Gevleugelde Daden: Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers

Chapter 6

Chapter 63,622 wordsPublic domain

Thuis, als ze ongenietbaar was, maakte je korte metten, vluchtte je naar de knutselkamer of naar de soos--de soos--de sóós--sentimenteele droom in de wolken!--de soos met 'r vleeschcroquetjes en zoute krakelingen--de soos met 'r hompjes kaas bij sherry en port--de op dién afstand tot n' _ideaal_ aan-fleurend beeld....

Thuis zou-ie 'r allang van door zijn gegaan--thuis aarzelde-die zelden als 'r gezicht de speciale wrange trekken kreeg, die elk man van z'n vrouw, elke vrouw van 'r man kent, de speciale èn wrange èn positief-waarschuwende, waarvan 'n vreemde geen weet heeft, waarvan nièmand het innerlijk wezen ontleedt--, de speciale èn wrange innig-aan-'t-dierbaar-gelaat verbondene, die tot het tééderst huwelijks-spel behooren, omdat je alleen aan zéérgeliefden 't _profond négligé_ van je materie en je ochtend-humeur toe-vertrouwt.

Thuis zou Pieter Zwaluw snel hebben af ontbeten, wéter der beteekenissen van groeven, schaduwen, vermagerinkjes in en om twee _bekende_ oogen--, hier, op de ruïne van _Koepelsteyn_, stond je _weerloos_.

Man en vrouw waren beslist nièt geschapen voor 'n _nest_, voor 'n besloten nest, voor 'n nest dat enkel nèst was.

Misschien in de éérste weken der zoete verteedering die _wittebrood_ heet, de dagen dat je _glimlacht_ als 'n geliefd hakje je eksteroog betreedt--gezocht beeld, daar teederen in diè uren àlles soigneeren--misschien dàn zou 'n wolken-nest 'n idylle zijn--hier, bij 'n vrouw met dè speciale èn zure trekken, 'n vrouw met nachtuilenzwam an 'r kleeren en 'n bróék aan, hier voelde je 'n leegte in de gloeiende-aaneen-smeding-van-twee-zielen.

Vondel kon dàt niet bereeknen--'t lief en leed nà verbrande vleuglen--op 'n torenstomp.

"Piét," hernam mevrouw na eene _vonkende_ stilte: "'t heeft lang genoeg geduurd."

"Dat ben 'k met je eens," zei hij weder gedwee: "verbéél je nou dat je thùis zit--laten we ontbijten, 'n Leege maag is de dood voor alle energie"....

Mevrouw keek somber over de tinnen naar 't uitgezocht landschap voor-zenuwlijders.

Je kon je adem hóóren.

"Ma, vin u 't niet éénig dat we met z'n drieën gevangen zitten?"--, vroeg Amélie om 'r moeder op te vroolijken: "ma wil u 'n stukje worst?"

"Géén worst," gebood papa: "de worst blijft 't langste goed--eerst de kippekluif"....

"Kippekluif--op me nùchtere maag!"--, viel mevrouw uit, zich kittig omkeerend.

"Kind, bedwing je humeur," suste Pieter zéér voorzichtig: "ik heb honger"....

In geen twaalf uur had-ie behoorlijk gegeten. Z'n maag rommelde onkiesch.

't Viel niet mee. Zóo als-ie z'n hand naar 'n vlerk uitstrekte zòng de kip. 'n Zwarte zwerm vliegen, die _gesmuld_ had, stoof omhoog.

"Nou dat nog!"--, zuchtte de heer Zwaluw, 'n vies gezicht trekkend. De kip was innig veradellijkt, òn-welriekte.

"Da's jammer," praatte Amélie: "dan hebben we niet veel meer, pa."

Het was droevig en verontrustend.

Van 'n halve flesch wijn, drie aangebroken kadetjes, 'n restant sardine, 'n mep worst en geurende kluifjes, zouen ze 't met d'r drieën bezwaarlijk dàgen uithouden.

"Geef mij één sardine en 'n half broodje," sprak pa maag-rommelend ernstig: "en bewaar de worst tot 't diner-tijd is."

Twaalfuur gaf-ie cadeau.

"Hier ma--heb u ook één sardine en 'n half broodje--dan houen we voor zes uur één kadetje met z'n drieën en 'n schijf worst over. Eenig! Eenig!"

