Gevleugelde Daden: Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers
Chapter 3
"En als 'k nou vijf en twintig meter bóven z'n dak, maar toch òp z'n terrein ben," hield de gastheer aan, heelemaal nerveus door 't ooggeknipper van mevrouw en van Amélie die bang waren dat-ie zich zou verpraten, dat-ie 't ongelooflijk zolder-geheim zou verklappen: "als 'k dertig, veertig meter bòven z'n park...."
"Als u dàt," lachte de advocaat: als u dàt doet is u 'n vogeltje geworden en mag u redeneeren dat u zoo vrij is als 'n vogel in de lucht...."
"Je neemt me niet _au sérieux_," klaagde Pieter.
"Uw man is van avond wel in de wolken," ginnegapte de advocaat: "ik heb liever vasten grond onder mijn voeten, mevrouw...."
Verder drong Pieter niet aan. De dingen tè zwaar-tillend opnemen was verkeerd en als je logisch dacht, kon niemand protesteeren tegen 't vrije veld, de onbeboetbare Ruimte van ooievaar, leeuwrik-musch en spreeuw. De struisvogel, vastgebakken aan de aarde, was 'n mispunterig dier....
Jans werd op reis gezonden, Chris moest verkameren. Nu de vliegmachines voor mevrouw en Amélie, per nieuwe dépêche besteld, óok waren aangekomen en geprobeerd, diende 't dak òveral vrij te zijn. Langs en over de pannen te scharrelen met meidenkamers vlak bij, daar dankte je voor, en vooral die stomme Chris moest 'r buiten blijven. 'n Braaf mensch, 'n uitstekende meid, maar zoo'n gans, zoo'n èchte ezelskop--die plapperde 'r alles uit an de dienstboden van de Spaarns en de Leurings. Die éérste avond op 't dak was 'n feest, 'n ontspanning als ze nog nooit hadden gehad. Mevrouw en Amélie, beiden met verknipte ouwe broeken van meneer aan--dames-vliegtoestellen waren er niet. zouden er waarschijnlijk nooit komen, omdat rokken te veel tegenstand boden en onvoegzaam werden--mevrouw en Amélie door 't dolle heen, nu ze een paar keeren den zolder beklapwiekt hadden, hunker-oogden meneer na, die al een kwartier om 't dak was gevlogen. Tweemaal aan de achterzij van 't huis, waar de buren licht-loos waren, had-ie zich zich snel laten dalen, drijvend op de parachute. Dan weer opwaarts peddelend, proestend van pleizier herstapte hij in de goot naar het dakraam, buiten adem z'n sentaties vertellend:
[Illustratie: De uitnemende teekening illustreert den zin: "Dan weer opwaarts peddelend, proestend van plezier, her-stapte hij in de goot naar het dakraam, buiten adem z'n sensaties vertellend...." De heer P. E. Zwaluw, dien een te heetbloedig lezer te vergeefs zal zoeken, bevindt zich _achter den voorsten schoorsteen_. De beeldende kunstenaar zag er tegen op, het _opwaarts peddelen_, het _proesten_, het _herstappen_, het _buiten adem sensaties vertellen_ en dat alles bij het zwakke licht der maansikkel (A), Eerste kwartier, in _platte_ realiteit weer te geven. Niettegenstaande hij een nieuwe pen gebruikte, had hij wederom last van haartjes. Vandaar de _harige_ maansikkel, waar een _nimbus_ de fantasie hanteerde. Overigens _doet_ het daken-aspect 't voortreffelijk. Als ik me als auteur niet zoo deerlijk geblameerd had, werd 'k--o droevig, verloren talent!--daken-, goten- en schoorsteen-schilder. 't Genre ligt braak. S. F.]
"Kinderen--'t is over 't goddelijke heen. Kinderen, daar haalt niks bij!" Extatisch hield-ie zich in evenwicht aan de stang van den schoorsteen (onzichtbaar). 't Maanlicht beglansde de aluminiumlatten der vleugels.
"Is 't niet ijzig, pa, als je in zóó'n diepte zakt?", vroeg Amélie, zachtjes trappelend op raamshoogte.
"IJzig!", zei hij: "'t goddelijke is dat je niks ziet, niks voelt. Je droomt!"
Met, te vurig van genietings-gebaar, trapte hij een pan van het dak, de eerste die donder-reutelend Chris zou opschrikken.
