Ghetto: Burgerlijk Treurspel in 3 Bedrijven
Part 3
RAFAËL. Nòg is ze ’t. Maar ’n nieuwe tijd breekt aan. (in extase) Als je goed luistert, hoor je ’t breede rumoer van ’t opgaande volk, zie je banieren en vlammende oogen, voel je de lucht sidderen.... (glimlachend) ’t Was me zoo vreemd, zoo zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen hij beloòfde dat ìk-alleen de „zaak” drijven mòcht—als ’k blééf—als ’k háár nam. Ik heb hem aangekeken met ’n machtige verwondring. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó ver van elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon?... Ik heb hem gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ik weg moest! ’k Heb gelàchen....
ROSE.... Weg moest? Zul je láter geen berouw hebben dat je gekozen heb tusschen hem en mij?
RAFAËL (haar op zijn schoot trekkend). Ik kiès niet tusschen joú en hèm! Jij ben ’n deel van ’t níéuwe leven.
ROSE. Hij is blind—’t lijkt zoo wréed....
RAFAËL. Maak je geen verwijten. Ik kan je niet àlles zeggen, wil ’t niet. Wat gebeurt, móést gebeuren. Elk geslacht geeft z’n smarten, z’n tot ruïne vergaan, z’n opbloeien van jeugd.—Kom—denk niet na.
ROSE. Heb je hem niets gezegd van òns?
RAFAËL. Nee. Nog niet. Eerst als je dit huis heb verlaten. Eerst dán. Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet.
ROSE. Stil! God!
TWEEDE TOONEEL.
Rebecca. Rafaël. Rose.
REBECCA (driest-lachend). O!....
RAFAËL. ’t Is niet de gewoonte ergens binnen te sluipen.
REBECCA (lachend). Sluipen? Ik heb geklopt één—tweemaal. Je hoorde niet.
RAFAËL. En op Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod!
REBECCA (verwonderd). Ik kom niet voor handel.
RAFAËL. Niet voor handel? Ei, wel!
REBECCA (lachend). Vader zei me hierheen te gaan....
RAFAËL. Je vader? Vierde gebod!
ROSE. Rafaël!
RAFAËL (smartlijk-spottend) .... Je vader.... Dat ’s Aaron, de koopman. Ga zitten—laten we hàndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! Voor éeuwen sprak Bil’am—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het water”... Ga zitten Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. In de woestijn Sinaï waren wij gelegerd.—Ik erf dit àlles, de bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twàalef van alles? Laten we handlen....
REBECCA (verlegen). Je doet zoo vreemd .... Je maakt me angstig....
RAFAËL. O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarin Aaron zijn vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je kan koken en braden—èn ’n doodshemd (zegt tante) naai je zoo rad en zoo net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!
ROSE. Laat me gaan! Laat me gaan!
REBECCA (met stijgende verlegenheid). Heb ik je wat misdaan, dat je zoo, zoo....
RAFAËL (smartelijk). Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe zou je misdaan kùnnen hebben? Wàar was ’t? ’t Was in ’t huis van je vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden. Peroe oerewoe oemieloe es hoöres [3]—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hàhà!—’n kind is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met ènkel knoppen van vreugd.—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n ziel. Die krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.... O Rebecca, we kunnen zoo gelukkig met elkander zijn!
ROSE. Laat me gaan, Rafaël. Ik kàn je niet hooren!
REBECCA (driest). Hoor wat zij zegt—zij, de sjikse, die zich scháàmt!
RAFAËL (vernietigend). Ze schaamt zich over hàndel op Zaterdag.... Wees indachtig dat je de Sabbathdag heiligt. Ga nog niet heen Rebecca. Je naam is zoo lief en zoo zoet—om zachjes te zeggen.... Rebecca.... Rèbècca.... Moeder van Esau en Jacob.... Weet je hóe Jacob zijn broeder bedroog, zijn blinden vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. Alles. De grond waar we op staan, de stofdeeltjes, de zonnestralen, het rek met tefillem [4]. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en ik! Met drie, hebben jullie ’t voordeel, joùw vader en jij....
REBECCA (angstig). Ik hecht aan geen geld, Rafaël....
(Rose af.)
RAFAËL. Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis hier niet, in de heele stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij hàndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?
REBECCA. Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.... Ik zal weer gáán.... verlang niks van je, niks....