"Als je nog één keer dat hátelijk woord zegt," driftigde ma, onuitsprekelijk ongelukkig.

"Maar ma-lief"....

"Hou je mond"....

"Maar ma"....

"Ga de kamer uit!"--, dreigde ma, zooals ze thuis dee.

Dat bezorgde meneer 'n stuip-lach. 't Was onbetaalbaar.

Mevrouw keek sip over de tinnen.

"Ma-lief, eet u nou--'t is pas vijf uur--eerst over twaalf uur dineeren we"....

"Ik kan niks door me keel krijgen," zei ma nerveus.

"Dat helpt," zei meneer.

"Schuif u dan _gezellig_ bij, ma," vriendelijkte Amélie.

Ma antwoordde niet.

"Mag ik de sardine-bus uitsoppen, pa?"--, vroeg Amélie, na 'n stilte van kleine-hapjes-gekauw.

"Néé," zei Pieter: "niet alles in-eens opschròkken"....

Gemoedelijk stak-ie 'n sigaar op, nam 'n slok wijn uit den kroes met de initialen A. Z.

De omstandigheden in aanmerking genomen, zou-ie zich vrij behaaglijk gevoeld hebben, hadde mevrouw niet één opmerking gemaakt, die 'm de gemeen-zwarte zij van 't geval als 'n duizeling dee ondergaan.

"Bij half zes," sprak ze over de tinnen, naar de eenzame verte van boomen en boomen: "bij half zes--nou staat Chris op--zéven uur komt de bakker--de bàkker"....

De bàkker.

Als 'n bliksemflits zigzagde dat kalm-gewone woord _Casa Cara's_ beeld voor Pieter's oogen.

Hij had de huisdeur op 't nachtslot gedaan--de sleutelprop zat in z'n zak.

De bàkker.

Door 't luikje zou Chris 't hard-gebakken Duitsch, 't roggetje en de pain-de-luxe-jes aannemen.

De bàkker.

Dan zou ze de trap opstommelen, aan de kamerdeur kloppen, tot ze já hoorde roepen.

Als ze géén ja hoorde, zou ze nog eens kloppen, net zoolang tot hij, die 'r niet was já zei, of zij die 'r niet was, já knorde.

De bakker.

Groote genade--de bàkker!

Dan zou Chris, die wel is niét wàchtte tot 'r geantwoord werd, omdat als ze te drùk porde, hij èn zij uit d'r humeur an 't ontbijt kwamen, naar de badkamer sjokken en 't bad vol laten loopen.

De bakker.

't Bad.

Dan dekte ze, haalde Kobus de kranten en brieven uit de bus, die-ie naast zíjn bord lei.

En als ze dan benejen kwamen--terwijl ze d'r nièt waren--dampte de thee genoeglijk, geelde de kaas in de stolp, molligden de gekookte eieren in de dopjes....

De bakker. 't Bad. 't Ontbijt. De thee. De halfzachte eitjes....

Even schemerde alles voor Pieter's rustig-burgerlijke oogen--flauw praatte-die na:

...."Ja, om zeven komt de bakker, de bakker"....

"En om half acht de melkboer," zei mevrouw in tonigen cadans, alsof ze 'n vers reciteerde.

"O, jee--om acht de kruijenier," schrikte Amélie.

"En om negen de sláger," hernam mevrouw: "goeie hemel--de slager. 'k Heb 'm gister voor vandaag 'n _lamsbout_ opgegeven"....

"Die zal door 't luikje moeten--de deur is op 't nachtslot," sprak meneer somber.

"En de klokkenmaker--me nááister," zei mevrouw zoo tragisch dat 't op de planken _gedaan_ zou hebben: "me naaister die om acht uur voor de deur staat.... Kan de nááister door 't luikje?

"Nee, diè kan 'r niet door," haperde hij: "die kan 'r _vermoedelijk_ niet door. Misschien...."

