God redde Nederland gedenkschrift bij gelegenheid van het honderd-jarig jubileum van Neerlands herkregen onafhankelijk volksbestaan (30 Nov. 1813 - 30 Nov. 1913)

Part 1

Chapter 13,342 wordsPublic domain

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Onderstreepte tekst als =onderstreept=. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | | spatie, met/zonder koppelteken, met/zonder hoofdletter. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org/ | | | +----------------------------------------------------------------+

GOD REDDE NEDERLAND

GOD REDDE NEDERLAND

GEDENKSCHRIFT

BIJ GELEGENHEID VAN HET HONDERD-JARIG JUBILEUM VAN NEDERLAND'S HERKREGEN ONAFHANKELIJK VOLKSBESTAAN (30 NOV. 1813-30 NOV. 1913)

AAN ZIJNE LANDGENOOTEN AANGEBODEN

DOOR

J. KUIPER

te Leeuwarden.

NIJVERDALSCHE DRUKKERIJ EN UITGEVERIJ. NIJVERDAL—1913.

[Illustratie: GEDENKNAALD EN VUURTOREN TE SCHEVENINGEN.]

VOORBERICHT.

Op de gedenknaald te Scheveningen lezen wij aan de eene zijde: „God redde Nederland!” Onze Vaderen schreven dus de bevrijding van ons Vaderland in 1813 niet aan eigen dapperheid en beleid, maar alleen aan GOD toe, die den dwingeland Napoleon in eigen strikken had doen vallen en aan het verdrukte Nederland onder een Vorst uit het geliefde Stamhuis van Oranje weer een nieuw tijdperk opende van ontwikkeling, vrijheid en voorspoed.

Den 30 Nov. 1913 zal het 100 jaar geleden zijn, dat de Prins van Oranje te Scheveningen weer aan land stapte. Indien dit historische feit niet had plaats gehad, dan zou Neerland's volk op dit oogenblik niet die eervolle plaats innemen, die het thans onder de natiën inneemt. Daarom past ons _dankbaarheid_. Zal echter die dankbaarheid wel gevestigd en gemeend zijn, dan moeten wij ons niet slechts herinneren, hoe groot onze vernedering geweest is, maar moeten wij ook nagaan, wat wij als volk door Gods genade op het oogenblik mogen zijn. Daarom hebben wij gemeend, ons gedenkschrift niet slechts te moeten beginnen bij 30 Nov. 1813, maar bij de inlijving van ons land bij Frankrijk en te moeten doorzetten tot op den tegenwoordigen tijd.

Joel I: 3 lezen wij: „Vertelt uwen kinderen daarvan en laat het uwe kinderen hunnen kinderen vertellen en derzelver kinderen aan een ander geslacht.” In gehoorzaamheid aan dit Schriftwoord bied ik dit Geschrift aan mijne landgenooten aan. De Heere gebiede er Zijnen over, opdat het bij klein en groot dankbaarheid jegens God en liefde voor ons land en Vorstenhuis moge wekken.

J. KUIPER.

LEEUWARDEN, Januari 1913.

INHOUD.

HOOFDSTUK I. Nederland achter Napoleons zegekar.

HOOFDSTUK II. In diepten van ellende.—De terechtstelling van „Frans met de Kruk”.

HOOFDSTUK III. Wat nog aan Napoleons geluk ontbrak.—Daendels en Jansens op Java.—De Engelschen ontnemen ons Java.

HOOFDSTUK IV. Hendrik Doeff op Decima.

HOOFDSTUK V. Willem Bilderdijk.—Jan Frederik Helmers.

HOOFDSTUK VI. Napoleon's bezoek aan Amsterdam.—Hij moet wachten op een vuilnisman.—Generaal Krayenhoff bij hem op audiëntie.—Hoe Napoleon reisde.

HOOFDSTUK VII. Napoleons tocht naar Rusland.

HOOFDSTUK VIII. De krijgsbedrijven der Hollanders in Rusland.—Hollandsche pontonniers met hun bevelhebber, Kapitein Benthien.

HOOFDSTUK IX. Krijgsbedrijven der Hollanders in Spanje (De Kapiteins Everts en Schindler.—Generaal Chassé en Prins Willem van Oranje.)—De zoon van Willem V bij Lützen.—Napoleons veldtocht in Duitschland en zijne nederlaag bij Leipzig.

