God redde Nederland gedenkschrift bij gelegenheid van het honderd-jarig jubileum van Neerlands herkregen onafhankelijk volksbestaan (30 Nov. 1813 - 30 Nov. 1913)

Part 9

Chapter 93,659 wordsPublic domain

Wellington droeg aan Prins Frederik, die het opperbevel over de Nederlandsche troepen verkreeg, op, de vestingen aan de Westzijde der Sambre te nemen, terwijl Blücher zou trachten die aan de Oostzijde der Sambre te veroveren. Prins Frederik, hoewel toen nog slechts 18 jaren oud, veroverde weldra Quesnoy en Condé!

Den 22 Juni 1815 kwam Napoleon te Parijs als vluchteling aan, waar hij bij niemand ondersteuning vond.

„Nog is het leger 80.000 man sterk; laten wij de overmoedigen straffen en de eer van Frankrijk herstellen!” „Ga,” zeide hij tot Generaal Becker, „ga naar het Voorloopig Bestuur en bied het uit mijn naam mijn krachten aan. Zeg, dat ik als eenvoudig generaal aan het hoofd der troepen, den hoon, Frankrijk aangedaan, wil wreken. Zeg, dat ik daarna het commando wil nederleggen, om te Malmaison een afgezonderd leven te leiden.”

Zoo smeekt de Keizer, die anders gewoon is te bevelen. Te vergeefs was evenwel deze zending van Becker. Men wilde van Napoleons voorstel niets hooren. Van allen verlaten, begaf hij zich aan boord van een Engelsch oorlogsschip, de Bellerophon, zich zoo onder bescherming der Engelsche wetten stellende. Kapitein Maitland ontving en behandelde Napoleon als gast, ofschoon hij hem dadelijk als gevangene beschouwde. Men vergunde den vluchteling niet meer aan land te stappen. Den 31 Juli 1815 werd Napoleon op last der Mogendheden naar het eiland St. Helena verbannen, midden in den Atlantischen Oceaan, waar hij in Mei 1821 overleed, tengevolge van kanker in de maag.

HOOFDSTUK XXII.

Het vereenigd Koninkrijk.—Wij krijgen onze koloniën terug.

Frankrijk, nu weder door de Mogendheden bezet, moest 700 millioen francs oorlogsschatting betalen, waarvan 60 millioen francs aan Nederland kwam. Bovendien moest Frankrijk de kosten dragen van het bezetten van 17 vestingen, die zijn grenzen bewaken moesten. Nederland kreeg de steden Mariënburg en Philippeville en het Hertogdom Bouillon.

Door de overwinning bij Waterloo was er een nieuwe band gehecht tusschen het Vorstenhuis van Oranje en de Nederlanders. De twee zonen van Koning Willem I toch hadden zich bij Quatre Bras en Waterloo hoogst verdienstelijk gemaakt en niet weinig er toe bijgedragen dat de zege werd behaald. En ook de koning had getoond in de ure des gevaars standvastig aan de zijde van zijn volk te staan en geen opofferingen te groot te achten voor de veiligheid en vrijheid zijner onderdanen.

Daar het Weener Congres Nederland met België had vereenigd, moest de Grondwet van 1814 gewijzigd en in overeenstemming met de behoeften van het vereenigde Koninkrijk gebracht worden. Eene commissie voor een deel uit Belgen bestaande, hield zich met deze herziening bezig. Volgens deze herziene Grondwet zouden de Staten-Generaal uit twee Kamers bestaan. De Eerste Kamer zou bestaan uit leden van de aanzienlijkste en vermogendste klasse; de Tweede Kamer, waartoe Nederland en België ieder 55 leden kozen, moest de burger- en volksklasse vertegenwoordigen. De Koning behoefde niet meer den Hervormden godsdienst te belijden. De zetel der regeering zou beurtelings Brussel en 's-Gravenhage zijn. Om de 10 jaren zou er eene begrooting van de inkomsten en uitgaven van den Staat voor de volgende 10 jaren worden gemaakt. Het Onderwijs zou zich voortaan niet meer met de godsdienstige opleiding der jeugd hebben te bemoeien. Er zou vrijheid van drukpers zijn. De Tweede Kamer moest in het openbaar beraadslagen, opdat de kiezers, als lastgevers, konden oordeelen, hoe hunne lasthebbers zich van hun taak kweten. De regeering zou niet langer beschikking of inzage hebben met betrekking der godsdienstige inrichtingen, ook niet van die gezindheden, welke subsidie ontvangen.

