Part 4
Ook ons vaderland had weder scharen jongelingen aan den dwingeland moeten afstaan. Zelfs een deel der schutterijen (toen „nationale garde” genoemd) moest mee, om tegen de verbonden mogendheden te strijden. Den 5 April 1813 werd bij Decreet ook de vorming van een „garde d'honneur” of eerewacht van 10.000 man in ons land gelast. Nevenbedoeling van Napoleon met dit decreet was, om in de jongelingen, die deze eerewacht vormden, gijzelaars te hebben voor de trouw hunner ouders en familie. Deze maatregel wekte hier echter groote verbittering en verontwaardiging, daar deze jongelingen reeds voor groote sommen plaatsvervangers hadden gesteld, toen ze vroeger aangeloot waren, zoodat zij geacht konden worden reeds aan den dienstplicht te hebben voldaan. Op wreede wijze werd het decreet ten uitvoer gelegd, vooral te Amsterdam door den hardvochtigen De Celles. Er waren echter jongelingen, die niet wilden opkomen en met geweld uit hunne woningen moesten worden gevoerd. Ja, sommigen hunner bleven in den vreemde elken krijgsdienst weigeren en verkozen de gevangenis boven het vechten voor den dwingeland.
[Illustratie: HET VERTREK DER „GARDE D'HONNEUR” VAN AMSTERDAM BUITEN DE WEESPERPOORT.]
Weldra was de veldtocht weer geopend en behaalde Napoleon den 2 Mei 1813 bij Lützen de overwinning op de mogendheden. In dezen slag maakte de Hollandsche kolonel Trip zich bijzonder verdienstelijk. Kolonel Trip, die reeds in Spanje beroemd was geworden door de wijze, waarop hij er de artillerie bestuurde, voerde te Lützen bevel over twee batterijen, die hij ten westen van het dorp Kaja in een goed gekozen stelling had gebracht. Een stafofficier beval hem echter, een andere stelling te kiezen. „Goed,” antwoordde Trip, „maar vertel dan eerst, dat het mijn geschut is, die aan de vijandelijke ruiterij het oprukken belet.”—Trip bleef zijne stelling behouden en toen weldra de artillerie der Garde zich bij hem aansloot, vernielde hij de vijandelijke gelederen. De „Jonge Garde” (de nieuwe keurbende van Napoleon) rukte voort en de zegepraal werd bevochten door de ontzaglijke vuurlijn, waaraan de batterijen van Trip ten grondslag hadden gestrekt.
In dezen slag bij Lützen streed ook aan de zijde van Blücher de 16-jarige Willem Frederik Karel mede, de zoon van onzen vroegeren stadhouder Willem V. Voor het eerst nam hij hier aan het krijgsgewoel deel. Weinig kon hij bij Lützen vermoeden, dat hij bij Waterloo nog eens, en wel als hoofd der Nederlandsche Artillerie, onder Blücher zou strijden.
Den 21 Mei 1813 behaalde Napoleon ook de zege bij Bautzen. Den 1 Juni stelde nu de Keizer van Oostenrijk aan beide partijen een wapenstilstand van twee maanden voor, ten einde tot een vergelijk tusschen de partijen te komen. Den 11 Juli bood de Oostenrijksche vorst te Praag nogmaals zijn gewapende bemiddeling aan; toen hij zag, dat zijne pogingen op den onwil van Napoleon afstuitten, verbond zich Oostenrijk met Rusland, Engeland en Pruisen en verklaarde aan Napoleon den oorlog.
In Spanje ging het den Franschen niet voorspoedig. Den 21 Juni werden zij door de Engelschen onder Wellington bij Vittoria verslagen. Aan de zijde van Wellington streed daar mede de Erfprins van Oranje met moed en doorzicht.
[Illustratie: INTOCHT DER GEALLIEERDEN IN LEIPZIG, 15 OCT. 1813.]
