Part 5
Dat de oude Statenleden weigerden, in het Bestuur van het land zitting te nemen, werkte op het volk ontmoedigend, wijl dat er uit opmaakte, dat de oude Regenten zelf weinig hoop koesterden op een volledig herstel van onze onafhankelijkheid. Ook gingen door deze weigering twee dagen verloren, die men zoo nuttig had kunnen gebruiken. Toch gaven de gebeurtenissen aan de verbondenen weldra nieuwen moed. Het werd toch in den Haag bekend, dat Luitenant Ampt, die met zijn kanonneerboot te Rotterdam lag, de zaak van Oranje had omhelsd. Hij wilde zelfs met behulp der matrozen en van het werkvolk, de werf te Rotterdam in het bezit nemen. En den 19 Nov. waren de Pruisische jagers, onder bevel van Bouvier in Den Haag teruggekeerd, om de zaak der verbondenen te steunen. Met de Franschen uit Den Haag vertrokken, waren ze tegen dezen in verzet gekomen, hadden kanonnen vernageld en vele douanen gewond en waren thans in Den Haag een onwaardeerbare steun voor de verbondenen. Ook wekte het in Den Haag zeer den moed op, dat in Rotterdam een voorloopig Bestuur gevormd was met J. F. Hogendorp aan het hoofd, dat dit te Leiden was gebeurd onder den Maire Heldewier, terwijl ook Haarlem en Edam het Fransche juk hadden afgeschud.
Zou echter de onafhankelijkheid van ons land verzekerd worden, dan was het noodzakelijk, dat een Prins uit het Stamhuis van Oranje zich aan het hoofd der beweging zette. Daar men niet wist, waar de Prins zich bevond, reisden Jacob Fagel (broeder van den vroegeren Griffier) en de Perponcher (vroeger de trouwe strijdmakker van wijlen Prins Frederik) naar Engeland en Kapitein Wauthier naar Duitschland, teneinde den Prins te zoeken.
[Illustratie: AANVAARDING VAN HET HOOG BEWIND IN NAAM V. D. PRINS VAN ORANJE, 21 NOV. 1813, TEN HUIZE VAN GIJSB. KAREL V. HOGENDORP.]
Teneinde tot een voorloopig Bestuur van het land te komen, werd er den 20 Nov. 1813 bij Van Hogendorp wederom een vergadering gehouden. Er werd een brief voorgelezen van De Stassart, door dezen uit Gorinchem geschreven, waarin hij meldde, dat hij met een sterke strijdmacht in Den Haag terug zou komen, en dan straffen zou, die zich bleef verzetten, doch vergiffenis beloofde aan wie zich nu nog onderwierp. In plaats, dat dit schrijven ontmoedigend werkte, zag men er een bewijs van zwakheid in van De Stassart en werd er de moed door verlevendigd. Dit was evenzoo het geval met het bericht, dat de Franschen Gouda hadden ontruimd en ook daar een voorloopig bestuur was ingesteld. Men besloot daarom tot krachtig optreden. Van der Duyn van Maasdam en G. K. van Hogendorp aanvaardden het voorloopig Bestuur van het land; Falck wilde men de betrekking van Algemeen Secretaris toevertrouwen, doch daar hij te Amsterdam niet kon gemist worden, liet Changuion zich deze functie welgevallen. Prof. Kemper, die in Leiden reeds veel voor de zaak des lands had gedaan en Fannius Scholten wilden trachten, de besturen der overige Hollandsche steden voor de zaak des lands te winnen.
[Illustratie: FRANÇOIS DANIEL CHANGUION.]
Bij proclamatie van 21 Nov. werd aan het volk van de samenstelling van dit voorloopig Bestuur mededeeling gedaan, terwijl bij proclamatie van 22 Nov. het volk ontslagen werd van den eed, aan Napoleon gedaan, en elk een muiter werd genoemd, die nog aan het Fransche Bestuur gehoorzaamde en ieder weerbaar man te wapen werd geroepen, om de Franschen te bestrijden. Eene afdeeling krijgslieden onder bevel van Baron Sweertz de Landas moest de Franschen, die in Gorinchem gelegerd waren, in het oog houden, terwijl eene andere afdeeling onder bevel van generaal C. F. de Jonge Zuid-Holland beschermen moest tegen een aanval der Franschen uit Utrecht. Beide afdeelingen te zamen waren echter nog geen 1000 man sterk. Gelukkig werd de afdeeling Sweertz de Landas te Rotterdam met 300 vrijwilligers versterkt. Ook had ondertusschen Ampt te Rotterdam de werf genomen. Hij zond nu twee kanonneerbooten de Maas op, die een vaartuig wisten te bemachtigen, voor het Fransche garnizoen in Gorinchem bestemd en beladen met 80.000 pond buskruit en 40.000 patronen, welke voorraad terstond naar Den Haag werd gezonden.