In Nederland werd deze Grondwet door een dubbele vergadering der Staten-Generaal met eenparige stemmen aangenomen; maar in België vond zij, vooral bij de geestelijkheid, grooten tegenstand, omdat volgens die Staatsregeling aan de Kerk niet den minsten invloed op den Staat gegeven werd. Evenwel verklaarde de Koning, dat de wet was aangenomen; waarop Willem I den 15 Sept. 1815 te Brussel plechtig als Koning werd ingehuldigd.

Niettegenstaande die afkondiging bleven de bisschoppen in hun verzet volharden. Zij gaven een manifest in 't licht, waarin zij den eed op de nieuwe grondwet eene misdaad noemden, eene verklaring, welke door den paus bekrachtigd werd.

Het Koninkrijk der Nederlanden, waarover Willem I nu den scepter voerde, bestond thans uit 17 provinciën, n.l. 1e. Noord-Brabant, 2e. Zuid-Brabant, 3e. Limburg, 4e. Gelderland, 5e. Luik, 6e. Oost-Vlaanderen, 7e. West-Vlaanderen, 8e. Henegouwen, 9e. Holland, 10e. Zeeland 11e. Namen, 12e. Antwerpen, 13e. Utrecht, 14e. Friesland, 15e. Overijsel, 16e. Groningen, 17e. Drente.

Het Groot-Hertogdom Luxemburg bleef zijne betrekking tot den Duitschen Bond behouden, hoewel het zijne afgevaardigden zond naar onze Staten-Generaal.

Volgens het tractaat van 1814 moesten de Engelschen ons binnen zes maanden weer in het bezit stellen van onze O. en W. Indische bezittingen, doch ten gevolge van het vernieuwde optreden van Napoleon kon dit eerst in 1815 geschieden. Den 11 Nov. 1815 vertrok een smaldeel onder bevel van den Vice-Admiraal Van Braan naar West-Indië met de Gouverneurs aan boord van Suriname, Curaçao, St. Eustatius, Saba en St. Martin. Zonder tegenstreven gaven de Engelschen ons hier onze bezittingen terug.

Tot Gouverneur-Generaal over O.-Indië werd benoemd Van der Capellen, die met de Commissarissen-Generaal Elout en Buyskes in het begin van 1816 daarheen trok. De Engelsche Landvoogd Sir Stamford Raffles was niet gezind, zoo maar voetstoots ons onze O. Indische bezittingen terug te geven. Hij zei, dat hij uit Londen daartoe geen bevelen ontvangen had. Eindelijk kreeg hij die bevelen en kwam O. Indië weer aan ons. Onze koloniën aldaar waren door het tyrannieke beheer van Daendels en door het Engelsche stelsel er niet op vooruit gegaan. Wij namen evenwel dat Engelsche stelsel toch over, natuurlijk met enkele wijzigingen. Na zes jaren ontvingen wij aan grondbelasting in O. Indië alleen reeds meer dan 2.200.000 gld.

HOOFDSTUK XXIII.

De Algerijnsche zeeroovers getuchtigd.—Opstanden op Sumatra en Java.—Maatregelen van Koning Willem ter bevordering van ontwikkeling en welvaart.—Ontevredenheid der Belgen.