RAFAËL. Ga, ga, Rebecca.... Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik ben geen drièduizend waard.—Geef me je hand. O, kind—je ben nog zoo jóng. ’k Wou dat ’k wat voor je kon dóén....
REBECCA. Nee, niks....
RAFAËL. Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor làter—voor veel later... voor... Nee! Dwaasheid!—Hoe kan ik je raden? Ik ken je niet, zag je maar éénmaal, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van je oog....
REBECCA. Goeiendag....
RAFAËL. Goeiendag, Rebecca!—Rose!—Rose, ben je tòch heengegaan!
(af).
DERDE TOONEEL.
Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.
ESTHER. Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee, ze is ’t toch niet.... Kom u binnen. Wees u voorzichtig.
HAËZER. Pas op voor de drempel.
SACHEL. Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.
HAËZER. Is Rafaël niet thuis?
ESTHER. ’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie maar blijven. Dan kan Sachel u verder vertellen.
SACHEL. Wat helpt vertellen? Heb ’k niet àlles verteld? D’r zit geen hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie als ’n stuk vuil. Erger nog. En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! Geen uur vrede, geen uur rust!
HAËZER. La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij de hand gehad. Jeùgd, Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m niet zien groeien? Kwam hij niet uit zichzelf bij me, als-ie iets kwaads gedaan had? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote woorden.—Geen geweld.—Hij gaàt niet heen.—Hij troùwt de dochter van Aaron.
ESTHER. Wat heb ik je gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.
SACHEL. Ik voel ’t ánders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, vroéger—zooas ’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon dwingen—dat was recht....
HAËZER. Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit en niet achteruit. Vroeger, werd een ongehoorzame zoon naar de poort van de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we hebben geen poorten meer—je màg niet met steenen gooien. Elke ruit kan je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwàng. Eer we drie maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op de brezemiele. [5] Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.
ESTHER. ...Groot gelijk, mijneer de rabbijn... Met de dag wordt-ie zwaartillender—en nou ìs Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t halve werk. Zal u wat gebruiken? ’n Koppie koffie met kiks?
HAËZER. Met twéé stukken kiks....
ESTHER (in de deur). Roosie! Roosie! Breng je de koffie?
SACHEL. Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op de ruit.—Dat doet-ie méer.—’k Weet precies wánneer-ie ’t doet.—Ze brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom làch je, zei ik.—Toen lachte die hàrder en kwam op me toe—en pakte m’n hoofd beet: o vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—toen liet-ie me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar zit iets tusschen.—Dat kan zoo niet.—’t Is ’n gruwel wat me gebeurt.....
HAËZER. Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind....
ESTHER. Sust!.... De meid....
VIERDE TOONEEL.
Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.
SACHEL. Is m’n zoon thuis?
ROSE. Ja.
SACHEL. Waar is-ie?
ROSE. Boven.
SACHEL. Is-ie thuis gebleven, terwijl wij naar de kerk waren?
ROSE. Nee.... Ja, ’n poosje....
SACHEL. Hoe lang?....
ESTHER. Wat vraag je die meid toch?
SACHEL. Bemoei je ’r niet mee!... Hoe lang? Nou? Hoelang?
ROSE. Dat weet ’k niet....
SACHEL. Zoo—Was ’r niemand anders?
ESTHER. Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid.... Was ’r nóg iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?
ROSE (aarzelend). Nee. ’k Heb niemand gezien.
SACHEL. En jij heb iemand de deur zien uitgaan toen wij thuis kwamen.
ESTHER. Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen. ’k Sta wat met ’m uit, mijneer de rabbijn! Blaas nou nog ’t licht uit onder de koffie....
SACHEL. Wat doet me zoon boven?
ROSE. Weet ik niet....
SACHEL. Weet ik niet? Weet ik niet.... Ik weet meer.
ROSE (verschrikt). ’k Heb ’m niet gezien.
ESTHER. Laat ’m toch praten.... Geef ’m geen antwoord.... Je kent ’m toch lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.
ROSE. Nee, dank u.
ESTHER. Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw maar op je gemak. (Rose af) Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie meid. Je kan alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben we zoo’n sjikse gehad. Heb u ’m nou bijgewoond, meneer de rabbijn? En zoo handelt-ie met iedereen.
SACHEL. Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer dan jij....
ESTHER. Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.
HAËZER. Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.... En waar blijft onze vriend?....