Nu Napoleon ook Oostenrijk tegen zich had, leed hij de eene nederlaag na de andere. Zijne legers werden den 23 Aug. bij Grootbeeren, den 30 Aug. bij Culm en den 6 Sept. bij Dennewitz verslagen. Het hoofdtreffen had echter bij Leipzig plaats, waar van 15 tot 19 Oct. „de _Drie-Keizersslag_” geleverd werd. Napoleon deed hier met 170.000 man tegenover een 300.000 man sterken vijand wonderen van dapperheid en overdekte zich met roem. Toch leed hij een verpletterende nederlaag en kwam hij met slechts 70.000 man in Frankrijk terug. Beieren, Wurtemburg en Baden, die vroeger om zijn gunst gebedeld hadden, vielen nu Napoleon af; de verdreven vorstenhuizen van Hannover en Keur-Hessen werden hersteld. In Spanje hielden de Franschen nog slechts Barcelona en een paar forten bezet; overigens hadden ze dat geheele land moeten ontruimen, ja, Wellington trok met zijn leger de Pyreneën over, terwijl Russen, Duitschers en Oostenrijkers in het Oosten tegen Frankrijk optrokken.
Met groote verschooning behandelden de verbonden Mogendheden overigens Napoleon. Zij boden hem het behoud van zijn Keizerrijk aan, zoo hij den Rijn als grens van zijn rijk wilde erkennen. Napoleon weigerde, waarom de Verbondenen na lang weifelen 1 Januari 1814 den Rijn overtrokken. Weder herhaalden zij hun aanbod, doch nu onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat Frankrijk binnen de grenzen zou blijven, die het in 1792 bezat. Napoleon verwierp beide voorslagen. Hij wilde het Fransche Keizerrijk behouden, zooals hij het door list en geweld had gevormd.
HOOFDSTUK X.
De samenzwering van G. K. v. Hogendorp, de Graaf van Limburg Styrum en Van der Duyn v. Maasdam in den Haag.—Kozakken en Pruisen in ons land.—Roelof Schenkel neemt een Fransch schip bij Zoutkamp.—In den Haag en te Rotterdam.
Na Napoleons nederlaag bij Leipzig ontwaakte bij velen in Nederland de hoop, dat ons land weer bevrijd kon worden van de Fransche heerschappij. Evenwel, men begreep, dat het niet gemakkelijk zou gaan, want niet alleen was Napoleons macht nog groot, maar hij hechtte ook groot gewicht aan het bezit van ons land; zelfs had hij aan Rutger Jan Schimmelpenninck verklaard, dat hij Holland liever aan de zee wilde prijsgeven, dan het weer af te staan.
De vroegere Patriotten waren door de gebeurtenissen der laatste jaren van hun revolutionaire beginselen vrijwel bekeerd. Toch waren het niet zij, maar de vroegere Prinsgezinden, die de bevrijding van het Fransche juk van ons land bewerkt hebben, al werden zij door de vroegere Patriotten flink gesteund. Reeds sinds geruimen tijd hadden aanzienlijke Prinsgezinden, zooals Gijsbert Karel van Hogendorp, F. v. d. Duyn van Maasdam, Leopold, Graaf van Limburg Styrum, O. Repelaar van Driel, F. I. de Jonge en F. D. Changuion, verschillende geheime bijeenkomsten gehouden, ten einde te overleggen, hoe de prins van Oranje hier in zijne waardigheid kon hersteld en wij van de Fransche heerschappij bevrijd konden worden. Wat zij beoogden, deelden zij slechts aan hen mee, op wier medewerking zij rekenen konden, o. a. aan Mr. Joan Cornelis van der Hoop te Amsterdam, J. F. van Hogendorp te Rotterdam en Baron Bentinck van Buckhorst te Zwolle.
Voor 1795 was Mr. J. C. van der Hoop advocaat Fiscaal bij de admiraliteit van Amsterdam geweest. In 1795 was hij niet slechts als zoodanig afgezet, maar ook uit Amsterdam naar den Haag gevoerd en daar 4 maanden gevangen gehouden. Na zijne invrijheidsstelling mocht hij zich gedurende drie jaren niet buiten Amsterdam begeven. Tot 1813 leidde hij een ambteloos leven.