Het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden had geen langer duur dan ruim 15 jaren. De scheepvaart op de Middellandsche zee werd in dien tijd door de Algerijnsche zeeschuimers zeer onveilig gemaakt. Een Engelsche vloot evenwel, onder bevel van lLrd Exmouth, vereenigd met een Nederlandsch eskader onder den Vice-admiraal Van der Capellen, wist den 27 Augs. 1816 den trotschen Dey van Algiers zoodanig tot rede te brengen, dat hij aan al de eischen der overwinnaars toegeven, ruim duizend Christenslaven in vrijheid stellen en beloven moest, zich voortaan van alle zeerooverijen te onthouden.

In onze Oost-Indische bezittingen werd de vrede van tijd tot tijd verstoord. Zoo hadden aldaar twee hevige opstanden plaats, de eene in 1821 op het eiland Sumatra, waar de Sultan van Palembang door den dapperen generaal-majoor De Kock verslagen en gevangen genomen werd en de andere van 1825 tot 1830 op het eiland Java, waar in 1830 het hoofd der muitelingen, Diepo Negro, insgelijks door onzen De Kock tot onderwerping werd gebracht.

Vele waren intusschen de zegeningen, die het vereenigd Nederland gedurende een 15-jarigen vrede onder het weldadig bestuur van Willem I mocht genieten. In 1818 werd de _Maatschappij van Weldadigheid_ opgericht, vooral door invloed van den luitenant-generaal Johannes van den Bosch. Deze Maatschappij stelde zich ten doel, om de heidegronden in Drente en Overijsel door bedelaars en behoeftigen te doen ontginnen, om daardoor de armoede te bestrijden. De _Koloniën van Weldadigheid_ (Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelmina'soord), die daaruit sinds 1813 ontstaan zijn, hebben uitgestrekte woeste velden in vruchtbaar land met welvarende bewoners veranderd.

In 1824 kwam de _Handelmaatschappij_ tot stand, die zich ten doel stelde, als Agent der Regeering, de Indische voortbrengselen, die de inboorlingen van Ned. O.-Indië bij wijze van belasting voor ons Gouvernement moesten aankweeken, in ontvangst te nemen, over te voeren en in ons land te verkoopen. De Maatschappij begon met een kapitaal van twaalf millioen gulden, waarvan Koning Willem I het grootste deel had gestort.

De Koning stelde in 1816 de _Orde van den Ned. Leeuw_ in, om de verdiensten van burgers en de _Militaire Willemsorde_ om die van krijgslieden te eeren.

De _Ned. Bank_, die in 1814 tot stand kwam, had ten doel, de kooplieden spoedig en tegen niet te hooge rente aan geld te helpen. Nog steeds geniet deze Bank het volle vertrouwen van den handel. In 1820 werd ook in Nederland het metrieke stelsel van maten en gewichten ingevoerd, waardoor vele berekeningen werden gemakkelijk gemaakt.

Door allerlei middelen zocht Willem I de welvaart van ons land te bevorderen. Zoo werden tijdens zijne regeering vele kanalen gegraven, b.v. in 1825 het Noord-Hollandsch kanaal, waardoor geladen zeeschepen onmiddellijk voor Amsterdam konden komen: verder het Voornsche- en Zederik-kanaal, de Zuid-Willemsvaart, waarmee in 1825 een begin werd gemaakt, enz. In Overijsel liet Baron van Dedem de Dedemsvaart graven, welke van Hasselt uit het geheele Noorden van Overijsel doorsnijdt.

Ook voor het Onderwijs zorgde Willem I. Voor N. Nederland regelde hij het Hooger Onderwijs bij een besluit van 2 Aug. 1815 en voor Z. Nederland bij een besluit van 25 Sept. 1816. De Hoogescholen van Leiden, Utrecht, Groningen en Leuven kwamen nu tot een nieuw leven, terwijl te Gent en Luik mede academiën werden opgericht. De Hoogeschool te Franeker en Harderwijk werden Doorluchtige Scholen. Die te Franeker werd in 1843 en die te Harderwijk reeds in 1817 opgeheven.