[Illustratie: HET BESCHIETEN VAN DORDT DOOR DE FRANSCHEN.]
De Franschen hadden Dordrecht verlaten, waarna er de burgers terstond de Hollandsche vlag op den toren zetten. 400 Douanen, met een zesponder en een mortier gewapend, bezetten echter Papendrecht en eischten nu ook Dordrecht weer voor Frankrijk op. Toen ze deze stad met houwitsers en kanonskogels beschoten, lieten de Dordrechtenaars de Franschen binnen, die terstond 200.000 gld. eischten voor levensmiddelen ten behoeve der Fransche bezetting in Gorinchem, doch zich niet aan wanordelijkheden schuldig maakten. Toen de Franschen echter hoorden, dat de Hollandsche bezetting van Rotterdam zou pogen, Dordrecht te hernemen, verlieten de Franschen de stad weder. Werkelijk namen den 23 Nov. 100 vrijwilligers van de afdeeling onder Sweertz de Landas te Rotterdam Papendrecht en trokken toen voor een deel Dordrecht in. Twee kanonneerbooten onder bevel van Van Ampt legerden zich des nachts tusschen Dordrecht en Papendrecht. Den 24 Nov. verdreef echter een Fransche bende de vrijwilligers uit Papendrecht en begon toen met haar geschut Dordrecht te beschieten. Eén der kanonneerbooten zocht weldra haar heil in de vlucht, doch de andere hield twee uren lang den strijd vol, tot eindelijk al het kruit en de kogels op waren. Toen men het laatste schot zou doen, vroeg iemand, in het bedienen van het geschut zeer bekwaam, om dit laatste schot te mogen richten. Na bekomen verlof deed hij met de laatste kardoes een koevoet in het kanon en richtte toen het schot zoo juist, dat hij zeven Franschen deed sneuvelen. De vijand, door schrik overmand, sloeg op de vlucht en—Dordrecht bleef voor ons behouden. De Dordrechtenaars, in vereeniging met de Rotterdammers, zetten nu gewapend de Franschen na en namen eenigen dezer gevangen. Toen de gemeenschap tusschen Rotterdam en Dordrecht was hersteld, kwamen er van alle zijden zooveel vrijwilligers opdagen, dat de vijand het niet waagde, zich weer in deze streken te vertoonen.
HOOFDSTUK XIII.
Kozakken te Amsterdam.—Krayenhoff, Gouverneur van Amsterdam.—Moordtooneelen te Woerden.—Zutphen in onze macht.—Doesburg genomen.—Strijd om Den Briel.
Generaal De Jonge wist Leiden en Bodegraven voor den Prins te bewaren, terwijl een 100-tal vrijwilligers Donderdam beveiligden. Een Haagsch vrijwilliger, Adams geheeten, stelde zich aan 't hoofd van een bende boeren en wist de batterij van de Buitensluis aan het Hollandsch diep te bemachtigen. Deze batterij bestond uit twaalf achttienponders, meer geschut, dan de verbondenen tot dusver bezeten hadden.
In Amsterdam vreesde men nog, dat Molitor met zijne troepen terug zou keeren, waarom Van Brienen altijd nog met Molitor in briefwisseling stond en het provisioneel Bestuur van die stad nog niet openlijk de zijde van Oranje durfde kiezen, hoewel Van der Duyn, Kemper en Fannius Scholten alle moeite hadden gedaan, om dat Bestuur tot een meer beslist optreden te bewegen.
De Bondgenooten hadden Van Assen naar Friesland en Groningen gezonden, teneinde die gewesten over te halen, de zijde van den Prins te kiezen. Zij bevonden, dat de inwoners dier gewesten Prinsgezind genoeg waren, doch dat de Besturen er nog niet met beslistheid tegen de Franschen durfden optreden, wijl ze op de hulp van slechts 400 à 500 Kozakken konden rekenen. Van Assen verzocht den aanvoerder der Russen, prins Lapupkin, om hulp voor de omwenteling in Holland en deze beloofde onmiddellijk eenige ruiters naar Holland te zenden.