Noch mevrouw, noch Amélie letten 't op. Zig-zaggend over den zolder, eenigszins geëmancipeerd in de vreemdlijk-heupende mansbroeken, met de te wijde pijpen, vleugel-klepperden ze in driftkoorts.
En toen ze eindlijk òp 't dak mochten, en meneer in de scheemring als 'n monsterdier zagen vliegen óver de schoorsteenen en óver de linksche dakspitsing heen, meneer die lustig 'n _Henry Clay_ rookte, alsof-ie 'n wandelingetje maakte--toen ze de ongewoonheid van goten en dakpannen en diepten te boven waren, werden ze zóó opgewonden, zoo vliegbezeten, dat meneer ze kalmeeren moest en meerdere dakpannen omlaag roffelden, met het resultaat dat Chris in 'r nachttoilet en Kobus met het mes in z'n hand, juffrouw Amélie's eersten tocht rond het dak verrasten.
"Pa!", riep Amélie, nog nalachend, "Chris en Kobus kijken uit 't dakraam!"
In 'n oogwenk kwamen meneer en mevrouw aangevlogen.
"Wat doen jullie hièr!", bulderde meneer voor het dakraam zwevend.
"Chris, dat's toch werkelijk _onnet_," sprak mevrouw bedaard-aanpeddelend.
"Na bed en je mond houen!", schreeuwde meneer. Hij had ook wel gemoedelijker kunnen praten, want Chris, de ouwe meid, te zeer besprongen door de nachtmerrie van vliegende mensch-beesten, dozijnen vleugels en 't akelig-grinnekend maansikkeltje, zakte in mekaar, en Kobus, met koud-gespannen haren en 'n hart dat te bersten klopte, holde 't kamertje uit, de trappen af, in één zet door, tot-ie in 't sousterrein achter de gesloten deur in de dekengrot een schuilplaats had.
VIERDE KAPITTEL.
DE VILLA WORDT BERUCHT.
"En hij voelde een groot, groot verlangen, om met zijne vrouw en zijne dochter op te gaan in die groote, oneindige schoonheid der werelden, onbewust als de witte wolken boven zijn hoofd, als de zachte, wijd-deinende ademen van de zee...."
(Het Zusje, Henri Borel).
"Roth wie Blut, ist der Himmel; Das ist nicht des Tages Gluth."
(Schiller.)
Met azijn en veel water brachten ze Chris bij. 't Duurde 'n heele poos. 'n Scheut in 'r nek hielp 't best. Suf, waarlijk wezenloos zat de meid op 'r bed, 't haarstaartje zwart van vocht.
"Chris," zeide meneer, "'t spijt ons wel dat je zoo geschrikt ben--we hebben gèvlógen."
"Chris, meid," sprak mevrouw, "we deeën ons eerste toertje...."
"Toe nou, Chris--bederf 't tochtje niet," zei juffrouw Amélie.
Chris, nattig na-glimmend, met natte nekharen, natte slapen, Chris, zurig riekend als 'n gemarioneerde haring--'t heele azijnfleschje uit 't stel was aan 'r verbruikt--wreef angstig de handen, zei enkel maar suffig en hardnekkig:
"....'k Hei zoo benauwd van bééste gedroomd...."
"Niet waar!", viel meneer haar in de rede, "we hebben gevlogen--we zijn de éérste vliegers in Holland...."
De meid luisterde nauwlijks naar 't onwijs gewauwel.
"Chris," drong meneer aan: "je heb gezien wat je nièt mocht zien--als je je mond houdt, geen sterveling wat zegt, krijg je de volgende maand vijf-en-twintig gulden van me--verstaan?"
"O, lieve God, meneer--'k hei zoo vreeselijk gedroomd--'k hei zulke schrikkelijke dinge gezien."
"Je heb nièt gedroomd, Chrislief," praatte mevrouw ongeduldig-vriendelijk, "_wij_ waren in de goot...."
"Heusch Chris--ik vloog om 't huis," bevestigde Amélie.
Chris keek ze verdwaasd aan. Het klonk nog alles zóo in harmonie met 'r nachtmerrie van _gedrochten_ bij 't raam, dat ze 'r arm oud hoofd, niet geschikt voor derglijke moderne stoornissen, in de handen lei en 'r op los begon te snikken. Meneer en mevrouw en de juffrouw moste 't 'r niet kwalijk neme--ze was heelemaal onderste boven--ze zou morgen na 'n dokter gaan--ze had zóo akelig, zóo miserabel, zóo hondsch-naar gedroomd van beeste, met twaalef vleugele die op 't dak zatte, dat 'r hart zeer dee....
