen morgen van den volgenden dag een plechtig offer was gebracht, werd de wagen ingespannen. Telèmachos en Peisìstratos, een zoon van Nestor, namen er op plaats. De laatste hanteerde de teugels en spoorde de paarden aan tot spoed; zoo kwamen zij weldra bij Menelaos.
[IV.] Juist was daar bruiloft; Menelaos huwde tegelijk een zoon en een dochter uit. Vroolijk feestgewoel, zang en dans, vervulden de zaal. Toen meldde een dienaar het voorrijden van den wagen. Menelaos liet dadelijk de paarden uitspannen en aan de krib binden, terwijl hij de beide vreemdelingen gastvrij in zijn prachtige woning opnam. Toen nu de gastheer in den kring van zijn gasten van zijn tochten begon te verhalen, en den naam van Odysseus daarbij vermeldde, bedekte Telèmachos weenend zijn gelaat met den purperen mantel en Menelaos, die hem nog niet naar zijn afkomst had gevraagd, vermoedde wie hij was. Op dat oogenblik trad Hèlena, de vrouw, die alle rampen over Troje had gebracht, binnen, en herkende onmiddellijk Odysseus’ zoon. Veel werd nog gepraat over de voortreffelijke eigenschappen, over de dappere daden van den zoon van Laërtes; toen maande de vallende avond tot rust. Den volgenden morgen vroeg Menelaos zijn gast naar de oorzaak van zijn komst. En toen nu Telèmachos hem vertelde, hoe de vrijers huis hielden in zijn paleis, riep hij toornig uit: „waarlijk, als een leeuwin, die bij haar terugkeer de jonge reeën vaneen rijt, die zij in haar leger vindt, zoo zal Odysseus de nietelingen verscheuren, als hij terugkeert!” Van dezen zelf wist hij echter niets anders te verhalen, dan wat hem eens een Aegyptische zeegod had voorspeld: Odysseus zou, na tien jaar rondzwerven, zonder een enkelen makker, zijn vaderland terugzien. Met deze mededeeling moest de jonge Telèmachos zich tevreden stellen; maar zij was gewichtig genoeg om hem dadelijk aan zijn moeder te doen denken en te doen verlangen naar de terugreis, hoezeer ook Menelaos en Hèlena er op aandrongen dat hij nog wat bij hen zou blijven.
Het vertrek van Telèmachos was intusschen voor de vrijers niet verborgen gebleven. Bang voor de gevolgen van zijn reis, beraamden zij een aanslag op zijn leven; een galei werd uitgerust en in zee gebracht om op den terugweg Odysseus’ zoon te overvallen. Toen maakte groote angst zich van Penèlope meester; maar in den droom werd de veel beproefde vrouw gerustgesteld.
III. CALYPSO.
[V.] Ook Athene was niet geheel gerust over het lot van Telèmachos, en de rampspoeden van Odysseus troffen haar smartelijk. Na allerlei avonturen was deze ten slotte beland op het eiland Ogygia, bij de nimf Calypso. Zij had den zwerver gastvrij ontvangen en wilde hem niet weer laten gaan, daar zij hem tot echtgenoot begeerde. Hij echter bleef zijn op Ithaca achtergelaten Penèlope getrouw en zou gaarne zijn gevlucht; maar hij had geen schip. Door een ontzaggelijk heimwee werd hij gekweld; dagelijks ging hij de zeven jaren lang, die hij bij Calypso doorbracht, naar het strand der zee en tuurde in de richting, waarin zijn vaderland lag. Op de bede van Athene werd nu Hermes naar Ogygia gezonden; hij moest Calypso boodschappen, dat het de wil van Zeus was dat Odysseus naar zijn vaderland terug zou keeren. In snelle vaart daalde de bode der goden van den Olympus neer tot op het zeevlak, vloog als een meeuw over de golven en kwam weldra op het eiland aan. Hij vond de schoone nimf in de grot, die haar tot woning diende. Vroolijk vlamde het vuur op den haard en ver in den omtrek was de lucht doortrokken van den zoeten geur van het brandende cederhout. Zelve, zingend met zilveren stem, weefde zij met gouden weefspoel het sierlijke kleed. Populieren en cypressen omschaduwden de grot met hun welig loover; bontkleurige vogels nestelden in de takken. In dichte ranken slingerde zich de wingerd om de gewelfde spelonk; door