ESTHER. ’k Zal ’m roepen.
SACHEL. Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor ’n vèrre boodschap....
ESTHER. Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! Hindert ze jou wat, hindert ze mijn wat?
SACHEL. Ze hindert mìjn....
ESTHER. Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.
SACHEL. Máak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—Ze staat me niet an—Ze kan luisteren....
ESTHER. ’t Is of we staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.
SACHEL. Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r m’n reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt....
HAËZER. Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft-ie niet. Je moet die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’n sjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.
ESTHER. En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen boodschappen laten doen.
HAËZER. Zendt ’r naar d’r moeder.
ESTHER. Ze heit geen moeder.
HAËZER. Naar d’r vader dan.
ESTHER. Ze heit geen vader.
HAËZER. Naar d’r oom, naar d’r tante.
ESTHER. Ze heit geen familie.
HAËZER. Geen moeder, geen vader, geen familie—dan ben ik uitgepraat.
ESTHER. En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je kan me daar ’n meid zonder reden wegzenden. Waarheen?
SACHEL. Voor mijn part naar de duivel! Stuur d’r naar Meijer—dat-ie morgen hier komt.
ESTHER. Meijer... Meijer... Da’s ’n vol úúr weg.
SACHEL. Doe wat ’k je zeg. Morgen, tegen één uur, wou ’k Meijer spreken. De rest komt ’r niet op an.
ESTHER. Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je ’r ’n pleizier mee, lastige ouwe? Je zàl je zin hebben!
(af).
VIJFDE TOONEEL.
Sachel. Haëzer.
SACHEL. Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.
HAËZER. Wie?
SACHEL. De meid....
HAËZER. Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je voor die geen andere nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp wel dat je ongeluk je somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid....
SACHEL. Grootheid.... Grootheid.... ’t Is moeilijk God gróot te denken as je door je ooren en je vingertoppen mot zien....
HAËZER. La-la-la.... Niet zoo doorslaan....
SACHEL. Maar met die meid is ’t wat ánders. ’r Gebeuren dingen onder m’n dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de nacht—en—en....
ZESDE TOONEEL.
Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.
ESTHER. Zoo. Nou kunnen we knuf-knuf praten.
HAËZER. Dag Rafaël, dag bèste jongen.
RAFAËL. O.—’k Heb u in làng niet gezien.
HAËZER. In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, wel, wel.—Je krijgt ’n hééle baard. Nee, geen melk.—Schuif wat bij Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, héele wereld—en nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je alleen bíj óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen Sjabbesavond, die wèten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, ’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood die begrijp je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot—
SACHEL. ’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld....
HAËZER. Ja-ja-ja.—Zóo gewichtig is dat toch niet. Strakjes. Strakjes. Niewaar, Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?
ESTHER. Dat ’s de meid die naar Meijer gaat...
RAFAËL. O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.
SACHEL. ’k Heb gesproken over Rebecca....
HAËZER. La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op z’n pootjes terecht. Alles. Niet zoo doordrijven. Niet zoo haastig gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoòn heeft ’n wil—en voor de wil van je zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot van rekening troùwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.
ESTHER. Dat zeg ik ook. Hij praat altijd asof hij de bruigom is. Nar!
HAËZER. Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël. Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je moet niet naar m’n haar kijken. Hahaha!
ESTHER. Drink u is uit, mijneer de rabbijn.
HAËZER. Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om te hebben—die kwestie, wàt was ’t ook weer?
SACHEL. M’n zoon....
HAËZER. La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en nog niet trouwen—nog niet trouwen.—Wel, wel, wel.... En hoe zit dat zoo, Rafaël?.... Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle mooie wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stàp alleen doen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, gekje vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk hoekje, èlke balk, èlke schaduw. Kijk is rond. Je jeugd vergeet je nooit. Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, brèken met de scheur in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je zoo’n kléine dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog de twéé-en-twintig letters, de vijf lange, de vijf korte klinkers... hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je me làter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk je an de Sjabbestafel thùis, an je blinden vader die zelf brooge moet maken, zelf benchen.—En kom je bij chrìstenen en is ’t Vrijdagàvond dan verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nèrgens. Hoor—En geef me nou nog ’n kopje.
ESTHER. Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en ik dans op de bruiloft.
RAFAËL. Goeie ouwe rebbe.—God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan niet. Nou niet. Later niet.