[Illustratie: GIJSBERT KAREL VAN HOGENDORP.]
Bentinck stond na 1795 in briefwisseling met onzen vroegeren stadhouder Willem V. De Fransche politie onderschepte echter een brief, zoodat hij gevangen werd gezet en alleen door tusschenkomst van Schimmelpenninck zijn vrijheid terug kreeg.
[Illustratie: Mr. JOAN CORNELIS V. D. HOOP.]
Na den slag bij Leipzig besloten de verbondenen hun kring uit te breiden. Ieder van hen nam op zich vier vrienden te zoeken, die, zonder wederzijdsche afspraak, ja zonder elkander te kennen, beloofden bij de eerste oproeping op te komen en blindelings de aanwijzingen van den leider te volgen. Ieder dezer vier vrienden moest zich op gelijke wijze de medewerking van andere vier personen verzekeren. Teneinde de achterdochtige politie niet op het spoor der samenzwering te brengen, werd aan geen der nieuw aangeworvenen meer meegedeeld dan het groote doel der verbintenis. Men noemde geen naam en deed niets schriftelijks. Mocht er dus een verrader onder de bondgenooten schuilen, dan kon hij alleen den man, die hem tot het bondgenootschap bewogen had, verraden. Weldra omvatte het bondgenootschap 400 leden, die in oprechtheid de zaak van den prins waren toegedaan.
De Graaf van Limburg Styrum had zich bovendien de medewerking verzekerd van den heer Pronk te Scheveningen, die aldaar zeer veel invloed onder de visschersbevolking had. Hij nam aan, bij de eerste oproeping 50 man te leveren.
Ook gelukte het den Graaf van Limburg Styrum de geheele Nationale Garde in den Haag, 300 man sterk, voor de zaak des lands te winnen. Kolonel J. van Oldenbarneveld (Witte Tullingh bijgenaamd), bevelhebber dier Garde, ging met zooveel beleid te werk, dat hij tot op het laatst het vertrouwen van den prefect wist te behouden. Een Detachement vreemde Jagers, meest uit Pruisen bestaande, en in Franschen dienst zijnde, beloofde den opstand, zoo die mocht uitbreken, niet tegen te werken, doch wilde zich verder tot niets verbinden.
[Illustratie: VAN DER DUYN VAN MAASDAM.]
Intusschen nam de Pruisische Generaal Bulow Munster in, terwijl de Kozakken Aurich in Oost-Friesland bezetten. De Russische Generaal Wintzingerode trok tegen Bremen op, terwijl hij prins Narischkin met een afdeeling Kozakken naar ons land zond. Weldra vertoonden de Kozakken zich te Meppel en Hoogeveen. De Fransche ambtenaren verlieten nu Groningen en de Prefect in die stad met de aldaar liggende Zwitsers volgden dat voorbeeld, terwijl er de kantoren der Douanen gesloten werden. De orde te Groningen werd nu gehandhaafd door den Maire Jullens en de kolonel Busch van de Gewapende Burgerwacht, terwijl de Nationale Garde er de Fransche kokarde aflei. Den 16 Nov. 1813 trok nu eene afdeeling Kozakken onder Baron Rosin Groningerland binnen. Hij vaardigde een proclamatie uit, waarbij hij de Raden der Prefectuur aanmaande, het bestuur van het Departement op zich te nemen en allen ambtenaren gelastte, hun functiën op den ouden voet te blijven waarnemen.
[Illustratie: L. GRAAF VAN LIMBURG STYRUM.]