[Illustratie: Men moet wel in staat van òngewone kwade trouw zijn, als men de massief-heid der in plan gebrachte deur miskent. _Rechts_ bevindt zich de villa _Casa Cara_, met de _garage_ voor automobielen, de benzine-bergplaats, de broeikassen enz. Daar van mij uitsluitend eene massieve _deur_, met een _luikje_ en een _naamplaatje_ gevergd werd, achtte ik het onnoodig de rechts liggende architectonische schoonheden der villa met haar gerieflijkheden en modern comfort te _ontwikkelen_. Ik kàn het. Het ligt in het bereik mijner veelzijdige gaven. Parole d'honneur! Links, dadelijk naast het trappenhuis, heb 'k gepoogd, struikwerk, bloeiende heesters, aucuba's, hulsten, rhododendrons etc, in weligen bloei, te verluchten. Evenwel--en 'k zeg dit in volste openhartigheid, daar 'n liegend _kunstenaar_ 't allerbelabberdst wezen van God's schepping is--het was mij niet geoorloofd en vergund deze lieve natuur-dingen naar de Natuur te _neelmeijeren_, om de eenvoudige reden, dat 'k deze voortreffelijke schets in de maand December 1904 op de Stadhouderskade 64 te Amsterdam voleindigde en 'k voor éénige natuur keien en opgebroken wegen (voor de rioleering) aantrof. Meerderen zullen dit kunnen bevestigen. Welnu, het is alleen den illustratoren-bij-de-gratie-des-Heeren gegeven, om heerlijke voorjaars-of zomerbloesems _des winters_ te belijnen. _La nature vue à travers d'un tempérament_ ... Mijn temperament zag kniezige wegen, onzindelijk, bloesemloos. Derhalve dreef 'k op m'n fantasie, ver-wormstoken door kerstboom-souvenirs. Het groen _bladdert_ niet voldoende, doch de wulpsche vrijmoedigheid der Lente is er in. Ten overvloede verlokte mij de beeldkeuze van den auteur, die nederschreef: "Hij kalde in schrik, voor z'n geestesoog het luikje (_a_), 't naamplaatje, de massieve deur ziend".... Dat _kallen in schrik_ schijnt mij voorbeeldig in het struikwerk bereikt. De sensatie althans. Het onwezenlijke.

S. F.

P. S. Ofschoon 't zeer hinderlijk is, bij een noot 'n _P. S._ te voegen, moet 'k alsnog observeeren, dat de zwarte moppen, rechts van de teekening, _zoogenaamd_ abusievelijk in cliché zijn gebracht. Vermoedelijk zijn dezelve mij in de December-dagen van 1904 uit de pen gewiegeld bij de lezing van eenige onaangename pers-beoordeelingen over ànder werk. _Mon Dieu_, men is mènsch. Schokloos gaat 'n critiek aan niemand voorbij. Zal de Pers dan nooit leeren?]

Hij kalde in schrik, voor z'n geestes-oog het luikje (_a_), 't naamplaatje, de massieve deur ziend.

"En de beambte van de gasfabriek," ijlde mevrouw: "die elken tweeden Zaterdag van de maand komt"....

"Die kan 'r ook niet door," knikte meneer, de sigaar, die uit was gegaan, bestarend.

"En we krijgen vanmiddag visite van de Leurings, pa--ze komen zeker"....

"Wat 'n schandaal! Wat 'n opschudding," praatte mevrouw over de _tinnen_--"en daar éét hij bij--daar kan hij bij éten!"

Het laatst gram genoegens was heen. De heer Zwaluw zat bezorgd op de groene planken van den toren.

De duiten, die hij in 't zakje te doen had, hield-ie verstandig voor zich.

Hij had 'n timmerman besteld om tien uur en 'n loodgieter om half elf, voor geknutsel in z'n studeerkamer.

't Zou 'n opstoot worden van belang.

Meneer, mevrouw, de dochter uit 't huis verdwenen--de deur op slot--en Kobus die orders had z'n mond te houden....

"Nou, Pièt," dolk-stak mevrouw: "wat zeg je daar van?"

"Ik zeg niks," zei hij geslagen: "'t wordt 'n miserabele historie. Misschien _beleven_ we de oplossing niet."

"O, o," snikte mevrouw, haar tranenloop van den nacht hervattend: "zoo troost-ie je--zoo troost-ie je"....

Meneer antwoordde niet. Grimmig stond-ie op, sloeg de smullende vliegen van de worst en z'n zakmes openend, begon-ie de vermolmdste planken te bewerken.

"Pa wil ik u hèlpen?"--, vroeg Amélie, thans ook _down_: "'k heb 'n nagelschaartje"....

"Nee," weigerde pa stug, 't mes bekijkend dat al dadelijk 'n punt verloor. IJverig peuterend, krabde hij, 't hoopje vezels te zaam vegend, tot die op gezond hout stiet--en 't mes bij 't heft knapte.