Den 24 Nov. zond prins Lapupkin Majoor Marklay met 200 Kozakken naar Amsterdam. Daar Naarden en Utrecht nog in de macht der Franschen waren, trok deze afdeeling Russen over Hilversum, 's-Graveland, Weesp, de Uitermeersche Schans (die door de Franschen verlaten was) en verscheen eindelijk voor de Muiderpoort te Amsterdam.
Te Amsterdam wekten de Kozakken de nieuwsgierigheid in hooge mate op. En waarlijk, deze zonen van Tartarije en de Krim boden een bont en zonderling schouwspel aan.
[Illustratie: MR. FANNIUS SCHOLTEN.]
„De een b.v. droeg, bij een Chineesche muts, een overjas met kragen, die misschien aan dezen of genen Franschen overste behoord had; een ander was in een buitgemaakte huzaren-monteering uitgedost, waarover een witte mantel golfde; een derde had een Poolsche jas en een grenadiersmuts op het hoofd; sommigen waren met sabels, anderen met degens of dolken gewapend, doch allen met pistolen en ellenlange speeren.”
[Illustratie: KOZAKKENWACHT.]
In het gebruiken van voedsel waren de Russen niet kieskeurig; smeerkaarsen en klare boter aten ze alsof het niets was. In ons land kon men ze het best trakteeren met pannekoeken en brandewijn. De Amsterdammers zagen hoog tegen deze woeste strijders op en geloofden, dat één Kozak wel tien Franschen kon staan. Een gevolg hiervan was, dat Amsterdam zijn weifelende houding liet varen. Door invloed van Falck werd nog den 24 Nov. van de pui van het paleis op den Dam aan het volk bekend gemaakt, dat Amsterdam de zijde der Franschen verlaten en die van den Prins gekozen had, terwijl men de Hollandsche vlag van de torens liet wapperen. Krayenhoff, die voor 19 jaar door de Patriotten te Amsterdam aan het hoofd van het Bestuur werd geplaatst, teneinde het gezag der Franschen er te vestigen, werd nu tot Gouverneur van Amsterdam aangesteld, teneinde het gezag van den Prins er te vestigen, terwijl aan Verdooren de regeling der zeezaken werd opgedragen.
De Franschen te Gorinchem hadden 1500 man versterking uit Antwerpen ontvangen en dit gaf De Stassart den moed, een brief naar Den Haag te zenden, waarin hij de „rebellen” in die stad en te Rotterdam aanried, een deputatie naar hem te sturen, teneinde Napoleons wraak af te wenden. Natuurlijk werd het schrijven van den prefect in Den Haag met verachting ontvangen en hooghartig beantwoord, zoodat De Stassart de gedachte moest krijgen, dat men in Den Haag over een grootere macht beschikte, dan werkelijk het geval was.
[Illustratie: BARON KRAYENHOFF.]
De Fransche bezetting van Woerden bestond uit slechts 28 man. Dit gaf generaal de Jonge en Kolonel Tullingh den moed, aan het hoofd der Nationale (nu Oranje) Garde derwaarts te trekken en de stad voor den Prins te bezetten. De 28 Franschen trokken zich in Utrecht terug. Terstond werd in Woerden de Hollandsche vlag op den toren gezet, doch de vrijwilligers verzuimden, de bruggen op te halen, de poorten te sluiten en verder Woerden in staat van tegenweer te stellen.
De Franschen, te Utrecht de Hollandsche vlag van den toren te Woerden ziende wapperen, besloten Woerden te overvallen. Midden in den nacht verschenen ze voor Woerden. Ze verdreven Luitenant Mirandolle uit het fort Oranje, die zich nu met zijn 24 vrijwilligers bij de bezetting van Woerden aansloot. De Franschen waren ondertusschen in de stad gedrongen en de Hagenaars, nu van binnen en van buiten aangevallen, kozen de vlucht. Kolonel Tullingh werd door bajonetsteken en sabelhouwen gewond en als krijgsgevangene naar Parijs gevoerd. Na den val van Napoleon mocht hij naar ons land terugkeeren.