Toen de Franschen Groningen verlieten, hadden ze alle in de kassen aanwezige gelden in een schip gebracht, waarmee zij door het Reitdiep naar zee trachtten te ontkomen. Eene afdeeling Russen zette hen achterna, om hun de buit afhandig te maken, doch zonder resultaat. Een negental schippersgasten wisten echter in een sloep nabij den „Rooden Haan” (drie uren van Groningen) het Fransche schip te achterhalen, dat bemand was met 32 gewapende douanen, die 28 vrouwen en kinderen bij zich hadden. Ze hadden 80.000 gld. bij zich. De schippers zetten de Franschen tot bij Zoutkamp achterna, doch waagden niet zulk een overmacht aan te vallen. Zij hoopten echter bij Zoutkamp hulp van Kozakken te vinden. Toen ze hierin teleurgesteld werden, besloten ze toch tot den aanval over te gaan. Terwijl de douanen in het ruim van het schip waren, sprong Roelof Schenkel op hun schip over. Met het pistool in de eene en een zwaard in de andere hand, opende hij het luik en eischte de overgave der douanen. Dezen, door schrik overmand en niet wetende, hoe talrijk de aanvallers waren, voldeden aan dezen eisch, gaven hunne wapenen en geld over en lieten zich als weerlooze lammeren naar Groningen brengen. Schenkel en zijn gezellen, inplaats, dat zij met geld en schip er vandoor gingen, gaven echter alles belangeloos aan Rosin, den aanvoerder der Kozakken te Groningen, over.
Den 18 Nov. verlieten de Franschen Appingedam. Zij namen er een grooten voorraad uit mee en vestigden zich te Delfzijl. Bij de nadering der Kozakken trokken de Franschen zich onverwijld uit Friesland terug.
Toen de Prefect der Monden van den IJsel de nadering der Bondgenooten vernam, stuurde hij de in de kassen aanwezige gelden naar Amsterdam, doch zelf bleef hij op zijn post. Den 12 Nov. 1813 namen de Kozakken te Zwolle twee poorten, terwijl zij Kampen, dat verdedigd werd door een honderdtal Franschen, beschoten. De burgerij van Kampen koos de zijde der Russen, maakte zich meester van den Franschen Commandant, nam de wacht aan de Vischpoort gevangen en liet de Kozakken binnen, door de brug over den IJsel neder te laten. De Fransche bezetting werd nu gevangen genomen.
Midden December hadden de Franschen in de vier provinciën Groningen, Friesland, Overijsel en Drente nog slechts drie vestingen bezet, n.l. Delfzijl, Koevorden en Deventer. Het Noorden verwachtte echter uit Holland waarborgen der pas herkregen vrijheid.
In Den Haag werd het gerucht verspreid, dat Napoleon was gevangen genomen. De leiders van het verbond vertrouwden echter het gerucht niet, en dit was ook maar goed, want het bleek weldra, dat het valsch was. Later begeerde het volk in Den Haag, dat de bekende vroegere Burgemeester Slicher, een vurig Oranjegezinde, weer aan het hoofd der Gemeente zou worden geplaatst, doch daar de leiders der samenverbondenen het oogenblik nog niet rijp achtten, werd aan de begeerte van het volk niet voldaan.
De Stassart, de gisting onder het volk bespeurende en wel inziende, dat hij een opstand niet kon bedwingen, verzocht zelf eenige Haagsche ingezetenen, een Provisioneel Bestuur te vormen, dat de gemeenschap met het Fransche bewind moest onderhouden. In zoover hij bij de verbondenen aanklopte, ontving hij overal een weigerend antwoord. Hij begon nu te vermoeden, wat men van plan was en hij was van zin, hen gevangen te nemen, doch hij liet dit voornemen varen, uit vrees, dat hij daardoor den opstand zou verhaasten.
Den 13 Nov. werden in verschillende winkels te Rotterdam reeds Oranjestrikken te koop aangeboden, die echter door de politie werden in beslag genomen. De tooneelspeler Rozenveld waagde het zelfs met een rood lint om den hoed op het tooneel te verschijnen. Het volk juichte hem toe, doch des nachts werd hij door de politie opgelicht en naar Breda gevoerd, hoewel hij bewees, datzelfde roode lint steeds in de toen door hem vervulde rol gedragen te hebben. Ook vond men te Rotterdam op zekeren morgen het Erasmusbeeld versierd met een Oranjestrik en het navolgende tweeregelig versje:
Durft niemand nog Oranje dragen. Ik durf mijn grijzen kop wel wagen.
