God redde Nederland gedenkschrift bij gelegenheid van het honderd-jarig jubileum van Neerlands herkregen onafhankelijk volksbestaan (30 Nov. 1813 - 30 Nov. 1913)

Part 2

Chapter 23,677 wordsPublic domain

Toen Lord Minto, Gouverneur-Generaal van Engelsch Indië, vernomen had, dat de Franschen eenige schepen hadden uitgerust, om bezit van Java te nemen, zond ook hij, om dit te voorkomen, zijne zeemacht naar Batavia. Den 4 Aug. 1811 landden de Engelschen ten Westen van Batavia, veroverden die stad, alsmede onze verschansingen te Weltevreden en onzen post te Meester Cornelis, in weerwil dat deze post door Daendels met groote kosten zeer versterkt was. Jansens moest nu naar Oost-Java zich terugtrekken, waar hij door de Engelschen bij Samarang verslagen werd. De Inlandsche vorsten, nog vertoornd over de wijze, waarop zij door Daendels behandeld waren geworden, kozen nu de zijde der Engelschen, zoodat Jansens genoodzaakt was, zich en zijn troepen bij verdrag aan de Engelschen over te geven.

De Engelschen, in het bezit van Java zijnde, eigenden zich nu ook de koloniale waren toe, die in de magazijnen opgestapeld lagen, waardoor zij aan vele Nederlanders groot verlies toebrachten en ook onzen Staat gevoelig troffen.

Alleen Hendrik Doeff wist Decima voor ons te behouden. Dat kleine eiland was daardoor het eenige plekje op den aardbodem, waar in dien tijd de Nederlandsche vlag nog wapperde. Hoe dat toeging, zullen wij in een volgend Hoofdstuk zien.

HOOFDSTUK IV.

Hendrik Doeff op Decima.

Hendrik Doeff was in 1799 naar Japan vertrokken, waar hij in 1803 door onze regeering als opvolger van Willem Wardenaar tot Gouverneur van het eiland Decima werd aangesteld, en wel, zooals gewoonlijk, voor den tijd van vijf jaren. In 1808, toen zijn tijd om was, verwachtte hij een Hollandsch schip uit Batavia, om hem af te lossen. Inplaats daarvan verscheen echter een Engelsch schip onder Hollandsche vlag. Doeff zond een paar zijner ambtenaren er heen om te informeeren, wat het zenden van dit schip beteekende, doch de bevelhebber liet de twee ambtenaren gevangen nemen. Door tusschenkomst van den gouverneur van Nangazaki werden deze ambtenaren later weer in vrijheid gesteld.

In 1809 kreeg Doeff wel eenig bericht van Java, doch van zijn post werd hij niet afgelost. Het eiland Decima is 600 voet lang en 220 voet breed en Doeff had er slechts zes of zeven Hollanders bij zich, zoodat het leven voor hem er zeer eentonig was. In Aug. 1813 verschenen er weer twee schepen voor Decima. In zijn verwachting, dat het Hollandsche vaartuigen zouden zijn, werd Doeff echter wreed teleurgesteld. Het waren Engelsche vaartuigen, door Raffles afgezonden. Aan boord er van bevond zich de Oud-Gouverneur van Decima, Wardenaar, die aan Doeff liet weten, dat de Nederlanders Decima aan Engeland hadden afgestaan, waarom hij, Wardenaar, eischte, dat Doeff zich aan hem, als Commissaris der Engelsche regeering, zou onderwerpen. Doeff liet zich echter niet met leugenachtige verhalen om den tuin leiden en weigerde de overgave van het eiland. Men beloofde hem nu belooning en bevordering, doch hij wilde van geen onderwerping aan Engeland weten. Deze standvastigheid en trouw moet vooral hierom in Doeff gewaardeerd worden, omdat hij op Decima als in ballingschap leefde, en er van alle geriefelijkheden en gezelligheid der maatschappij was verstoken, terwijl, als hij op de aanbiedingen der Engelschen ingegaan was, hij een leven van weelde en gemak had kunnen krijgen.

