Gevleugelde Daden: Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers
Chapter 7
'n Waarlijk _geladen_ revolver uit z'n binnenjas trekkend, 'n revolver die nog nimmer gebruikt was en nattig voelde van petroleum, omdat-ie het geweldenaars-ding net gister ontroest had--stak-ie den loop door het luikje en met barsche stem van médeklinkers en accenten, bulderde hij:
"De deur openen en nièt van je plaats, of 'k schiet!"
"Stik--wat hei 'k nou an de hand," schrikte Kobus.
"In naam der wet _de deur openen èn nièt van je plaats_!"--, herhaalde de burgemeester, wiens pupillen in zenuw-spanning tot geweekte èrwten vergrootten.
Kobus bleef roerloos.
"In naam der wet!"--, zei het politiehoofd nog eens, _met den haan spelend_.
Hij was op dit moment 't voorbeeld van een _detective_.
In Amerika hadden ze 't 'm niet kunnen verbeteren.
"Dan mot je maar door 't luikie," sprak Kobus moedeloos op 'n traptree nederzittend.
"Zoo," zei de burgemeester: "val je door de mand? Je verroert geen vin, kerel, of 'k dood je op de plááts. Agenten, klim door 't raam van de logeerkamer!"
Het was 'n gedecideerd bevel, doch niet zoo makkelijk na te komen.
De dikste agent kòn niet klauteren--de dunste had 'n elastieke kous om z'n spataeren.
Chris, thans het meest bij de hand, ging 'n trapje bij de _Leurings_ leenen--wat ze wel meer dee.
Al dien ontzaglijken tijd hield de burgemeester Kobus in _bedwang_.
Misschien zou 't nooit meer zóó _meesterlijk_ in Holland geschieden.
"Ik heb 'r lak an," praatte de misdadiger cynisch: "as ze d'r voete maar vege. Lekkere poote zalle dat zijn--met teelaarde en al!"
De dikke agent richtte 't laddertje--de dunne kroop over 't kozijn--toen hield Chris 't trapje voor den dikke in evenwicht.
"Als je 'n gebáár maakt!", dreigde de burgemeester door 't luikje: "_ben je een kind des doods._"
't Fijne zweet perrelde op z'n voorhoofd. Als de misdadiger gelegenheid had de _sporen_ van z'n daad in derhaast te verbergen, was 'n boel verloren.
Kobus lachte schaapachtig.
"'t Is goeie hoor," grinnekte-die gelaten: "as je maar niet door de ruit van de tochtdeur schiet."
Met werd-ie door de agenten gegrepen.
"Boeit 'm," zei de burgemeester.
Z'n revolver bleef dreigen, tot Kobus achter de tochtdeur verdween.
Toen bestapte de _detective_ zelf 't laddertje en in de logeerkamer, bewuster, nu de vogel geknipt was, begon-ie dadelijk z'n verhoor.
"Waar is meneer Zwaluw?"--, vroeg-ie.
"Weet 'k niet."
"En hij lei nog te bed?"
"Dan hei-'k me vergist...."
"En mevrouw?"
"Weet 'k niet."
"En ze was in de bàdkamer."
"Dat dacht 'k...."
"Wat dee jij op 't dàk?"
"De schoorsteen rookte."
"Dat liegt-ie," riep Chris, die op 't laddertje stond en 'r hoofd over 't kozijn stak: "de kachel is niet an!"
"Wat heb jij met je mevrouw, je meneer, je juffrouw uitgevoerd?"--, sprak de burgemeester, als 'n scherprechter.
"Weet 'k niet," antwoordde Kobus voor de derde maal.
"Dat weet jij wèl," drong de ondervrager aan.
"Nou dan weet 'k 't wel," zei de knecht onbeschaamd: "'k Heb ze opgevrete--nou hoor je 't!"
Chris plofte van de trapleer in de _aucuba's_-- de agenten knepen sterker de boeien.
"Hou dien kerel vast tot ik _huisonderzoek_ heb gedaan," gebood de burgemeester.
Met de revolver in de hand, manhaftig, inderdaad alléén, inspecteerde hij 't geheele huis, de kasten, de buffetten.
Zelfs ónder de bedden zochten z'n loerende oogen.
