Gevleugelde Daden: Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers

Chapter 4

Chapter 43,520 wordsPublic domain

Voor geen goud had ze in 't _donker_ geslapen. Schijnbaar wakker, telkens met àndere onrustige droomen, snurkte ze er op los. 't Kaarsje knetterde, dee 't papier opvlammen--'t papier begon te spelen met 't bedgordijn.... Op dat moment geschiedden twee wonderen--Chris schrikte wakker, vloog (figuurlijk) naar het raam--en een pruimende politieagent passeerde. Chris gilde het woordje "brand!" en het driehonderd-zevend alarm doorklaagde het dorp, terwijl Chris, weder teruggevlogen (figuurlijk), het bedgordijn afrukte en vol tegenwoordigheid van geest in een deken begroef.

"'t Is al gedaan!", schreeuwde ze weer uit het raam.

Maar men speelt niet met vuur en nog minder met een nieuwe, met rood-koper gemonteerde spuit, die nog nimmer _in_ 't vuur is geweest.

De brandhoorns joegen paarse klachten door 't dorp--dreunende voetstappen bedaverden de keien--de gebeurtenis wàs er.

In nog geen vijf minuten werkte spuit I, werden de toegangen tot de Zwaluw-villa afgezet, klommen _rappe_ gasten in Chris' kamer.

Er was een geparfumeerde brandlucht--er _smeulde_--er wérd gespoten.

De Burgemeester, hoofd van de Brandweer, met al de wethouders, was ter plaatse.

Met een rooden bandelier om de borst, beklom hij de logeerkamer en nou-ie 'r ambtshalve was, ambtshalve róók, ambtshalve uit z'n bed was gehaald na een vermoeienden dag van trouwplechtigheden en raadsvergadering over-rioleerings-klachten, nou most-ie ook ambtshalve proces-verbaal opmaken en beval den eigenaar te wekken.

Chris, heelemaal gerust door zóóveel mannen met _bijlen_ in de omgeving, alleen bang voor 'n geweldigen uitbrander, ging naar boven, klopte.

Geen geluid.

Geen van de slaapkamers gaf antwoord en Kobus' bed was ònbeslapen.

Doodelijk-bleek strompelde Chris de trappen terug, doodelijk-bleek werd de burgemeester, bij 't angstig vermoeden dat de familie boven door den rook was _gestikt_.

Zulk een gruwelijk gebeuren had de plaats nog nimmer beleefd.

Bij 'n verbrande koe bij van Galen en 'n dooie kanarie bij Germs--zwak binnenbrandje, drie jaar geleden--was 't gebleven.

Dit, die zwijgenis in de slaapkamers van drie _notabelen_ en van _een_ ondergeschikte, gaf 'n afschuwelijk vermoeden.

Vergezeld van twee politieagenten, een wethouder en den gemeente-geneesheer, die spuitmeester van spuit I was, besteeg-ie de trappen, klopte, nog eens en opende de deuren. Zoet droomleven van kuischblanke bedden, onbelegde nachtkastjes, geordende stoelen.

"Dan is de familie uit," zei de burgervader met een _ontprangde_ borst.

"Nee," huilde Chris, "de buitendeur is op de grendels...."

"Onmogelijk," sprak het hoofd der gemeente, doch dalend in de gang beneden, zag-ie met de twee politieagenten, met den wethouder, met den gemeente-geneesheer dat het Amerikaansch slot was gesloten, dat de ketting in de haken rustte.

"Vreemd"--, zei de burgemeester, na eene stilte.

"Angstig"--, sprak de dokter.

Nog eens gingen ze gezamenlijk omhoog, elke kamer door-snuffelend, elke kast openend, tot aan den zolder toe. Daar vonden ze Kobus in 'n hoek op 'n matras.

"Bedwelmd--zònderling," zei de dokter, den pols van den bediende aanvattend.

Kobus werd wakker.

"Wat is 'r? Wat mot je?"--, zei-ie slaap-verschrikt.

"Wat doe je hièr? Waarom lig je niet te bed?"--, vroeg de burgemeester gestreng.

