God redde Nederland gedenkschrift bij gelegenheid van het honderd-jarig jubileum van Neerlands herkregen onafhankelijk volksbestaan (30 Nov. 1813 - 30 Nov. 1913)

Part 7

Chapter 73,785 wordsPublic domain

De Fransche Commandant te 's Hertogenbosch verbitterde in die stad velen, door de gedwongen heffing eener door hem uitgeschreven belasting. 240 inwoners sloten een verbond, om alles in het werk te stellen ten einde 's Hertogenbosch van de Fransche heerschappij te verlossen. Zij drongen per plakkaat bij de burgerij er op aan, de belasting niet te betalen. De Commandant ontbond nu de schutterij, stelde het innen der belasting acht dagen uit, doch dreigde een ieder met zware straffen, die weigerde te betalen. De samengezworenen hadden zich intusschen met de Pruisen in verbinding gesteld. Met den Pruisischen generaal Hobe maakten ze de afspraak, dat deze den 26 Jan. 's morgens, als de toren van Vucht 4 uur zou slaan, van twee zijden de stad zou aanvallen. De Commandant had er echter bericht van gekregen en riep de bezetting onder de wapenen. De toren van Vucht ging evenwel een half uur na en toen de aanval 's morgens 4 uur niet geschiedde, dacht de Fransche Commandant, dat er niets van kwam en liet de bezetting weer aftrekken. Weldra echter daagden de Pruisische ruiters op, die de bewoners van Vucht tot gidsen hadden. Daar de grachten van 's Hertogenbosch toegevroren waren, viel het den Pruisen gemakkelijk, de wallen bij de Vuchterpoort te beklimmen en het Bastion Oranje te vermeesteren. De samengezworenen in de stad hadden intusschen de Fransche wacht bij de Hinthamerpoort overrompeld en die voor de Pruisen geopend. De Fransche bezetting trok zich nu in het fort terug, doch geen kans ziende, zich tegen de Pruisen staande te houden, gaven zij zich bij verdrag over. De officieren kregen vrijen aftocht, doch moesten zich verbinden, binnen het jaar niet tegen de verbonden Mogendheden te strijden. De Fransche soldaten hield men in Den Bosch gevangen. In naam van Willem I namen nu Bowier, die vóór 1794 Pensionaris der stad was geweest en Verheyen, als Commissarissen-generaal, bezit van 's Hertogenbosch.

Ten einde Gorinchem in ons bezit te krijgen, werd deze stad den 22 Jan. 1814 uit zeven batterijen tegelijk beschoten, waarbij tot groote schade der ingezetenen 16 huizen vernield werden en 7 zwaar beschadigd. Men eischte nu de vesting op, en toen daar een weigerend antwoord op kwam, werd Gorinchem den 24 Jan. wederom beschoten, waarbij de kerk, het tuighuis en het hospitaal (waarin veel zieken verpleegd werden), zwaar werden beschadigd. De Maire van Gorinchem verzocht Generaal Zielinsky, de stad niet meer te beschieten, doch Zielinsky kon hieraan niet voldoen. Nog vijf maal liet de Generaal de stad beschieten. Den laatsten keer vlogen drie kruitkisten in Gorinchem in de lucht, waardoor velen gedood of gewond werden. De aangerichte schade werd op 100.000 gulden berekend. Den 4 Febr. 1814 teekende de Fransche Commandant een verdrag, waarbij hij de stad overgaf. De bezetting werd met krijgsmanseer behandeld en gevangen naar Pruisen gevoerd.