HOOFDSTUK X. De samenzwering van G. K. van Hogendorp, de Graaf van Limburg Styrum en Van der Duyn van Maasdam in den Haag.—Kozakken en Pruisen in ons land.—Roelof Schenkel neemt een Fransch schip bij Zoutkamp.—In den Haag en te Rotterdam.

HOOFDSTUK XI. Barend Ponstijn en Anton Reinhard Falck te Amsterdam.—Omwenteling aldaar.—Omwenteling in Den Haag.

HOOFDSTUK XII. Een voorloopig Bestuur over ons land.—De strijd om Papendrecht en Dordrecht.

HOOFDSTUK XIII. Kozakken te Amsterdam.—Krayenhoff, Gouverneur van Amsterdam.—Moordtooneelen te Woerden.—Zutphen in onze macht.—Doesburg genomen.—Strijd om Den Briel.

HOOFDSTUK XIV. Fagel en de Perponcher naar Londen.—De prins van Oranje stapt te Scheveningen aan wal.

HOOFDSTUK XV. De vroegere lotgevallen van Koning Willem I.—De strijd in Zeeland, om Breda, Den Helder (Verhuell), Deventer, Coevorden en Delfzijl.—België aan de Franschen ontrukt.

HOOFDSTUK XVI. De financiën geregeld.—Een Landstorm opgericht.—'s-Hertogenbosch en Gorinchem aan de Franschen ontrukt.—De nieuwe Grondwet.—Willem I te Amsterdam als Koning gekroond.

HOOFDSTUK XVII. Napoleon naar Elba verbannen.—Lodewijk XVIII Koning van Frankrijk.—De strijd om Bergen op Zoom en Den Helder.

HOOFDSTUK XVIII. Beleg van Naarden.—Delfzijl in onze macht.—Geweldenarijen der Franschen op Walcheren en in Zeeland.—Nederland, van vijanden gezuiverd, wordt met België tot één Koninkrijk vereenigd.

HOOFDSTUK XIX. Napoleon keert van Elba terug.—Krijgsbedrijven in België.—Quatre-Bras en Ligny.

HOOFDSTUK XX. De strijd bij Quatre-Bras.

HOOFDSTUK XXI. De slag bij Waterloo.

HOOFDSTUK XXII. Het vereenigd Koninkrijk.—Wij krijgen onze koloniën terug.

HOOFDSTUK XXIII. De Algerijnsche zeeroovers getuchtigd.—Opstanden op Sumatra en Java.—Maatregelen van Koning Willem ter bevordering van ontwikkeling en welvaart.—Ontevredenheid der Belgen.

HOOFDSTUK XXIV. De Belgen staan tegen Willem I op.—Zelfopoffering van J. C. J. van Speyk.—Tiendaagsche veldtocht.

HOOFDSTUK XXV. Frankrijk en Engeland leggen beslag op onze schepen.—De Franschen bombardeeren Antwerpen's Citadel.—Willem I teekent in 1839 de 34 artikelen.—Het Reveil.

HOOFDSTUK XXVI. Willem I doet afstand van de regeering.—Zijn zoon Willem II volgt hem op.—Vrijwillige geldleening onder Minister van Hall.—Grondwetsherziening.—Thorbecke en Groen van Prinsterer.

HOOFDSTUK XXVII. Koning Willem III.—Onze Koloniën.

HOOFDSTUK XXVIII. Zeden en toestanden in de 19e eeuw.—Belangrijke waterwerken.—De overstrooming van 1861.

HOOFDSTUK XXIX. Dood van Koning Willem III.—Regentschap van Koningin Emma.—Expeditie naar Lombok.—Troonsbestijging en huwelijk van Koningin Wilhelmina.—Geboorte van prinses Juliana.

HOOFDSTUK I.

Nederland achter Napoleons zegekar.

Zoo was dan Nederland bij Frankrijk ingelijfd. Wat Lodewijk XIV niet was mogen gelukken, had Napoleon nu bereikt. Bij dekreet van 9 Juli 1810 gaf de groote Keizer als beweegredenen dier inlijving op:

1º. dat de vereeniging van België met Frankrijk de onafhankelijkheid van Holland voor een groot deel reeds had opgeheven;

2º. dat Holland, wel beschouwd, niets meer was dan een aanhangsel van Frankrijk, een aanslibbing der groote rivieren en dus een Fransche provincie behoorde te wezen;

3º. dat Holland, onder vele belastingen en een zware schuld zuchtende, de inlijving bij Frankrijk als eene verlossing behoorde te beschouwen.