De Franschen, die Woerden overvielen, waren zoogenaamde Pupillen, zijnde weezen, die men voor den krijgsdienst had opgeleid. Zonder ouders of nastaande familie, dus zonder met de maatschappij in nauwe betrekking te staan, gaven ze om hun leven weinig of niets en was medelijden met hun slachtoffers hun vreemd. Toen zij zagen, dat zij van Woerden meester waren, begonnen zij er op barbaarsche wijze te rooven, te plunderen en te moorden. Vijf en twintig inwoners van het stadje, waaronder vrouwen en kinderen, beroofden zij van het leven, terwijl vijftig anderen min of meer zwaar gewond werden. En het treurigste was, dat deze moordtooneelen geheel doelloos plaats hadden, want drie dagen later ontruimden de bandieten uit eigen beweging Woerden, met medeneming van een grooten buit.
[Illustratie: HET GERUST VERBLIJF VAN MEVR. KEMPER TE LEIDEN BEHOUDT DEN MOED DER GEWAPENDE BURGERIJ.]
De berichten van hetgeen te Woerden was gebeurd, werden overal in ons land met schrik en ontzetting ontvangen. Te Leiden durfden de burgers de stad, uit vrees, dat de Franschen hun dit euvel zouden duiden, niet in staat van verdediging stellen, en wilden geen geschut of vrijwilligers binnenlaten. Velen wilden zelfs de stad verlaten, doch Mevrouw Kemper, wier man niet te huis was, ried hun dit af en zei: „Ware er gevaar, zoude ik hier gerust met mijne kinderen blijven?”—Haar moedige houding boezemde den burgers weer moed in. Gelukkig werd de gezonken moed door twee betere tijdingen weer opgebeurd.
Tusschen Amsterdam en Haarlem lag een fort, dat door de Franschen bezet was en dat de verbinding tusschen die steden belemmerde. Het gelukte den Kozakken, de Franschen uit dit fort te verdrijven en het voor den Prins in bezit te nemen.
De Kozakken hadden reeds een paar keer gepoogd, doch tevergeefs, de Fransche bezetting, meest uit Douanen bestaande, uit Zutphen te verdrijven. Den 24 Nov. werd Zutphen belegerd door 4000 Pruisische ruiters en jagers. De Duitschers werden door de inwoners van Zutphen geholpen en de Maire Op ten Noort wist den Franschen bevelhebber te bewegen, Zutphen aan de Pruisen over te geven. Terstond werd nu de Hollandsche vlag op den toren geplaatst, een bal aan de Pruisische officieren gegeven en in de straten geïllumineerd. Een Algemeen Bestuur werd ingesteld, dat Zutphen voor den prins moest bewaren.
In weerwil van deze twee moedgevende gebeurtenissen, bleef men toch in Holland nog met zorg de toekomst tegemoet zien, daar Molitor te Utrecht nog 4 à 5000 man, allen goed gewapend, tot zijn beschikking had. Molitor was echter zelf te zeer op zijn hoede, dan dat hij aanvallend durfde optreden. Een tuinier toch te Oudshoorn, Mens genaamd, had brieven laten schrijven en aan verschillende personen bezorgen, waarin hij vermeldde, dat de Engelschen te Scheveningen geland waren en dat 3000 Russen aanrukten, om ons te hulp te komen. Deze brieven, te Woerden in handen der Franschen gevallen, hebben niet weinig er toe bijgedragen, dat dezen de stad verlieten. En ook Molitor liet er zich door bang maken. Ook meende Molitor, toen hij hoorde, dat een bekwaam krijgsoverste als Krayenhoff de verdediging van Amsterdam op zich had genomen, dat Amsterdam over meer middelen ter verdediging kon beschikken, dan werkelijk het geval was. Bovendien wist hij niet, wat de verbonden Mogendheden beoogden, zoodat hij Gelderland, dat hij beschermen moest, niet durfde verlaten.
Wat het meest in ons land den moed verlevendigde, was het heuglijke feit, dat Van Hogendorp den 27 Nov. een eigenhandigen brief van den Prins van Oranje ontving, waarin de Prins beloofde, spoedig over te komen en dat Engeland hulp zou verleenen. Terstond liet men dezen brief drukken en door het geheele land verspreiden, waardoor ook Friesland en Groningen moed vatten en zich voor den Prins verklaarden.
Kapitein Wauthier, die in Duitschland den Prins moest zoeken, ontmoette den 22 Nov. te Munster den Pruisischen Generaal Van Bulow, dien hij op de hoogte bracht van hetgeen in Holland plaats greep. Vervolgens bezocht Wauthier het hoofdkwartier der Gealliëerden te Frankfort, waar hij bemerkte, dat de verbonden mogendheden de provinciën ten Westen van den IJsel als bevriende mogendheid beschouwden.