de bladeren heen schemerden in dikke trossen de sappige druiven. Vier beekjes kronkelden met vroolijk geklater door de groenende weiden, met viooltjes en welriekende kruiden begroeid. In bewondering bleef Hermes een oogenblik staan; toen betrad hij de grot, door de schoone Calypso onmiddellijk herkend. Odysseus was afwezig; hij zat, als gewoonlijk, aan den oever der zee en staarde vol heimwee over het onafzienbare water. Toen Calypso nu de boodschap van Zeus vernam, werd zij pijnlijk getroffen en beklaagde zich heftig over de wreedheid der goden, die niet duldden, dat een onsterfelijke zich een sterfelijk man tot echtgenoot koos. Maar tegen den uitdrukkelijken wil van den opperste der goden durfde ook zij zich niet verzetten; zij zou hem dan laten gaan; zij zou hem helpen zóó, dat hij veilig zijn tocht zou kunnen vervolgen. En toen Hermes was heengegaan, begaf zij zich naar het zeestrand, waar Odysseus treurig nederzat, vlijde zich naast hem neer en sprak: „Arme man, niet langer mag uw leven hier in droefheid vergaan. Op! Vel stevige stammen, voeg ze samen tot een vlot en omgeef dat met hooge planken! Verkwikkend voedsel en water en wijn zal ik zelve u brengen, ik zal u van kleeding voorzien en een gunstigen wind zal ik voor u doen waaien. Veilig zult ge, zoo de goden het willen, in uw vaderland terugkeeren.”
Maar kwalijk vertrouwde Odysseus de woorden der godin; pas toen zij onder een duren eed hem de verzekering van haar oprechtheid had gegeven, schonk hij haar geloof. Reeds den volgenden morgen begon hij met den bouw van het vlot; op den vijfden dag was het gereed en kon de reis een aanvang nemen. Moedig greep Odysseus het roer; zacht blies een gunstige wind in het zeil; nauwlettend bespiedde de schipper de gesternten en zorgvuldig koerste hij in de richting, die hem door Calypso was aangewezen.
IV. DE SCHIPBREUK.
Snel gleed hij voort over de rustige golven en op den achttienden dag kreeg hij de somber getinte bergen van het Phaiakenland in het gezicht; als een schild lag het eiland op de donkerblauwe zee.
Thans echter werd hij opgemerkt door Poseidon, die juist van een reis naar Aethiopië terugkeerde. Hij had de laatste raadsvergadering der goden niet bijgewoond en zag, dat dezen zijn afwezigheid hadden benut om Odysseus uit zijn gevangenschap te bevrijden. Maar zoo gemakkelijk zou dat niet gaan! Hij verzamelde de wolken en riep van alle kanten de stormen op. Zee en aarde werden in duisternis gehuld; gierend floot de wind om het vlot; huiverende angst maakte zich van Odysseus meester; beter voor Troje roemrijk gevallen, dan hier in eenzaamheid om te komen! En toch scheen het daarop uit te zullen loopen. Een geweldige golf rolde dreigend aan; het vlot raakte in een maalstroom; hij zelf werd over boord geslagen. De stevige mast brak midden door; het zeil werd met de ra ver weg geslingerd en Odysseus, door de bruisende branding overstelpt en door de natte kleederen in zijn bewegingen belemmerd, zonk dieper en dieper. Maar eindelijk kwam hij, al worstelend, weer boven en zwom met de uiterste krachtsinspanning naar de overblijfselen van het vlot. Toen hij nu op de weinig betrouwbare balken rondzwalkte, werd hem de zeegodin Leucothea gewaar en ontfermde zich over den armen zwerver. Als een waterhoen vloog zij op uit de zee, zette zich neer op het vlot en sprak: „Laat u raden, Odysseus! Trek uw kleed uit en laat dat hout in den steek; neem dezen sluier, bind hem om uw borst en trotseer zoo alle verschrikkingen der zee.” Odysseus nam den sluier: de godin verdween en ofschoon hij de verschijning wantrouwde, volgde hij den raad. Terwijl Poseidon golf op golf op hem loszond, zoodat het overschot van het vlot geheel uiteen werd geslagen, zette hij zich, ruiter te paard, op een enkelen balk, trok het lange, zware kleed, dat Calypso hem