Generaal Krayenhoff, onder Koning Lodewijk Napoleon minister van Oorlog, wilde op verlangen van zijn vorst, Amsterdam nog tegen Keizer Napoleon verdedigen, doch toen Koning Lodewijk vrijwillig afstand van den troon deed, werden alle verdedigingsplannen gestaakt, terwijl Krayenhoff zijn ontslag kreeg.

[Illustratie: NAPOLEON BONAPARTE IN ZIJN JONGE JAREN.]

Inderdaad, in zooverre sprak het decreet waarheid: met 's lands geldmiddelen was het droevig gesteld. De ambtenaren konden niet betaald worden, de renten der gesloten leeningen konden niet worden uitgekeerd. Door de inlijving werd dit alles echter niet verbeterd. Napoleon begon met de Staatsschulden slechts voor _een derde deel_ te erkennen. Door deze _tiërceering_ (gelijk men het noemde) kregen de bezitters van Staatsschuldbrieven slechts een derde deel der hun toekomende rente uitbetaald, waardoor vele kleine renteniers met hunne huisgezinnen tot armoede werden gebracht. De inkomsten van Godshuizen en liefdadige instellingen werden besnoeid, taal en zeden verguisd, de gezellige bijeenkomsten door politiemaatregelen beperkt. Geen uitstapje naar een bloedverwant, vriend of handelsmakker kon men ondernemen, zonder van een pas voorzien te zijn; geen kramer kon een douaan bewegen (zonder hem een belooning te geven), om zijne waren na te zien, wanneer het kantoor over een half uur of een kwartier gesloten zou worden. Duizenden, die het vroeger goed hadden, werden nu tot armoede gebracht.

Alleen de sloopers hadden druk werk en verdienden goed geld. Van 1810 tot 1813 werden alleen in den Haag 644 huizen afgebroken, die door geen andere werden vervangen. Te Amsterdam ging de bevolking in die drie jaren met 27.000 personen achteruit. Ook Delft en Haarlem gingen in zielenaantal zeer achteruit. Te Haarlem werden meer dan 500 huizen voor afbraak verkocht. En zoo ging het ook met tal van buitenverblijven of lusthoven aan den kant van de Vecht, van den Amstel en van de trekvaart naar Haarlem, of staande onder Amstelveen, Sloten of Diemen. Gedurende anderhalve eeuw waren ze als zoovele getuigen van de weelde der rijke Amsterdamsche kooplieden en fabrikanten geweest, die er des zomers het woelige stadsleven ontvloden, om er te genieten van de schoone natuur. Tal dezer lusthoven gingen in andere handen over, die er weiland of tuingrond van maakten. De dijk- en polderwerken, zoowel als de geheele waterstaat werden in die mate verwaarloosd, dat de veiligheid der lage landen in de waagschaal werd gesteld. De kweekschool voor zeevaart te Amsterdam moest al hare bezittingen in 's lands kas storten.

Ten einde de oude namen zooveel mogelijk te doen verdwijnen, werd ons land verdeeld in _Departementen_, die de volgende namen ontvingen: 1º. Departement van de monden van den IJsel, 2º. van den Rijn, 3º. van de Maas, 4º. van den Boven IJsel, 5º. van de Schelde, 6º. van de Wester-Eems, 7º. van de Zuiderzee, 8º. Friesland, welk departement alleen zijn naam behield.

[Illustratie: LEBRUN, HERTOG VAN PLAISANCE.]

Friesland en Corsica met eenige eilandjes in den archipel zijn de eenige landen, die „sedert de dagen der Romeinen niet van naam zijn veranderd.”

Volgens Keizerlijk Besluit van 13 Dec. 1811 vormde Holland met de Hanze-Steden, Oldenburg en een deel van Westfalen 10 Departementen, die twee gerechtshoven hadden (een te Hamburg en een in den Haag) en die 31 afgevaardigden naar het wetgevend lichaam te Parijs zonden.

Het Keizerrijk telde nu 130 Departementen met 42 millioen inwoners. Alle koningen en vorsten op het vasteland waren, vrijwillig of gedwongen, Napoleons bondgenooten en allen, zijne bloedverwanten als de overigen, behandelde hij uit de hoogte.

[Illustratie: GRAAF DE CELLES.]