Dat was de éérste schrik dien de familie Zwaluw veroorzaakte, den eersten van 'n reeks. Met Kobus ging 't vlotter. Die begréép toen meneer 'm op den zolder de kisten liet zien, die streek graag de fooi op en zwéég. Die hielp de volgende nachten 'n handje, kroop zelf op 't dak en verbaasde zich over het wònder. Den derden nacht, langzaam voortvleugelend, maakte de familie haar eerste tochtje bij helderen maanschijn.
De honden, maanziek, sloegen aan, de mènschen hadden geen vermoeden. Alleen dichterlijke of verliefde naturen plegen lang 'n maannacht te bestaren--'t eenig-poëtische van 't dorp was 'n rederijkerskamer met 'n leesgezelschap van _fatsoenlijke_ producten--de amoureuse lieden liepen dien nacht in dònkere boschaadjes. Als niet hier en daar, náast 't verschrikt hondegejank 'n kat van de daken ware geschichtigd, zou 't kostelijk gebeuren onopgelet zijn geschied.
[Illustratie: Zoude ik waarlijk te veel hooi op mijn vork getorscht hebben? Om de weerga--'t is niet makkelijk! Onwillekeurig raakt men al illustreerend aan 't _vloeken_. Derhalve moet een stijve-in-den-geloove er zich niet aan wagen. Met schaduw en slagschaduw meen 'k 'n bijster eind op weg te zijn--let s. v. p op de ongelooflijke moeilijkheid om maanspelingen, op simpel papier, in àl haar geweldige zwaarmoedige en etherische zwevingen, op 'n heel gewoon, zelfs léélijk dak te _toucheeren_ (en zulks met _Neelmeijer_, niet met sepia, noch met krijt, noch met doezel, noch met teekenstift). Ongetwijfeld zult ge bij eersten oogopslag bevroeden, geachte lezeres en kunst-doorvoelster, dat mijne ongewone illustratie in beeld zet het: 'n _Kat van de daken ware geschichtigd_. Om den stompen schoorsteen _uit het dak te doen leven_, heb 'k--waarom het niet te bekennen?--bezwaarlijken arbeid gehad. Indien de een of andere Italiaansche rookverdrijver of provinciale deskundige grovelijk beweren mocht, dat zulke schoorsteenen niet bestaan, dat ze niet trékken--kort gesproken dat ze te _buikig_ zijn--dan kan 'k uit ondervinding verklaren, dat 'k eenmaal woonde in een huis _met zulk een schoorsteen_, en dat we bij westen wind den rook in 't huis en in 't eten hadden. Dit is dus niet alleen realiteit, maar ook eene Aanklacht tegen misbouwde schoorsteenen. Voor het overige teeken ik niet voor Italiaansche rookverdrijvers, niet voor spitsvondige bouwmeesters, maar voor raisonable lieden. A en B stellen _heenschichtigende_ katten voor. De auteur kan glad van _schichtigen_ spreken: wij illustrators zitten met zulke ondoordachte expressies in onze maag. A is een kat. B een kater. Beiden gestoord in eene _verklaring_. De staart van B is forscher dan die van A. De geheele lichaamsbouw voorts. In nadere onkiesche aanduiding kan ik niet treden. In de staarten heb ik het _schichtigen_ gesymboliseerd. S. F.]
Dicht langs de daken en bijna raaklings aan de boomtoppen, bewogen zij voort--te hoog zulk een eersten keer was ongeraden, te meer omdat alleen de _begane grond_ verlicht was. De tijd dat de wegen van stad naar stad óók naar de zijde der wolken belicht zouden worden, was er nog niet.
"Over vijf en twintig jaar," redeneerde de heer Zwaluw, "vind je overal verlichte vliegpaden, zooals je nou fiets-paden begint te krijgen. Dat kàn niet uitblijven...."
"Pa," mijmerde Amélie, "over vijf en twintig jaar is àlles veranderd. Eenig!"
"Hoe zoo, kind?"
