Part 4
Athene echter verkeerde toen in drukkende afhankelijkheid van het eiland Creta. Aegeus had den zoon van Koning Minos van Creta gedood en moest nu, door hem overwonnen, alle negen jaar zeven jongens en zeven meisjes naar het eiland zenden. De ongelukkigen werden dan opgesloten in het labyrinth, een doolhof vol dwaalgangen, door den Atheenschen kunstenaar Daidalos (Daedalus) gebouwd. Daar werden ze verslonden door den Minotaurus, half stier, half mensch. De derde zending zou nu vertrekken; reeds was het lot geworpen, en de straten van Athene waren vol gejammer. Toen maakte medelijden met de treurenden en toorn over de vernedering van zijn vaderstad zich van Theseus meester; hij wilde meê om den strijd met het monster aan te gaan. Met tegenzin willigde zijn vader dit verzoek in, en er werd afgesproken dat in plaats van de zwarte rouwzeilen, die het schip placht te voeren, witte zeilen geheschen zouden worden als het waagstuk gelukt zou zijn; dan kon Aegeus al uit de verte zich verheugen over den behouden terugkeer van zijn eenigen zoon. Dus voer Theseus weg en kwam gelukkig op Creta aan, waar Ariàdne, Minos’ dochter, liefde opvatte voor den moedigen jongen man. Op raad van Daìdalos gaf zij hem een kluwen; het uiteinde daarvan kon hij vastmaken bij den ingang van het labyrinth en het onder het voortgaan laten afloopen; was de overwinning behaald, dan zou hij langs dien draad den uitgang weer kunnen bereiken. Het lukte Theseus den Minotaurus te verslaan en, dank zij de hulp van Ariàdne, den uitweg te vinden uit het labyrinth. Samen scheepten zij zich nu in en verlieten haastig het eiland. Aanvankelijk ging alles goed; gunstige wind deed de zeilen zwellen en als een pijl vloog het lichte schip door de zee. Onderweg deden zij Naxos aan en toen de avond daalde vielen beiden in een koele grot in slaap.
Toen ontdekte Dionỳsos, aan wien het eiland was gewijd, de schoone Ariàdne. Haar aanblik trof hem zóó, dat hij meende zonder haar bezit niet gelukkig te kunnen zijn. In den droom verscheen hij aan Theseus en beval hem, als hij zijn leven lief had, onmiddellijk Ariàdne te verlaten. Theseus ontwaakte, hevig verschrikt, want nog was het hem als hoorde hij de woorden van den god. Vlug sprong hij op van zijn leger, wekte zijn makkers en ging scheep. Toen Ariàdne ontwaakte, was hij reeds zóó ver weg, dat zij nog slechts de zeilen op grooten afstand bespeurde. Dionỳsos echter troostte haar in haar verlatenheid en nam haar nu tot vrouw. De blijde bruiloft werd door alle goden bijgewoond; rijke geschenken werden de bruid vereerd; Zeus verleende haar zelfs de onsterfelijkheid; en Dionỳsos voerde verheugd zijn jonge vrouw naar den Olympus, waar zij aan zijn zijde voor eeuwig onder de goden vertoeft.
Theseus voer ondertusschen de vaderlandsche kust tegemoet. Maar hij vergat de zwarte zeilen door witte te vervangen. Lang had Aegeus in spanning al gewacht op den terugkeer van het schip, dat naar Creta was uitgevaren. Eindelijk, terwijl hij op een hooge rotspunt op den uitkijk stond, zag hij in de verte het sombere doek, dat hem den dood van zijn zoon scheen te melden. Toen maakte wanhoop zich van hem meester; hij stortte zich in de zee, die sinds dien tijd den naam van de Aegaeïsche draagt.
Theseus werd nu koning van Athene. Vele dappere daden worden nog van hem verteld. Zoo zou hij den stier, dien Heracles van Creta had gehaald en bij Marathon had laten loopen, gevangen, naar Athene gebracht, en aan Apollo daar geofferd hebben. Ook wordt van hem verhaald, dat hij de tien stad-staatjes, waarin Attica was opgelost, tot één geheel vereenigde en ter viering van die vereeniging het groote feest der Panathenaeën instelde.