In de badkamer was 't water nog aangenaam lauw--in de eetkamer sloeg bruine damp uit den drooggestookten theepot.
Resoluut blies de burgemeester de spiritusvlam uit, betastte de nog _warme_ eieren.
Een raadsel, een gruwelijk raadsel.
Er was géén achterdeur.
_Zwaluw_ had destijds.... gelogen.
En nu was-ie misschien dupe vàn die leugens geworden.
Besluiteloos keek de detective uit het zolderraam--er waren _voetsporen_ in den groenen aanslag.
Dat was ièts,
Op 't dak waagde-die zich niet.
Wie wist wat 't dàk verborg....
Dat zou-ie laten onderzoeken.
Besogne voor agent Stips, die vroeger glazenwasscher geweest was.
Omlaag gaand, trok 'n _vochtige_ plek op het portaal z'n aandacht.
"Voor 't laatst," sprak-ie met hoog-roode kleur: "voor 't láátst vraag ik je, kerel, wàt 'r met de familie is gebeurd!"
"Ze zitte in me zak," zei Kobus nuchter.
"Waarom heb je de meid met móórd bedreigd?"
"Da's mijn zaak...."
"Hoe komt 'r boven op 't portaal zoo'n vreemde vlek, man?"
"'k Heb de honde niet kenne uitlate.--En verder doe 'k geen bek meer ope."
"In naam der wet--arresteer 'k je," zei de burgemeester: "breng dien man naar den post, agenten!"
"Langs 't làddertje?"--, vroeg die van de spataeren.
"Natuurlijk," zei de chef: "de deur is op de grendels...."
Het werd een lugubere stoet.
't Heele dorp liep uit....
NEGENDE KAPITTEL.
ANGSTEN EN VREDE.
"_Come what come may_--_time and the hour run through the roughest day_...."
(Longfellow).
"Het had heel wat moeite gekost...."
(Eenzamen, Willem Gerard van Nouhuys).
Geradbraakt ontwaakte de heer Pieter Zwaluw voor de twééde maal op den toren.
Als een fletse streep kwijnde aan den horizon de zorgen-zwangere dageraad.
Het verre landschap traagde in 'n nevel, die de landen besloop....
Pijnlijk-kreunend, z'n tintel-kloppend been dat aan het lichaam gestorven leek, masseerend, keek-ie met de grimmigheid eens geboeiden leeuws naar het gemelijk-onlekkere van 't bovenaardsch zitje.
Dan, op-strompelend, moeilijk van sleepas, kruiste hij de armen over de verkleumde borst, stond eene wijle onbeweeglijk, als Napoléon op de rotsen van St. Helena.
Een uil, reeds gewend aan de buurschap der nieuwe wezens, bepeinsde hem studieus.
"Verdraaid--verdraaid!"--, sprak de heer Zwaluw tot zichzelven en hernam zijne zwijgenis, daar een mensch in zulke gefolterde omstandigheden zelfs den lust verliest met het eigen ik te confereeren.
Een leege maag pompt de láátste energie uit het hersenweefsel, een leege maag maakt den blij-moedigste tot gallig pessimist.
Er was géén redding mogelijk. Vandaag niet.
Toen zij, zij de vrouw die met 'm _verhongerde_, gister van den beambte der gasfabriek sprak, die elken tweeden _Zaterdag_ van de maand kwam, had-ie noch haar, noch Amélie willen ontrusten met de mathemathische berekening dat elke Zaterdag een _Zondag_ voor schaduw heeft--en op Zondag werd geenszins, in geen _beschaafd_ land _begraven_.
Nu, de armen gekruist, 's morgens om drieën, dacht-ie met onvaste, door maagweeïng doorvreten gedachten, dat straks de gemeenten _in de kerk_ geen vermoeden zou hebben van de zwervers _op een toren_.
Hij hield 't niet uit.
De dood, dàdelijk, scheen verkieslijk.
Een sprong omlaag en hij lag op de plek, die 'm toch ééns moest ontvangen.
Maar dan de vrouwen! Die zouden zelfs geen _fatsoenlijke_ begrafenis hebben.
O, gruwel--misschien zou 't na wéken de aandacht trekken, dat zooveel raven om de ruïne saamschoolden.