geschonken had, uit en sprong, met den sluier omgord, in den vloed. Twee dagen en twee nachten nog dreef hij rond; toen eindelijk bedaarde de wind, de zee werd kalmer en dicht bij zag hij de reddende kust. Maar rotsig en steil verhief zij zich uit zee en donderend beukte de branding de klippen. Terwijl hij nog zocht naar een vlakke plaats, waar hij zou kunnen landen, nam een hooge golf hem op en droeg hem, zijns ondanks, het eiland tegemoet. Met beide handen omklemde hij een vooruitstekende rotspunt. Maar het terugvloeiende water sleurde hem weer meê en slingerde hem in het ruime sop terug. Opnieuw zocht hij in het zwemmen zijn heil en vond ten laatste een genaakbaren oever, juist daar waar een kleine rivier zich in zee stortte. Vurig bad hij tot den god van den stroom, die hem verhoorde, het water tot rust bracht, en hem in staat stelde zwemmende het land te bereiken. Ademloos zonk hij neer op den grond, uit mond en neus stroomde hem het zeewater, en uitgeput door de vreeselijke inspanning, viel hij in een diepe onmacht. Toen hij weer bijkwam en zijn bewustzijn langzamerhand terugkeerde, maakte hij den sluier der godin Leucothea los en slingerde hem dankbaar weer in de golven, opdat de goede geefster hem terug zou kunnen nemen. De koude beving hem, want uit het Oosten woei de frissche morgenlucht over de vlakte. Daarom besloot hij den naasten heuvel te beklimmen en daar, in het kreupelhout, een beschut plekje te zoeken. Hij vond werkelijk een schuilplaats onder twee samengegroeide olijfstruiken, waarvan het dichte gebladerte wind, regen noch zonnestraal doorliet. Van de gevallen bladeren maakte Odysseus zich een leger, legde zich neer, en dekte zich weder met bladeren toe. Een verkwikkelijke slaap sloot weldra zijn oogen en deed hem alle doorgestane leed vergeten.
V. ODYSSEUS BIJ DE PHAIAKEN.
[VI.] Toen Odysseus ontwaakte, werd zijn aandacht getrokken door vroolijke, jeugdige stemmen, niet ver van hem af. Opeens vloog een bal, blijkbaar verdwaald, tot dicht in zijn nabijheid, terstond gevolgd door eenige jonge meisjes, die lachend en stoeiend den vluchteling trachtten te achterhalen. Verbaasd rees Odysseus op; maar de angstige kreten van de verschrikte meisjes, die op het zien van die woest uitziende en vervallen gedaante zich snel uit de voeten maakten, bewezen hem maar al te zeer hoe lijden en ontbering zijn krachtig lichaam hadden gesloopt. Hij trad vooruit, buiten het geboomte, en zag toen voor zich een jonkvrouw, die alleen van de velen moedig had stand gehouden. Zij scheen hem een godin, zoo stralend van jeugd en schoonheid stond zij daar voor hem.
Het was Nausìcaä, de koningsdochter. Vroeg in den morgen was zij met haar slavinnen naar het strand gegaan om het linnen te wasschen. Terwijl de schitterende, rijk geborduurde kleeren lagen te drogen, hadden de meisjes zich vermaakt met het balspel en een der ballen was in de nabijheid van Odysseus neergevallen. Vol medelijden schonk Nausìcaä den moeden zwerver een passend gewaad. Terwijl hij dit omsloeg, nadat hij eerst op een eenzame plek zich van het vuile zeewater had gereinigd, gaf Athene haar beschermeling zijn vroegere kracht en zijn mannelijke houding terug. Vol verbazing zag Nausìcaä voor de tweede maal den vreemdeling naderen, zooeven nog in zoo vervallen staat en nu schitterend van hooge waardigheid, een vorst gelijk.
Toen het tijd was geworden voor de meisjes om naar haar woning terug te keeren, laadden zij de kleederen en het linnen op den wagen en reden stadwaarts. Tot de poort vergezelde Odysseus haar, toen echter zonderde hij zich af en sloeg alleen den weg in naar het paleis van Nausìcaä’s vader; zoo had de jonkvrouw zelve het van hem begeerd, want zij vreesde den spot van haar stadgenooten als zij met den schoonen, krachtigen vreemdeling door de straten ging.