De vertrouwdste vriend van Theseus was Peirìthoös, de koning der Lapithen, een stam in Thessalië. Toen deze zijn huwelijk vierde was ook Theseus onder de gasten; verder waren, onder meerderen, de Centauren gevraagd, ruwe wezens, half mensch, half paard. Zij wierpen zich op de vrouwelijke gasten en trachtten die met zich meê te sleuren; een ontzettende strijd ontbrandde, waarin ten slotte, met veel moeite, de Lapithen hun woeste tegenstanders versloegen, die nu verdreven werden naar meer afgelegen streken. In de beeldhouwkunst is deze worsteling, de strijd der beschaving met het barbarendom, herhaaldelijk uitgebeeld; zoo b.v. op een der gevelvelden van den Zeustempel te Olympia en op metopen van het Parthenon.
Ten slotte nog iets over Daìdalos, den kunstigen bouwmeester van het labyrinth. Om de hulp, dien hij Theseus had bewezen, hield Minos hem en zijn zoon Ìkaros gevangen. Maar Daìdalos maakte vleugels uit veeren en was; zoo dacht hij over zee te ontkomen. Vóór hij de reis begon gaf hij zijn zoon den raad, dicht in zijn nabijheid te blijven; vloog hij te laag, dan zou het vocht van de zee de vleugels verzwaren; vloog hij te hoog, dan zou de warmte van de zon de was doen smelten. Ìkaros beloofde wat van hem gevraagd werd; maar hij vergat al spoedig wat hij zich had voorgenomen. In de weelde van de vlucht ging het hooger en hooger; toen lieten de veeren los en hij plofte in de zee, die naar hem de Ikarische werd genoemd. Eenzaam vervolgde de vader zijn weg en diep ongelukkig bereikte hij ten slotte de kust van Italië.
TANTALOS EN ZIJN GESLACHT.
TANTALOS.
Niemand stond zoo hoog aangeschreven in de gunst der goden als Tàntalos, de koning van Sipylus in Klein-Azië. Hij was een zoon van Zeus, rijk aan goud en kudden en vruchtbare landerijen. Dikwijls brachten de goden hem een bezoek in zijn prachtige koningsburcht en werden rijk onthaald aan zijn gastvrije tafel. Het gebeurde ook wel dat Tàntalos op den Olympus werd genoodigd en daar deelnam aan de godenfeesten; bij die gelegenheid hoorde hij alles, wat de goden onder elkaar bespraken.
Maar een zóó groot geluk was Tàntalos te machtig; hij werd overmoedig, en zijn overmoed verleidde hem tot slechte dingen. De gesprekken der goden, zelfs de geheimen, die zij hem hadden toevertrouwd, verried hij aan de menschen. Hij nam nectar en ambrozijn van de godentafel weg en gaf het aan de aardbewoners te proeven. En toen Zeus hem toestond een bewijs van zijn welwillendheid te vragen, sloeg de trotsche vorst, die zijn lot gelijk achtte aan dat der goden, en die meende dat er voor hem niets meer te wenschen was, dat aanbod af.
Toen eens de goden weer bij hem te gast waren, besloot hij hun alwetendheid op de proef te stellen. Hij doodde zijn zoon Pelops en zette diens vleesch aan de goden voor. Maar de onsterfelijken weigerden den afschuwelijken schotel; alleen Demèter was nog zóó vervuld van de schaking van haar dochter Persèphone door den god van de onderwereld, dat zij, in gedachten, in den schouder van het knaapje beet. Het spreekt van zelf, dat de jonge Pelops zijn oude gedaante van de goden terugkreeg; maar uit zijn schouder miste een stuk, dat met ivoor werd aangevuld. Alle nakomelingen van Pelops waren sedert kenbaar aan een witte plek op den eenen schouder.
Tàntalos werd voor zijn overmoed vreeselijk gestraft; te midden van overvloed zou hij eeuwigdurend gebrek lijden. Hij werd naar de onderwereld gebannen. Tot aan zijn hoofd toe staat hij daar in een meer en lijdt toch dorst, want hij kan met zijn mond het water, dat om zijn lippen speelt, niet bereiken. Zoo dikwijls hij zich bukt om een teug te nemen, wijkt het water terug en loopt weg tot op den grond. Bij dien dorst komt nog een ondragelijke honger. Wel buigen van den naasten oever af boomen hun met kostelijke vruchten beladen takken boven zijn hoofd neer; maar zoodra de hongerlijder een hand uitstrekt om de vruchten te plukken, giert plotseling een stormvlaag door de takken en zweept ze hoog op in de lucht. Eindelijk foltert hem ook nog vreeselijke angst; want boven zijn hoofd hangt een reusachtig rotsblok, dat elk oogenblik naar beneden kan storten en hem in zijn val verpletteren.