Huilerig-grommend keek de heer Zwaluw naar het huisgezin op de planken, en ineens bukkend raapte hij 't miniatuur-ommeletje der uitgebrande kaars, proefde er met de voortanden van--gelijk-ie als knaap had gedaan van 'n tablet chocola.
Het wàs te eten.
Van honger krankzinnige zeelieden hadden _mekaar_ wel geslacht en verslonden.
Bij dàt vergeleken was _stéarine_ eene delicatesse, een versnapering, 'n greep uit 'n _bon-bonnière_.
Gulzig kauwend op 't eindje kous, voorzichtig stappend om de vrouwen niet te wekken--wie wist waarvan ze _droomden_?--herinnerde-die zich niet van de Hoogere-Burgerschool 't nooit begrepen spreekwoord: "_qui dort dine_...."?--, nam-ie de vliegmachines in z'n handen.
Als je ze aan mekaar hechtte, kregen de stangen 'n lengte van vier meter zeker. Te kort voor den afgrond. Op een _doodensprong_ maakte vier meter geen verschil.
Toch passend en wikkend--pruimend op 't pitje der kaars--bleef-ie in berekening--tot-ie bijna van verrassing _gilde_. Z'n knutselende vingers hadden den knop van Amélie's parachute aangeraakt. Nagenoeg gaaf veerde de parachute uit de stang. 't Leek niet te gelooven.
Eergisteravond was-ie 'n kuiken geweest, 'n logisch-redeneerend _kuiken_.
Want toen-ie na 't vlammen-onheil en na de bekoeling der aluminium-latten de twee bóvenste parachutes onderzocht had en in de stangen verkoold bevonden, had-ie de moeite gespaard ook Amélie's onderste vliegmachine te aanschouwen, die in 't felste van 't brandje geweest was.
Dit was een wonder.
En 'n domheid.
Had-ie tòen gekeken, dan was er een glim van redding geweest, 'n glim, want héélemaal gaaf was de parachute niet.
Bij één balein was de zijde 'n tikje geschroeid. Dat tikje maakte een nederdaling tot een gevaarlijke historie. Als de parachute scheurde of kantelde, kwam je _ontzield neer_.
Pieter Zwaluw, verheugd dat-ie niet _voorbarig_ gegild had, hurkte als een Indiaan bij het vredesvuur.
Er waren eenige kansen ter overweging:--verhongeren (wat géén kans kon heeten)--vrouw en dochter wekken, voor haar angstig-jammerende oogen mooglijk dood neerstorten--vrouw en kind niét wekken en de reis naar de _Lethe_ op eigen gevaar, zonder getuigen ondernemen.
Met zware rimpels in 't voorhoofd en saamklittende wenkbrauwen, stak hij z'n laatste sigaar op, deed 'n paar trekken.
Anders fleurde 'n sigaar 'm op--in dat bar-vroege ochtenduur miste ze 'r inspireerende werking.
Licht-duizelig lei-ie haar neer, toch reeds duizelig door de voor-voeling van den val--de zuiging--'t houvast-verlorene.
Dieper boog z'n hoofd naar de doorweekte knieën, striemender groeven de rimpels in 't voorhoofdsvel, ruiger sloten de wenkbrauwen aaneen.
Dan vàst-besloten, met 'n cynisme, waarvan de herinnering 'm nog in later jaren pleizierig aandeed, gespte hij de riemen vast, lei z'n notitieboek aan de voeten zijner ega en met een van 'r op 't plat zwemmende haarspelden, hechtte hij zich een naamkaartje in 't knoopsgat, waarin zoo dikwerf in genoeglijker situatie, bij diner of wandeling, _'n bouton de rose_ had gegeurd.
Op 't punt òp de tinnen te stappen en den sprong te wagen, waarvoor ze in 'n goed-georganiseerd circus goud zouden hebben betaald, nam-ie z'n vulpenhouder en schreef in 't notitieboekje: "Houd moed--dood of levend bezorg ik u redding"--, toen trok-ie het visitekaartje uit z'n knoopsgat, noteerde daarop met kloeke letters:
[Illustratie: Visitekaartje van Pieter E. Zwaluw met tekst: "Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood!! op den toren."]