Toen België met Nederland werd vereenigd, waren er in België haast geen lagere scholen. De koning bevorderde daarom in dat land het lager onderwijs zooveel mogelijk en richtte er een paar normaalscholen op ter opleiding van onderwijzers en stichtte er vele modelscholen, alles op kosten van den Staat. In 1816 regelde de vorst de organisatie der Protestantsche Kerkgenootschappen. Hierdoor werd echter later veel twist en verwarring in het leven geroepen. In Utrecht riep de regeering eene veeartsenijschool in het leven en te Seraing een groote en uitmuntende fabriek van machines. In 1818 schafte zij op Engelands voorbeeld de slavenhandel in onze koloniën af.

In 1830 werd de reeds genoemde Johannes van den Bosch tot gouverneur-generaal benoemd. Deze voerde op Java het kultuurstelsel in, waardoor de regeering in staat werd gesteld, spoedig en vele Indische voortbrengselen te ontvangen en te gelde te maken. De Koning verhief Van den Bosch, die in 1833 in ons land wederkeerde en in 1844 stierf, in den Gravenstand.

Tijdens België en Nederland één waren telde het vereenigd Koninkrijk zes millioen inwoners. Het Noorden bracht een herlevenden handel en winstbelovende koloniën aan en het Zuiden rijke steenkolen- en ijzermijnen, vele fabrieken en vruchtbare korenvelden. België vond in het Noorden eene markt voor zijne voortbrengselen en fabriekswezen en Nederland kon hout en ijzer voor zijne schepen uit het Zuiden bekomen. Toch konden op den duur die beide landen het niet met elkander vinden. Ze waren ruim twee eeuwen van elkander gescheiden geweest en in dien tijd waren de Belgen in taal en zeden meer de Franschen genaderd, terwijl wij ons meer zelfstandig hadden ontwikkeld.

Bovendien was er tusschen de twee volken een groot verschil in godsdienst: de Belgen waren over het algemeen R. Katholiek en wij waren over het algemeen Protestantsch. Hierdoor en door zooveel meer ontstond er al spoedig een zekere wrijving tusschen het Noorden en het Zuiden. De Belgen meenden, dat hun land als een wingewest of toevoegsel van Nederland werd behandeld en wij waren niet bij machte hun deze gedachte te ontnemen. Zij vonden het onbillijk, dat bij het leger de meeste officieren Noord Nederlanders waren en dat de regeeringsstukken in het Hollandsch waren gesteld, daar in België de meeste bewoners Fransch spraken. Ook waren de Belgen ontevreden over het betalen van belasting voor het malen van graan en het slachten van vee, terwijl de geestelijkheid in Zuid-Nederland oordeelde, dat de R. Kath. Kerk slechts geduld werd, inplaats dat zij zooals men wenschte, de heerschende Kerk was.

Bij besluit van 14 Juli 1825 werd te Leuven een _collegium philosophicum_ geopend. De jonge lieden, die geestelijke wilden worden, moesten nu hier studeeren en mochten niet meer de kleine Seminariën bezoeken. Hierdoor werden de Belgen ten zeerste verbitterd. De vrijzinnigen of liberalen vereenigden zich in 1828 met de ijverige R. Katholieken, om de regeering te bestrijden. De Koning hief nu in 1829 de verplichting op, om de lessen van het collegium bij te wonen, waardoor de inrichting weldra geen enkelen leerling meer had. Ook trok de vorst het besluit van 1819 in, waarbij de Hollandsche taal ook in de Vlaamsche provinciën van België voor de uitsluitend geldende in openbare aangelegenheden werd verklaard. Al deze verzoenende maatregelen mochten echter niet baten.

HOOFDSTUK XXIV.

De Belgen staan tegen Willem I op.—Zelfopoffering van J. C. J. van Speyk.—Tiendaagsche veldtocht.