Intusschen was de Commissie met een Ontwerp van Grondwet gereed gekomen. Men besloot hierover geen algemeene volksstemming toe te laten, maar het ontwerp door 600 Notabele Nederlanders te laten beoordeelen. Er werd daarom eene lijst opgemaakt van 600 personen, die door stand, middelen en verdiensten uitmuntten, welke lijst gedurende acht dagen in elk Kanton of Vrederecht ter inzage werd gelegd, met verzoek, om de bedenkingen, die men tegen de op de lijst geplaatste personen mocht hebben, op te geven. Toen er nagenoeg geen bedenkingen werden ingebracht, werden de op de lijst geplaatste 600 Notabelen den 29 Maart 1814 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam tezamen geroepen. Slechts 474 gaven aan die oproeping gehoor, terwijl 126 Notabelen om verschillende redenen niet opkwamen. Koning Willem I opende deze vergadering met eene toespraak, waarna Van Maanen, Voorzitter van het Hooge Gerechtshof, de beginselen ontvouwde, naar welke de nieuwe Grondwet ontworpen was.

De nieuwe Grondwet bepaalde omtrent den vorst:

Opvolging bij erfrecht en eerstgeboorte, recht van vrede en oorlog, opperbestuur over de geldmiddelen, beschikking over zee- en landmacht.

De Souvereine rechten, die vroeger de Staten bezeten hadden, werden nu aan den Vorst opgedragen. In plaats der Departementen kregen wij 9 provinciën. Ter handhaving der Volksvrijheid en tot waarborg van een richtig beheer zou eene vergadering van de Staten-Generaal, uit 55 en door de Provinciale Staten voor drie jaren benoemde leden bestaande, alle buitengewone uitgaven toestaan of weigeren en, evenals de Vorst, wetten voordragen of afstemmen. Verder zou er een Raad van State zijn, een Algemeene Rekenkamer, een onafhankelijke rechtsmacht, Algemeene Wetboeken, gelijke bescherming voor de bestaande Godsdiensten, doch de Vorst moest lid zijn van de Ned. Herv. Kerk. De land- en zeemacht zou uit vrijwilligers bestaan en bij gebrek aan dezen uit lotelingen.

De nieuwe Grondwet was op revolutionaire leest geschoeid. Toch werd ze door de vergadering van Notabelen met 448 tegen 26 stemmen goedgekeurd. Den volgenden dag, 30 Maart 1814, werd nu de Vorst op plechtige wijze in de Nieuwe Kerk te Amsterdam als Souverein Vorst van Nederland gekroond.

HOOFDSTUK XVII.

Napoleon naar Elba verbannen.—Lodewijk XVIII Koning van Frankrijk.—De strijd om Bergen op Zoom en den Helder.

België was, gelijk wij zagen, door de wapenen der verbonden Mogendheden uit de macht der Franschen verlost.