NIOBE.
(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN VI reg. 146 vlgg.)
Nìobe was een dochter van Tàntalos en gehuwd met Amphion, koning van Thebe. Zij was trotsch op haar man en op de macht van zijn rijk, trotsch bovenal op haar talrijk kroost: zeven zonen en zeven dochters. Zelfs met de goden durfde ook zij zich meten. Eens brachten de Thebaansche vrouwen, de slapen met loof omkranst, offers aan Latòna, de moeder van Apollo en Artemis. Toen naderde Nìobe, in koninklijk gewaad, omgeven van een talrijke schaar van metgezellinnen. Waarom aan een haast kinderlooze geofferd, en haar, die met haar vele kinderen zelfs veilig scheen voor de slagen van het noodlot, zonder wierook gelaten? „Weg van de altaren”, klonk toornig haar bevel, „en neemt haastig den lauwerkrans uit de haren!” Latòna was diep gegriefd, en bitter beklaagde zij zich bij haar twee kinderen. Die grepen boog en pijlen, en zweefden, in een wolk gehuld, weg naar Thebe. Dicht bij de muren was een open veld; daar oefenden zich de zonen van Nìobe in allerlei sport. En midden onder het spel, onmerkbaar aangegleden, troffen Apollo’s pijlen den een na den ander; Amphion ook, door smart overweldigd, maakte met het zwaard een einde aan zijn leven. De mare van het ongeluk en de droefheid van het volk lichtten Nìobe in omtrent haar plotseling verlies. Het kostte haar moeite het gerucht te gelooven; het kwam haar wonderlijk voor dat de goden dàt vermochten, en haar heele ziel kwam in opstand tegen de idee, dat ze zóó iets zouden gedurfd hebben. Maar langzamerhand drong de waarheid tot haar door. Toen, gebogen over de kille lijken, voelde zij zich een oogenblik klein, door Latòna overwonnen. Maar ook één enkel oogenblik slechts. „Overwonnen? Immers neen, want ook na zooveel verliezen blijf ik nog de meerdere!” riep zij triumfantelijk uit. Nauwelijks had zij uitgesproken, of van Artemis’ boog vloog de eerste pijl, door meerdere gevolgd. En stuk voor stuk, zooals ze daar stonden met loshangende haren en in donker rouwgewaad bij de doodsbaar van haar broeders, zonken nu ook haar dochters ineen. Zes waren er gedood; ééne, de jongste, was nog over. Angstig drong zij zich tegen haar moeder aan, die haar beschermend met haar gewaad omgaf. Nìobe’s trots was nu gebroken: „och, laat mij die ééne,” bad zij schreiend. Maar nog was de bede niet uitgesproken, of ook dit kind zonk levenloos neer. Bewegingloos zat toen Nìobe daar te midden van de haren; het verdriet versteende haar. Geen ritseling meer in haar lokken; uit haar wangen week alle kleur; star stonden de oogen in het marmeren gelaat; in heel het beeld was geen leven meer; de polsslag stokte, tot in haar binnenste toe was Nìobe veranderd in kouden steen. Alleen haar tranen bleven vloeien. Toen slingerde een stormvlaag haar hoog door de lucht naar haar vaderland Lydië; daar, gehecht aan den top van den Sipylus, vergiet het marmeren beeld ook nu nog tranen.
PELOPS.
Pelops, de zoon van Tantalos, erfde diens rijk, maar werd door een naburigen koning daaruit verdreven. Hij trok nu over zee naar Griekenland en kwam op het zuidelijk schiereiland aan, dat later naar hem de Peloponnesus heette.
Daar regeerde in dien tijd in het landschap Elis koning Oinòmaos, die een zeer mooie dochter had, Hippodameìa genaamd. Nu had een orakel voorspeld, dat ’s konings schoonzoon hem van het leven zou berooven. Daarom wilde hij, dat Hippodameia ongehuwd zou blijven en liet bekend maken, dat hij zijn dochter alleen aan dengene tot vrouw zou geven, die hem in het wagenrennen overwon; maar dat ieder, die hij overwon, zou worden gedood.