In Juli had er in Frankrijk weder eene omwenteling plaats, waardoor de Fransche Koning Karel X werd verdreven en vervangen werd door Lodewijk Filips. Deze gebeurtenis was voor de Belgen het sein tot den opstand. Den 26 Augs. 1830 ontstond er te Brussel bij het uitgaan van den schouwburg oproer, dat door de schandelijkste tooneelen van moord en plundering werd gekenmerkt.

Willem I, diep getroffen op het vernemen dezer treurige gebeurtenis, zond terstond zijn beide zonen, den Prins van Oranje en Prins Frederik naar Brussel om, indien mogelijk, den opstand te dempen. Den 23 Sept. 1830 deden zij een aanval op de Schaerbeeksche poort. De prinsen zagen zich echter genoodzaakt, met gevaar van hun leven, het oproerige Brussel weder te verlaten.

Intusschen breidde de opstand in de Belgische steden zich meer en meer uit. Te Antwerpen werd den 27 Oct. 1830 den opstandelingen een gevoelige les gelezen. Baron Chassé toch bombardeerde het oproerige Antwerpen uit de naburige Citadel zoodanig dat de vijanden verplicht werden, al de voorwaarden aan te nemen, welke de grijze Chassé hun voorschreef en waarbij zij zich verbinden moesten, voortaan alle vijandelijkheden te staken. De Belgen schonden echter gedurig deze overeenkomst. Dit bleek onder anderen op den 5 Febr. 1831. De kanonneerboot No. 2, onder bevel van den dapperen luitenant J. C. J. van Speyk, was door een zwaren storm bij Antwerpen aan wal gedreven, waarop de Belgen zich eensklaps met een groote overmacht op het gestrande vaartuig wierpen en eischten, dat de bevelhebber zich zou overgeven. In plaats echter van aan dezen eisch te voldoen, snelt Van Speyk naar beneden, steekt den brand in het kruit en vliegt, als een tweede Klaassens, met vriend en vijand in de lucht.

[Illustratie: DE AANVAL DER NEDERLANDSCHE TROEPEN OP DE SCHAERBEEKSCHE POORT TE BRUSSEL.]

Deze heldhaftige zelfopoffering bezielde de geheele natie met een heldenmoed, waarvan in den kort daarop volgenden tiendaagschen veldtocht de schoonste blijken gegeven werden.

[Illustratie: J. C. J. VAN SPEYK.]

De Belgen toch dreven hun ondankbaarheid zoover, dat zij het stamhuis van Oranje voor altijd van den troon uitsloten. Na langdurige beraadslagingen hadden zij prins Leopold van Saksen Coburg tot hun Koning verkozen. Willem I verklaarde echter, dat hij dien prins als zijn vijand beschouwde en gewapenderhand zijne rechten verdedigen zou.

[Illustratie: SLAG BIJ HASSELT.]

Daarop stelde zich ons leger den 2 Aug. 1831 in beweging, onder aanvoering van den Prins van Oranje en Prins Frederik en reeds op den 3 Aug. werd Turnhout ingenomen. Daarna werden achtereenvolgens bij Diest, Bheringen, Hasselt en Bautersem slagen geleverd, waarbij de Belgen overal de nederlaag leden en schandelijk vluchten moesten. Nu zette het zegevierende leger zijn tocht naar Leuven voort. Het was op den weg derwaarts, dat het paard van den Prins van Oranje, door een kogel getroffen, dood ter aarde stortte. Hierop werden de Belgen, met prins Leopold aan hun hoofd, zoodanig geslagen, dat alles verloren was, en het Nederlandsche leger den 13 Aug. Leuven zegevierend binnentrok. Na deze overwinning werd ons dapper leger eensklaps in zijn verdere ondernemingen gestuit, daar, op verzoek van prins Leopold, een Fransch leger van 50.000 man, onder den maarschalk Gerard, de Belgen te hulp snelde. De Engelsche gezant Sir Robert verscheen in het hoofdkwartier van den Prins om aan dezen dit bekend te maken. Deze Fransche hulp, door Engeland dus goedgekeurd, stelde onze moedige krijgslieden zeer te leur, daar zij op het punt stonden, ook België's hoofdstad in te nemen. Onze moedige veldheer, de hertog van Saksen-Weimar, was reeds met zijne dapperen Leuven voorbij gesneld en den weg naar Brussel ingeslagen, alles voor zich doende vluchten,—toen een renbode, door den Prins van Oranje afgezonden, hem den last gaf, van verdere vervolging af te zien. Groot was zijn spijt, doch hij moest terugtrekken, daar de prins van zijn vader bevel ontvangen had, geen strijd met de Franschen aan te vangen. Dit toch had aanleiding kunnen geven tot een Europeeschen oorlog. Zoo eindigde de tiendaagsche veldtocht, die altijd in onze geschiedenis een eervolle plaats bekleeden zal.