Een groot gedeelte van het Fransche volk was met het bestuur van Napoleon wel ingenomen. De verwarring van vroeger, de ellende en gruwelen van het schrikbewind hadden opgehouden en voor de stoffelijke welvaart der ingezetenen werd veel gedaan. Ongeveer 600 millioen gulden was sedert Napoleons kroning in de oude Departementen aan kanalen, wegen, zeehavens, aan het droogmaken van moerassen, aan kerken, armhuizen, nuttige inrichtingen en paleizen uitgegeven, terwijl het fabriekswezen, voor vele takken althans, in een bloeienden staat verkeerde. Daarbij verblindde Napoleon door den roem en luister, die zijn naam omstraalden, velen der op glorie zoo verzotte Franschen. De heerschappij, door Napoleon over vreemde volkeren uitgeoefend, streelde de nationale ijdelheid, bood gelegenheid tot het aanstellen van duizenden ambtenaren en vergrootte de hoop, om fortuin te maken. Ontzaglijke winsten werden door 's Keizers willekeur verkregen, want Napoleon zorgde, dat zijne troepen, die de buitenlandsche Staten bezetten, door zijn vrijwillige of gedwongen bondgenooten werden onderhouden en betaald. Ook eigende hij zich de helft, of ten minste een groot deel der domeinen van de wingewesten en vasal-staten toe. Alleen uit het Koninkrijk Westfalen trok hij op deze wijze jaarlijks 2½ millioen francs en uit het Groothertogdom Warschau meer dan het dubbele. De Parijzenaars zagen hunne stad versieren niet alleen met keizerlijke instellingen, maar daarnevens met de bijeengebrachte kunstschatten en zeldzaamheden uit Brussel, Antwerpen, Luik, Gent, Amsterdam, den Haag, het Loo, Rome, Venetië, Berlijn, Keulen en tal van andere steden. Zij zagen, hoe de gekroonde Hoofden, niettegenstaande dien roof, hun Keizer als hun opperhoofd huldigden.

[Illustratie: BARON DE STASSART.]

Lebrun, prins van het Fransche rijk, hertog van Plaisance, werd door Napoleon tot Gouveneur-generaal over ons land aangesteld. In weerwil van zijn weidschen titel bezat hij toch slechts een schaduw van gezag. Hij was een grijsaard, die ons juk niet verzwaarde en hier gaarne veel goeds wilde verrichten.

Over ieder Departement werd een prefect aangesteld; deze prefecten bezaten in het land de eigenlijke macht. De Celles was prefect te Amsterdam. Hij handelde gestreng, zonder verschooning of verzachting, zonder sporen van menschelijkheid of zedelijkheid. De prefect in den Haag, De Stassart, was een bekwaam man, die echter een ijverig en trouw dienaar was van den geweldenaar, op harde wijze diens bevelen uitvoerde en daarom bij het volk zeer gehaat was. De Celles en De Stassart waren beiden Belgen.

HOOFDSTUK II.

In diepten van ellende.—De terechtstelling van „Frans met de kruk”.

Bij Keizerlijk Besluit van 18 Oct. 1810 werd hier de Conscriptie, of gedwongen opschrijving voor den krijgsdienst (zoowel voor de zee- als voor de landmacht), ingevoerd. Dit Decreet was vooral zoo hatelijk in het oog van òns volk, dat steeds met minachting op den krijgsdienst had ter neder gezien en het krijgvoeren gaarne aan huurlegers overliet. En nu werden onze jongelingen verplicht, om de wapenen te hanteeren, niet in dienst van eigen land en volk, maar in dienst van een uitheemschen dwingeland, wiens heerschzucht jaarlijks duizenden slachtoffers vorderde.

Bij hetzelfde Decreet van 1810 werd een „_Ridderorde der Reünie_” (of Vereeniging) ingesteld, ter vervanging van de Orde der Unie. Bovendien werden hier Fransche wetten en Decreten (700 à 800 in getal) ingevoerd, die waren afgeschaft of gewijzigd, terwijl ook het Fransche wetboek (_Code Napoleon_) en de Fransche wetpleging voor Nederland geldig werden verklaard. De lichtzijde hiervan was, dat hier een algemeene rechtsbedeeling gevestigd werd, doch voor die lichtzijde had men toen geen oog.

Doordat wij onze meeste koloniën misten en geen handel met Engeland mochten drijven, waren de koloniale waren ontzettend duur, zoodat velen inplaats van koffie met suiker, cichorei met stroop dronken. Ook begon men in dezen tijd suiker uit beetwortels te vervaardigen. Particulieren mochten geen handel meer in tabak drijven. De tabakshandel was een monopolie van den Staat geworden. De tabak, die men bij de zoogenaamde Regie verkreeg, was duur en slecht.