Blééf-ie liggen in de struiken beneden, dan zouden ze 'm bij de éérste begrafenis vinden en 't spoor der andere verdwenenen speuren--dan zouden ze alle drie _hereenigd_ worden in den familie-grafkelder, waarin ook Zwaluw Senior en zijn _moeder_ lagen.
Even werden z'n oogen vochtig bij die deernis-zwáre ziening--dan, zonder om te kijken, beëtiketteerde-die zich opnieuw met visitekaart en haarspeld, stapte op de borstwering, verjoeg den wijsgeerigen uil, die wat van 'm leek te moeten hebben, zóó als-ie 'm ankeek--en bestaarde voor 't laatst het landschap, 't kleur-vattend groen, de boomtoppen, de grafzerken.
De zon, nog ònder den horizon, belichtte de nevellijn achter de velden, alsof een stofwolk door verre karossen gewenteld werd.
"Het is _zuur_," peinsde hij zeer kort: "het is in élk opzicht zuur--de levensverzekering-maatschappij zal chicaneeren--de ongevallen-maatschappij dito. Vooruit, Jan van Schaffelaar--een màn aarzelt niet!"
Toch, ofschoon màn, aarzelde hij.
Zelfs mèt een leege maag heeft 't leven z'n aangename zijden.
Welk eene gaping tusschen eergister en heden.
Toen ingezetene met 'n charmant huis en alle geneugten--vandaag 'n desperaat mensch boven 'n afgrond.
Wreeder kon 't niet--acuter leerde 't nauwlijks de wereldhistorie.
't Geritsel van den uil _dreef_ hem in de diepte.
Als ze ontwaakten kreeg je 'n hartverscheurend afscheid.
Stevig de vingers klemmend om de gekwetste plek der parachute liet-ie zich gaan, de oogen gesloten.
De wind zoog als 'n blaasbalg in z'n neusgaten, builde z'n jas open, bolde z'n broekspijpen.
Het ging eerst met stooten en rukken, dan maag-van-streek-makend snel.
Niet zoo snel als z'n gedachten die de eeuwigheid doorstormden.
Met 'n smak bonsde-die neer en kreunde van pijn. Hij had z'n enkel verzwikt, lei languit op den beganen grond van 't kerkhof.
"God zij gedankt," zei Pieter Zwaluw, aanzienlijk opgelucht: "'r liggen 'r hier in minder goede conditie," en met 'n opgeruimdheid die 'm de pijn bijna deed vergeten, floot-ie omhoog om zijn vrouw en Amélie te waarschuwen dat-ie _behouden_ gearriveerd was.
Ze hoorden 'm niet.
"Vrouw! Amélie!"--, schreeuwde hij, de handen als 'n roeper om den mond. 't Bleef boven stil.
Nog 'n paar maal schreeuwde en riep de heer Zwaluw, dan pijnlijk strompelend, klom-ie over 't puntdradige hek van 't kerkhof, dat 'm zóólang van 't leven en de vrijheid gescheiden had.
'n Kwartier lang, transpireerend, wee van honger en met 'n voet die hoe langer hoe sterker zwol, kuchte hij den weg af, tot-ie geweldig bofte.
'n Boerensjees reed voorbij.
"Hallo!", riep de heer Zwaluw.
"Waablief?"--, schrikte de boer, wantrouwend het vreemde heer taxeerend, dat in 'n fatsoenlijk, doch verregend en gescheurd pak en met 'n gebroken fiets onder den arm, noodseinen wrikte.
"Mag 'k meerijjen--ik zal 't goed met je maken?"
"Om de weerlicht nie," betoogde de man in de sjees: "jij lijkt wel erges uit-gebroke te zijn...."
"Dat bèn 'k ook," praatte Pieter Zwaluw; "uit 't kerkhof."
De boer trok de leidsels aan.
"Rij in Godesnaam niet door!", smeekte Pieter, ziek van pijn en duizeligheid: "ik geef je vijf en twintig gulden as je me na 't dorp brengt!"
't Bankje, uit z'n vestzak gegrabbeld, had uitwerking.
"Stijg dan maar op," zei de boer het papiertje grijpend en gelijk naar z'n mes tastend voor 't geval dat de rare sinjeur streken zou uithalen.
De heer Zwaluw, zachtjes kermend, sjorde zich omhoog. En de sjees kreeg 'n zálige beweging dorpwaarts.