Koning Oinòmaos bezat een span zeer snelle paarden; daarenboven was er in geheel Griekenland geen wagenmenner te vinden, zoo vlug en behendig als zijn dienaar Mỳrtilos. Zóó zeker was hij dan ook van de overwinning, dat hij zijn tegenstander een aanmerkelijken voorsprong placht te geven; bij het voorbijrijden stiet hij hem dan zijn speer in den rug. Dertien jonge mannen waren reeds gevallen; toen verscheen Pelops en wilde, om den prijs, het waagstuk bestaan. Hij nam zijn toevlucht tot een list; aan Mỳrtilos beloofde hij de helft van het rijk, als deze hem aan de overwinning zou helpen.
De dienaar liet zich overhalen. Vóór den afrit trok hij heimelijk uit den koninklijken wagen de ijzeren aspennen en bracht daarvoor zwartgemaakte wasstaafjes in de plaats. Op de gewone manier begon de wedstrijd. Pelops reed vooruit, koning Oinòmaos offerde en stormde toen, overeind in den wagen, de hoog opgeheven lans in de rechterhand, den in de verte nauwelijks nog zichtbaren Pelops in wilde vaart na om hem den rug te doorboren, zooals hij het anderen gedaan had. Reeds was hij tot op korten afstand genaderd, reeds hield hij zich gereed om hem den doodelijken stoot toe te brengen, toen plotseling de raderen van den voortsuizenden wagen afsprongen. Oinòmaos stortte ter aarde, verwarde zich in de teugels en werd door de voortvliegende rossen te pletter gesleurd. Pelops daarentegen bereikte zonder ongeluk het doel van den wedren. Zoo won hij Hippodameia, en met haar den troon van haar vader.
Nu vroeg echter Mỳrtilos om zijn belooning. Maar Pelops zocht zich aan zijn verplichting te onttrekken; op een wandeling langs den oever stiet hij den wagenmenner in zee. Zinkend vervloekte hij Pelops en heel zijn geslacht, en ofschoon deze alles deed wat hij kon, om het kwaad te boeten, ging toch de vloek maar al te zeer in vervulling. Reeds de zonen van Pelops, Atreus en Thyestes, vervolgden elkaar in bloedigen twist en zelfs onder de kleinkinderen en achterkleinkinderen kwam er nog geen einde aan de lange reeks van rampen, die het ongelukkige geslacht van Tàntalos trof.
Een voorstelling van den wagen wedstrijd tusschen Pelops en Oinòmaos vond men op een der gevelvelden van den grooten Zeustempel te Olympia.
KADMOS EN ZIJN GESLACHT.
KADMOS (CADMUS).
(OVÌDIUS, METAMORPHOSEN I, reg. 833 vlgg.; II reg. 1 vlgg.).
In Phoenìcië regeerde een koning, met name Agènor. Zijn dochter Europa speelde eens met vriendinnen aan den oever van de zee, toen onder een kudde runderen een wonderschoone, sneeuwwitte stier haar opmerkzaamheid trok. Agènor’s dochter bewonderde het dier maar durfde het eerst niet naderen, hoe weinig kwaadaardig het beest er ook uitzag. Langzamerhand echter week de vrees; bloemen hield zij hem voor, klopte hem streelend op de breede borst en vlocht hem sierlijke kransen om de horens. Ten slotte zelfs zette zij zich neer op zijn rug. Toen, langzaam, ging het voort naar de zee, spelende al verder het water in, en ten slotte verdween Zeus—want hij was het, die in de gedaante van een stier het meisje geschaakt had—met zijn buit in de richting van het eiland Creta. Daar maakte hij zich aan Europa bekend.
De oude koning Agènor was ontroostbaar over het verlies van zijn dochter: hij gaf zijn zoon Kadmos bevel haar overal te zoeken en verbood hem zonder haar terug te keeren. Vruchteloos doorzocht de jonge man de geheele aarde; hij schroomde naar Phoenicië terug te gaan en vroeg daarom aan het orakel van Delphi waar hij zich vestigen moest. Apollo beval hem een koe te volgen, die op een eenzamen weg hem tegen zou komen; waar die zich neer zou leggen, moest hij een stad stichten. Weldra zag Kadmos het bedoelde rund, dat hem voorging naar Boeötië; daar vlijde het zich neer in het zachte gras. Dankbaar dat er nu een einde aan zijn omdolingen zou komen, besloot Kadmos Zeus hier een offer te brengen; hij zond zijn makkers om water naar een bron. Zij betraden een bosch en vonden daar weldra een waterplas; maar toen de urn neerklaterde in het nat schoot uit een naburige grot een draak te voorschijn, aan Ares gewijd, die de bron bewaakte. Sissend schoot het monster op de mannen toe en doodde ze, sommigen door zijn giftigen beet, anderen in de kronkelingen van zijn lenig lichaam.