Fransche Spionnen waarden in allerlei gedaante rond, teneinde gemeenzame gesprekken af te luisteren. Elk dubbelzinnig woord werd ten kwade uitgelegd, als bedoelde men het Fransche bestuur. Van Overheidswege werd hier een „_Statistique personelle_” op na gehouden, dat wil zeggen een opgave aangaande notabele personen in betrekking tot hun vermogen, denkwijze, relatie's enz. Geen boek of geschrift mocht hier worden uitgegeven, of het moest eerst naar Parijs worden gezonden, waar het door de Censuur moest worden onderzocht. Elk woord, elke uitdrukking, die den Franschen niet aangenaam was, werd steeds geschrapt. Boven elke Courant prijkte de Adelaar, het Keizerlijke wapen. Naast de Hollandsche tekst moest steeds een Fransche vertaling er van worden opgenomen. Ook de openbare acten en andere stukken werden niet uitgegeven, dan met Fransche vertaling. In alle scholen moest de Fransche taal onderwezen worden en de schoolboeken moesten tevens een Fransche vertaling der Hollandsche lesjes bevatten. De Hoogescholen te Harderwijk, Franeker en Utrecht werden opgeheven en de inkomsten der andere, alsmede die der Latijnsche scholen verminderd. Aan het gunstig verslag, dat de Fransche geleerden Cuvier en Noël over het Lager Onderwijs in ons land uitbrachten, hadden wij het te danken, dat dat Onderwijs gehandhaafd bleef.

[Illustratie: NAPOLEON I.]

Natuurlijk moest dit alles ontevredenheid en wrevel wekken. Reeds twee en een halve maand na de inlijving van Holland bij Frankrijk, den 20 Sept. 1810, openbaarde zich die geest in Amsterdam in een verzet bij het opsporen van geheime bewaarplaatsen van koloniale waren. Het gold toen slechts het verzet van enkelen, maar luider deed dit verzet zich hooren, toen in April 1811 de eerste Hollandsche lotelingen aan de armen hunner ouders en verdere betrekkingen werden ontrukt. Doch wat vermocht een betrekkelijk geringe volksmenigte tegen Napoleons talrijke legerscharen? Een enkel woord reeds kon het leven kosten. De onvoorzichtige uitdrukking van een schamel en gebrekkig koopman, Frans Stargard (bijgenaamd „Frans met de kruk”), die een visch kerfde, tot de omstanders: „Ik wou, dat ik Napje zoo onder handen had”, kostte den ongelukkige het leven. „Frans met de Kruk” werd met twee lotgenooten op het Funen te Amsterdam doodgeschoten. Niettemin hoorde men in Februari 1813 Hollandsche militairen te Utrecht „_Oranje boven_” roepen en op de trom het „_Wilhelmus_” slaan en in April vonden onstuimige tooneelen van verzet plaats in den Hoekschen waard, in Rijnland (waar Leiden een tijd lang in hevige beroering was), te 's-Gravenhage, in de Zaanstreek, te Maassluis en elders, uitingen van vrijheidszucht, die met bloedige vonnissen eindigden. Hoe meer Napoleon onze nationaliteit trachtte uit te roeien, hoe dieper ze wortelen schoot. Hoewel wij den volksnaam verloren hadden, ontwaakte het volkskarakter, wat zelfs op het gebied der letterkunde te bespeuren was. Zoo bezong Helmers in zijn: „_Hollandsche Natie_” den roem van ons land tijdens het bloeitijdperk; zoo zinspeelde Wiselius in het treurspel Polydorus op de tyrannie van Napoleon: zoo voorspelde Bilderdijk in schoone verzen de herstelling van Neerlands onafhankelijkheid. De gedichten van Tollens, Kinker, Spandaw, Staring, Van Walré, Klijn en anderen werden gretig gekocht, wel een bewijs, dat niet alleen de Nederlandsche taal, maar ook de Nederlandsche poëzie gewaardeerd werden. Als prozaschrijver was Van der Palm zeer gezocht.

HOOFDSTUK III.

Wat nog aan Napoleons geluk ontbrak.—Daendels en Jansens op Java.—De Engelschen ontnemen ons Java.