"Heb jij je poot bezeerd?", vroeg de boer.
"Ja," zei de heer Zwaluw op 't punt te ònmachtigen.
"Hoe komt dat dan zoo?", hield de boer aan, de leidsels in de eene hand, 't mes bij de andere.
"Ik ben van den toren gesprongen," lei Pieter uit, lang-gerekt geeuwend, zwaar-kakend geeuwend als 'n uitgeputte hongerlijder.
"Zoo," antwoordde de boer ongerust--straks had-ie 'n gek, 'n losgebroken gek naast zich zitten: "Zoo ben jij van 'n tóren gesprongen? Wel man--da's héél knap."
"Ja," geeuwde Pieter, met dikke geeuwtranen in de oogen: "en 'k heb 'n razenden honger--'k heb"--even nam-ie rust voor n' nieuwe diep-deinende geeuwing: "'k heb niks as 'n stukkie kaarsvet gegeten...."
"Wel--wel," grinnekte de boer doodelijk-angstig--nog liever 'n struikroover as 'n krankzinnige naast je!--"wel, wel! Nou da's héél lekker. Dat eten we thuis ook." Je most ze niet tegenspreken. "Hurt! Hurt!"
De opgejaagde zweep striemde 't paard, dat 'r vandoor vlóóg: "En--en--die kapotte fiets--waar hei je die vandaan? ..."
"Nérgens," sprak de heer Zwaluw in 'n flauwte opzij-zakkend.
"Nou--da's 'n geval!", gromde de boer, zoo ver mogelijk af-schuivend, maar ineens boog-ie dicht 't hoofd naar de borst van den vent, die met lapjes van vijf en twintig sméét en met 'n verbluffing die 'm de haren te bergen deed rijzen, las-ie de waanzinnige woorden aan de haarspeld: "_Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z._"
"Christeneziele!", zei-ie 't paard voortzwiepend: "Hurt! Hurt, Kees!"
't Paard sloeg bijna op hol. De heer Zwaluw bleef in onmacht.
'n Leege maag met 'n eindje stearine-kaars en 'n gemeen-verzwikten voet maken van den kordaatsten lucht-peddelaar 'n aangespoeld wrak.
De boer, ongezellig-warm, met 'n krijtwit gelaat, joeg de sjees over de slapende keien van 't dorp.
En voor 't politiebureau hield-ie in met 'n dankbaren ruk. Het paard beefde op de beenen.
In de stilte van 't straatje ploften twee stevige schoenen van den bok--en de kloppende vuisten porden zoo stevig als mokerslagen.
"Ja?", vroeg de dienstdoende brigadier, die met 't neuswarmertje in z'n hand, in de rust van 't accidenten-vrij dorp in slaap was geknikkeld.
"Christeneziele!", bulkte de boer: "wat me daar is overkomme! Ik breng je 'n gek--een die met 'n kapotte fiets van 'n toren is gespronge, met enkel 'n kaars in z'n maag en 'n brief op z'n borst!"
"Daar begrijp 'k geen snars van," zei de brigadier; "met gekke mot je niet hièr weze!"
"Wel gedorie!", vloekte de boer: "as je 'm nie overneemt, zet 'k 'm op 't stoepie!"
"Dat zel jij wel late, man. Dan zou 'k jou leelijk bekeure!"
"As-die nou toch van z'n zelve leit," raasde de boer: "mot 'k 'n gek houe die in me sjees klimt? Dan verzoek ik jou die vent uit me wagen te zette. De wagen is mijn eigendom...."
De brigadier, eindelijk heelemaal wakker, voelde voor die argumenten, klom op de tree van de sjees en keek onder de kap in 't blauw-bleek gelaat van een der _geheimzinnig-verdwenenen_.
"Da's léelijk," zei-ie: "da's meneer Zwaluw--en die is dóód. Waar hei-je 'm gevonden?"
"Hij is nie dood," zei de boer ongerust: "Help 'm maar na binnen drage...."
In de wachtkamer, op 'n paar stoelen, leien ze 'm neer en daar met de ontzaglijkste verschrikking las ook de brigadier de geheimzinnig-gruwelijke woorden--in verband met de moorden van Kobus-den-huisknecht: "_mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z._"
"Dadelijk de burgemeester hale!", gelastte de brigadier: "zoo iets schrikkelijks is hier nog nooit voorgekome. Je zou die huisknecht lévend verbrande...."