[VII.] Weldra bereikte Odysseus het paleis van Alkìnoös, den koning der Phaiaken, in wier land hij zich thans bevond. In de rijke koningszaal vond hij gastvrije opname. Spijs en drank werd hem voorgezet, en daar intusschen de nacht was gevallen, werd hem een zacht leger gespreid, opdat zoete slaap hem zou verkwikken. Nog was hem niet gevraagd naar zijn naam; slechts zijn wedervaren sedert hij het eiland van Calypso had verlaten, had hij aan zijn gastvrouw verhaald.
[VIII.] Met het krieken van den dag gingen Alkìnoös en zijn gast naar de markt en zetten zich neer op twee der steenen zetels, welke in een kring voor de Phaiakische grooten waren aangebracht, die hier ter beraadslaging plachten samen te komen. Weldra verschenen ook de vorsten en namen hun plaatsen in, terwijl het volk nieuwsgierig zich verdrong om den vreemdeling te zien, over wiens uitgeleide heden zou worden beraadslaagd. Als een god troonde daar de zoon van Laërtes, forsch van gestalte en bloeiend van jeugd door de zorg van Athene; met bewondering sloegen de Phaiaken hem gade.
Toen allen verzameld waren, nam de koning het woord. „Hoort naar mij,” zoo sprak hij, „gij roemrijke vorsten van het Phaiakenland! Deze vreemdeling—ik ken hem niet, en weet niet of hij van oost of van west tot ons is gekomen—kwam als smeekeling in mijn huis en verlangt van ons een verder geleide. Op dus, jongelingen, vereenigt u, trekt een goed uitgerust schip in zee en maakt al het vereischte gereed! Gij echter, vorsten, staat mij een andere bede toe! Volgt mij in mijn ruime zaal, opdat wij den vreemdeling passend onthalen; en roept, opdat aan onze vreugde ook het lied niet ontbreke, den goddelijken zanger Demodokos hierheen.”
Toen het maal bereid was, verscheen de uitgezonden dienaar met den ouden zanger, wiens taak het zou zijn, het feest te vervroolijken. Demodokos was blind; maar in zijn geheugen zetelden wonderschoone verhalen, die hij welsprekend wist voor te dragen, terwijl zijn hand ter begeleiding de lier bespeelde. De heraut voerde den zanger voorzichtig tot midden in de zaal, naar een zetel, die in den kring der feestvierende vorsten voor hem was neergezet. Boven zijn hoofd, aan een knop, hing de dienaar daarop de lier en bracht zachtjes de hand van den blinde daarheen, opdat hij later het speeltuig zou kunnen vinden. Toen zette hij een tafel voor hem neer, overvloedig voorzien van vleesch, plaatste den broodkorf naast hem, mengde zijn wijn en bediende op dezelfde wijze de overige gasten.
Toen de aanwezigen zich allen hadden verzadigd aan spijs en drank, greep Demodokos naar de lier. En nu klonk ook zijn lied. Hij verheerlijkte den strijd der roemruchtige helden Odysseus en Achilles en zong hoe der mannen vorst Agamemnon in zijn hart zich verheugde over de tweespalt onder de besten der Achaëers. Immers, reeds vóór het begin van den oorlog had de godspraak hem voorspeld, dat de val van Troje nabij zou zijn, als er twist zou zijn uitgebroken onder de krachtigste helden.