"Omdat 't móét, pa. Wat je noù benejen ziet is dùnnetjes--vin u niet? Daken en nog 'ns daken. Je kan zóo zien, dat niemand 'r 'n sikkepit om maalt hoe z'n huis 'r van bóven uitziet. Allemaal vieze schoorsteentjes en smerige gootjes--vin ú dat móói, pa?"
"Nee, zeker niet," zei meneer met z'n voeten langs 'n reuze-populier ritselend: "en die róókende schoorsteenen--bah, wat krijgen we 'n tractatie uit die pijp--laten we wat op zij vliegen! die rookende schoorsteenen vind 'k èrgerlijk. D'r is 'n verordening op 't kleedenkloppen, 'r komt 'r natuurlijk een op 't schoorsteenrooken. 't Is ongepermiteerd hoe de menschen benejen de lucht boven vervuilen. Dat verandert."
"En dan moeten wij òns dak wat in orde laten maken door den tuinier, Piet. Want niewaar, Piet, als onze kennissen mee gaan vliegen, zal je 't meeste bezoek door 't zolderraam krijgen. Dat moet je laten vertimmeren, Piet, met 'n nette balustrade en wat bloemperkjes en schulpen...."
"Nee," weerlegde meneer: "we kunnen nou nog alleen plàtte daken gebruiken en op 'n plat dak, zònder schoorsteen--bah, hier rooken ze scharren!--kun je de keurigste perken onderhouen...."
"Wat zal dat liéf zijn, pa, als je òp elk huis rozen en vergeet-me-nietjes ziet...."
Meneer klepperde even langzamer bij 'n zoldervenster.
"Piet!", zei mevrouw streng.
"Wat doet pa, ma?"
"Niets," zei mevrouw uit 'r humeur. Dáár zou ze 'm thùis over onderhouen. Binnen loeren bij 'n juffrouw, die 'r avondtoilet maakte. Ergerlijk hoe je géén man kon vertrouwen en nog ergerlijker dat de menschen, zonder overburen, zoo ongegeneerd deeën. Amélie leidde de verbolgen gedachten af.
"Pa," zei ze, 'n nieuwe ontdekking doend, "'r is niks meer veilig. We zouen overal kunnen insluipen. Kijk is wat 'n ramen anstaan!...."
"Binnen de zes maanden zijn àl de ramen getralied," antwoordde pa, 't puntje van 'n nieuwe sigaar knippend.
Er stak wind op. De toppen der boomen aan hun voeten begonnen onrustig te schuimen.
"Piet," zei mevrouw, 'n weinig vermoeid--'r linksche vleugeltrapper moest geolied worden en tegen den wind in werd 't bezwaarlijk: "ik ga terug."
Meneer die vloog te bepeinzen [1]--ook in de lùcht kon je _vieux monsieur_ met wormstekigheden zijn--dat 'n vleugje alleen, zònder vrouw en dochter, 'r genoeglijke zijde bij zooveel _verlichte_ intérieurs had, meneer protesteerde:
"Noù al? Heb jij zoo'n trek in 'n benauwde kamer als je 't _hemelruim_ voor je heb?"
De hoogte der situatie deed 'm dichterlijk praten. Zij, nu toch hijgend en met 'n krampachtige trekking in 'r been die zich naar 'r eksteroog voortplantte, zei plat:
"Piet, zánik niet met je hemelruim. 'k Heb genoeg nàchtlucht gehapt--'k wor 'r zàt van."
Geërgerd trapte hij òm. Bij tijden, in gezelschap, thàns in de schoone Oneindigheid van maan, sterren, schoorsteenen en ruischende boomtoppen, kwam haar ouwe spekslagers-dochtersche natuur, de natuur van-achter-de-toonbank, _de laag-bij-den-grondsche_ natuur boven, plapperde ze 'r uit wat 'r voor 'r mond groeide.
"Je moeder _verstoort_ ons uitstapje weer," klaagde hij.
"Ik _verstoor_ niemendal," zei mevrouw vinnig, "'k ben moe en zal blij zijn as 'k 't ding kwijt ben. Me lendene krake...."
"Daar hebben we weer 'n expressie uit de Jan-van-Loon-straat!"--, schamperde meneer.