Op den toren van _Koepelsteyn_ geschiedde inmiddels eene andere dièp-tragische gebeurtenis.
Amélie, eindelijk ontwaakt, na een heerlijken slaap--de jeugd slaapt op rozen, zelfs wanneer de doornen der werkelijkheid in weligheid groeien--welk een scheurkalendervondst! Amélie keek verrast om zich henen, de plaats der ontwaking nauwlijks herkennend.
Ma sliep nog, 't hoofd op háár knie.
Nee, ze zou zich niet bewegen--ma had 't zoo noodig.
Doch plots draaiden haar oogen naar alle zijden.
En in angst-reflex gilde ze: "Ma! Mòéder!"
"Wat is 'r?"--, vroeg mevrouw dood-van-slaap.
"Pa is wèg!..."
"Wàt zeg je!"--, schreeuwde mevrouw wakker geknoet.
Onbeweeglijk, als in steen gehouwen, keken de twee vrouwen. Er was geen vergissing mogelijk. 't Plateau wàs te overzien.
"O," zei mevrouw angstig.
"O--O!"--, huilde Amélie: "hij is van den toren gesprongen uit wanhoop!"
Trillend aan al haar leden, stond mevrouw op, keek over de borstwering. De struiken bewaarden het geheim van haar schaduwen en groen.
"Genadige hemel--op zóó'n manier _weduwe_ te worden!"--, snikte mevrouw.
Amélie had 't zakboekje opgenomen, las de woorden: "Houd moed--dood of levend bezorg ik u redding!"
"O ma--má--pa heeft zich voor ons opgeofferd--die goeie, beste, lieve pa--en nutteloos--nutteloos--nou ligt-ie dood in de struiken benee--en wij kunnen hier óók sterven...."
Snikkend nam mevrouw het boekje uit Amélie's handen en las den _laatsten wil_, dien Pieter gisteravond bij de acetyleenlamp geschreven had.
Door 't waas voor 'r oogen, zag ze de lieve, brave, stevige letters van den doode: "Ik vermaak al mijn hebben en houen aan mijn geliefde _vrouw_ en mijn _innig-geliefde_ dochter en wensch met haar samen in den familie-grafkelder _hier omlaag_ te worden bijgezet. Mochten wij alle driè dood gevonden worden, dan schenk ik dit hebben en houen aan de gemeente mijner inwoning, die er de vrije beschikking over zal hebben, mits de naam _Pieter Zwaluw_ aan het fonds verblijve en onder voorwaarde dat mijn huisknecht Kobus en mijne dienstboden Chris en Jans een jaargeld van vijfhonderd gulden ieder ontvangen. De gemeente verbinde zich hier tegenover alle torens in de toekomst _geopend_ te laten, om onverantwoordelijke opsluitingen, als waarvan wij het offer zijn, te voorkomen. Onze verbrande vleugels moeten in het _gemeente-museum_ bewaard blijven, als aandenken aan hen, die zoo hoog in de wolken een _marteldood_ zijn gestorven. _Pieter Everhardus Zwaluw_."
"De èngel!", nokte mevrouw voor 't éérst van 'r leven na de lang-geleden bruidsdagen in de _Charcuterie_.
Mevrouw jammer-kreunde met de gulzigheid eener weduwe, die te _laat_ de schoone hoedanigheden eens echtgenoots ontdekt--Amélie schreide heftig.
Zoolang de Menschheid bestond, had geen toren-plateau zùlk desperaat gerucht vernomen--geen toren van Barneveld--geen van Solness--geen Notre Dame.
Noch Jan van Schaffelaar, noch Solness, noch Quasimodo benaderden dàt.
Een weduwe, een halve wees, uitgeput, hongerig, dorstig--gekerkerd op een omweerde hoogvlakte, waarvan de man en vader veertig meter omlaag is gesprongen--'t kon niet benarder, niet opperst-tragischer.
De handen wringend in de buurschap van den uil die _de daad_ had gezien, de beenen in _zijn_ broek--welke deerniswaardige herinnering!--besnikte mevrouw het Verleden.