Eén geluk ontbrak aan Napoleons grootheid; zijn huwelijk met Josephine de Beauharnais bleef kinderloos. Daarom liet hij zich den 16 Dec. 1809 van deze vrouw scheiden en huwde hij den 11 April 1810 met de dochter van Keizer Frans van Oostenrijk, de Aartshertogin Maria Louise, die hem den 20 Maart 1811 een zoon schonk, wien men den titel van „Koning van Rome” gaf.

[Illustratie: KEIZERIN MARIA LOUISE.]

Ofschoon Josephine in vroegere tijden, toen zij Napoleon, den krijgsman zonder vermogen en vooruitzichten, huwde, de voornaamste aanleiding gegeven had tot de rol, die hij later speelde, en ofschoon hij waarlijk van haar hield,—liefde en dankbaarheid zwegen beide in de ziel van den dwingeland, voor heerschzucht, voor Staatsbelang en voor wat hij zijn plicht jegens Frankrijk noemde—hij dreef de scheiding van Josephine in weerwil van alles door.

Brittannië bleef den Corsicaan nog tarten. Het vernielde Napoleons scheepsmacht, ondersteunde de Portugeezen en Spanjaarden in hun strijd voor de onafhankelijkheid, vernielde de Fransche zeemacht en maakte zich meester van alle Fransche en Hollandsche Koloniën in Oost en West.

Ook Paus Pius VII nam een kloeke houding tegen den geweldenaar aan. Hij deed Napoleon in den ban op grond, dat deze tegen hem en de R. Kath. Kerk vele gewelddadigheden had gedaan. Napoleon dreef hier schijnbaar den spot mee, maar hij begreep toch, dat vele harten daardoor van hem vervreemd werden. Daarom meende hij, ter bevestiging zijner heerschappij, steeds oorlog noodig te hebben, om daardoor de onderworpen volkeren ontzag in te boezemen en om de Franschen door zijn roem te verblinden. En daaruit is ook het Decreet te verklaren, waarbij hij in Frankrijk bevoegd verklaard werd, verdachte personen, zonder vorm van proces, in de gevangenis te werpen; en vandaar ook in 1811 het Lijfstraffelijk Wetboek, waarvan bijna de helft betrekking had op misdrijven tegen den Staat en het openbaar gezag.

[Illustratie: Inzegening van het huwelijk van Napoleon met aartshertogin Maria Louise, 2 April 1810.]

Bij de vele rampen, die ons troffen, kwam nog, dat onze laatste volksplantingen verloren gingen. Nadat de Engelschen den 17 Febr. 1811 Amboina veroverd hadden, richtten zij zich tegen Java. Op Java was Daendels Gouverneur-generaal geweest en hij, de groote vrijheidskraaier, had er, als een Napoleon in miniatuur, met de grootste willekeur geheerscht. Zoo vernietigde hij op Java met één pennestreek alle bijzondere voorrechten. Hij dwong de arme inboorlingen hem behulpzaam te zijn in het aanleggen van wegen, honderden uren lang, het stichten van forten midden in zee, het aanleggen van havens in de ongezondste streken. Hadden wij steeds de Inlandsche Vorsten, als leenmannen, met ontzag en eerbied behandeld, Daendels bejegende hen echter met willekeur. Zoo nam hij gewelddadig van Bantam bezit en liet hij den sultan van dat rijk verbannen. De Sultan van Djokjakarta zette hij onder gezochte voorwendsels af en plunderde hij uit. Zonder vorm van proces velde hij doodvonnissen: hij vernietigde de uitspraken van het Hof van Indië en toen de leden van dat Hof daartegen protesteerden, zette hij ze eenvoudig af en verving ze door anderen. Was de O.-Indische Compagnie steeds met inschikkelijkheid opgetreden, Daendels meende een hoogmoedige, oorlogszuchtige staatkunde te moeten voeren. Hij stoorde zich niet aan gesloten overeenkomsten; goede trouw was bij hem niet te vinden. Het politiewezen wilde hij in zijn persoon vertegenwoordigd hebben en onder een ophef van groote woorden voerde hij een waar schrikbewind, dat enkel ellende verspreidde en schatten verslond. Gelukkig werd Daendels in 1810 door Napoleon teruggeroepen en vervangen door Jansens, die de Kaapkolonie zoo dapper verdedigd had. In den korten tijd, dat hij Gouverneur-Generaal was, kon hij echter niet herstellen, wat zijn voorganger in de war had gestuurd.