"Dat weet 'k niet," zei Kobus onnoozel.

"En waar is de familie?" drong de burgemeester aan: "'r is beneden _uitslaande brand_ geweest!"

"De Familie," hakkelde Kobus, zich in z'n slaapdronkenheid verpratend--de afspraak was dat ze tegen 't dakraam zouen klòppen--"de familie is _gevlogen_..."

"Gevlogen!--," schrikte de burgemeester, "waarom gevlogen?"

"Dat weet 'k niet," zei Kobus nog eens.

"De vent is dronken," veronderstelde de dokter.

"Maar ze moeten toch èrgens zijn," redeneerde de burgemeester: "'t is 'n lamme, vèrdàchte historie--bijzonder verdacht."

Terwijl dit _detective-story_-geraas de rust van _Casa Cara_ benéden de dak-spinten aan scherven smeet, fladderden de _Zwaluwen_ in wijde cirkels om 't overrompeld nest.

Meneer peddelde opgewonden-vloekend, de gemeenste scheldwoorden neerknettrend op de hoofden der Brandweer.

Mevrouw, bek-af, hijgend als in 'n tredmolen, had al 'n paar maal op 't dak van de dorpsschool gerust, maar de wind, lang niet dociel, maakte 't zitje ongenietlijk en de goten walmden luchtjes om wee van te worden. 'n Schande zooals overal de goten verwaarloosd waren--de meiden leegden 'r àlles in--haardotten kleèfden aan je bottines--'n tiendubbele schànde!

Amélie, die 't geval _éénig_, om te zoenen vond, die wel den heelen nacht had willen _trainen_, gedragen op de vleuglen van geestdrift en ambitie, liet pa vloeken en ma blazen.

Kalmpjes achterblijvend of klepperend in 'n andere richting, neuriede ze sentimenteel-verliefd toepasselijke liedjes.... "Auf Flüglen des Gesanges, Herzliebchen trag' ich dich fort"--of "Ich wollt' ich wär' ein Vögelein...."--of "Klein vogelijn op groenen tak...."

"Hou op met je gezeur!"--, gromde meneer, "zing als we in hùis terug zijn!"

Dan zweeg ze even, tot 'r 'n nieuw Hemel-ruim-gezang inviel en ze plots tot 'r allerprettigste verbazing hèt Lied voor de situatie te pakken kreeg.

Langzaam, op de maat peddelend, bleef ze in één dreun voortneuriën: "Zwaluw, hóóg in de lucht--waarheen is uw vlùùùùùcht!".... Ad-rem-mer kon 't niet. 't Scheen zoo aan het lijf der familie gedicht. Langs de schoorsteenen rondom, over de daken rondom, tusschen de boomen rondom, onder de knikkelende sterren rondom, fladderde ze luchtig als 'n veertje, zich niets aantrekkend--hemeltjelief, pa was naar àlle kanten geassureerd!--en zong 't lied met z'n stijgende bekoring "....Zwaluw, hoog in de lùùùùùùùcht...."

Ze werd heelemaal dartel, uitgelaten als 'n kwajongen.

Als 'r in 't wolkenruim schelknoppen geweest waren, zou ze 'r pret in fopschellen gezocht hebben. Dat ging helaas niet. Veel baldadigheid viel 'r in de eenzaamheid niet te bedrijven. Hoogstens kon ze wat peerdrupsjes naar de menigte benee meppen--'t heele toetje waagde ze 'r an, maar niemand die 't bij de sterren zocht.

Toen probeerde ze nog even op 'n telephoon-draad te loopen, netjes 'r voeten spitsend, vlug als Blondin, tot de draad knapte en met den knal van 'n champagnekurk in krullen flapte.

"Kind," zeide ma, thans werklijk uit 'r humeur: "je stelt je an als 'n kwáje meid!"

"Ma, neem u alles zoo zwaar niet op!", lachte Amélie en weer voort-peddelend, haalde ze als 'n nachtegaal uit: "Zwalùùùùùw hoog in de lùùùùcht..."