Pieter Everhardus Zwaluw--zoo zéér als haar maag ongebonden jeukte en materie verlangde--gebaarde thans in hare verbeelding, met een zoetelijk helden-aureool om de grijzende slapen en bakkebaarden.
Al zijn slechte, doch menschelijke hoedanigheden _verzwommen_.
Bleek-hongerig en door smart lam geslagen, onderging ze in die vrééselijke oogenblikken het zonderling-aangrijpende der gansche Menschheid, die zich bij een lévende ver-kneutert in spelde-prikken en geniepige porren en een doode in het zonnetje van zijn _goedheid_ en _voortreffelijkheid_ zet (nadere scheurkalender-vondst).
Hoe dikwijls had ze Pièt (als een dolksteek) met een glimlach (als een vernietiging) gezegd, hoe menigmaal hadden zij en hij àndere dingen in mekaars oogen gelezen dan poëten bij maanlicht bezingen....
Hoe had zíj, uit de Jan-van-Loon-straat, hèm uit de Zwaanssteeg, op 't folterbankje der-ik-heb-'t-laatste-woord mishandeld.
Nu lag-ie afschuwelijk verminkt ergens in de struiken, zat zij als eene legendarische, symbolische smartfiguur naast haar dochter, de leege wijnflesch en het glimmend sardineblikje.
Antigone, Oedipus leken er kinderspel bij.
Het was een fraaie zomersche dag. De zon, fel-doorgebroken, joeg het vocht van het plateau in sidderende dampen.
De vogels op 't kerkhof floten, schoten naar de nesten--'t vol-weelderig groen slurpte het licht in verrukking.
Teer van stemming begon in de onzienlijke verte een klok voor de vroegmis te luiden.
"Ma," sprak Amélie.
Mevrouw bleef in smartlijke versteening.
"Ma," zei Amélie nog eens: "àrme ma."
"Arm kind," antwoordde de weduwe.
"Misschien is 'r 'n wònder gebeurd, ma."
"Nee," knikte mevrouw.
"Laat u 't hoofd nog niet hangen. We zièn beneden toch niks."
"Als we wat zagen, zou 't nòg schriklijker zijn," snikte mevrouw.
"Heeft u erge honger?", vroeg Amélie na 'n poos om te tróósten.
"Niet meer," zei mevrouw over àlles heen.
"Dat zegt u maar," redeneerde Amélie: "toe, denk an nìks, ma!"
Ma antwoordde niet--Amélie begon _op 'r nagels te bijten_.
Van 'r vroegste jeugd had ze 't gedaan--vandaag dee ze 't hardnekkig in 'r pogingen om 'r moeder af te leiden.
'r Handen had ze laten kappen, om má aan eten te helpen.
'n Gevulde maag was beter tegen verdriet bestand dan zùlk 'n leege.
De zon scheen 'r warm in 't gelaat, stoofde 'r hoofd, kokend en opgehitst. De benauwende broeiing maakte 'r ongevoelig.
Als 'n beest begon ze den uil te beloeren. 't Was 'n welgevulde dikkert met vleezige pooten en 'n smaaklijken nek.
Zoo _gedegenereerd_ geraakte ze door de werking van 'r maag en 't verlangen om 'r moeder 'n troostenden hap te geven, dat ze 'r vader vergat en met lichtende katte-oogen de zachte bewegingen van den uil bespiedde.
Ze kreeg 'r 'n kleur bij--'r handen kromden als klauwen--'r rug boog in sprong.
Nooit in 'r later leven vergat ze die diersituatie, dat rooie, bestiale gevoel om 'n rustig-slapenden, niets-vermoedenden uil, terwijl 'n _beschaafd_ mensch naar vegetarisme neigde.
Als ze 'm te pakken had gekregen--zij, die drie dagen geleden nog geen kanarie in 'r handen durfde te nemen--had ze 'm z'n nek omgedraaid--én geplukt--èn met 'r nagelschaartje gehalveerd--èn rauw geslokt.
'n Door honger gefolterd mensch werd 'n _ijselijk_ dier.... Gelukkig kwam het niet tot de euveldaad.
Ma keek op en ongerust over de loerende koortsachtige oogen van 'r dochter, vroeg ze:
"Amélie--wat doe je?"
"Niks ma."