Met ingehouden adem luisterde elk naar de machtige woorden van den zanger; maar als een dolksteek trof de herinnering aan dat alles het hart van Odysseus, de oude wonden werden weer opengereten, weenend trok hij zich den mantel over het hoofd en verborg zijn gelaat, opdat de Phaiaken zijn tranen niet zouden zien. Aan Alkìnoös echter was de smart van zijn gast niet ontgaan. Met groote kieschheid verheelde hij zijn ontdekking, vatte het woord op toen de zanger een oogenblik ophield, en sprak:
„Hoort vrienden, we hebben nu, geloof ik, genoeg van het maal en van den zang. Laat ons naar buiten gaan en ons wijden aan het kampspel, opdat onze gast de vaardigheid der Phaiaken aanschouwe en roemend daarvan zijn vrienden thuis verhale.” Allen stonden op en volgden den koning naar de markt. Ook de blinde zanger ging mede, nadat de trouwe dienaar hem de lier had afgenomen en aan den knop had gehangen, hem zelven leidend bij de hand. De marktplaats vulde zich met woelige scharen; de vorsten namen hun zetels weer in, rondom stond het volk, en naar het midden van den ruimen kring traden de jongelingen, die hun vaardigheid wilden toonen in worsteling, vuistkamp, wedloop en worp. De strijd werd geopend door drie zonen van den koning, die elkaar de overwinning in den wedloop betwistten. Daarop volgde de worstelstrijd, waarin de dappere Eurỳales overwinnaar bleef. En toen nu ook de overige wedstrijden waren gehouden, werd Odysseus tot het kampspel uitgenoodigd. Hij aarzelde; hij was niet in een stemming om deel te nemen aan den strijd. Maar toen een der jonge mannen met smalende woorden hem weer tartte tot den kamp, stond hij op van zijn zetel, nam de zwaarste der metalen schijven, die tot den worp gereed lagen, zwaaide haar met groote snelheid rond en slingerde haar toen hoog in de lucht, zoodat zij ver achter de reeds geplaatste teekens neerviel. In de gedaante van een man merkte Athene de plek, waar de schijf was neergekomen en riep luide uit: „Dat teeken vindt op den tast zelfs een blindeman wel, zoover staat het van al de andere af. In dezen wedstrijd kunt ge gerust zijn; dat doet niemand u na!” En al de Phaiaken zwegen; niemand verstoutte zich meer den held de handschoen toe te werpen. De koning sloeg echter in de vergadering voor, dat ieder der twaalf Phaiakische vorsten den gast een geschenk in goud en een schoon bewerkt opper- en onderkleed zou geven; zelf wilde hij daaraan nog een buitengewone gift toevoegen en zoo zou men hem dan laten gaan. Allen juichten dit voorstel toe en zonden herauten naar hun woningen om de geschenken te halen.
Intusschen was de avond gevallen. De dienaren kwamen met de geschenken terug op de markt, legden ze bijeen en droegen ze naar het koninklijk paleis. Daarheen volgde het geheele gezelschap en de vorsten namen in de groote zaal hun zetels weer in. Nadat de honger was gestild, wendde Odysseus zich tot den zanger en verzocht hem, daar hij toch alle gebeurtenissen uit den Trojaanschen oorlog kende, nog de geschiedenis van het houten paard voor te dragen. Toen zong de grijsaard bij de tonen der lier van de wondervolle list, weinig vermoedend dat de held, die de hoofdpersoon was van zijn zang, als toehoorder naast hem zat. Odysseus werd aangegrepen door de waarheid van de voorstelling; het was hem of hij die dagen opnieuw doorleefde, die zoo roemrijk, maar ook zoo verschrikkelijk waren geweest. Zijns ondanks werd zijn oog weer vochtig en zware zuchten ontsnapten aan zijn borst. Wederom bemerkte Alkìnoös de ontroering van zijn gast en opnieuw gebood hij den zanger het stilzwijgen. Maar thans weerhield hij niet langer de vraag, die reeds eenigen tijd hem op de lippen had gebrand: „Vreemdeling, wie zijt gij toch en welk land ter aarde noemt gij uw vaderland?”
[IX.] Allen zaten in gespannen verwachting, het oog op den onbekende gericht. Toen
verhaalde Odysseus aan de Phaiaken zijn lotgevallen.
Eerst maakte hij den gastheer zijn naam bekend: „Odysseus ben ik, de zoon van Laërtes, door list en schranderheid beroemd onder de menschen.” En daarop vervolgde hij:
„Met mijn vloot, bestaande uit twaalf schepen, had ik na mijn vertrek van Troje reeds de zuidpunt van Griekenland bereikt, toen een vreeselijke storm zich verhief, die ons in volle zee terugsloeg. Nadat de schepen negen dagen lang hadden rondgezworven, landden wij eindelijk aan het strand der
Lotophagen.
Dit volk voedt zich alleen met de vruchten van den lotosboom, die zóó zoet zijn dat, wie ze eens heeft geproefd, het land niet meer wil verlaten en eigen vaderland en vrienden vergeet. Met groote moeite gelukte het mij mijn makkers weer aan boord te krijgen; toen lichtten wij het anker en kwamen na eenige dagen aan een klein, onbewoond eiland in de nabijheid van het land der
Cyclopen,