Dàt had-ie niet moeten zeggen--dàt was 't wreedste, 't uitgezochtste ruziepunt. Zoodra-die in twistgesprek dàt 'r uitflapte, zinspeelde-die op haar _verleden_, op 'r jeugd in den Gelderschen worstwinkel, toen 'r vader-zaliger nog varkens op den kop hamerde en 'r moeder-zaliger, reuzelglimmend en garstig, de vetmollige hand om worstbuiken lei. Als zij uit de Jan-van-Loonstraat kwam, kwam hij uit de Zwaanssteeg. De Jan-van-Loonstraat had niet onder te doen voor de Zwaanssteeg. Bei kinderen van een zelfde slachters-geslacht, vonden ze er in gemelijke buien minder beschaafd genoegen in, de Jan-van-Loonstraat en de Zwaanssteeg te _hoonen_. Hij met z'n meerdere geleerdheid had 'r 'n bijzonder handje van.
Mevrouw, snuivend van geprikkeldheid, deed 'n reflex-gebaar parachute-knop-waarts, in eerste aandrift om zich te laten vallen, doch omdat ze juist vlogen boven de dorpsvuilnisbelt, die een zware schutting had en minder welriekte, hervond ze haar gemoedelijkheid in kalmen sarrens-toon.
"Zoo Piet? Uit de Jan-van-Loonstraat, Piet? 'k Dacht dat 'k zoo'n boel uit de Zwaanssteeg had overgenomen, Piet! Als jij tegen de knechts vloekte, Piet! Niewaar, Piet?...."
Bij elk Piet in prachtig-gevarieerde intonatie, trapte ze 'r pedaal en _glimlachte_. Jammer dat-ie dien hatelijken lach niet zièn kon. Daar lei-ie 't altijd tegen af.
"Mènsch!...", begon meneer in braltoon, aanpeddelend om dichter bij 'r te raken.
Toen suste Amélie.
"Jakkes, pa en ma--hou u op! Hoe geneert u zich niet voor de menschen...."
"Wèlke menschen?"--, snauwde meneer.
En ineens schaterde Amélie 't uit. Dàt was 'n gezelligheid van 't vliegen zonder weerga--je kon prettig kibbelen en mekaar onbewimpeld (de wimpels der machines uitgezonderd) de hardste waarheden zeggen--zonder burengerucht. De toekomst van kijven en herrie was aan de Ruimte.
"Wat lach je nou hinderlijk?"--, zei mevrouw.
"Beter lachen as uitdrukkingen uit de Jan-van-Loon-straat," zei meneer nòg eens. En ze zou daar weer 't ééne-noodige op geantwoord hebben, ware niet 'n geluid tot hen gestegen, dat ze verschrikt deed zwijgen.
In 't dorp klonk een kermend hoorngeschal--'t geschal dat alle bewoners kenden, 'n lang-toeterend, klagend geschal, dat overal echo's sloeg, 'n geschal dat geen uitleg noodig had, 'n geschal dat in z'n akeligheid en lugubere klanking àlles zei.
"Brand," zeide Amélie 't eerst.
"Brand," herhaalde mevrouw, blazend en transpireerend.
"Brand," sprak meneer, kort.
"Lieve hemel," zei Amélie _ad rem_ in den hémel: "als 't 'n erge brand is en de lucht zoo roodgekleurd wordt als laatst bij Van Galen, toen de hooiberg in brand stond, dan kunnen we niet thuis komen, dan ziet 't heele dorp ons.... Eenig. Eenig"....
"Ik laat me vallen," steunde mevrouw, blij dat ze 'n uitvlucht had bij de vlucht die te lang duurde.
"Dóórvliegen!", maande meneer, "'r is niks te zien, nog geen vònkje. Natuurlijk weer alarm om niks."
't Was inderdaad nièt de eerste keer, dat 't dorp werd wakker getoeterd zonder reden. Bij 't geringst smeulinkje, bij 't flauwst rook-krinkelingetje ter plaatse waar smeulinkjes en krinkelingetjes _verdacht_ waren, toeterde de dorpspolitie, die voor elke eerste toetering 'n premie van vijftig cent kreeg, 'r ademloos op los. In de laatste vijf jaar was 'r maar éénmaal brand (in den Van Galen'-schen hooiberg) en driehonderdzesmaal alarm voor schoorsteenbranden, smeulinkjes en krinkelingen, als voren, geweest. Dan liep de burgerij naar de spuithuisjes, werd 'r absoluut water gegeven, omdat àls de spuiten uitgerukt waren, je ze allicht op verstoppingen en lekken kon probeeren. Zulke dorpsverschrikkingen hielden per alarm het dorp een paar uur aan den openbaren weg bezig, en tegen het beslist einde begon de dorpsklok nog eens overmatig te luiden, omdat de dorpstoren twee-honderd-zeven-en-veertig treden had en niemand op ongezetten tijd lust gevoelde den kippigen koster te waarschuwen, dat de spuitgasten alweer naar huis waren.