't Werd dik halftwee eer de nieuwe spuit I met de romaneske toortsen afzakte, eer de burgemeester het logeerkamer-raam eigenhandig toebonsde.

Nog was de bons niet verstorven of Kobus smeet 't zoldervenster open.

"Wat is 'r gebeurd?"--, bulderde meneer, hartstochtelijk binnen-vliegend.

Mevrouw te op, streek op de drooglatten, hijgend op flauw-vallen toe.

Koorts-haastig vertelde Kobus van 't brandje, van den burgemeester, den geneesheer-spuitmeester, de binnenwaarts gegrendelde deur.

En zelfs Amélie werd nu ernstig. Weken 'n geheim te bewaren en op zoo'n ongelukkige manier tegen de lamp aan te vliegen, waarlijk te vliègen, dat was wel 't miserabelste wat je je denken kon.

Kobus, bleek-geeuwerig, hielp de draagriemen afsnoeren, zette 't laddertje tegen de droogstokken voor mevrouw.

"Die ellendige Chris....," radde mevrouw 'r toorn-aanloopje nemend. Ze zweeg in luistring en allen luisterden. Buiten, in de lieve Ruimte die ze pas verlaten hadden, begon de dorpstoren z'n vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen nou 't gedaan was.

"Die ellendige ouwe suffer," zeide mevrouw nog eens en wéer hield ze op met 'n kermend angstgilletje. Want nou Kobus 'r vliegmachine onttakelde, zag ze op een der vleugels 'n leelijken, dikken, zwart-kriebelenden nachtuil, die met z'n eenen poot in 't aluminium-parallelogram verward zat. Spinnekoppen en die schuw-enge beesten, daar was ze als de dood voor.

"Je eerste vàngst in de lucht," glimlachte meneer tegen den ernst der situatie in: "zoo zou je waarachtig kunnen jágen, kind...."

"Maak geen gekheid," zeide mevrouw in diepste moeheid, geprikkeld, en zéer onder den duisteren indruk der klokketonen: "'k zeg 'r dadelijk de dienst op."

Driftig liep ze de trap af, beklopte de deur der logeerkamer.

"Wie daar?"--, vroeg Chris, met kroppende angst-mannestem.

"Ik! Mevrouw! Doe open!"

Chris zat op bij 'r kaars--'n nieuwe--die wild-wapperend week op den tocht der deur, daar ze voor alle veiligheid 't raam weer had opgeschoven, wachtend op de vreemdverdwenen familie.

Meneer, Amélie, Kobus, 't heele huishouden trad binnen.

"Wat heb je in 's hemelsnaam voor gekke streken uitgehaald?"--, driftigde mevrouw: "je kan mòrgen...."

Voor de derde maal in 'r discours werd ze gestoord.

Chris, achteruitdeinzend naar 't open raam, 't raam met z'n geweld van brandalarm-klokkeslagen, snerpte 'n fel-fluitenden gil. Want de familie zoo inééns uit de lucht gevallen en mevrouw en de juffrouw met ouwe broeken van meneer an--dat was nou is geen nachtmerrie, maar een alleronfatsoendelijkste werkelijkheid.