"Wel vervloekt!"--, zei-ie driftig.

"Als we wéer vliegen, nemen we postduiven mee, pa--vin u niet, pa?--dan kan dat ons niet overkomen--hè, pa? dan, dan...."

Pa zat in _versteend_ zwijgen.

Tegen elf uur scheen de verlossing te naderen, 'n Man stapte aan door de struiken.

"Goddank!"--, riep mevrouw, omlaag hé-hé-end.

De man keek niet op, strompelde moeilijk.

Als bezeten schreeuwde pa, 't hemd met forsche rukken zwaaiend. De man keek nièt.

"Ach, ach," zuchtte Amélie, "nou begin 'k 'n béétje te begrijpen wat schipbreukelingen voelen, als ze in 'n bootje dobberen en 'n _groote schuit voorbij stoomt_! Man! Hé! Meneer! Hé!"

De man keek nièt, stapte 't kerkhof langs in de richting van 't dorp. Z'n gelaat konden ze herkennen. Ze hadden in elk opzicht _pech_: 't was de bijziende, doove bedelaar, die eens in de veertien dagen de villa's afliep.

"Hònderd keer heb 'k 'm centen gegeven--de ezel!"--, klaagde ma.

"Hé!"--, brulde meneer nog eens en nog eens. De man verdween.

't Begon stevig te regenen.

"Half twaalf," zeide mevrouw triestig: "op 'n begrafenis hebben we vandaag géén kans meer."

"Nee," heimweede Amélie. Nooit, nooit werd 't later dan elf, om vóór koffie binnen te zijn.

Verkleumd door den wind en door-regend, hurkten ze bij mekaar, om beurten over de tinnen kijkend. Nou waren de bakker, de melkboer, de slager, de kruienier, de klokkenmaker, de naaister, de man van de gasfabriek, de timmerman, de loodgieter, voor 't luikje met Chris' ontdaan gezicht gewéést.

"'k Nam net zoo lief met z'n allen _morfine_ in," zei Pieter moedeloos nederliggend.

Hij was dood-op van 't loopen, 't knielen, 't hurken, voelde zich ziek van de ééne sardine, 't halve broodje, den slok wijn, de natte kleeren.

Mevrouw, angstig-bleek, at wòrst. Ze kon 't niet langer uithouden. Vel en al slikte ze gretig--tot an 't _streepje_ dat Pieter getrokken had.

Amélie hield de wacht, bibberend, kijkend naar de boomtoppen, 't gras, de struiken, de zerken van 't kerkhof.

Zeurig tekkerde de regen, de bladeren benee beritslend, 't toren-plat smijdig verslijkend.

De uren kropen.

't Was 'n dag, zoo oneindig, zoo noest-lang, dat ze vermoeid insliepen, meneer languit ronkend, mevrouw zittend tegen de borstwering, Amélie hangend over de tinnen.

Toen ze ontwaakten, was 't nòg dag, bijna scheemring.

Sprakeloos aten ze de laatste millimeters worst, de laatste kruimels brood.

De regen stroomde sterker.

Uitgeput leien mevrouw en Amélie in de nattige bulten, pogend te slapen.

Meneer, die de acetyleen had opgestoken--nog 'n uur kon die brànden--bestaarde de duisternis.

Dan, bij 't licht der lamp, nam-ie z'n notitieboek, begon te schrijven.

"Pa--wat doet u?"--, fluister-vroeg Amélie.

"'k Stel orde op me zaken," zei-ie bot; "'k _maak me testament_"....

"Pa, hoe àkelig!"

"Heb jij ook nog 'n wil, kind?"--, vroeg-ie vaderlijk-zacht.

"Nee, pa--'k ben willoos"....

"Keer je dan om," zei-ie, 't schriftuur opbergend.

"Wat gaat u doen, pa?" sprak ze angstig om z'n wanhopige gebaren.

"Me overhemd antrekken, kind--als ze ons over 'n paar maanden _waarnemen_, wil 'k fatsoenlijk in m'n klééren gevonden worden. Keer je om"....

Het natte hemd glibberde over z'n tricotschouders en op de fatale vliegmachines hurkend, begon-ie blazend te snurken.

ACHTSTE KAPITTEL.

KOBUS WORDT GEARRESTEERD.

"De wolken worden zwaarder, en de maan Gaat achter hunne breede ruggen schuil, En luider schreeuwt de wind met barsch gehuil. Plots stroomt de regen neer, de helle vaan Des bliksems trilt op hoogen wolkendam.... Dàn siddert alles, vreesbevangen, stom."

(Edward B. Koster).

"De wind was door het Noorden geloopen en was toen gaan liggen...."

(Frans Netscher).

Chris hád geklopt, hád 't bad gevuld, hád gedekt--Kobus hád de bus opgehaald.

De huishouding was normaal verloopen. 't Ontbijt wachtte, de thee pruttelde--'t bleef stil.

"Wat slape ze," zei Chris.

"_Ik_ zal nog is gaan wekke," zei Kobus.

Hard beklopte-die de slaapkamer--toen, angstig, opende-die de deur. Weerlichs! Nòg niet thuis! As ze maar geen ongeluk gekrege hadde. Vlug klauterde-die op 't dak, keek het hemelruim af. Geen vogel. Geen stip.

Benee, voor 't huis, passeerde 'n agent, die vreemd naar boven keek.

"Zoek je wat?",--vroeg-ie.

"Nee," zei Kobus: "de schoorsteen rookt."

"Mot je daarvoor in de goot klimme?"

"'t Mot voor meneer," riep Kobus òm wat te zeggen.

De agent, rustig-pruimend, taxeerde den rookloozen schoorsteen.

"Val d'r maar niet af," maande-die.

"Welnee, man," lachte Kobus gedwongen.

Op dat moment schreeuwde Chris aan de trap.

"Kobùùùs! Kobùùùùs!"

"Ja?"--, vroeg-ie in huis terugstappend.

"Kobùùùùùs!"

"Ja?"

"De bedde binne leeg, Kobùùùs! O, Kobùùùs, kom is gauw na beneje! Kobùùùùùs! Kobùùùùs!"....

De ouwe meid was 'm na-gesjokt, had voor de twééde maal de ònbeslapen bedden, in keurigste orde, gezien.

"Gil zoo niet," zei Kobus verwoed.

"De bedde binne leeg--de bedde binne leeg!"

"Zet niet zoo'n smòèl op!"--, raasde hij, de schippertjes, die mee begonnen te keffen, 'n trap gevend: "wat doet 't 'r toe of ze leeg binne!"

Het was geen _correcte_ uiteenzetting.

Het bad wachtte.

De thee _kookte_.

De eieren _versteven_.

In eene behoorlijke familie pleegt men _zichtbaar_ op te staan.

Chris, nog niet te dreef na de vroegere ellende, de vele schrikken, de koortsvisioenen, keek in de leege, gesoigneerde slaapkamer.

De zijden sprei lei zonder 'n rimpel--er waren geen kleeren--geen bottines.

Alleen op 'n stoel, luguber-verlaten, snel te hoop geworpen, _puilden_ de rokken, de _rokken_ van mevrouw en juffrouw Amélie, de rokken die ze den vorigen avond hadden gedragen, toen ze naar bèd gingen.

"O, Kobus"--, hakkelde Chris, náár lang de driè klinkers rekkend: "Ze binne d'r niet! En de rokke, de rokke...."

"Zou je ophoue met je gebler!"--, zei hij, grimmig: "doe de deur toe!"

"O, o"--, klaagde ze, geelbleek van ontdaanheid: "ik blijf geen menuut langer hier!"

"Zie dat je de deur uit komt, kuiken!"--, schimpte hij: "jij maakt larie om niks. Ze binne wèl thuis!"

"Wel thuis?"--vroeg ze: "waar dan?"

"Dat gaat je niet an!"

Toen werd ze bàng voor 'm.

"Dan weet jij méér"--, zei ze, achteruit strompelend.

"Dat doe 'k ook!"--, snauwde hij: "en as je één van de buren wat durft zegge--as je tong te lang is--dan--dan _vermóórd_ 'k je!"

'n Bandiet had 't woord _vermoord_ niet bloederiger kunnen lanceeren.

't Schokte hem òver-rauw uit z'n keel, bevreesd as-ie was voor Chris' geweldige zotte streken.

Zij, zich ver-plankend tegen den wit-kalkten muur, stram van stuipenden schrik, werd één laaiend oogenblik bleeker van witheid dan de kalk die nog pas in 't voorjaar 'n lekkere beurt had gehad.

Bij intuïtie zochten 'r lichaam en 'r gelaat den steun der omgeving.

'n Beest in angst _assimileert_ zich met 't coloriet der naaste natuur--'n haas heeft zandkleur--'n rups 't groen der blaren--'n ouwe, eerbare dienstmaagd, beklauwd door 't meest duvelsch woord uit mansmond--_versteent_ in gebaar en _verpleistert_ als witkalk.

Chris, zelfs niet oog-knipperend, staarde bewustloos van Kobus naar den stoel met mevrouw's katoentje en Amélie's zomersche jurk.

Ze voelde dat ze voor 'r behoud èn voor 't behoud van 'r _naaidoos_ met de amsterdamsche lootjes, tegenover den verdachten huisknecht _koelbloedig_ moest zijn.

Anders stróómde 'r bloed.

"Ik zal niemand wat zegge," sprak ze, nog steeds _in_ den muur, _in_ de witkalk: "as jij maar zeker weet datte ze thuis binne."

"Dat wéét 'k ...."

"Zeg ze dan"--, praatte ze met versteende tong en wit-doode woorden: "dat 't bad vol geloope is."

"Dat zàl 'k ze zegge," beet hij haar nijdig toe.

"En datte de eiere koud worde"--, bracht ze 'r ont-zield, tegel-kil uit.

"Dat zàl 'k! Dat zal 'k!"--, riep Kobus de zoldertrap opkieperend, gevolgd door Tutu en Zo, die gezellig blaften en lustig de gang bevuilden, omdat ze moeilijk door 't deurluikje uit gelaten konden worden.

Chris bleef een oogenblik zoo loodrecht àls de muur.

Toen, gedragen door 'r koelbloedigheid, stapte ze de wijde diepten der trap-treden af, ging de logeer-kamer binnen, sloot de deur, greep 'r _naaidoos_, liet zich zonder aarzeling uit het venster vallen.

Op handen en voeten kwam ze in de teelaarde van 't _aucuba_-perk neer, schokte overeind en den horlogemaker voorbij-schietend, die de klokken kwam reguleeren, holde ze op 'n draf naar 't politiebureau, naast 't nieuwe Brandspuithuisje.

"Wèl?", vroeg de dienstdoende brigadier, die net 'n folio-blad zat te linieeren, omdat-ie anders in hobbelende lijnen schreef: "wèl?"

"Asjeblief!" zei Chris, 'r naaidoos met de lootjes overreikend: "asjeblief--da's om te beware!"

"Hei je dat gevonde?", vroeg-ie met wetsrimpels in z'n voorhoofd.

"Néé," hijgde Chris, 'm ineens met 'r _verweekende_ ver-steening overdonderend: "nee--ze binne van mijn--de nommers hei 'k in me beurs--Kobus wil me vermoorde--de bedde binne leeg!"

't Natgelikt potlood-stompje, nog maagdlijk van proces-verbaal des dags, ontviel den omhaarden lippen.

Het was te veel ineens.

"Wat klèts je, meid?", vroeg-ie streng.

"Enkel de rokke hange over de stoel"--, gaf ze als knal-donder toe.

De brigadier keek van de naaidoos naar Chris' bevenden mond.

Hij had 'r wel gekker gezien van z'n leven, maar niet zoo gááf.

"Meid," zei-ie pootig: "jij ben niet goed in orde!"

"As je me niet gelooft!"--, snikte Chris 'r plots gierend op los--zooveel electriciteit móést nat geven!--: "ga je dan overtuige! De bedde binne leeg--enkel de rokke hange d'r--hìj heit 'r weet van--hij wil me vermoorde as 'k 'r van vertel...."

Nòg zou het sensatie-geval in donkere windselen zijn gebleven, daar de brigadier te gestreng en Chris nù te ontdooid was, als de burgemeester niet binnen getreden ware.

De welEdelachtbare, uit z'n humeur omdat-ie zonder boter had ontbeten--in de warmte was ze sterk geworden--de boer kwam maar ééns in de week--, de welEdelachtbare onder de impressie van z'n nacht-lectuur--in de late-avond-stilte had-ie juist den detective-roman _Een geheimzinnige verdwijning_ verslonden, vèrslònden: ambtshalve, om zich te goed te doen aan de spitsvondigheden van zulke héerlijke _detectives_ als daar ginds--, de welEdelachtbare werd onmiddellijk aandachtig, toen-ie Chris voor de derde maal hoorde snikken van leege bedden en _moord_.