De verbondenden in Den Haag zonden hun agent Van der Hoeven naar het Oosten van ons land. Te Nijkerk wist hij den Kozakkenhoofdman Marklay te bewegen, zich naar Amsterdam te begeven. Prins Narischkin, opperbevelhebber der Russische voorhoede, die zich te Zwolle bevond, had Bentinck reeds tot Gouverneur van Overijsel aangesteld. Hij gaf aan Van der Hoeven paspoorten, teneinde het hoofdkwartier van den kroonprins van Zweden te kunnen bezoeken, en beloofde ook naar Amsterdam te zullen trekken.
Van der Hoeven zocht ook den kroonprins van Zweden op, die aan de omwenteling in Holland zooveel waarde hechtte, dat hij van der Hoeven een officier mede gaf met last aan Generaal Wintzingerode, om den IJsel over te rukken. Gelukkig behoefde deze last niet meer uitgevoerd te worden, want Molitor had Utrecht reeds verlaten. Hij had vier aanzienlijke ingezetenen van Utrecht als gijzelaars mee naar Parijs genomen, en wel de heeren Ram, Singendonck, Buddingh, en de Perponcher van Wolphaartsdijk. Dezen werden te Parijs in een gewone gevangenis geworpen. Op voorspraak van Lodewijk Napoleon herkregen ze in het begin van 1814 hun vrijheid en mochten ze naar hunne woningen terugkeeren.
Molitor had Utrecht in de beste orde verlaten en geen gewelddadigheden gepleegd. Terstond na zijn vertrek verklaarde de stad zich voor den Prins. Den 29 Nov. trok prins Narischkin met 2000 Kozakken Utrecht binnen met Kolonel v. d. Bosch, den Adjudant van Krayenhoff, die, met toestemming van den Russischen bevelhebber, Utrecht voor den Prins in bezit nam.
Den 28 Nov., toen Molitor Utrecht verliet, had Schwartsman, vroeger consul van Spanje, die op last van Graaf van Styrum met een visscherspink op de Noordzee kruiste, om de Engelsche vloot te zoeken, eindelijk deze gevonden op de banken van Hollesley-baai. Op Schwartsmans verzoek zond de Engelsche Vice-admiraal Ferrier terstond drie oorlogsschepen naar Scheveningen, die daar een aantal zeesoldaten aan wal zetten. De tijding hiervan werd door het geheele land met blijdschap vernomen en werkte vooral in Amsterdam zeer geruststellend. Ook ontving men de verzekering, dat behalve de 1200 Kozakken, die Utrecht binnen getrokken waren, nog meer Russisch krijgsvolk te wachten was.
Aan Van Bulow had men een onderschepten brief van den prefect van Coblenz aan De Celles gezonden, waarin de treurige toestand van het Fransche leger in ons land werd geschilderd. Dit deed Van Bulow besluiten, tegen zijn last in, den IJsel over te steken.
Den 18 Nov. had de bezetting van Doesburg, uit Jagers bestaande, deze stad aan de Pruisen overgeleverd. Den 22 Nov. wisten de Franschen de stad te hernemen, doch denzelfden dag werd hun Doesburg weer ontnomen, helaas ten koste van een vrij groot aantal mannen. De Fransche Generaal Amey te Arnhem deed nogmaals een poging, om Doesburg in zijn macht te krijgen, doch den 24 Nov. werden zijne krijgslieden reeds te Velp door de Pruisen met zwaar verlies teruggeslagen.
Wij beproefden nu Arnhem onze zijde te doen kiezen. De Fransche bezetting in die stad werd echter door den Maarschalk Macdonald, hertog van Tarente, die te Nijmegen zijn hoofdkwartier had, met eene afdeeling krijgslieden versterkt, zoodat ze nu 3400 man telde. Den 30 Nov. waagden de Gealliëerden de stad te bestormen en het gelukte hun, na een hevig gevecht, Arnhem in hun macht te krijgen.
Den 19 Nov. was Den Briel door de aldaar gelegerde Fransche bezetting in staat van beleg verklaard. De Gemeenteraad zond nu in stilte vier zijner leden naar Den Haag, om te vernemen, of verlossing aanstaande was en op hulp kon gerekend worden. In Den Haag kon men den Brielschen afgevaardigden voor het oogenblik weinig moed geven, waarom men in Den Briel besloot, zich aan het Fransche Bestuur te onderwerpen. Voor de dorpen om Den Briel, die reeds de Oranjevlag van den toren lieten wapperen, was dit mede een groote teleurstelling. De Franschen haalden overal die vlaggen naar beneden en legden al deze dorpen een brandschatting op. Ze namen overal den Maire en andere notabelen als gijzelaars mee. Gelukkig deserteerden er vele soldaten van de Fransche bezetting, die uit zoogenaamde „_Etrangers_” bestond. Toen er in één nacht weer 50 soldaten verdwenen, vatte de Maire Heeneman weer moed en zond den predikant Pauw in stilte naar Den Haag. Dominé Pauw kreeg van Van Hogendorp de schriftelijke machtiging, om in Den Briel de omwenteling door te zetten. Voor dat doel kon men er over krijgsvolk, magazijnen en geld beschikken. In Den Briel wist men nu Holssourt, Kapitein der Etrangers, voor de zaak van Oranje te winnen. Holssourt beloofde, te zullen trachten, ook de onder hem staande officieren onze zijde te doen kiezen. Besloten werd, om te pogen den volgenden dag de bezetting in opstand te brengen. Ongelukkig werd de samenzwering verraden. Holssourt werd gevangen naar Antwerpen gevoerd, de Maire Heeneman moest Den Briel verlaten, terwijl het huis van Dominé Pauw omsingeld werd. Gelukkig wist hij door de tuinen te ontvluchten en zich twee dagen bij een bakker schuil te houden, tot hij veilig uit Den Briel wist te ontkomen. Toch gaf men in de stad den moed niet op. Dokter de Lang plakte eene proclamatie van den Pruisischen Generaal Blücher aan de Kazerne der Etrangers (die meest Pruisen waren) aan, waarin alle Pruisische soldaten met zware straffen werden bedreigd, die in dienst der Franschen bleven. Zoo zij zich in Den Haag bij de verbondenen aansloten, werden hun allerlei beloften gedaan.
Deze proclamatie werkte. Toen de Onder-prefect met een paar Fransche Officieren naar Hellevoetsluis was, om een 50-tal marine-soldaten van daar naar Den Briel te geleiden, overweldigden de Etrangers de wacht en kozen de zijde der verbondenen. De Onder-prefect, uit Hellevoetsluis teruggekeerd, liet de trouw gebleven bezetting op de markt voor de hoofdwacht aan 't stadhuis post vatten, waar hij terstond de kanonnen liet laden en zoo de stad in bedwang hield. Een Nationale Garde, die een brief moest overbrengen, werd helaas het slachtoffer van deze verdediging. Een uur lang duurde deze toestand, toen Nikolaas den Broeder, die in een der dorpjes bij Den Briel woonde, den raad gaf, zich tegen de Franschen te verdedigen. De Magazijnmeester Lux, die nog altijd met den vroegeren Maire Heeneman correspondeerde, stelde zich aan de spits van eenige manschappen, waarmee hij naar de kazerne der kustkanonniers trok, die, allen Hollanders zijnde, zich ook allen bij hem voegden. Nadat men nu de poorten overrompeld had, trok men met twee stukken geschut naar de markt. Bij het gevecht, dat nu volgde, werden eenige burgers gekwetst. Lux wist echter het stadhuis van achteren binnen te rukken, waarna hij de Franschen uit de vensters van den voorgevel beschoot. Dezen moesten nu hun geschut verlaten en een schuilplaats in de hoofdwacht zoeken, waarna ze zich weldra aan de Hollanders moesten overgeven. Twee Franschen en drie burgers waren gesneuveld en vele anderen waren gewond. De Onder-prefect en de Franschen werden gevangen naar Den Haag gevoerd, terwijl de Mariniers, die aan de Zuidpoort aanklopten, weer naar Hellevoetsluis terugkeerden, toen ze vernamen, dat de stad de zijde van den Prins gekozen had.
HOOFDSTUK XIV.
Fagel en De Perponcher naar Londen.—De Prins van Oranje stapt te Scheveningen aan wal.
Den 1 Dec. 1813 bemachtigde Benkendorf met zijn Kozakken, door Amsterdamsche vrijwilligers geholpen, het stadje Muiden. Men hoopte, dat nu ook Naarden kon genomen worden, doch hierin werd men teleurgesteld. Eerst eenige maanden later kon men Naarden voor Oranje herwinnen.
[Illustratie: DE PRINS VAN ORANJE IN 1808.]