[Illustratie: Dit is de klok, de klok van den dorpstoren, die alweder volgens den auteur: "z'n vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen begon, nou 't gedaan was." 'n Niet-deskundige --en helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren--'n niet-vakman zal bij geen benadering kunnen beseffen hoe de illustrator bij het _scheppen_ dezer _intellectueele_ teekening, getrild, gezwoegd, getranspireerd en geleden heeft. Ofschoon men over die _struggles_ zwijgt, gevoel ik mij toch gedrongen te verklaren, dat 'k mijn klok en mijn klepel _vièrmaal_ opnieuw in studie gezet heb, voor 'k eenige artistieke zelfvoldoening smaakte. "Ornamentiek", spreekt _Walter Crane_, dien 'k vroeger reeds citeerde: "is geen wis- of meetkunde, maar er bestaat voor ornament een zekere logica van lijn en kleur, die, gegeven zekere fondamenteele vormen, bepaalde noodzakelijke gevolgen eischt".... Bij het schetsen van mijn klok en het in beeld zetten van een _vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen_, gewerd mij de gelukkige ingeving dat alarm te _symboliseeren_. En daar in 't algemeen het groote publiek, hoe verlekkerd 't ook op symbolen is, eene verklaring noodig heeft--alleruitnemendst zorgt hiervoor de Heer Van Logchem op de programma's der "Koninklijke Vereeniging"--haast ik mij der lezeres te verzoeken de _golvingen van ontzetting_ (angstig brand-alarm), die uit het lichaam van mijn klok over 't slapend dorp dreunen en klotsen, nader en met aandacht te aanschouwen. Immers de kunstschepping _ook van terzijde_ bekijkend, zal men ontwaren--en zulks duidelijker dan bij _Jan Toorop_, die er raak op los baant--dat mijne onthutsings-banen, nood-banen, angst-banen, haren-te-bergen-folterende banen, in haar slingeringen en woeste beukingen een oneindige reeks!!!!!!!!!! en een nog oneindiger reeks?????????? bevatten. Kan men een _angstig_ alarm, gruwelijker symboliseeren dan met!! en met??... Zoo is het leven, wreed, rauw, vraag en roep. S. F.]

"Wat gil je, krankzinnig mensch!", vloekte meneer.

"Mevrouw loopt in 'n bróek!", klaag-huilde Chris.

In de hitte der vuurlooze gebeurtenis hadden ze allen 't sportkostuum vergeten en in de nieuwe hitte van diè ontdekking werden ze nòg verrast door 't hoofd van 'n politieagent, die over 't kozijn keek en met _gezag_ an z'n snor draaide.

"Is 't weer gaan smeulen?"--, vroeg-ie vluchtig aantikkend.

"Nee! Donder op!", vlàmde meneer.

"Waarom gilt die meid dan zoo?", redeneerde de agent: "en hoe kom u 't huis binnen? 'k Ben op order van de burgemeester niet van de deur geweken--dat mot 'k verantwoorden...."

"We zijn àchter binnen gekomen," loog Pieter Zwaluw, driest 'n achter fantaseerend dat niet aan 't huis was.

"Zoo," zei de agent, "dan is 't goed--dan is 't goed." Weer tikte-die aan, tegelijk wenkbrauwfronzend naar mevrouw en de juffrouw in de mansbroeken kijkend. De burgemeester had gelijk. D'r gebeurden schunnige dingen in 't huis--as ze 's nachts halftwee door 'n achter dat geen achter was binnenkwamen en as de vrouwspersonen gebroekt liepen. Hij zou 't rapporteeren.

"Hier heb je 'n gulden," praatte meneer, die 't oogenloeren gezien had, erg lief van toon.

"Dank u," zei de agent achterdochtig

Z'n zware spijkerstappen dreunden heen in de stilte van schrik-geslagenheid en somber klokgezweef.

Even was het in gebaar en klank, 't innerlijkst wezen van 'n drama vlak voor de pauze, als de menschen 't hèbben moeten.

Toen werd van alle zijden op arme Chris losgerammeid, de nul van 'n meid, de sukkel die 'n deftige familie op de tong bracht, de stommerik die niet begrijpen kon, dat meneer en mevrouw en de juffrouw 'n _luchtje geschept_ hadden, wat Kobus bezwoer....

Boven liep meneer verwoed op en neer. De torenklok bimde, bamde over 't al slapend dorp. Elke klepelslag gromde 't schandaal heftiger in de gemoederen, dee de brandblusschers langer napraten. Je zou zoo 't raam uitvliegen om den kippigen vent, die nog wel 'n uur an 't touw zou trekken, te waarschuwen. Heel kort had-ie den inval om den burgemeester telephonisch op te schellen. Hij zou z'n praatje wel maken, brutaal liegen dat ze hier of daar waren geweest. Jawel! 'n Ongeluk komt nooit alleen. Natuurlijk had Amélie juist den draad van _Casa Cara_ stuk geloopen--de kwáje meid--de onnadenkende.