[Illustratie: HENDRIK DOEFF.]

Het onderhandelen eindelijk moede, dreigde Doeff, het Japansche Bestuur in de zaak te mengen, als Wardenaar niet spoedig aftrok. Zelfs wist hij dezen en den met hem gekomen Engelschen Commissaris zóó beangst te maken, „dat zij de afdoening bewerkten eener schuld van over de f 100.000, die het kantoor ten gevolge van het stilstaan des handels, op zich geladen had.”

In 1814 beproefde Raffles nog eenmaal, Decima voor Engeland te winnen, doch Doeff, die intusschen van de bevrijding van Nederland en den val van Napoleon gehoord had, was nu nog minder bereid, zich aan Engeland te onderwerpen, dan ooit te voren.

Eerst den 6 Dec. 1816 kwamen Hollandsche schepen te Decima, die Doeff van zijn post verlosten. Doeff heeft toen nog twee jaar op Batavia doorgebracht, waarna hij met den Commissaris-Generaal Elout naar het vaderland terugkeerde.

HOOFDSTUK V.

Willem Bilderdijk en Jan Frederik Helmers.

Een vurige Oranjeklant was Willem Bilderdijk. Deze merkwaardige man werd in 1756 te Amsterdam geboren.

[Illustratie: WILLEM BILDERDIJK.]

Zijn vader, een geneesheer, onderwees hem in 't lezen, schrijven, rekenen, het Italiaansch boekhouden en in de verschillende talen, zoo oude als nieuwe. In uren van uitspanning hanteerde hij bij afwisseling de dichtlier, de teekenpen en de etsnaald. Een ongelukkig letsel, zijn voet toegebracht, toen hij nauwelijks zes jaren oud was, noodzaakte hem meestal, zijne kamer te houden. Dit legde waarschijnlijk den grond tot die somberheid, welke ook later bij hem uitkwam, maar ook tot die veelvuldige kennis en rijke wetenschap, die wij bewonderen. In 1780 begaf hij zich naar Leiden ter beoefening der rechtsgeleerde en andere wetenschappen en werd twee jaar later tot doctor in de rechten bevorderd. Hij vestigde zich te 's-Gravenhage en verkreeg een uitgebreide practijk. Een Rotterdamsche vischvrouw, Kaatje Mossel genaamd, die zeer Oranjegezind was en van beleediging der overheid was beschuldigd, werd door hem vrijgepleit. Evenals zijn vader betoonde hij in die dagen van verdeeldheid een innige liefde voor het huis van Oranje en trad meer dan eens op als moedige verdediger der Prinsgezinden. In 1784 huwde hij met de schoone jonkvrouwe Rebekka Catharina Woesthoven. In 1795 moest hij een eed van trouw aan het nieuwe revolutionaire bewind afleggen. Hij weigerde dit. Hierom werd hij in 1795 als een „gemeen sujet” niet slechts uit den Haag, maar zelfs uit de geheele Bataafsche Republiek gebannen. Hij begaf zich toen eerst naar Engeland, en later naar Brunswijk, waar hij tien kommervolle jaren sleet. Te Londen leerde hij de 20-jarige Katharina Wilhelmina Schweickhardt kennen, die hij Italiaansche les moest geven. Daar zijne vrouw hem niet in den vreemde wilde volgen, liet hij zich in 1802 van haar scheiden en huwde later met Katharina Wilhelmina, die hem 30 jaar trouw ter zijde stond.

In Londen kon Bilderdijk niet zijn brood verdienen, waarom hij naar Brunswijk trok. De Hertog kende hem hier een vast inkomen toe. Doch ook in dit gastvrije oord gevoelde hij zich ontevreden en van de „domme Duitschers” gevoelde hij afkeer. Hij vergat hierbij echter, dat zijn tweede vrouw ook van Duitsche afkomst was. Acht jaren van zorg en kommer bracht hij in Brunswijk door, daar hij van zijne inkomsten en 't geen hij met onderwijzen en schrijven er bij verdiende, niet leven kon.