"Wat is 'r met de dienstbode van _Zwaluw_?"--, vroeg-ie.

"O--bùrgemeester--bùrgemeester!"--nok-griende de ouwe meid, zwaar onder 'r bovenrok gebarend, om 'r zakdoek te grijpen: "O, de hééle femilie is weg en Kobus--de stéker--wil me _molle!_"

De burgemeester keek somber. Na den brand in de logeerkamer was-ie 'n weinig achterdochtig gebleven.

Nu spookte 't weer.

"Laat de meid bij mij in de kamer"--, beval-ie: "dit geval wil ik _persoonlijk_ onderzoeken...."

De groen-gevoerde deur van het _kabinet_ suisde toe.

De brigadier hernam z'n potlood voor de rechte lijnen, tot-ie gescheld werd.

Nog geen half uur later keken de menschen uit de ramen.

De burgemeester met twee agenten èn ouwe Chris, stapte met _ambtspassen_.

Ongetwijfeld had de familie Zwaluw eene dienstboden-quaestie.

De burgemeester groette nauwlijks, zòo zat-ie in de _schaduw_ zijner gedachten.

Persoonlijk schelde hij aan--aan dè deur, net terwijl Kobus _van 't dak naar binnen kroop_.

Twee, driemaal moest hij den knop berukken.

"Wie daar?"--, vroeg Kobus door 't luikje--hij zag den burgemeester, nièt de agenten.

"Ik wensch ménéer te spreken," zei de burgemeester kort van toon.

"Meneer is nog niet bij de hand," antwoordde de huisknecht allerkalmst.

"En mevrouw?"

"Mevrouw--mevrouw," hakkelde Kobus zéér vluchtig--hij zou er op los liegen tot in 't oneindige!--"mevrouw is op de badkamer, burgemeester...."

Doorgaans was zulk een antwoord tegenover een bezoeker van _Casa Cara_ voldoende.

Vandaag ketste 't.

"Ik wil mevrouw positief spreken"--, zei de burgemeester gestreng: _desnoods òp de badkamer_!"

"Wacht u dan 'n oogenblikkie," loog Kobus meesterlijk: "dan zal 'k 't vrage."

Kalm mepte hij 't luikje dicht en ging op de trap zitten _transpireeren_.

As-ie praatte raakte-ie z'n baantje kwijt, onherroepelijk kwijt, had meneer gezegd.

Wat drommel, dan most de burgemeester maar terug kommen!

's Morgens, ontbijt-tijd, visite en mevrouw willen zien as ze in 'r bad zat!

Het luikje opnieuw openend, zei-ie met de welopgevoede stugheid van 'n bediende-die-weet-hóé't-hoort:

"Meneer de burgemeester--'t spijt mevrouw wel, maar ze ken u niet ontvange. Mevrouw is an 'r toilet bezig...."

"Zoo vrindje," snerpte de burgemeester, door de spleten van z'n oogen het beslist _misdadigers-type_ van den huisknecht bespiedend: "Zoo! En meneer?"

"Meneer sláápt nog," fantaseerde de knecht: 't is vannacht wat laat geworde...."

"Dank je," listigde het hoofd der politie, partij trekkend van de wenken des _detective_-romans: "dank je zéér. Dan moet 'k de dienstbode Chris spreken...."

Kobus werd beschaafd, gepast nijdig.

As-ie Chris uit de keuken riep--van de vlucht had-ie op 't dak nièts bespeurd--dan plapperde dat kuiken de heele familie op straat.

En te-deksel, 't liep de spuigaten uit dat 'n bezoeker--onverschillig of 't de burgemeester was of 'n ander!--als-die niet ontvangen kòn worden, belet in de keuken vroeg.

"Chris," zei hij deftig, gelijk in 'n deftigen dienst betaamde: "Chris doet boodschappen ...."

Chris, op zij van den deurpost, werd lijkwit bij zooveel leugens.

"O"--begon ze, nader stappend.

"Stil!"-- gebood de burgemeester: "'t Is best man--heel best!"

Plots deed-ie 'n _coup-d'état_, maakte-die zich _meester_ van de situatie.