's Nachts twee, ruzieden ze nog bij 't plechtig gebeier buiten. En eerst te bed, 'n weinig bekomen van zooveel avontuur in-eens, hervonden ze kalmte, uitvluchten, rust en droomen.

Meneer bouwde 'n stevig leugenstel, met z'n vrouw, z'n dochter en Kobus als getuigen.

[Illustratie: ...., zijnde A. de Fuik--B., de heer P. E. Zwaluw van ònder--C. D. en E, schoorsteenen, de rest _vliegend, in doodschrik opgejaagd gedierte_. Kon 'k bij vroegere illustraties inspiratie bij de _werkelijkheid_ zoeken, hetzij een glas, hetzij een dak van 'n overbuur, hetzij den staart van 'n kat, hetzij het nachtkastje uit m'n slaapkamer, hetzij zelfs 'n vergroote huisschel, tot actief voorbeeld stellen--de benauwde droom van mevrouw Zwaluw, met 't gezwerm van wilde eenden, spreeuwen en lijsters, deed een wanhopig beroep op de _fantasie_ van den teekenaar. Door op den laten nacht zwáár te eten, heb 'k getracht mijzelven eene nachtmerrie van gelijke woekerende draagkracht te bezorgen. Zònder gevolg. Eten op den nacht pleegt me goed te bekomen. Onmiddelijk na 't koel ochtendbad, heb 'k mij op dezen fantasie-arbeid geworpen--met een waarlijk gunstig resultaat. Men gelieve wilde eenden, spreeuwen, lijsters enz. _naar eigen lust te herkennen_. En wie zich geroepen voelt over dit inspannend werk te smalen of er afkeurend over te spreken, die beproeve het zèlf met fantasie en _Neelmeijer_. Ja, voorwaar! Er is niet één proza-kunstenaar binnen de grenzen van dit land, die mij in gedrochtlijke teeken-fantasie benadert of overtreft. Ook dat is een maatstaf. S. F.]

Mevrouw dróómde benauwd en hideus. De nachtuil zat 'r dwars. Ze vloog door de Ruimte, opgehitst door kol-oogende vleermuizen en uilen--'r man voor 'r uit was op de jàcht. Die trok 'n fuik achter zich aan, al maar peddelend en klepprend--de fuik vulde zich met wilde eenden, spreeuwen, lijsters--'t werd 'n zoo raak geschreeuw en gekakel van gevangen, spartelende vogels, dat ze stikkend opstutte en moeite had 't nachtkastje met 't oliepitje en meneer's revolver te herkennen. Uitgeput sliep ze in, droomde nòg eens van de vreemde, beangstigende jacht boven de schoorsteenen....

Amélie, met de onbezonnenheid van jeugd, lei gelukzalig te glimlachen. Als ze 'r oogen sloot, vloog ze nog, voelde ze de suizing van den wind, zag de boomtoppen en daken in glijding vervloeien. De handen gevouwen onder 't hoofd, poogde ze 't hééle lied van de zwaluwen uit de lang geleden dagen der Zwaanssteeg te reconstrueeren, 't lied waarvan ze den metrischen vorm lichtlijk vergeten was. Zachtjes-dommelend neuriede ze 't nog, 't héérlijk vers, eens in achterbuurten ver-hartjesdagd en verhanseld, 't vers dat zin en poëzie begon te krijgen: "...Zwaluw... waarheen is uw vlucht?... Hóóóóóg in de lúúúúcht!.... Moedig langs bergen en dalen.... Waar 'k mijn voedsel mot hàààààààlèèèèèèè!.... Zwaluw waarheen is uw vlucht?.... Hóóóóóg in de lucht!...."

Half drie sliep _Casa Cara_ algeheel, zelfs Chris, die de emotie van mevrouw en de juffrouw-in-mansbroek versnurkte.

De laatste slagen der torenklok stierven in angstige klaging....

VIJFDE KAPITTEL.

STOORNIS IN DE ATMOSFEER.

"Wat is er van den nacht, O Wachter! welk een dag wordt aan de kim verwacht!"

(Isaäc da Costa.)

De eerste dagen bleef de familie hokvast, honkvast.

Veel besproken in 't dorp, was de verstandigste tactiek 't gekakel te laten _bezinken_. De burgemeester, die ambtshalve op bezoek was geweest, had 'n allerzonderlingste verklaring geslikt, 'n verklaring die positief _verdacht_ scheen, doch waaraan je niet _officieel_ kon twijfelen, omdat je 'n zoo duistere zaak van _verdwenen_ menschen, die plots met _broeken_ aan (rapport van 'n betrouwbaar brigadier) terug waren gekeerd, niet een-twee-drie òntduisteren kon en daarenboven het feit dat de familie nièt _gestikt_ was, op zich zelf eene publieke verheugenis werd.

Het weer hielp 'n handje mee, om de aandacht te verplaatsen. 'n Allergeweldigste storm stak op, twee dagen, drie nachten. Voor 't stadhuis werd 'n boom ontworteld, 't regende dakpannen, drie-kwart van de straatlantaarns woei stuk.

Die _ontzettingen_ deeën de menschen thuis blijven en achter damp-bleeke ruiten over ongelukken en akeligheden praten.

't Brandje bij de _Zwaluws_ raakte op den achtergrond--de _Zwaluws_ zelf vertoonden zich niet.

's Avonds in de leuke huiskamer, ná 't eten, bespraken ze 't gebeurde en de toekomst. De wind omgierde de villa, floot joelend en dreigend, brak takken, dee de behangselwanden golven. 'n Uitgezocht weer voor luchtpeddelaars om te schuilen als de vogels--en kostelijk te praten.

Mevrouw, eenigszins vermoeid, met spierpijnen in de kuiten en 'n niet malsche verkoudheid--te bezweet had ze op 't tochtig schooldak gerust--luisterde half--meneer, versch van optimisme, zei _clairvoyante_ dingen bij 'n globe, die-ie door Kobus uit de stad had laten halen. Want nou je de verrukkingen van 't Heelal wist, nou je niet langer aan voetpaden en klinkers gebonden was, nou 't ongekend terrein van planeten en melkweg voor je open lag, nou diende je de aarde een weinig _en gros_ te aanschouwen.

"Zie je, Amélie," zei-die in klare gedragenheid, z'n pink op Holland leggend: "as je van Amsterdam links in de Ruimte peddelt, krijg je eerst Engeland, dan Ierland, dan de Atlantische Oceaan, dan Canada, dan de Stille Oceaan, dan Japan, dan China, dan Perzië, dan Turkije en over Duitschland kom je weer thúis. De reis om de wereld in tachtig dagen! Abah! Niks meer waard! 'k Neem aan van de Noordpool naar de Zuidpool te peddelen in 'n rèchte lijn, zonder 'n haperingetje--van Spitsbergen over Finland naar Griekenland, van Griekenland over Tripolis naar de Congo en over Kaapstad naar de àndere pool."

"Dat doe jìj dan maar alléén," zei mevrouw nuchter, met water-beloopen oogjens: "'k heb van me toer òm 't huis zat genoeg"....

"Dan toer jij ìn huis," antwoordde Piet; "je hoeft ook niet òveral mee"....

"Dat zit," zeide mevrouw ordinair: "as jij alléén van de Noordpool na de Zuidpool gaat, kijk je an de Noordpool en an de Zuidpool enkel de zòlderkamers binnen--net as vooreergister--of 'k 't niet gemòrken heb! 'k Stop me oogen in me zak!"....

Meneer ontweek de hatelijkheid.

'n Vrouw blééf vrouw. 't Leven kon zich tot in verfijning moderniseeren, wonderlijk stijgen van Trekschuit naar Vliegmachien en 'n vrouw maakte die wereld-schokkingen als 'n _grùtter_ mee.

Hoe kòn men an 't áárde-ding zòlderkamer denken, als de bevleugelde geest (_l'esprit ailé_) den aardbòl omspande.

Nooit had ze 'm _begrepen_--nooit grétig meegewild. Bij 't vertimmeren der pui, na vader's dood, toen zijn idee de _Charcuterie hollandaise_ tot eene moderne zaak had geheven, was ze vol kleine, zure bezwaren geweest.