Reeds was het middag geworden en nòg waren zijn makkers niet teruggekeerd; in verwondering vroeg Kadmos zich af, waar zij toch blijven zouden. Ook hij trad het bosch binnen; en toen hij daar den draak zag, die met bloedige tong de wonden likte, die hij zijn vrienden geslagen had, maakte een groote woede zich van hem meester. „Of ik wreek u, mijn trouwe makkers, òf ik ga met u in den dood,” sprak hij, en in een vervaarlijken strijd overwon hij het monster. Op Athene’s bevel brak hij het de tanden uit den bek en zaaide die in den grond; als figuren van een tooneelscherm, dat opgetrokken wordt uit den bodem, kwamen speerpunten en helmen en forsche schouders en ten slotte heele gestalten van reuzen te voorschijn, die Kadmos opnieuw naar de wapenen deden grijpen. Maar verdediging was onnoodig; in een heftigen onderlingen strijd doodden zij elkaar. Slechts een vijftal bleef over: dat hielp Kadmos bij het bouwen van de stad, die de naam van Thebe draagt, en waarvan de burcht de Kadmeia heette.
Het dooden van den draak, die immers aan Ares gewijd was, bleef niet ongewroken; vreeselijke rampen troffen het geslacht van Kadmos. Hij zelf trok later van Thebe naar Illyrië, waar hij en zijn vrouw in slangen werden veranderd.
OEDIPUS.
(SOPHOCLES: OEDIPUS REX, OEDIPUS COLONEÜS, ANTIGONE).
Een van Kadmos’ nakomelingen, die over Thebe regeerden, was koning Laios. Een orakel had hem voorspeld, dat de zoon van zijn vrouw Iocaste hem van het leven zou berooven. Laios vreesde daarom den zoon, die hem spoedig daarna werd geboren; hij beval een dienaar het kind in het Cithaerongebergte uit te zetten, nadat de voetjes doorboord en samengebonden waren. De medelijdende man gaf den kleine echter over aan een herder van den Corintischen koning Pòlybos; deze en zijn vrouw Mèrope, die geen kinderen hadden, ontfermden zich over het knaapje en voedden het als hun eigen zoon op. Oedipus noemde men het kind, naar zijn gezwollen voetjes. In Corinthe groeide hij voorspoedig op en meende in het huis van zijn ouders te zijn, totdat een van zijn makkers hem eens in een twist voor de voeten wierp, dat hij maar een aangenomen kind was. Die woorden smartten hem diep en ondanks de geruststellende taal van zijn vermeende ouders, bleef twijfel hem kwellen. Toen wendde hij zich tot het orakel van Delphi. Op een vraag naar zijn afkomst kreeg hij geen rechtstreeksch antwoord; hij moest zich ervoor hoeden, zijn vader te dooden en zijn moeder te trouwen, werd hem gezegd. Nog ervan overtuigd—wat immers het orakel niet ontkend had—dat Pòlybos en Mèrope zijn ouders waren, ontvluchtte hij Corinthe en begaf zich op weg naar Thebe, ongewild en onbewust zijn noodlot tegemoet. Onderweg kwam hij aan een driesprong; een kleine reisstoet kwam hem daar tegemoet: een bejaard man al, op een wagen, omgeven van enkele dienaren en voorafgegaan door een heraut. Over het uitwijken ontstond twist en toornig over een slag, die hem door den ouden man werd toegediend, versloeg Oedipus het geheele gezelschap op één dienaar na, die naar Thebe ontkwam. De man schaamde zich te bekennen, dat zóóvelen door een enkele verslagen waren; hij berichtte, dat een rooverbende koning Laios aan den driesprong had overvallen en hem en al de overigen had gedood. Zoo was Oedipus, zonder het te vermoeden, de moordenaar van zijn vader geworden en was de eene helft van de orakelspreuk, die hij te Delphi had vernomen, reeds in vervulling gegaan; weldra zou ook het overige volgen.
In dien tijd werd Thebe door een vreeselijk monster bezocht; het was de Sphinx, half vrouw, half leeuwin en bovendien nog gevleugeld. Het gaf de menschen een raadsel op: „Welk schepsel loopt ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie beenen?” Wie het niet kon oplossen, werd jammerlijk verscheurd en een orakel had voorspeld, dat Thebe eerst dan van dezen geesel verlost zou worden, als iemand de oplossing zou hebben gevonden. Reeds velen hadden hun leven gewaagd. Toen verklaarde koningin Iocaste, dat zij hand en kroon zou schenken aan hem, die redding zou brengen.