Napoleon wilde nu onderhandelen, doch de Mogendheden wilden niet. Later behaalde hij eene overwinning bij Montmirail en nu vroegen de Mogendheden, om te onderhandelen, doch thans weigerde de Keizer. De legers der Gealliëerden onder Blücher en Schwartzenberg rukten nu op Parijs aan, terwijl Wellington Bordeaux veroverde en de Oostenrijkers Lyon namen. De Keizerin, de Groot-Waardigheidsbekleders van het rijk en Jozef Bonaparte verlieten Parijs en den 30 Maart 1814 gaf Frankrijks Hoofdstad zich aan de Bondgenooten over. Napoleons gemalin trok naar Weenen, zonder haar man nog eenmaal gezien te hebben en vergat hem spoedig geheel. De Keizer van Rusland en de Koning van Pruisen trokken den 31 Maart 1814 Parijs binnen, doch verklaarden aan de Maire van die stad, dat zij de rechten der Fransche natie wilden eerbiedigen. De Vauvineux zette zich de witte kokarde op den hoed, ten teeken, dat hij zich voor het oude Vorstenhuis, De Bourbons, verklaarde. Dit voorbeeld werd in Parijs door velen gevolgd, en weldra klonk het overal: „Leve de Koning!” De Senaat, vroeger het gewillige werktuig van Napoleon, ontsloeg nu de soldaten van hun eed van getrouwheid, aan hem gedaan en stelde over Parijs een Tusschenbestuur in. Napoleon bevond zich te Fontainebleau en gaf bevel naar Parijs op te rukken, doch zijn maarschalk Ney zei hem, dat zijn macht een eind genomen had, dat hij geen recht meer had, aan het leger bevelen te geven en dat hij verstandig deed, op billijke voorwaarden afstand van de regeering te doen. Napoleon volgde dien raad op en deed afstand van de regeering ten behoeve van zijn zoon. De Mogendheden wilden echter dien afstand niet erkennen, waarom hij 11 April 1814 een afstand teekende „voor zijne opvolgers”. De Mogendheden wezen Napoleon nu het eiland Elba als afzonderlijk vorstendom tot verblijfplaats aan met een jaarlijks inkomen van zes millioen francs. Nadat hij den 20 April afscheid genomen had van de 3000 man der Garde, die hem getrouw waren gebleven, trok hij, door de Generaals Bertrant en Drouot vergezeld, en door een behoorlijk geleide omringd, naar Elba. De Fransche Senaat riep nu Lodewijk Stanislaus Xaverius, oudsten broeder van den onthoofden Lodewijk XVI, onder den naam van Lodewijk XVIII, tot Koning van Frankrijk uit, terwijl Maarschalk Soult, die bij Toulouse nog altijd aan Wellington den weg versperde, den aftocht koos. De regeering van Napoleon, als zijnde door geweld op den troon gekomen, werd niet geteld. Men beschouwde de Bourbons als onafgebroken te hebben geregeerd, zoodat na Lodewijk XVI men diens zoon Lodewijk XVII als Koning beschouwde, terwijl nu Lodewijk XVIII den Franschen troon beklom. De nieuwe Koning had de jaren zijner ballingschap in Engeland door gebracht en aanvaardde den 31 Mei 1814 te Parijs de regeering. Des daags te voren had hij met de Mogendheden een algemeenen vrede gesloten, terwijl de landen, door Napoleon met geweld aan Frankrijk gevoegd, weer aan Frankrijk werden ontnomen. Den 4 Juni 1814 gaf Lodewijk XVIII aan Frankrijk een grondwet, terwijl de vreemde soldaten het Fransche grondgebied verlieten.

[Illustratie: INTOCHT VAN DE GEALLIEERDE VORSTEN TE PARIJS, 31 MAART 1814.]

Ondertusschen deden wij in ons land ons best, om de Franschen uit de door hen bezette plaatsen te verdringen. Een Engelsche afdeeling onder Sir Thomas Graham belegerde Bergen op Zoom. Hierdoor ontstond er in die stad een groote duurte van levensmiddelen, terwijl de Fransche Commandant in die stad de burgerij bovendien nog 35000 francs afdwong. Daar de Fransche bezetting niet sterk was en de felle vorst de verdediging verhinderde, besloot Graham een aanval op de stad te doen. De Franschen toch hadden den slag bij Montmirail gewonnen, waarop Von Bulow terugtrok, zoodat Graham bevreesd was, dat de Franschen weer voorwaarts zouden trekken en Antwerpen, Bergen op Zoom en Grave als steunpunten zouden bezigen. Na de aandacht der Fransche bezetting afgeleid te hebben door een schijnaanval op de Steenbergsche poort, liet hij des nachts drie colonnes over de grachten van Bergen op Zoom trekken, waarvan twee in de stad kwamen en verschillende bastions wisten te bezetten. Een Fransch Adjudant wist echter de vluchtende bezetting niet slechts weer tot staan te brengen, maar zelfs tot zulk een hevigen tegen-aanval te bewegen, dat de Engelschen overhaast de bastions verlieten en maakten, dat ze de stad weer uitkwamen. Zoo was dan deze aanval mislukt, wat mede was veroorzaakt geworden door het sneuvelen van verschillende Engelsche officieren, zoodat de Engelsche troepen hun leiding misten en in verwarring kwamen.

Den 5 April 1814 ontving de Fransche bevelhebber van Bergen op Zoom bericht van de verbanning van Napoleon. Hij verving toen de driekleurige vlag en kokarde voor de witte vlag en kokarde der Bourbons, doch gaf de stad niet over. Eerst toen Lodewijk XVIII het hem beval, kregen wij Bergen op Zoom terug.