Uit de kanonnen, die men in den tiendaagschen veldtocht veroverd had, werden metalen kruisen gemaakt, die den soldaten als eereteeken werden uitgereikt. Met een lintje op de borst vastgehecht, waren die kruisen voor de oud-strijders een sieraad, dat ze niet voor goud zouden willen geruild hebben.

HOOFDSTUK XXV.

Frankrijk en Engeland leggen beslag op onze schepen.—De Franschen bombardeeren Antwerpen's Citadel.—Willem I teekent in 1839 de 34 artikelen.—Het Reveil.

In Londen werd in dezen tijd een vergadering (Conferentie) van gevolmachtigden der vijf groote mogendheden (Frankrijk, Engeland, Rusland, Oostenrijk en Pruisen) gehouden. Deze bood thans een traktaat van scheiding, bestaande uit 24 artikelen, aan, dat door België aangenomen, doch door onzen Koning, evenals een vroeger uit 18 artikelen bestaand traktaat, geweigerd werd. Toen Engeland en Frankrijk zagen, dat onze Koning in zijne weigering bleef volharden, kwamen zij in 1832 overeen, het genoemde traktaat door dwangmiddelen ten uitvoer te leggen. Dientengevolge werd, tegen alle recht, beslag (_embargo_) op onze schepen gelegd, terwijl te gelijkertijd een Fransch leger van 70.000 man in België rukte, om het kasteel bij Antwerpen in bezit te nemen. De dappere Chassé bleef evenwel de overgave volstandig weigeren. En nu had er gedurende 24 dagen een bombardement plaats, zooals er wellicht nooit een aanschouwd werd. De Citadel was in de gedaante van een vijfhoek voortreffelijk aangelegd. Eene afdeeling kanonneerbooten, onder Schout bij nacht Koopman, belemmerde de Franschen aan de rivierzijde. Hoewel steeds uit 14 batterijen een regen van kogels, bommen en houwitsers op het kasteel neerplofte, waren de Franschen, die ten hoogste op 10 dagen wederstand gerekend hadden, na verloop van dien tijd nog niets gevorderd. Eerst toen na 25 dagen beleg, van 30 Nov. tot 24 Dec., de sterkte als tot een puinhoop was geschoten, de bomvrije gebouwen vernield, de waterputten ingestort waren en een bres, 33 Meter breed, de gracht had gevuld, bood Chassé de ontruiming aan. Omdat echter Gerard ook nog de overgave van een paar andere forten eischte, waaraan Chassé niet kon voldoen, moest de bezetting krijgsgevangen blijven. Koopman verbrandde zijne vaartuigen liever, dan dat hij ze overgaf. Zulk een standvastige moed boezemde zelfs den Franschen zoo groote hoogachting voor onze krijgslieden in, dat zij die bij elke voorkomende gelegenheid betuigden.