Ook Oedipus had van den nood gehoord, waarin het land verkeerde. Moedig waagde hij zich in de nabijheid van de Sphinx, hoorde het raadsel en vond ook het antwoord, dat luidde: de mensch. De Sphinx stortte zich in een afgrond, Oedipus huwde Iocaste en regeerde als koning over Thebe.
Twintig jaren volgden van ongestoord geluk; toen brak een vreeselijke pest uit. Daar geen middel wilde baten, werd Crèon, een broeder van Iocaste, naar het Delphisch orakel gezonden; hij keerde terug met het bericht, dat de pest een straf der goden was voor den moord, op Laios gepleegd; de moordenaar zou gezocht en met verbanning of dood gestraft moeten worden. Oedipus doet nu een beroep op alle Thebanen, die het goed meenen met hun stad: de schuldige make zich bekend; ongehinderd zal men hem het land uit laten trekken; anders kome vreeselijke rampspoed over zijn hoofd! Als deze poging om den schuldige te vinden natuurlijk vruchteloos blijft, wendt Oedipus zich tot den grijzen ziener Teirèsias. „Och, laat me weer heengaan,” smeekt deze den koning, „dwing mij niet om door te spreken ontzaggelijk leed te brengen over u en over mijzelf.” Maar Oedipus wìl weten; hij wantrouwt die geheimzinnigheid, hij zoekt er booze plannen achter, hij beschuldigt den ouden ziener van medeplichtigheid aan den moord. En ook als Teiresias, over zulk een miskenning tot in het diepst van zijn ziel gegriefd, zich niet langer inhoudt en Oedipus als den moordenaar aanwijst, gaat deze door op zijn eigen gedachten en zoekt naar een oorzaak voor de houding van den ziener. Weldra meent hij die gevonden te hebben: een complot, waarin ook Crèon een rol speelt, en dat bedoelt dezen op den troon te brengen; dan zal ook Teiresias voordeel trekken van de geboden hulp! Dat vermoeden is wel hard voor den grijsaard, die niet anders bedoelt dan Oedipus te sparen; in toornige woorden openbaart hij den koning heel het ongeluk, dat hem wacht. Ook Crèon, van den moord nu mede beticht, verdedigt zich met vuur, maar Oedipus wil van geen rede hooren, hij dreigt zijn zwager met dood of verbanning.
Op de luide twistwoorden, die rijzen, treedt Iocaste naar buiten. Zij wil haar man geruststellen; wat beteekenen orakels en woorden van zieners? Door zijn eigen zoon zou Laios gedood worden, en roovers vermoordden hem op den driesprong!—De vermelding echter van den driesprong wekt bij Oedipus een eerste vermoeden van de waarheid, en als ook de tijd en ’t getal der reizigers uitkomen met het beeld van zijn herinnering, maakt bange twijfel zich meester van zijn gemoed. Hij laat van het land den dienaar ontbieden, die het bericht van Laios’ dood indertijd naar Thebe overbracht.
Ondertusschen komt een bode uit Corinthe aan om den dood van koning Pòlybos te melden. Voor Iocaste is dit opnieuw een bewijs, hoe weinig men aan orakels moet hechten. Had niet de Delphische Apollo Oedipus zelf gezegd, dat Pòlybos door diens hand zou vallen? De Corinthiërs, zoo meldt de bode verder, begeeren Oedipus tot vorst. En als deze zich verzet, omdat immers de vervulling van de andere helft van het orakel nog mogelijk is zoolang Mèrope leeft, tracht de gezant hem over zijn bezwaren heen te helpen door de verzekering, dat hij geen kind van het Corinthische koningspaar was. Hij, de bode, indertijd herder op het Cithaerongebergte, had hem zelf uit de handen van een dienaar van Laios aangenomen en aan Mèrope gegeven! Jammerlijk valt echter die troostgrond uit: heel het treurspel ligt nu voor Oedipus open. En tot volkomen zekerheid wordt zijn somber vermoeden, als de bewering van den Corinthischen gezant bevestigd wordt door het verhaal van den dienaar, om wien Oedipus gezonden had.
Iocaste maakte in wanhoop een einde aan haar leven; Oedipus, door smart en schaamte overweldigd, blindde zich bij haar lijk.