„Twee jaren achtereen” schrijft hij, „leefde ik van droog brood en water (zelfs geen bier) en zonder vuur. In het strengst van den winter geen hout in huis hebbend, ging ik uit, wanneer ik het niet langer uithouden kon; liep de stad twee of drie malen rond, kwam warm weer thuis en ging mijn college's weer opstellen.”

Bilderdijk verloor te Brunswijk drie kinderen. Zijne vrouw en hij waren vaak ziek. Hij moest vaak opium gebruiken en liet soms in drie weken tijds zich zeven aderlatingen doen. Alles bezag de dichter van den sombersten kant en het aanzienlijke jaargeld, dat hij in Brunswijk genoot, evenmin als de vele vrienden, die hij er vond, waardeerde hij er naar behooren.

[Illustratie: JAN FREDERIK HELMERS.]

In 1806 naar 't Vaderland teruggekeerd, werd hij door zijne vrienden, waartoe ook de raadpensionaris R. J. Schimmelpenninck behoorde, met open armen ontvangen. Later zorgde de kunstlievende Koning Lodewijk, die van hem het Nederlandsch leerde, mildelijk voor zijn onderhoud. Hij vestigde zijn verblijf te Leiden, doch de ramp, welke de stad in 1807 trof, deed hem eerst naar 's Hage, toen naar Katwijk en eindelijk naar Amsterdam verhuizen, waar hij lid werd van 't Kon. Nederl. Instituut. Ten voordeele van de slachtoffers van de ramp te Leiden gaf hij zijn „_Ziekte der geleerden_” uit. De zuivere winst bedroeg 1400 gld. In den Haag onderwees hij Koning Lodewijk in de Hollandsche taal. In weerwil van het aanzienlijke jaargeld, dat Koning Lodewijk hem toekende, werd te Amsterdam door de schuldeischers op zijn boedel beslag gelegd en deze ten verkoop opgeschreven. Van de inlijving van ons Vaderland in het Fransche rijk moest vooral Bilderdijk het noodlottige gevoelen. Zijn pensioen werd ingetrokken en alleen de edelmoedige en kiesche bijstand van trouwe vrienden lenigde zijn moeilijke omstandigheden. Onze verlossing van het Fransche juk schonk hem in 1813 ook verademing. Hij werd benoemd tot auditeur-militair te Amsterdam, doch werd weldra door den Koning eervol ontslagen en met een jaarwedde begiftigd. Voor de derde maal verkoos hij Leiden tot zijne woonplaats, waar hij aan eenige jongelieden zijne uitvoerige aanteekingen op de Vaderlandsche geschiedenis meedeelde. Onaangename omstandigheden drongen hem in 1827 zijn geliefd Leiden te verlaten en Haarlem tot zijne woonplaats te kiezen, waar hij in 1831 overleed.

Toen Nederland bij Frankrijk ingelijfd was, zong Bilderdijk in profetische verrukking:

Ach de dagen Onzer plagen, Lieve broeders, gaan voorbij. Uit dit duister Rijst de luister Van een nieuwe heerschappij.

'k Zie de kimmen Reeds ontglimmen Van een nieuw, een Godlijk licht! Op de randen Dezer stranden Straalt zijn glans mij in 't gezicht.

'k Heb het vallen Van Uw wallen, Hollands Illium, voorspeld: 'k Zag het blaken Van Uw daken, En Uw Hectors neergeveld.

De ingewanden Voelde ik branden, En verteren in de vlam; 'k Riep, ik weende, Ja, 'k versteende, Maar de dag des jammers kwam.

Wat verschijne Wat verdwijne, 't Hangt niet aan een los geval. In 't voorleden. Ligt het _heden_, In het _nu_, wat worden zal.