Vlug voortpeddelend, bevreesd voor het drie-honderd-zevend alarm, dat mogelijk bloed en purper in de luchten voorspelde, mevrouw, die telkens wou parachuteeren, met vinnige woorden òpzwiepend, kwamen ze in 't gezicht der eigen villa.
"Lieve help!"--, riep Amélie doodelijk-angstig.
"O, goeie genade!"--, zei mevrouw.
"Bliksems!"--, vloekte meneer.
Bij den voortuin walmden toortsen, zag je helmen-geblink, zàg je de kraak-helder-gepoetste rood-koperen montuur van spuit I--pàs aangeschaft, nog nimmer beproefd--zag je de hoofden der Brandweer met witte staven in de hand. Spuit I werkte, werkte beslist, bèwerkte de villa _Casa Cara_, dè Zwaluw-villa. Spuit I spoot een violette straal in de richting der logeerkamer, waar ouwe Chris sliep. Die violette straal, beglansd en besprenkeld door poenig-brandende toortsen--die brandden, zònder voos alarm--daverde een vlammende ontzetting naar de donkere wolken.
"Piet--'k val flauw," hakkelde mevrouw met akelig-draaiende oogballen.
"Dat zul je laten--daar is de machine niet op berekend!", schreeuwde meneer.
"Ma blijf in godsnaam kordaat--we kùnnen niet in 't huis, zoolang ze spuit I probeeren!", riep Amélie gejaagd.
"Trappen! Trappen!", kommandeerde meneer.
Met kloppende harten, bonzende slapen, vleugellam en gefolterd, vlogen ze in wijde cirkels om 't huis--de eerste hollandsche lucht-peddelaars.
Waarlijk, bij dit driehonderd-zevend alarm had de éérst-blazende politieagent z'n vijftig cent verdiend. Hadde hij later geblazen, de villa _Casa Cara_ van den heer Pieter E. Zwaluw ware een _speelbal der vlammen geworden_. Het stond den volgenden morgen uitvoerig in het plaatselijk blad, doch de _détails_, de ware oorzaak zou niemand te weten komen. _Details_ èn oorzaak bleven in Chris' hart begraven. Dien avond, nog ganschelijk niet genezen van de beruchte nachtmerrie, huiverig en angstig, had ze bij de kaars zitten soezen tot meneer de buitendeur grendelde. Dat dee meneer altijd zelf. Noch haar, noch Kobus vertrouwde-die het kunstig Amerikaansch slot toe, dat-ie in San Louis had gekocht, dat met drie grendels in de deur greep en door 'n sleutel zoo licht als 'n lucifer werd gesloten. 's Morgens werden de bakker, de kruidenier, de melkboer door 'n luikje bediend--en om negen uur, als meneer benee kwam, ontsloot hij het kunstwerk, dat alle intieme bezoekers van _Casa Cara_ om beurten hadden bewonderd. Van avond had meneer bijster vroeg en met veel gedruisch gesloten, den electrischen toevoer afgedraaid om Chris naar bed te jagen. Chris, ondersteboven,--in geen drie dagen had ze bijna gepraat--zocht de logeerkamerhoeken af, keek _onder_ 't bed, keek in de kasten. Toen mijmerde ze--bij de kaars. 'r Gewoonte-dingen, 't kammen van 'r piekerig geel haar, 't wriemelen van 't vlassig vlechtje, 't wentelen van den veter, deed ze in afwezigheid. 'r Gedachten waren bij 't visioen, 't schrikbeeld, 't klepperen der zes en dertig vleugels, 't gelach voor 't dakraam. Den heelen dag, machinaal schrobbend en redderend, had ze de benauwenis hervoeld, 't doodsangst-oogenblik in 't dakkamertje. 't Licht der kaars, zacht-zwabberend vlammetje, wieglend op 'r adem-beweeg, zwol schaduwen langs 't behang, schaduwen tegen 't plafond, schaduwen op de witte bedgordijnen. 't Huis was één pijnigende stilte. Meneer, mevrouw, juffrouw Amélie, