Gevleugelde Daden: Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers
Chapter 5
"Dàt zou wat voor de Engelschen zijn," praatte pa driftig en denkend aan wat in Transvaal gebeurd was, strekte-die de armen in begeestering voor zich uit: "ja, als we nou wóúen, als we nou anpakten--dan konden we ze àlles betaald zetten, àlles terugnemen wat ze gemoerd hebben. In één nacht vliegen we met tienduizend man van Vlissingen naar Queensborough--wie kan ons tegenhouen?--in één nacht hebben we Engeland in onze macht. Als ze troepen mobiliseeren, laten we bommen vallen--maling an internationale wetten!--als ze zich in vestingen opsluiten, vallen wij van boven aan. Dat zal wat anders worden dan de tocht naar Chatham! In vier-en-twintig uur knippen we alle telegraaf- en telephoondraden door--eenvoudig met 'n stevige schaar--'t werk van de vliegende Sappeurs--niks, niks is tegen ons bestand--geen oorlogsschip, geen leger! En omdat we 't zoo vlug doen, wordt 'r geen _druppel bloed_ vergoten"....
Buiten adem nam-ie 'n slok van z'n koudgeworden groc, plonste bij de tafel in z'n stoel.
Amélie keek droomerig in de electrische lamp.
Mevrouw, zwaar-verkouden, bibberend van koorts, _geeuwde_.
Toen kwam Chris tafeldekken voor 't boterhammetje met kaas.
En terwijl buiten de storm kwaadaardig loeide en daverde, begonnen ze paisibel te happen, ma slaperig--pa en Amélie met oorlogzuchtige, felle gemoederen.
Zoolang de storm aanhield, bleven ze 's avonds huiselijk fantaseeren. Eerst den volgenden Vrijdagavond hernamen ze hun tocht.
ZESDE KAPITTEL.
PERROL MET DE ROODE HAND.
"Eens heb ik de dalende zon gevraagd te wachten, Eens heb ik van dichte-nachtschaduw Het luchte, vluchtige vlieden beklaagd-- En nu!--En nu!"....
(Ellen, Fred. van Eeden.)
"Als 't vannacht wéér lukt," zei de heer Zwaluw, z'n riem toe-gespend op zolder: "dan inviteeren we nog déze week burgemeester en wethouders, den Raad, den dominee, den notaris, den dokter en dan geven we in besloten ruimte op klaarlichten dag een _séance_."
't Langer in stilte, als inbrekers, te doen, leek niet verkieslijk en daarenboven de toestellen waren zoo uitnemend en zulk een verrassing voor de menschheid, dat het in zekeren zin plicht werd, de openbaarheid te verhaasten.
"Hoe laat mot 'k 't zolderraam openmake?"--, vroeg Kobus.
"Dat laat je anstaan," zei meneer: "ga rustig na bed en hou 'n oog op Chris. We zullen ons zelf helpen als we terug zijn."
"Dan wensch 'k u goeie reis," zei Kobus, blij dat-ie niet behoefde te wachten.
Het was een zwoele zomeravond, zonder 'n zuchtje.
De lucht was bijna transparant.
De sterren smachtten--de maan, in 'r laatste kwartier, glimmerde hollandsch-zindelijk, zonder 'n roestplek of wreef.
De geheele natuur, dien bekoorlijken avond, dee zoo smetteloos aan als 'n versch geboende dorpsstraat.
De boomtoppen, ordlijk, _gecoiffeerd_, kuifden als kropsla achter 'n schutting--blaadren noch takken hadden 'n ritsling.
Uitgezochter weer voor 'n tocht was ondenkbaar.
Meneer, smakelijk rookend, vloog voor-op, allergezelligst van humeur. An z'n stuurrad bungelde 'n pakje door mevrouw en Amélie bereid--'n halve kouwe kip, 'n bus sardines, wat gesmeerde broodjes en 'n stuk leverworst.
Amélie had 'n flesch wijn an 'r ballast-haak. Als de tocht wat langer duurde, zouen ze ergens rusten en nachtlijk picnicken. Je kreeg 'n geweldigen eetlust van dat peddelen in de ozon-rijkste lucht.
Mevrouw had 'n acetyleen-lantaarn meegenomen.
Zoo toe-gerust hadden ze den heelen nacht voor zich--tot de morgenschemering ze zou verjagen.
Het dorp verdween in de dùisternis.
'n Enkle boerenwoning stak 'r dak door 't groen.
Dan werd 't de heerlijke eenzaamheid van 't bosch.
"Piet, kan je zoo niet verdwalen?"--, vroeg mevrouw: "'k zou liever bóven den weg blijven"....
"Nee," zei hij, 'n kompasje voor z'n brandende sigaar houdend: "we vliegen prachtig zuidwestelijk--in 'n kwartier zijn we bij de ruïne van _Koepelsteyn._ Dáár binden we af."
"De ruïne van _Koepelsteyn!",_ riep Amélie: "o, pa, da's 'n heerlijke inval!"
"Piet," aarzelde mevrouw: "'s nachts op 'n verlaten ruïne, daar ben 'k niks op gesteld"....
"Mènsch," redeneerde Pieter: "uitgezochter kùn je 't niet hebben. Boven op den stompen toren gebruiken we ons souper, rook 'k 'n sigaartje en dan peddelen we kalm terug. D'as je toekomst, 'r Zal nog heel wat profijt van torens getrokken worden"....
"Nou Piet," zei mevrouw nog eens: "_ik_ bleef liever in 't bewoonde."
"O die ma!", lachte Amélie: "waar kun je 's nachts veiliger zitten dan òp 'n toren. En hij is veel dichter bij dan 'k dacht--daar is-ie al!"
Werklijk in 't duister werd de ruïne voor hun geoefende oogen zichtbaar.
De zware, gebrokkelde muren donkerden omhoog en de toren, bijna gaaf, plompte z'n massief silhouet in den sterrenhemel.
Het was eene schoone ruïne, verborgen in 't weelderig groen, vroeger 'n roofburcht geweest of 'n klooster.
Er achter was 't kerkhof van 't dorp.
Nooit kwam iemand op 't plateau van den toren. Eénmaal in 't jaar, op koninginne-verjaardag, klom 'n doodgraver langs de vermolmde trappen en plantte de vlag.
Benee, achter de zware deuren, werd 't gereedschap van 't kerkhof bewaard.
Niet ten onrechte huiverde derhalve mevrouw, toen ze naast 'r man nederstreek op de glibberige planken en 'n aantal uilen, nijdig-schreeuwend, heenstoven.
"Goddelijk--dolletjes," lachte Amélie: "nou nog wat spoken, pa, en de picnic is volmaakt!"....
"Ziezoo," zuchtte meneer, z'n riem ontgespend: "nou weet 'k wel zéker dat we 'n uitstapje gemaakt hebben, als vóór ons nog niemand in Holland"....
"Piet--op me woord--'k ben bàng," sprak mevrouw: "je had me net zoo goed in 'n kelder kunnen opsluiten en de hemel weet wat voor ongedierte hier krioelt!"
"Dat zullen we dadelijk zièn," lachte Pieter, uitgelaten, "overburen hebben we niet, geef me je acetyleen!"
"Asjeblief," zei mevrouw, blij dat 'r licht kwam.
"Zoo," zei hij, met de geweldig-schijnende lamp het plateau bekijkend: "geen levend insect te zien! Waarachtig de boel is zoo solide als je maar wenschen kan."
"Mag 'k niet is beneden kijken, pa?"
"Je mag wel, maar je kàn niet," praatte pa vroolijk: "'t luik is benejen gegrendeld. Zoo, nou gaat de acetyleen uit en steek 'k 'n kaars op. Anders verrajen we ons nog"....
Mevrouw begon 'r ook schik in te krijgen.
't Was zoo romantisch, zoo allergrappigst dat je in diepste eenzaamheid 's nachts op 'n ruïne _picnicte_, dat ze zelf mee hielp dekken.
De flesch wijn kwam midden op 't servetje te staan--daaromheen de halve kip, de bus sardines, de worst, de broodjes.
De vliegmachines, netjes gevouwen, leien in 'n hoek.
"Om te zoenen zoo uitgezocht," zeide Pieter. "'k Heb in geen tijd zoo'n trek gehad!"
Z'n sigaar weg-werpend, dat 't vonken regende--wee, wee!--knipte-die z'n zakmes open en begon voor te snijden. Soms als-ie de geledingen niet vond, hield Amélie de kaars bij en als 't kaars vet dan neerklukte op pa's decoupeerende hand, lachten ze als roovers.
Mevrouw dronk den eersten kroes wijn, dezelfde kroes met de initialen A. Z. in 't zilver gegraveerd, waaruit Amélie's dorstig mondje melk met gortwater had gedronken.
"Nou knappen we eerst de sardines," zei meneer, de olieachtige brokken uit de doos peuterend: "en dàn de kip. De algekloven beentjes legateeren we aan de schim van _Koepelsteyn_."
"'t Is heusch 'n ààrdig zitje," zei merouw toehappend: "'t ruikt alleen 'n beetje gebrand. D'r kan benee toch niks smeulen?"
"Da's 'n heibrandje wat je ruikt of de kip is aangebrand," zei meneer, zwaar happend bij 't wapperend kaarslicht, dat z'n gelaat bizar bevlamde.
"Pa," ginnegapte Amélie: "als de _Leurings_ of de _Spaarns_ u zóó zouen zien, gingen ze an de haal--u ziet 'r uit als 'n struikroover bij de kaars"....
"Hahaha," bulder-lachte meneer, z'n zakmes zwaaiend: "denk maar dat 'k _Koepelsteyn_ ben, de láátste der _Koepelsteynen_! Straks vlieg ik na benee en sleep den eerste den beste mee na boven! As wij drie willen, kunnen we hier vandaan de menschen bij hoopen plunderen--geen haan die 'r na kraait. Alle donders, de gemeenste Italiaansche bandiet legt 't tegen òns af. Wij hebben vrij rooven, moorden, schaken...."
"Piet hou op met je ènge praat!", verzocht mevrouw.
Even kloven ze in stilte, ongegeneerd als natuurmenschen.
Toen, door 't dolle heen, hief de heer _Zwaluw_ den wijnkroes omhoog, en voor 't eerst van z'n leven _speechte_-die studentikoos: "Vliegers--éérste vliegers van Holland--op de tinne van deze oude beruchte roofburcht heet ik u welkom. Wij pad_vlinders_ en menschvogels, kluivend en fuivend, als arenden in 't arendsnest...."
Hij bleef steken, nog niet gehéél op dreef en hij hoefde niet verder te gaan, want het werd plots zonderling licht op 't toren-plateau.
"Piet!"--, gilde mevrouw.
"Pa!"--, _kreesch_ Amélie.
Snel omkijkend, stikte-die bijna in z'n slok wijn.
De zijden vleugels der vliegmachines stonden in brand, vlamden fel op en doofden omdat 'r niets meer te branden was.
Doodsbleek waggelde Pieter Zwaluw op de laatste smeuling toe.
"Onze vleugels zijn verbrand," hakkelde-die, de ledige aluminium-latten voorzichtig betastend; "hoe komt dàt?"....
Eerst antwoordde niemand. Het overweldigende van het avontuur, 't plots vastgeklonken zitten aan den toren van _Koepelsteyn_, zonder 'n kans je den verachten _beganen grond_ te kunnen bereiken, de dònderslag van onklare toestellen op de uitgezochtst-verlaten plek, versteende tong en gebaren van mevrouw en Amélie.
Dat zou ongekend lang geduurd hebben, hadde Amélie niet bakvischachtig-onhandig 't slèchtste woord voor de situatie gekozen.
"Nee--die is éénig," zei ze perplex.
"Eenig!", barstte mevrouw dàdelijk los, de kippekluif wild wegwerpend--zéér ondoordacht--: "Eenig, da's je vader z'n stomme schuld! As-die z'n sigaar niet zoo ruw had gesmeten! Ja, je sigaar! Enkel je sigaar! De vonken vallen niet uit den hemel! Nee, maar daar zitten we nou, hoog en droog--hoog en droog!"....
"Ja wèl hoog," zuchtte meneer, elk van de machines bekijkend: "We zijn gepiept."
Ook die woordkeuze getuigde van avontuur-onervarendheid. Men spreekt niet van dood in 't huis eens gehangenen, men vermijdt _jargon_ als 'n vrouw óver 'r zenuwen heen is.
"Gepiept," herhaalde mevrouw, naar de beste accentjes zoekend om 'r gèk-van-'n-man te vernederen: "gepiept--gepiept--hij heeft 'r pleizier in! Had me niet je _krankzinnige_ machines opgedrongen--dan kon dat alweer niet gebeurd zijn. Eerst brand in 't huis--dan brand op 'n toren. Tweemaal brand! Tweemaal! Mij goed--mij best--as ik maar niet den naam van 'n _brandstichtster_ krijg!"
De heer Pieter Zwaluw hield waarlijk z'n mond. De logica van z'n opgehitste vrouw was verbluffend. Eerst verbrande bedgordijnen in _Casa Cara_--dan verbrande vleugelen op _Koepelsteyn_--'t dee je benauwend aan 't gestreng-ontstemde gelaat des burgermeesters denken.
"We bòffen niet," zei-ie, na 'n contemplatieve rust: "'k begrijp op me woord niet dat mijn sigaar...."
"Nee, 't was de mijne," sprak mevrouw bedaard vernietigend: "as je maar zòrgt dat _ik_ van nacht in m'n bèd kom"....
"Ja, daar dien 'k voor te zorgen," praatte meneer gedwee in den afgrond náást den toren kijkend.
"'t Is éénig," zei Amélie nog eens zacht.
"Hou je onwijze praat voor je," snauwde mevrouw: "eenig is je pá die ons in ònmenschlijke ongelegenheid brengt. Ik vraag, Piet--hoor je, Piet?--dat je maakt dat 'k op me bèd kom!"
"Jawel! Zeker!"--, begon meneer te grommen en de onmogelijkheid willende betoogen van zúlk een extravaganten eisch, flapte-die 'r 'n spreekwoord uit: "Beter tien vogelen in de lucht as één in je hand. Je heb maar te kòmmàndeeren"....
Toen, kapot van zooveel tegenspoeden, snikkerde mevrouw er zacht op los.
Er was reden toe. 't Kaarsje naast 't avondmaal, 'n allerongelukkigst eindje, stuiptrekte, de norsche wallen van den toren grillig bevlammend.
De verjaagde nachtuilen, niet snappend welke zonderlinge gebeurtenis op 't plat geschiedde, fladderden spichtig heen en weer, neerplonzend en weer schrik-schreeuwend vluchtend.
Meneer, ongezond-bleek, streek een lucifer af. Met de acetyleen-lamp--wat 'n geluk dat diè mee was genomen!--onderzocht-ie 't luik dat naar benee voerde. Geen denken an. Aan de binnenzij was 'n bout of 'n grendel. Hoe je wrikte, 't luik blééf dicht. En als 't wèl lukte, was je even ver, kon je hoogstens de vermolmde trappen afstrompelen en beneden de hoofddeuren gesloten vinden, Ze zaten geknipt, onherroepelijk geknipt. Zonder hulp van menschen kwamen ze er niet af en de hulp-van-menschen beteekende de lachwekkendste openbaring.
"Pa, hoe kom u zoo onvoorzichtig," zei Amélie, die moeite had 't niet uit te schateren, zoo héérlijk als ze de historie vond.
"Ja! Hoe kom 'k," praatte pa met akeligen galgenhumor, 'n humor die 'm slecht af ging z'n bleek gezicht was 'r niet mee in accoord-bevinding: "hoe kun je denken dat vlerken zóó brandbaar zijn, hè? Zeg an je ma, kind, dat ze ophoudt met huilen. Dauw in den vroegen nacht is ongezond"....
"Laat me met rust!" zei mevrouw verwoed; "ik blijf hier niet slapen, versta je!"
"Dat zal toch wel moeten"....
"Ik doe 't niet," zei mevrouw heftig.
"Je kan toch moeilijk verlangen dat 'k na beneden spring als Jan van Schaffelaar," betoogde meneer rustig: "we moeten hopen op den een of anderen wandelaar"....
"D'r wandelt niemand," huilde mevrouw nerveus: "dat weet je wel. We verhongeren honderd tegen één"....
"Eénig"...., haperde Amélie.
"'t Is waarachtig 'n beroerde zaak," rekende Pieter: "ééns in 't jaar, op koninginnefeest, wordt de vlag geheschen. Dat duurt nog wel 'n maand"....
"Misschien wordt 'r gauw iemand begraven," hoopte Amélie.
"God geve 't"--, sprak de heer Zwaluw geheel down: "we zijn als vlinders bij de lamp--we hebben onze vlerken geschroeid.... 't Is leelijk, heel leelijk. Zal 'k de acetyleen uit doen?"
"Nee," bitste mevrouw; "'k dank je voor je donker"....
"'t Is me eenige lichtvoorraad," sprak hij nadenkend; "anders zitten we morgennacht zonder iets" ...
"Mòrgennacht?"--schrikte mevrouw.
"Mòrgennacht?", zei ook Amélie, 'n weinig angstig.
"Natuurlijk," zei meneer: "'t Kan best twee, drie dagen duren. We zullen op _rantsoen_ moeten leven. Wat is 'r nog?"
"'n Halve bus sardines, pa, en de broodjes en de leverworst--de kouwe kip hou je niet goed"....
"Als je nou denkt," begon mevrouw onbekookt te ruziën: "dat 'k zoo volslagen gek zal zijn, om hier 'n páár dagen te blijven"....
"_Ik_ dwing je niet," zei Pieter gemoedelijk. Je kan geen ijzer met handen breken, noch van torens omlaag _stappen_.
"Pa, is 't u heusch ernst dat 't zóo lang kan duren?"
"Dat weet de hemel," zei meneer: "weken aneen komt hier geen levende ziel. En àls we verhongeren moeten, verhongeren we met mekaar--da's 'n troost."
Hij blies de acetyleenlamp uit. De sombere stemming versomberde, ofschoon de sterren lieflijk schenen en de stilte aanbiddelijk was.
"We zijn voorgoed ridikuul," snikte mevrouw.
"Da's 't minste," antwoordde hij poenig.
"'k Ben dood op."
"Ga liggen!"
"Liggen op die smerige planken? Voor geen goud!"
"Je zal wel moeten, kindlief. Wil je mijn jas hebben?"
"Nee," zei ze driftig: "'k verlang naar me bed!"
Zwijgend over mekaar, tusschen de donkere wallen van den toren, keken ze van de sterren naar de diepten terzij.
't Proper mane-sikje belichtte de zerken van 't kerkhof, de stompen der ruïne, de zware struiken. Geen schim-van-'n-geluid was te hooren. In 'n woestijn kon 't niet eenzamer.
"Eenig"...., begon Amélie weer, maar snel dat ophitsend woord verslikkend zei ze: "eenige troost is 'r, dat Kobus zal zóéken"....
"Dat zal-ie niet," viel pa 'r in de rede: "hij zal z'n mond houen"....
"En als 't te lang duurt, pa?"....
"Dan zal-ie nòg z'n mond houen."
"Dan is 't weer géén troost," zei Amélie geduldig 'r kippekluif hernemend, dien ze op 't servet in den steek had gelaten.
"Wat doe je?"--, vroeg Pieter streng.
"Kluiven, pa"....
"Geen gekluif, nou!"--, beval hij onrustig: "je hèb geen honger! Over 'n paar dagen bid je 'r om--op 't oogenblik heb je geen behoefte"....
"Da's waar," zei Amélie tam: "dan zal 'k den kluif dien ma strakkies weggesmeten heeft bij den _voorraad_ leggen"....
"Dank je voor je _lekkers_!"--, schimpte ma: "wat op die smérige planken bij 't vuil van vleermuizen gelegen heeft, raak 'k niet an. 'k Wil na me bèd, Piet--versta je, Piet?--'k Kan niet meer op me beenen staan"....
"Leg den kluif bij de rest," gebood meneer, ma's laatste klacht verwaarloozend: "we smijten daar met kluif! In Leiden, met de Spanjaarden, hebben ze 't met minder gedaan. Misschien snàk je de volgende week naar 'n levende vleermuis"....
"Eenig"--, fluisterde Amélie, die zoo'n romantisch geval met honger en dood op 'n torentje allerheerlijkst vond. Licht dat 'r in den naren, realistischen, materialistischen tijd nog wat echte Romantiek geboren werd.
"Eet jij levende vleermuizen, idioot"--schold mevrouw: "daar heb ik goddank geen opvoeding voor gehad"....
"Misschien heeft je vader erger dingen in de worst gedraaid," vroolijkte Pieter, probeerend z'n goed humeur te bewaren.
"Mijn vader heeft zijn vrouw tenminste niet op torens geplakt"--, zei mevrouw _hautain_.
"Nàcht," antwoordde hij, languit neder liggend: "ik zal 'r van nemen wat 'r van te halen valt."
"Dus ik moet wakker blijven?"--vroeg ze stroef.
"'r Is ruimte genoeg," lachte hij.
"Pa," zei Amélie nederhurkend: "we zitten als in 'n belegerde vesting"....
"Precies," geeuwde hij: "zoo heeft ook eens Jan van Schaffelaar gelegen--belegerd door _Perrol met de rooie hand_.--Da's 't pràchtigste boek dat 'k ken. As 'k weer thuis ben, zal 'k 't je moeder laten lezen"....
Denkend aan _De Schaapherder_ begon-ie te snurken.
Mevrouw in 'n hoek, den zakdoek om 'r hoofd voor de griezelige beesten--jammer dat ze geen rok had!--probeerde te slapen, schrikte telkens wakker, als 'n _vleermuis_ neerstreek.
Amélie, languit, de oogen geopend, keek naar de sterren, had moeite niet te neuriën. Pa's gesnurk verstoorde de idylle.
"Slaap u, ma-lief?"--vroeg ze ongerust over ma's lastige houding.
"Natuurlijk niet," snauwde ma.
"Ga u dan toch liggen."
"Nee, 'k ben vies van die planken."
"En als 't nou héúsch langer duurt--dat hou u toch niet vol!"
Wrokkend kwam mama naast 'r liggen en opnieuw zachtjes snikkend zei ze 'r hope en vreeze: "As de hemel maar geeft, dat 'r morgen iemand begráven wordt!"
"D'r is niemand ziek, ma."
"Dat weet je niet. Laten we 'r om _bidden_," nokte mevrouw Zwaluw.
Toen werd 't langzaam algeheel stil op het torenplat.
De maansikkel, hooger stevenend, bescheen drie menschelijke vormen, 'n aangebroken flesch wijn, 'n kroes, 'n open bus sardines, wat broodjes, 'n eind leverworst en bekloven kluiven.
Het was geen _schoon_ stilleven.
De ontruste, beroofde uilen en vleermuizen kringden angstig om 't gebeuren.
ZEVENDE KAPITTEL.
EEN TRAGISCHE DAG.
"Wee, wee, wee wie het weet! Melodieën van leed Omruischen me als regenvlagen: En roepen: Vergeet! Vergeet!"...
(Albert Verwey.)
"Ik weet niet waar ik sterven zal."
(Multatuli.)
"Wellicht zullen de dames het wel het aangenaamst blijven achten, om alleen huishoudelijken arbeid te doen"....
(Bijdragen tot den strijd over God, Eigendom en Familie, Mr. S. van Houten).
Nog nimmer had de uchtendstond zóó vroeg goud in den mond gehad.
Om vier uur, klaar-lichte dag, keek de heer Zwaluw, geel-gróen en verwezen, op z'n horloge.
't Ongeluk zette niet dadelijk in--althans mevrouw _sliep_, 't hoofd op den ballastzak van 'r verhavende machine.
Met 't pessimisme der on-uitgeslapenheid, keek-ie 't plateau af, dat er inderdaad onsmakelijk uit zag.
De planken, groenig beslagen, in de voegen verweerd, hadden bergen en dalen van wat 'r vróéger, gister nog _gehuisd_ had.
Hier en daar was 'n deel vermolmd, maar 't luik, pas vernieuwd en geteerd, lei zoo solide als de deur van 'n brandkast.
Zachjes loopend, keek-ie omlaag.
De kleinste diepte was zeker dertig, veertig meter.
Je kon je geen gemeener gevangenis fantaseeren.
De dood, honger óf 'n verlossende begrafenis--anders was 'r geen uitweg.
In elk geval, hij zou 't mogelijke doen.
Snel z'n jas uittrekkend, schoot-ie z'n overhemd over 't hoofd, bond een der mouwen aan de stang der vliegmachine. 'n Noodvlag die ze zouen begrijpen, als, àls, àls de een of ander, 'n bedelaar of landlooper voorbijkwam.
Er woei 'n zuidwesten-windje--de hemel leek druilig.