Na de vermeestering van de Citadel, welke den Franschen volgens hunne eigene opgave 3700 dooden en 8000 gewonden gekost heeft, werd den 21 Mei 1833 te Londen eene overeenkomst getroffen, waarbij het embargo opgeheven en onze krijgsgevangenen in Frankrijk vrijheid gegeven werd naar hun vaderland terug te keeren, waar zij onder luide toejuichingen verwelkomd werden. Ofschoon na deze laatste gebeurtenis alle vijandelijkheden tusschen ons land en België een einde namen, bleven echter de bestaande geschillen tot in 1839 voortduren, wanneer het bovengenoemde tractaat van scheiding door Willem I aangenomen en de vrede tusschen Nederland en België hersteld werd.

Door dezen strijd met België was ons land diep in schulden geraakt, die 2200 millioen gulden bedroegen, waarvan 40 millioen gulden rente betaald moest worden.

[Illustratie: RUÏNE VAN DE KERK EN HET HUIS VAN CHASSÉ, IN DEN CITADEL VAN ANTWERPEN.]

Ongeloof en revolutie kregen in dezen tijd hoe langer hoe meer invloed op ons volk. Gelukkig werd er in ons vaderland een geestelijke opwekking bespeurd, het _reveil_ geheeten en mochten wij onder ons volk vele helden des geloofs zien optreden, als de dichters Bilderdijk en Da Costa, verder Groen van Prinsterer, Capadose en zoo velen meer. Vol geestdrift zong Da Costa:

„Zij zullen het niet hebben, Ons oude Nederland! Het bleef bij alle ellenden Gods en der Vaad'ren pand! Zij zullen het niet hebben, De goden van den tijd! Niet om hun erf te wezen, Heeft God het ons bevrijd.

Met al hun schoone woorden, Met al hun stout geschreeuw, Zij zullen het niet hebben, De Goden dezer eeuw. Tenzij het woord des Zwijgers Moedwillig werd verzaakt: 'k Heb met den Heer der Heeren Een vast verbond gemaakt”.

HOOFDSTUK XXVI.

Willem I doet afstand van de regeering.—Zijn zoon Willem II volgt hem op.—Vrijwillige geldleening onder den Minister Van Hall.—Grondwetsherziening.—Thorbecke en Groen van Prinsterer.

Na den vrede met België verlangde ook Koning Willem I naar rust. De groote en moeilijke staatszorgen, voornamelijk gedurende den Belgischen opstand getorst en tamelijk hooge ouderdom, deden den vorst die rust als gewenscht voorkomen. In 1840 nam hij dan ook het besluit, om ten behoeve van zijnen dapperen oudsten zoon, afstand van de kroon te doen. Deze vrijwillige afstand had plaats den 8 Oct. 1840. Op dienzelfden dag werd de Prins van Oranje, onder den naam van Willem II, tot Koning der Nederlanden uitgeroepen.

Alom mocht Willem II de ondubbelzinnigste blijken van vreugde bij de ingezetenen wegens zijne troonbeklimming ontvangen. Niet lang echter mocht zijn vader, die bij het nederleggen van de kroon den titel van graaf van Nassau aangenomen had, de rust zijns ouderdoms smaken. Den 12 Dec. 1843 werd hij te Berlijn door een beroerte plotseling uit het leven weggerukt, in den ouderdom van 71 jaar. Zijn stoffelijk overschot, over zee naar het vaderland vervoerd, werd door zijn doorluchtige zonen en kleinzonen den 2 Jan. 1844 met alle eer en plechtigheid in het vorstelijk familiegraf te Delft ter aarde besteld.

Willem II, die als prins de Nederlanders tweemaal ter overwinning had geleid, heeft slechts negen jaar mogen regeeren. Onder zijn bewind begonnen de goede gevolgen, die de scheiding van België voor onzen handel en zeevaart had, meer en meer te blijken. Ze werden bevorderd door de opheffing der acte van Navigatie in Engeland en vrijere scheepvaartwetten, die bij ons daarop volgden. De winstgevende vrachtvaart herleefde en de toenemende vraag naar onze grondvoortbrengselen opende ook voor den landbouw een tijdperk van ongekende welvaart.