Opgaan, blinken En verzinken Is het lot van iedren dag: En wij allen Moeten vallen: Wie zijn licht beschijnen mag.

Of de kronen Luister toonen, Volken, Staten bloeiend staan, Langer stonde Duurt hun ronde, Maar hun avond spoedt toch aan.

Doch de dampen Dezer rampen, Doch de nevels dezer nacht Zullen breken Bij 't ontsteken Van den dag, waarop zij wacht.

Mocht mijn lippen Dat ontglippen, Wat mijn brekend oog hier ziet. Mocht ik 't zingen, En mij dringen, Door dit wemelend verschiet!

Ja, zij zullen Zich vervullen, Deze tijden van geluk! Deez' ellenden Gaan volenden, En verpletterd wordt het juk.

Holland leeft weer! Holland streeft weer, Met zijn afgelegde vlag, Door de boorden, Van het Noorden, Naar den ongeboren dag.

Holland groeit wêer! Holland bloeit wêer! Hollands naam is weer hersteld! Holland uit zijn stof verrezen Zal opnieuw ons Holland wezen, Stervend heb ik 't u gezegd.

Deze klacht over Hollands ondergang en de profetie van Hollands herstel werd natuurlijk door de Fransche Censuur verboden. Bilderdijk zong dan ook terecht:

„Het snoeimes der censuur heeft alles afgesneden, Wat vaderlandsche zucht of Hollands luister raakt.”

Ook de dichter Helmers gloeide van liefde voor het Oranjehuis.

In 1812 gaf hij een gedicht uit, getiteld: „_De Hollandsche Natie_” waarin hij zong:

„'t Was nacht; 'k zat eenmaal in het eikenbosch verloren; Geen wind beroerde 't loof, geen vogel deed zich hooren; Een stilte als die van 't graf hield mijnen geest gewekt; Een schrikbre duisternis had d' aardbol overdekt. De maan verdween, geen ster blonk aan de hemelbogen; 'k Zag niets; de schepping was voor mij in 't niet vervlogen; 't Scheen, dat ik in den nacht, die mij omsluimerd hield, Het eenigst wezen was, met denkenskracht bezield. Ik zag het menschdom als een worm in 't stof vertreden; Mijn geest bevond zich in dien staat, waarin 't gevoel De ontvlamde werking der verbeelding strekt ten doel. Toen dacht mijn geest aan U, aan U, vergode vaderen! Een huivring greep mij aan! Het bloed stolde in mijn adren. Ik zag de duisternis tot tastens toe vergroot; Ik hoorde een flauw geluid, dat rees uit 's aardrijks schoot; Een flauwe scheemring scheen door 't duister heen te breken; 't Was 't uur van middernacht; mijn geest- en denkkracht weken; Een licht rees uit den grond, beweegloos staarde ik 't aan. Hij stond—een schaduwbeeld onkenbaar; uit het duister Greep hij mij aan en sprak (het was een stil gefluister): „Neen, wanhoop niet aan 't lot, dat Nederland verwacht, „De deugd stierf nog niet weg van 't heilig voorgeslacht! „Neen, Neerland zal niet als een nachtgezicht verdwijnen: „De zon zal eenmaal weer in vollen luister schijnen! „Zing voor den tijdgenoot der oud'ren heldendaân, „En 't kroost leere op hun spoor in 't onweer vast te staan”! — — — — — — — — — — — — — — — — Ja, 'k zal de heldendaân van 't voorgeslacht bezingen.”

De Censuur schrapte het gedeelte, waar de dichter het verval van Amsterdam alzoo bezong:

'k Waande in de toekomst mij verplaatst; mij dacht, ik dwaalde Door moer en drassig land, waarop geen veldbloem praalde, Geen rund zich hooren liet! Ach Neerland! 't was Uw grond Waarop ik, eenzaam en verlaten, mij bevond! Ik zocht de schoone stad, waar ik het licht aanschouwde, Die 't heilig voorgeslacht aan Amstels zoomen bouwde; Helaas! Ik zocht vergeefs! Een ranke, kale hut, Nauw voor het buld'ren van den woesten storm beschut, Was alles, wat ik vond!—'k Zag naakte visschers dwalen, Waar eertijds feestmuziek klonk in de marmren zalen! Ik klauterde over 't puin; ik zwierf wanhopend rond, Of ik de graven van mijn voorgeslacht hervond! Ach! 'k vond geen graven meer.—Een grijsaard treedt mij nader. „Wie gij ook wezen moogt, ontdek me, ik smeek dit, vader! „Stond hier niet Amsterdam?” dus hef ik snikkende aan! „Men zegt, hier heeft voorheen een groote stad gestaan”, Is 't antwoord: „en dit puin, waaruit thans raven schreeuwen, „Was 't raadhuis eens dier stad in ver vervlogen eeuwen! „En gindsche bouwval, waarbij 't wild gedierte schuilt, „Die neergestorte spits, waarop de roerdomp huilt, „Was eens een tempel aan der vaadren God geheiligd. „Maar wij, door dam noch dijk voor 't woên der zee beveiligd, „Wij zwerven hongrend om op dees verlaten grond, „Schaarsch hoorend van de stad, die eertijds hier bestond!”

In zijn zang beschreef Helmers den Rijn in zijn boven- en middenloop op verheven wijze, doch ging daarna verder:

„Ach! zoek dien schoonen stroom nu weer bij Katwijks stranden. Wat vindt ge? Een vuile poel, gesmoord in slijk en zanden; Onedel en versmaad kruipt hij daar schandlijk voort, Eer hij zijn drabbig nat in 't zand der duinen smoort. De vreemdeling, die hem langs Coblenz' muur zag golven, Herziet hem hier! maar ach! in ruigte en wier bedolven, Hij mijmert aan zijn zoom, met waggelende treên, Denkt aan het oud Carthaag! En gaat in weemoed heen.”

En nu vraagt de dichter:

„Is, Neerland, dit Uw beeld? Moet uit die flauwe trekken Mijn hart, dat voor u gloeit, uw naadrend lot ontdekken? Klein waart gij als de Rijn bij Uw geboortestond, Nauw waardig, dat een volk zich vestigde op uw grond. Allengskens aangegroeid, zaagt gij uit uw moerassen. Bij steden van arduin en tucht en welvaart wassen. Ge ontwrongt met jonglingsmoed u 's Ibers overmacht, En bliksemde op de zee met volle mannekracht. Aan 't hoofd der volken scheen uw luister elk in de oogen, En hield, gelijk de Rijn, elk vreemdling opgetogen! Ach! zult gij als die stroom bezwijken in uw loop? De uitfluiting zijn der aard? De schandvlek van Euroop? Neen, neen! der vadren roem verspreidt te sterk een luister; En 't kroost van zulk een volk zink niet geheel in 't duister. Gij, die der volkren lot voor de eeuwigheid vermeldt, Geschiedkunde! open mij uw groot en leerzaam veld. O, Vaderland! 'k Zie daar uw naam onsterflijk pralen, En aller volken glans verduisterd door uw stralen, Op de eeuwige zuil des roems staat Neerlands naam gedrukt. Die naam, die heldennaam, wordt nooit daaruit gerukt.”

In zijn „_Fragment van een onuitgegeven Treurspel_” zong Helmers:

„Het vonnis is geveld, uw lot beslist, Bataven! Leert nu gedwee in 't juk op 's vreemdlings wenken draven. De Ruyters nageslacht, der Trompen heldenteelt Wordt thans als rooversbuit door rooversklauw verdeeld.”

De Censuur verving echter „_Bataven_” door „_Grieken_”, „_De Ruyter_” door „_Aristides_” en „_Trompen_” door „_Epaminondas_”, waardoor het vers geheel van beteekenis veranderde, doch voor de Franschen zijn bitterheid verloor.

HOOFDSTUK VI.

Napoleons bezoek aan Amsterdam.—Hij moet wachten op een vuilnisman.—Generaal Krayenhoff bij hem op audiëntie.—Hoe Napoleon reisde.

In het jaar 1811 bracht Napoleon een bezoek aan Amsterdam. De Keizer kwam den 29 Sept. 1811 te Antwerpen aan, reisde over Breda, Hellevoetsluis, Gorinchem en Utrecht. Den 9 October 's middags half drie deden de Keizer en de Keizerin hunne plechtige intrede in Amsterdam. In het voorste gedeelte der stoet reed de Keizerin in een rijtuig, van 8 pages vergezeld; in het laatste gedeelte de Keizer te paard, gevolgd van de „officieren van hoogstdeszelfs huis, van de maarschalken, generaals, stafofficieren, rijdende vier aan vier.”

[Illustratie: REISKOETS VAN NAPOLEON.]

Toen de stoet de stadspoorten was genaderd, werden Keizer en Keizerin onder het gebulder van het geschut en het luiden der klokken in de hoofdstad ontvangen. Een dubbele rij Nationale gardes bezette de straten, alwaar H. H. M. M. moesten doorgaan; alle huizen waren met bloem-festoenen en vaandels versierd, wat een prachtig gezicht opleverde. De geestelijken, wier kerken Z. M. voorbij ging, bevonden zich in hun ambtsgewaad voor hunne bedehuizen geschaard. Orkesten, die van afstand tot afstand geplaatst waren, verlevendigden het belangrijkste tooneel, waarvan Amsterdam ooit getuige was. Een ontzaglijke menigte vulde de straten; alle vensters waren bezet. Het geroep van „Leve de Keizer! Leve de Keizerin!” hield haast niet op en H. H. M. M. toonden hunne gevoeligheid voor de talrijke huldebetuigingen door met vriendelijkheid te groeten.

Nauwelijks aan het paleis aangekomen, ontving H. M. de ministers en de Staatslieden, waarna de prins-gouverneur de eer had, Z. M. de hooge beambten, de officieren der land- en zeemacht, de algemeene regeering, den algemeenen raad, de rechtbank der eerste instantie, de kamer van koophandel, de maire met diens adjuncten en den municipalen raad, den chef van de garde d'honneur, alsmede die der nationale garde en de dienaren der onderscheidene godsdiensten voor te stellen.

Het weder, dat den geheelen voormiddag betrokken geweest was, bleef des middags goed en niet dan nadat H. H. M. M. aan het paleis waren aangekomen begon het te regenen.

[Illustratie: INTOCHT VAN NAPOLEON TE AMSTERDAM.]

Des avonds was de geheele stad geïllumineerd. Den volgenden dag bezocht Napoleon in een sloep de scheepstimmerwerf en verscheidene gedeelten van de haven.

Om één uur 's namiddags ontving H. M. de Keizerin de complimenten der regeeringsmachten, die den vorigen dag aan den Keizer waren voorgesteld geworden. De Keizerin beantwoordde met de grootste minzaamheid de toespraken. Na de audiëntie begaf H. M. zich mede in een sloep naar de werf.

Des avonds hadden de dames van de voornaamste beambten der stad de eer, voorgesteld te worden. Wat de verlichting betreft, muntten het paleis van den prins gouverneur-generaal en het hotel van den prefect uit. Al de voornaamste gebouwen, de voornaamste bruggen binnen de stad en verscheidene op de meest in het oog loopende plaatsen gestelde decoratiën hadden de aangenaamste uitwerking. Overal, waar H. H. M. M. verschenen, weerklonk uit tal van monden: „Leve onze doorluchtige Souvereinen!” als (naar een ooggetuige verhaalt) „het gevoelen van verknochtheid en de geestdrift der Hollanders.”

Te Amsterdam bezocht Napoleon ook in het Trippenhuis de verzameling van schilderijen van onze Hollandsche meesters. Op den terugtocht ging de Keizerlijke stoet door de Halssteeg, waar iemand van de stadsreiniging juist bezig was, het vuil op te halen en met zijn kar den weg versperde.

„De Keizer, de Keizer!” riep men den man toe en beduidde hem, dat hij maken moest, met zijn kar uit de steeg weg te komen.

Heel onnoozel vroeg de man, of er een dokter aankwam.

„Neen, geen dokter,” zei men, „maar Keizer Napoleon.”

De man antwoordde echter heel bedaard: „Ik heb order alleen voor een dokter uit den weg te gaan.” En hij verwijderde zich eerst, toen hij zijn arbeid verricht had, zoodat Napoleon, die zich anders door niets liet tegenhouden, nu geruimen tijd wachten moest op—een stadsreiniger. Deze werd des avonds op het stadhuis ontboden. De man beriep zich terecht op zijne instructie. Toch werd hij bij wijze van straf zes weken in zijne bediening geschorst.

Te Amsterdam vroeg ook generaal Krayenhoff den Keizer te spreken. Krayenhoff had in 1810 Neerlands hoofdstad op last van Koning Lodewijk Napoleon tegen den Keizer in staat van verdediging gebracht. Napoleon, die dit wist, vroeg toornig:

„Zijt gij dat, Mijnheer Krayenhoff, die Amsterdam hadt willen verdedigen.” En moedig antwoordde de generaal:

„Ja, Sire, en het zou u niet gelukt zijn er in te komen, indien ik zulks niet gewild had!”

De Keizer, door dit onverschrokken antwoord getroffen, vroeg, hoe de generaal het zou aangelegd hebben, om Amsterdam tegen hem, Napoleon, te verdedigen. Krayenhoff ontvouwde nu zijn verdedigingsplannen en de Keizer, die het vernuftige er van moest erkennen, herstelde Krayenhoff in zijn vroegeren rang in den werkelijken dienst.

Den 11 October voer Napoleon in een sloep door de grachten van Amsterdam, terwijl de Keizerin in een open rijtuig een tocht door de stad maakte.

Ook woonden de vorstelijke personen eene voorstelling in den Amsterdamschen Schouwburg bij; aan het verslag hiervan ontleenen wij het volgende:

„Een ontzaglijke toevloed had zich gisteren naar den schouwburg begeven; bij het verlangen, om de talenten van Talma en Mej. Duchesnois te zien, voegde zich een veel vermogender, dan al de overige, dat, om het gezicht van twee aanbiddelijke Souvereinen te genieten. De verwachting van het publiek is geenszins teleurgesteld geworden; om half negen zijn H. H. M. M. in de loge gekomen en nu bevond zich het schouwtooneel in de zaal; het leverde een uitmuntend gezicht op, een talloos gezelschap te zien, geheel opgerezen, lauriertakken in de hoogte schuddende en deze eenparige vreugdekreet herhalende: „Leve de Keizer!” „Leve Maria Louise!” Zoodra de geestdrift der aanschouwers toeliet, dat iets anders dan hunne stemmen gehoord werd, hief het orkest de aria aan: „Où peut on être mieux?”—Het gejuich van „Leve de Keizer!” barstte opnieuw los en Z. M. boog zich over zijn loge en scheen door zijn toegenegen glimlach te zeggen: „Voorwaar, ik ben te midden mijner kinderen!””

De couranten bevatten in ons land een paar dagen later het volgende bericht:

„Een Commissaris van Politie, heden bij het aanbreken van den dag de ronde doende, heeft bevonden, dat er verzen aan de deuren van het paleis aangeplakt waren; hij kon met grond vermoeden, dat deze in een kwalijk gezinden geest waren. De nacht is slechts aan heimelijke en misdadige verrichtingen gunstig, doch hoe groot was zijne verwondering te ontwaren, dat deze verzen een edele en verfijnde hulde aan Z. M. inhielden.

„Ziehier dezelve:

„Op het Keizerlijk paleis te Amsterdam. (Het paleis spreekt):