De Fransche bezetting van Grave maakte zich aan plundering der omstreken schuldig en de Commandant der stad wilde zelfs zijne vijandelijkheden niet staken toen men hem berichtte, dat Napoleon verbannen was. Eerst toen hij hoorde, dat Venlo en Maastricht zich overgegeven hadden, ontruimde hij Grave.

Generaal De Jonge deed al het mogelijke, om Den Helder weer aan ons te brengen. Toen hij niet meer over de hulp der Kozakken kon beschikken, richtte hij eene ruiterbende op van 78 man, die, met lansen gewapend, aan de voorposten goede diensten bewezen. Voorts voegden zich nog 300 man van den Landstorm te Alkmaar bij hem. Uit het tuighuis te Medemblik ontving hij twee twaalfponders en twee veldstukken, terwijl hem uit Alkmaar een aanzienlijk getal geweren gezonden werd. De Jonge liet nu aan Verhuell weten, dat Gorinchem en 's Hertogenbosch onze zijde gekozen hadden en dat de Mogendheden in Frankrijk groote vorderingen maakten, doch de admiraal wilde van geen toegeven weten. Zijne Fransche onderbevelhebbers rieden hem aan, de vloot in brand te steken, de forten in de lucht te laten vliegen, het Nieuwediep te versperren, den zeedijk door te steken en te trachten met twee fregatten te ontvluchten, doch ook hiervan wilde Verhuell niets weten. Daar eerst zijn Hollandsch zeevolk, en later, de Nationale Garde hem had verlaten, beschikte hij over slechts 1100 man en was zijne positie uiterst moeilijk. Bovendien had hij met geldgebrek te kampen en daar hij geen gedwongen geldheffing in Den Helder wilde uitschrijven, leende hij geld in Den Helder met zijn eigen goederen tot onderpand. Daar hij aan de landzijde door onze troepen was ingesloten en aan de zeezijde door de Engelschen, kon hij geen bevelen uit Parijs ontvangen. En daar hij die toch zeer noodig had, bood luitenant Rijk, een bekwaam zeeofficier, zich aan, naar Parijs te gaan. Verhuell nam dat aanbod met dankbaarheid aan. Den 12 Febr. 1814 wist De Rijk, vermomd, in een visschersboot door de Engelsche vloot heen te komen. Wel maakten de schipper en zijn knecht bezwaar, om verder te varen, toen ze vernamen, dat zij naar Frankrijk moesten, doch De Rijk wist hen toch tot doorvaren te bewegen. Den 15 Febr. landde De Rijk te Duinkerken, vanwaar hij zich over Bologne naar Parijs begaf, waar hij bij den minister van Marine werd toegelaten. Deze gaf hem 10.000 Francs mee en zei, dat Verhuell naar bevind van zaken moest handelen.

De Rijk kwam onopgemerkt door de troepen der Mogendheden, die in Frankrijk gelegerd waren, heen, stapte 13 Maart te Duinkerken weer in zijn visschersboot, doch was genoodzaakt, te Ostende wegens stormweer binnen te loopen, waar hij zich 10 dagen schuil hield, tot hij den 25 Maart behouden in Den Helder wederkeerde. Hier deelde hij aan Verhuell mede, dat Napoleon overwinningen had behaald, zoodat Verhuell nog geen vrijmoedigheid had, de vesting aan ons weder te geven. Eerst den 4 Mei 1814 liet hij de witte vlag hijschen, waarna hij ontslagen werd van zijn eed, aan Napoleon gedaan en hij Den Helder ontruimde. Hij verzocht nu Koning Willem I in Nederlandschen dienst te mogen treden, wat geweigerd werd. Verhuell ging nu naar Parijs, waar hij Pair van Frankrijk werd en in hoogen ouderdom overleed.

HOOFDSTUK XVIII.