Het hemd flapperde, klepperde, wekte mevrouw en Amélie.
"Goeien morgen, pa--plezierig geslapen?"--, vroeg Amélie, goed-gehumeurd als altijd.
"Hoe komt dat hèmd daar?"--, vroeg mevrouw knorrig.
"'n Noodsein," lei meneer uit.
"Wil je ons nóg belachelijker maken dan we al zijn," kibbelde ma: "'n hemd zònder knoopies, 'n hemd vol olie van de sardines!"....
"Jij komt lekker an 't ontbijt," verweet hij, de omstandigheden vergetend.
"'t Ontbijt," schamperde mevrouw: "'k wou dat je me eerst waschwater bezorgde èn 'n tandborstel èn me _pasta_, 'n Vrouw die met jóú getrouwd is, wordt 'n _straatslijpster_"....
"Kind," sprak hij lief: "laten we 't leed opgewekt dragen. We zìjn nou eenmaal _gepiept_"....
'r Oogen keken 'm vernietigend aan. Geen kopje thee op 'r bèd, geen behoorlijk ontbijt, geen bad--thuis 'n schandaal zonder eind en 'n man die 'r pret in had van pièpen te blijven spreken.
"Ma wees u nou _gezellig_," suste Amélie: "u zal zien 'r wòrdt begraven. Als 'k 'n stoet zie ankomen, gil 'k 't uit!"
Gezellig zijn! Hoe kòn men 't woord over de lippen krijgen. Smeriger, afstootender uithoek was niet te bedenken. En op diè griezelige, kleverige _guano-belt_ had ze _geslápen_!....
[Illustratie: Aan de ééne zijde gaven het vijfde en zesde kapittel mij niet de _ontroering_, die men voor àlle kunst en zeer zeker voor die van _verluchting_ noodig heeft, aan de àndere zijde--dat sloeg den doorslag--verzocht mij de uitgever, eerst vriendelijk, daarna met besliste verbolgenheid, om een weinig te bedenken dat Holland geen land is voor een boek met véél clichés. In de nog vriendelijke bui, zeide hij: "Amice, op 'n vèl meer of minder, kijk 'k niet, omdat 'k bij de aanbiedingsreis toch 'n bepaald kwantum genoemd heb, maar zùlk 'n stortvloed van teekeningen is mij geen _vriendschappelijke daad_." In de verbolgen stemming werd hij echter gròf, en sprak: "Falkland, schei in 's hemelsnaam uit met dat _geknoei_, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost!" Alles tezamen genomen--ook bij de dièpste ontroering in dezen materiëelen tijd, moet men z'n connecties ter wille zijn--achtte ik het beter de vorige kapittels zònder schoone teekeningen te laten. Bij het hemd op den toren, het hemd zoo zwaar van tragiek als Oedipus' uitgestoken oogen, _moest_ 'k m'n emotie in m'n pen _storten_. Zelden, in mijn veelomvattende kennis der wereldliteratuur, sprak een manshemd van grooter noodlot, zelden heeft mijn teekenstift zwaarmoediger getrild dan in dit keeltoenijpend geval, zelden werd het floers voor m'n oogen troebeler, intenser dan bij dèze krabbel. De lezeres gelieve zich overigens de duizelingwekkende hoogte van 40 meter, welke de techniek van géén boek verdragen kan, nader _uit te meten._ Om den held van dit verhaal niet te blameeren, hecht ik er aan te verklaren, dat eerst toen 't cliché gereed was, mij de pijnlijke fout opviel van het _P. Z. 12._ Een zoo gedistingeerd heer, met 'n villa, 'n auto, electrisch licht enz., heeft méér dan twaalf overhemden. 'k Kan deze fout in de teekening alleen verontschuldigen, door de bewogenheid van 'n gemoed bij het _inleven_ in de stemming....
S. F.]
"Pièt," dolk-stak mevrouw--in paroxysme van ijskoud-gehouden verontwaardiging, staken waarlijk 'r _Piet_-en als dòlken--"Piet, je maakt dat 'k van jóúw smerigen toren kom--en onmiddellijk--anders besterf 'k 't--kan je me als _lijk_ na benejen brengen."
"In godesnaam," zei-ie geduldig.
't Geval bracht vanzelf mee, dat je 'n boel moest slikken en kroppen.