HOOFDSTUK XI.
Barend Ponstijn en Anton Reinhard Falck te Amsterdam.—Omwenteling aldaar.—Omwenteling in Den Haag.
De bezetting te Amsterdam bestond uit een strafbataillon van 800 man, eenige veteranen, benevens de gewapende douanen. Den 15 Nov. trok Generaal Molitor met zijn troepen uit Amsterdam naar Utrecht, om zich bij het hoofdleger in Gelderland te voegen. Pas waren de Franschen Amsterdam uit of Barend Ponstijn ontplooide op de Nieuwe Brug te Amsterdam de Oranjevlag, vroolijk omstuwd door honderden burgers, die zich allen in een oogwenk met de geliefde Oranjekleur tooiden. Het volk liep te hoop en plunderde, onder het geroep van: „Oranje Boven!” de wachthuizen der gehate Douanen, terwijl men spotprenten op de Douanen uitgaf. Vervolgens rukte men de uithangborden, die met den Keizerlijken adelaar voorzien waren, naar beneden en wilde men de pakhuizen der Douanen en de rijkstabakfabriek plunderen en vernielen. De Nationale Garde, in allerijl onder de wapenen gekomen, wist echter door het beleid van Anton Reinhard Falck, één harer kapiteins, dit laatste te verhinderen.
[Illustratie: _zoek maar uit, zoek maar uit zes Douanen voor een duit_
ANONIEME SPOTPRENT OP DE DOUANEN.]
Deze Anton Reinhard Falck was onder het Staatsbewind Gezantschaps-Secretaris te Madrid geweest, terwijl hij onder Koning Lodewijk de betrekking bekleed had van Secretaris-Generaal bij het Departement van Marine. Toen Holland bij Frankrijk werd ingelijfd, weigerde hij eenig ambt te bekleeden, ja wilde hij de ridderorde der Reünie niet aannemen. Nadat hij zich bij de verbondenen had aangesloten, begreep hij, dat hij het vaderland nog van dienst kon zijn, en liet hij zich in den zomer van 1813 eene benoeming tot Kapitein der Nationale Garde welgevallen. Nog voor Molitor vertrokken was, wist hij zijn mede-officieren en zelfs Kolonel van Brienen voor de zaak der verbondenen te winnen. Doch vooral op den genoemden 15 November maakte hij zich verdienstelijk. Hij ried den Prins van Plaisance, den prefect en velen der overige achtergebleven Fransche ambtenaren aan, de stad te verlaten, daar hij voor de veiligheid van hun persoon en goederen niet kon instaan. Men volgde zijn raad op en toen ook zij Amsterdam ontvlucht waren, kreeg de volksbeweging nieuwe kracht. Den 16 Nov. begon het volk de wachthuizen, o.a. dat op de Nieuwe Brug te Amsterdam, te verbranden en plunderde het 't huis van den Ontvanger der personeele belasting op de Prinsengracht, en de huizen van den Wapencommandant en der Politie op de oude Turfmarkt. De Nationale Garde kon verdere baldadigheden slechts voorkomen, door krachtig op te treden, zoodat ze zelfs ten laatste op de menigte moest schieten. Het was een toestand van verwarring en regeeringloosheid, die in Amsterdam heerschte. De Maire was te Parijs, om daar opnieuw in naam der derde hoofdstad van het rijk, trouw aan Napoleon te zweren; de politie had weinig gezag en om dat weinige gezag te handhaven, beschikte zij over te weinig hulpmiddelen, vooral doordat het Hoofdbestuur de stad verlaten had. Falck begreep, zou er een eind aan de verwarring komen, dat er een voorloopig bewind moest zijn. Hij trachtte de leden der Municipaliteit te bewegen met nog eenige andere aanzienlijken zich voor Oranje te verklaren, doch dezen durfden dat nog niet aan uit vrees voor een mogelijken terugkeer der Franschen. Eindelijk wist hij van kolonel Van Brienen gedaan te krijgen, dat deze 24 der aanzienlijkste burgers opriep, om een voorloopig Bestuur te vormen. Van deze 24 gaven 20 aan de oproeping gehoor. In de Vroedschapskamer wees Falck de opgekomenen op een verzoek, door den prins van Plaisance aan den gewezen Hoofdofficier David Willem Elias en door den prefect aan Van Brienen gedaan, om te zorgen voor de handhaving der orde in Amsterdam. 17 personen verklaarden zich nu bereid, in het Bestuur zitting te nemen, dat ten slotte aldus was samengesteld:
[Illustratie: HET VERBRANDEN DER DOUANENHUISJES BIJ DE NIEUWE BRUG TE AMSTERDAM.]