Beleg van Naarden.—Delfzijl in onze macht.—Geweldenarijen der Franschen op Walcheren en in Zeeland.—Nederland, van vijanden gezuiverd, wordt met België tot één Koninkrijk vereenigd.

Den 26 April 1814 was Deventer aan ons overgegaan en den 3 Mei Coevorden, doch met Naarden ging het zoo gemakkelijk niet. De bezetting van Naarden was 2000 man sterk, die herhaaldelijk uitvallen deed en dan door plundering aan levensvoorraad wist te komen. Bovendien hief zij van de vermogenden in Naarden een zware belasting, terwijl zij 200 armen de stad uitdreef. Ook aan krijgsbehoeften had Naarden geen gebrek. Herhaaldelijk liet Krayenhoff Naarden beschieten, doch hij was met zijn macht van ongeoefende strijders niet tegen de bezetting opgewassen. Eerst den 12 Mei gaf Generaal Quitard op last van Lodewijk XIV Naarden aan ons terug.

Ook de Fransche bezetting van Delfzijl deed vele uitvallen, waarbij zij tal van molens en boerderijen te Farmsum, Uitwierda en Birsum in brand staken. Kolonel Busch, door Pruisen en Engelschen gesteund, wilde de vesting aanvallen, doch Generaal Otto van Styrum gaf tegenbevel, waarop de Engelschen en Pruisen aftrokken en het beleg alleen aan de Hollanders overlieten. Men meldde den Franschen Commandant, dat Napoleon op Elba zat en Lodewijk XVIII Koning van Frankrijk was geworden. Hij zond nu een officier naar Parijs, die de waarheid hiervan bevestigde, waarop hij den 28 Mei 1814 de witte vlag liet opsteken en Delfzijl aan ons overgaf.

Het eiland Walcheren bleef ook nog lang in het bezit van den vijand. Bij het begin der omwenteling verbood de prefect van Walcheren alle correspondentie met de andere streken van ons land, terwijl hij tal van personen als gijzelaars naar Vlissingen, of zelfs naar Parijs liet brengen, o.a. de Rechter A. C. van Citters en de Oud-Baljuw van Middelburg J. J. de Bruin. De Franschen beroofden de inwoners zooveel zij konden, o.a. ontnamen zij hun in Nov. 1813 220 paarden, terwijl zij 800 arbeiders dwongen, aan hun vestingwerken te arbeiden. Van December 1813 tot Maart 1814 moesten 100 voerlieden met hun paarden en wagens gratis voor de Franschen allerlei goederen vervoeren. De bovengenoemde 800 arbeiders ontvingen elke week 2100 francs, welke som door 100 der meest gegoede inwoners bijeengebracht moest worden. Toen de drie kooplieden Serlé, Andriessen en Meyners weigerden tot deze som bij te dragen, werden hunne goederen gerechtelijk verkocht. Nog voor het einde van Maart 1814 werd in drie termijnen de geheele belasting over 1814 ingevorderd. De Franschen wilden op deze wijze aan 400.000 francs zien te komen. Daar de belasting minder dan 400.000 francs opbracht, moesten een 30-tal vermogende ingezetenen uit hun particuliere kas dit tekort aanvullen. Tegen betalen van bons, die later konden worden ingeleverd, moesten de ingezetenen voor de vestingen levensmiddelen en andere benoodigdheden verstrekken. Vele leveranciers ontvingen echter geen bons. Den 11 Febr. 1814 beval de Gouverneur Gilly, dat de inwoners al hun geweren moesten inleveren. Een officier met 40 man moest dit bevel in de dorpen St. Laurens en Brigdamme uitvoeren. Toen hij echter te St. Laurens kwam, begon men de klok te luiden, welk voorbeeld in de andere dorpen gevolgd werd. Boeren en burgers, met stokken, vorken enz. gewapend, daagden nu uit Serooskerke en andere plaatsen op en dreven den officier met zijne mannen naar Middelburg terug. De boeren waagden het zelfs, in deze stad binnen te dringen, doch ze werden daar zóó hevig beschoten, dat ze met achterlating van één doode en eenige gekwetsten de vlucht moesten nemen. 19 landlieden werden gevangen genomen. Ook eenige ingezetenen van Middelburg, de predikant van Serooskerke en de Maires van Brigdamme en Aagtekerke werden gegrepen, doch na verhoor weer vrijgelaten. De Maire van Buttinge werd van zijn ambt ontzet en eenigen tijd gevangen gehouden, omdat men hem verdacht, dat hij den tegenstand had aangemoedigd.