Vandaag, bij de globe, vandaag omringd door Mercurius, Mars, Venus, Uranus, Neptunus, Saturnus, Jupiter en de millioenen andere glimgelegenheden des hemels, vandaag, nu zijn arendsblik den afstand van Amsterdam naar Java mat, nu 't 'm als 't weten-des-doods zoo rijp werd, dat voortaan geen hollandsche regeering stapel genoeg zou zijn om kolonialen via langzame schuiten naar Atjeh te zenden--vandaag ging 'r opnieuw de dompende benauwenis van het _niet begrijpen_ van haar uit.

In de eerste huwelijksjaren, als alle groene echtgenooten, zou-ie zijn opgevlogen (figuurlijk)--nu, eenigszins meelijdend, zei-ie ingehouden:

...."Kind, wees niet zoo _klein_! De heele wereld ligt voor ons open en jij kijkt naar goten en dáken! Je snapt nog maar hàlf welke gróótste revolutie los gaat barsten"....

Starend, als 'n ziener, 'n verklarend profeet gelijk, dronk-ie van 't héét avondgrogje, dat Amélie klaar had gemaakt (zie óók illustratie op blz. 28).

"Gesteld," sprak-ie, met de lippen smakkelend: "gesteld dat over twintig jaar iedereen vliegt, zooals nou ièdereen fietst--over twintig jaar huur je zoo goed vliegmachines als nou fietsen--over twintig jaar krijg je rechtszaken over gegapte vleugels--gesteld dat wij dan nog gezònd mee kunnen doen, ouwetje, dan zul je je oogen niet gelooven"....

Weer wees z'n wijsvinger 'n rechte lijn op de globe, weer gaf-ie z'n _geniale_ invallen....: "Reken is an--hièr, die bleeke broodkruimel, da's Holland--en daar bij den staart van Engelsch-Indië heb je òns Sumatra, òns Java, òns Borneo. Wat hebben we daaran tot vandaag toe gehad? Geen sikkepit! Zes, zeven weken noodig, telkens, om 'r mannetjes heen te zenden! 't Kanaal van Suez kun je voor mijn part laten verzanden. Geef 't heele dappere hollandsche leger vliegmachines en we peddelen _linea recta_ over Duitschland en de Zwarte Zee, over Perzië, Hindoestan en de baai van Bengalen naar onze Oost. Wat? Subliem! Ja, daar trek jij noù malle gezichten bij! Haha! Zoo zeker as tweemaal twee vier krijgen we naàst 'n spoorbrigade--wat 'n fameuze kerel, die Kuyper!--tientallen regimenten _Vliegende kolonialen_. Dan is 't uit in Atjeh, radikaal uit. Laten de vlerken maar in de bergen vluchten--wij vliegen bòven de bergen en tracteeren ze op dynamiet-bommen! Omgekeerd: reken is an, denk is na, nee val me nou niet in de rede--òmgekeerd, as de Duitschers voor de waterlinie liggen, zenden we op ons dooie gemak 'n draadloos telegram na Batavia en eer ze d'r op verdacht zijn, rukken onze Indische regimenten aan, door de lucht, in gesloten gelederen--door de lucht--door de gòddelijke lucht,...."

Z'n zienende oogen staarden in 't electrisch licht, z'n wangen plooiden zacht van glimlach.

"Pa," zeide Amélie bescheiden: "maar als de Atjehers en de Duitschers tegen dien tijd òòk vliegen--wat dan?"

"Dan," zei Pieter Zwaluw; "dan krijg je in de wolken vèld--nee, vèld kun je dàn niet meer zeggen--dan krijg je wòlkslagen--zooals in de oude tijden màn tegen màn--de zware kanonnen moeten ze benejen laten en met 'n geweer doe je niet veel, als je vliegt. In elk geval wij kunnen de andere volken vóór zijn--dat zal van de regeering, 't verlicht gouvernement afhangen"....

"En als de Engelschen vliegmachines in Atjeh binnensmokkelen," droomde Amélie.