Mr. J. C. v. der Hoop, Voorzitter, Mr. P. A. van Boetzelaer, Mr. D. W. Elias, P. P. Charlé, W. Boreel, Mr. C. van der Oudermeulen, Mr. J. van Loon Jansz., Mr. D. J. van Lennep, H. van Slingelandt, G. ten Sande, A. Mendes de Leon, J. A. Willink, J. J. Moy, Mr. P. A. Brugmans, Mr. J. D. Meyer, Mr. J. S. van de Poll en Mr. A. A. Deutz van Assendelft, allen vurige Oranjegezinden, die ook vroeger deel van het Stads- of Staatsbestuur hadden uitgemaakt.
Op verzoek van Falck had de Adjunct-Maire Charlé, die zich met het eigenlijk bestuur der stad had belast, afstand van dit bestuur gedaan. Hij begeerde echter en verkreeg dan ook een schriftelijk bewijs, door Van Brienen en eenige andere Officieren geteekend, dat de Officieren der Nationale Garde hem voor ontslagen hielden.
Het nieuwe Bestuur werd te Amsterdam met ingenomenheid begroet, vooral, omdat de leden er van gunstig bij het volk bekend stonden en men er mannen onder vond, van verschillende godsdienstige belijdenis. Bij fakkellicht, door een gedeelte der Burgerwacht begeleid, deed het nieuwe Bestuur een rondgang door de stad, door het volk overal luide toegejuicht. Onder bevel van W. Willink werd een vrijwillige ruiterbende van 300 man opgericht en deze, geholpen door vele patrouilles van gewapende burgers, deden nu alles, om de rust te herstellen. Vooral Van der Hoop werkte kalmeerend op de menigte. Hij ging des nachts de wijnhuizen rond en sprak tot het aldaar samengeschoolde volk: „Wat wilt gij meer, mannen! De oude regeering is immers hersteld.” En op zijne aanmaning gingen allen naar huis.
Wat te Amsterdam had plaats gevonden, werd al spoedig in Den Haag bekend gemaakt. Toen aldaar de verbondenen hoorden, dat De Stassart voornemens was, Den Haag te verlaten, begrepen zij, dat het tijdstip daar was, om handelend op te treden. Den 17 Nov. 1813 ging de Graaf van Limburg Styrum met de Oranje-kokarde op den hoed van het huis van Van Hogendorp naar dat van Slicher, waarop deze eveneens de Oranje-kokarde op den hoed deed en met Van Styrum naar den Adjunct-Maire Faber van Riemsdijk ging, om te trachten een voorloopig stadsbestuur te verkrijgen. Toen nu ook de zonen van Van Hogendorp met de Oranje-kokarde op den hoed zich op straat vertoonden, geraakte het volk in beweging en hield het geroep van „Oranje boven!” haast niet op. Ten huize van Van Styrum kwamen nog dienzelfden dag de verbondenen te zamen, die twee proclamatie's vaststelden, beide door Van der Duyn van Maasdam, Repelaer en Changuion en de Graven G. K. en J. F. van Hogendorp geteekend en wel _namens de oude Regenten_. Bij de eene proclamatie werd Van Styrum gemachtigd, als voorloopig (provisioneel) Gouverneur van den Haag voor den prins van Oranje op te treden. De andere proclamatie riep op 18 Nov. eene vergadering der Regenten van 1794 bijeen.
't Hoen en Bachman, die vóór 1795 Burgemeesters van den Haag geweest waren, begaven zich nu met Slicher naar het Stadhuis, waar zij hun vroegere ambten weder aanvaardden. De Oranjevlag werd op den toren geplaatst, en bij proclamatie van den nieuwen Gouverneur werd het optreden van het voorloopig Bestuur aan het volk bekend gemaakt. De Nationale Garde, die zich ook voor den prins verklaarde, trok nu met vliegende vaandels, slaande trom en onder het spelen van het Wilhelmus door de stad.
En dit alles geschiedde, terwijl in den Haag zich nog een Regiment vreemde Jagers en 100 Douaniers, allen goed gewapend en twee achtponders tot hun beschikking hebbende, bevonden. De bevelhebber dezer troepen, Generaal Bouvier, door schrik als verlamd, deed niets om den opstand te onderdrukken en verschanste zich met zijne krijgslieden op het Binnenhof. Hier liet hij zelfs toe, dat de Nationale Garde uit het daar aanwezige depôt en dus als het ware onder zijne oogen, zich van wapenen voorzag.
In Den Haag had men hoop, dat men hulp van de verbonden Mogendheden zou ontvangen. Het was dus met groote teleurstelling, dat men het bericht ontving, dat Generaal Bulow bevel had ontvangen, den IJsel niet over te steken. Baron Bentinck, die dit bericht in Den Haag overbracht, ried er daarom den bondgenooten aan, nog geen beslissende stappen te doen. Evenwel, die raad kwam te laat, want de beslissende stap was reeds gedaan. Van Styrum deed daarom al het mogelijke, om den moed der burgers aan te wakkeren en den Franschen schrik aan te jagen. Hij liet het Binnenhof door de burgerwacht omzetten, terwijl hij gewapende ruiters onophoudelijk er om heen liet draven. De meeste burgers brachten den nacht op de straat door, terwijl de straten verlicht bleven. Door al deze maatregelen bevreesd geworden, vroeg Generaal Bouvier aan Van Styrum den volgenden dag vrijen aftocht voor zich zelf en zijn troepen, wat hem gaarne werd toegestaan. Vele vrijwilligers boden zich nu aan, die bij gebrek aan andere wapenen met pieken werden gewapend. De heer Pronk te Scheveningen zond een aantal pinken in zee, ten einde de Engelsche vloot op te zoeken, om die met de omwenteling in kennis te stellen.
HOOFDSTUK XII.
Een voorloopig Bestuur over ons land.—De strijd om Papendrecht en Dordrecht.
Den 18 Nov. 1813 werden zij, die vóór 1793 Lid der Staten geweest waren, uitgenoodigd, ten huize van Van Hogendorp in Den Haag te komen. Daar vergaderd zijnde, werd hun verzocht, het Bestuur van het land op zich te nemen. Zij durfden aan dit verzoek niet voldoen, daar zij òf bevreesd waren voor een mogelijken terugkeer der Franschen, òf omdat zij niet in het Bestuur wilden zitten, zonder daartoe door den Prins uitdrukkelijk te zijn gemachtigd, òf omdat zij meenden, dat het Bestuur niet eenzijdig uit Prinsgezinden moest zijn samengesteld, maar ook enkele der vroegere Patriotten onder zijn leden moest tellen.
[Illustratie: SAMENKOMST VAN VAN HOGENDORP, VAN DER DUYN VAN MAASDAM, J. M. KEMPER, F. D. CHANGUION, DE GRAAF VAN LIMBURG STYRUM EN FANNIUS SCHOLTEN OP 20 NOV. 1813.]