Gouverneur Gilly poogde ook Noord-Beveland in zijne macht te krijgen, doch de 60 man, die hij daarheen zond, werden gevangen genomen en op Engelsche schepen gebracht. Na eerst eene batterij op Zuid-Beveland tot twee keer toe vernield te hebben, deed Gilly met 500 man eene poging, om Zuid-Beveland in zijne macht te krijgen. De Engelsche bezetting te Borselen en de gewapende Landstorm op Zuid-Beveland dreven echter de Franschen terug, terwijl hun kort daarop de gemeenschap met het Fort Bath geheel werd afgesneden. Toen de Franschen hoorden van Napoleons verbanning naar Elba, heschen ze te Middelburg de witte vlag. De afpersingen op Walcheren bleven echter tot 6 Mei aanhouden, toen eindelijk de Fransche Generaal d' Arboville overkwam, aan wien de ontruiming van Walcheren was opgedragen.

[Illustratie: HET CONGRES TE WEENEN.]

Thans was geheel ons land van vijanden gezuiverd en wij konden ons geheel wijden aan de regeling onzer binnenlandsche aangelegenheden. De belastingen lieten wij onveranderd. Alleen schaften wij het Tabaksmonopolie af. In een buitengewone vergadering der Staten-Generaal van Mei 1814 werd naast een werkelijke ook een _uitgestelde_ schuld vastgesteld, ter herleving van het 2/3 gedeelte, dat men onder Napoleon door de tiërceering verloren had. Ons crediet herleefde en onze effecten stegen in waarde. Handel en scheepvaart begonnen te bloeien.

Het Congres, door de Groote Mogendheden te Weenen gehouden, oordeelde, dat het voor de rust van Europa beter was, als België en Nederland onder één scepter vereenigd werden. Immers, waren beide landen één, dan konden ze beter een aanval afweren van het altijd woelige Frankrijk, dan wanneer ze gescheiden waren. Nadat den 11 Febr. 1814 de Groote Mogendheden over België een Provisioneel Bestuur hadden ingesteld en later een Tusschen-Bestuur van Willem I, droeg het Congres van Weenen den 15 Aug. aan genoemden Vorst het oppergebied over al de Nederlanden op met den Koningstitel en dat wel ter schadeloosstelling voor zijn Nassausche erflanden Dillenburg, Sieg, Siegen, Dietz en Hadamar en het Groot Hertogdom Luxemburg.

Oostenrijk had voor 1795 België bezeten. Ter vergoeding daarvoor kreeg het Lombardije en Venetië, welke landen dichter bij zijn grenzen en daardoor gemakkelijker te besturen waren dan België.

HOOFDSTUK XIX.

Napoleon keert van Elba terug.—Krijgsbedrijven in België.—Quatre Bras en Ligny.

Den 16 Maart 1815 begaf Willem I zich naar de vergadering der Staten-Generaal te 's-Gravenhage, waar hij de gronden ontvouwde, die tot de Vereeniging van Nederland met België hadden geleid. Met gemengde gevoelens ontvingen de Staten der Noordelijke gewesten hem. Zij noemden de vereeniging van alle Nederlanden een treffende gebeurtenis.

Van de vereeniging van België met Nederland (van het herstel dus van het oude Nederland, gelijk het in de dagen van Karel V was), verwachtte men de volgende voordeelen:

1º. Er werd een vaste voormuur tegen Frankrijk gevormd.