SACHEL. Daar heb je ’m wéer! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.
HAËZER. La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik vraag alleen: waàrom niet, Rafaël? Waàrom niet? De leeftijd van grillen ben je nou toch te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéet je. Je ben ’n heele tijd niet in de Schoel [6] geweest—’k heb je niets gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nòu....
RAFAËL. Vraag ’t m’n vader....
SACHEL. Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van hàndel—om—om—nooit heb ’k handel ànders voor me gezien.... Maar hij liégt—ik héb toegegeven, àlles toegegeven—en hij wil niet....
HAËZER. Zoo. En nou jij, gekje?
RAFAËL. Hij heeft gelijk.
HAËZER. Wat hoeven we dan nog te praten?
RAFAËL. Maar, zèlfs wanneer ik àlles vergeet wat ik hier—wat ik hier—van hàndel gezien heb, dan nog kàn ’k niet, wil ’k niet—want handel en bezit—wérken alléén óm bezit—werken van ’s morgens tot ’s avonds om géld naar je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van andren—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat strijdt tegen de wetten van Mozes....
HAËZER. Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat wordt ’n theologisch gesprek. Nou maar, dat màg ’k wel. Daar kan ik van leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet. Zoó. Laat nou is hooren. ’k Zit ’r voor...
RAFAËL. Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, veranderen we ’t tegenwoordige niet....
HAËZER. Heel, héél handig.—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a gezegd—zeg nou b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val! Hahaha! We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen we ’t goeie wegje om jou ràdikaal van je malle ideetjes te genezen. Kom, gekje!
RAFAËL. Wil je? Goed.—Kijk—op ’n dag kwam ik ’n—’n—làmme tegen. Hij kon niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht....
SACHEL. Zeg maar ’n blinde....
RAFAËL. ... hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht ’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig...
HAËZER. Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben....
RAFAËL. .... Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te wèten. Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond verdeeld voor een ièder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid worden aan den arme.... dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet voor àltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land, en gij zijt slechts vreemdelingen bij Mij”—dat ’r een jubeljaar zijn zou en een lossing....
HAËZER. Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd....
RAFAËL. En zooveel meer!...
HAËZER. En de hàndel, gekje?
RAFAËL. Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?
HAËZER. Heel goed. Heel goed.... Een sterk gebeende ezel, niewaar? Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mòoiere beelden dan in ons wetboek?.... Maar, gekje, je had ’t onder léiding moeten lezen. Nou heb je hiér wat opgevangen en dàar wat en ’t rèchte weet je niet.
RAFAËL. Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.
HAËZER. La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél tevreden.
RAFAËL. Welke leéring is er te trekken uit wat niet meer leeft?
HAËZER. Niet meer leeft, gekje?
RAFAËL. Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ik was in ’n dóóden tijd? Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor lévenden?
HAËZER. Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n godsdienst levend. Met letters kun je vechten, met letters kun je goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met letters.... Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Jà. Getuigt niet Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en ezelen? Gèèn bezìt? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn bezit? Met letters.... De géést.... De géést alleen—de jóódsche geest.... We gaan niet àchteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat goed was voor een nomadenvolk dat zich véstigde en niet meer zoo héélemaal goed voor.... voor ’n volk dat vrij leeft in ’n christenmaatschappij... Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche geest.... de jóódsche géést zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd laten.... En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—en ’t gòddelijke voelen ze niet....
RAFAËL. Ik voel ’t goddelijke van mijn tijd, ’t goede, ’t schoone, ’t slechte.... Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw ànders wordt, ànders door—door—hoe zal ’k ’t jùllie zeggen?—door ’n maatschappij die zich verandert, vervalt of verheft. Ik voel dat de geest waarvan ù spreekt vástgébónden ligt aan ons volk in zijn ópkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.
HAËZER. Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? We leven niet meer in ghetto’s, gekje!
ESTHER. Hij praat as ’n kind. Allemaal schtos! Hij praat as ’n risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootste rissches zèlf.... [7]
HAËZER. Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen wàar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen? (met climax) Wordt Eleazar niet aan ’t Hòf ontvangen met éérbewijzen: Wat wil je met je ghetto?
SACHEL. Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron kan hier zijn, elk oogenblik....
HAËZER. Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t ghetto.... En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje....
RAFAËL. Ghetto? Dat ìk ’t zeggen moet aan ’n rabbijn! Ghetto? Hebben jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?....