2º. Als Mogendheid van den tweeden rang zou het Vereenigd Koninkrijk niet slechts bloeien door den handel van het Noorden, maar ook door de industrie van het Zuiden en door den landbouw van beiden.

Men zag evenwel voorbij, dat de verschillende bronnen van bestaan van beide landen ook verschil van belangen schiepen, waardoor twist en tweedracht kon ontstaan, waarbij nog kwam, dat beide landen verschillend waren niet slechts in taal, maar ook in godsdienst, wat mede een bron van oneenigheid kon worden.

Een eerste verplichting, die de vereeniging ons oplegde, was eene uitkeering van twee millioen pond sterling of 24 millioen gulden aan Engeland voor den opbouw van vestingen aan de Fransche grenzen; bovendien moesten wij aan Engeland afstaan: in West-Indië Berbice, Demerary en Essequebo en in Zuid-Afrika de Kaapkolonie. Ook talmde Engeland, om ons de overige koloniën terug te geven.

[Illustratie: NAPOLEON VERLAAT OP 26 FEBR. 1815 HET EILAND ELBA.]

Terwijl het Congres te Weenen bezig was, de verwarde Europeesche zaken te regelen, werd ineens de mare bekend, dat Napoleon, vertrouwende op de gehechtheid zijner soldaten en op de onverschilligheid der Franschen ten opzichte van het stamhuis van Bourbon, den 1 Maart 1814 met 1500 soldaten te Cannes in Frankrijk was geland. Lodewijk XVIII zond verschillende troepen-afdeelingen tegen hem af, doch die kozen allen zijn zijde, zoodat Napoleons krijgsmacht vermeerderde naarmate hij dichter bij Parijs kwam. Op 't laatst was zijn tocht een triumftocht, zoodat Lodewijk XVIII het geraden achtte, Parijs te verlaten en eene schuilplaats te Gent te zoeken. Reeds den 20 Maart 1814 deed Napoleon zijn intocht te Parijs.

Toen het Congres te Weenen hiervan kennis kreeg, besloot het terstond tot een algemeen Verbond tegen den dwingeland en tot het bijeenroepen van een krijgsmacht van een millioen soldaten. Ook Napoleon zat niet stil. Hij beproefde alle diplomatische hulpmiddelen, om den naderenden storm te verwinnen. Zijne agenten bij de buitenlandsche machten leden echter schipbreuk in hunne pogingen en 's Keizers hoop, om door zijne gemalin het Oostenrijksche hof te zijnen gunste te stemmen, kon onmogelijk slagen, daar Maria Louise zich reeds een ander man tot levensgezel had verkozen.

Door snel optreden hoopte Napoleon de Mogendheden te voorkomen. Reeds na twee maanden beschikte hij weer over een leger van 180.000 man, gereed tot den veldtocht.

Koning Willem I riep ook de Nederlanders te wapen. Hij vormde twee legers, die hij onder bevel zijner twee zonen stelde, het eene leger 40.000 man sterk, om de grenzen van België te dekken en het andere, 30.000 man, meest Zuid-Nederlanders, dat als Nationale Militie dienst moest doen.

Napoleon evenwel begeerde vrede en vroeg aan de Mogendheden om vrede, doch die wilden er niet van weten. Wel wetend, dat België het tooneel van den strijd zou worden, rukte Blücher met 117.000 man Pruisen de Zuidelijke Nederlanden binnen en nam, met Namen tot hoofdpunt, positie tusschen Luik, Hoei, Charleroi en Dinant. De prins van Oranje voerde bovendien in België nog bevel over 20.000 Engelschen en Hannoveranen, terwijl den 4 April 1815 de Hertog van Wellington te Brussel aankwam waar hij het opperbevel aanvaardde over een leger van 91.228 man uit Engelschen, Duitschers en Nederlanders bestaande. Onder zijn opperbevel werd de Prins van Oranje gesteld over een afdeeling Engelschen en Nederlanders, terwijl Prins Frederik onder de bevelen van den Engelschen Luitenant-Generaal Lord Hill aan het hoofd werd gesteld 10.000 man.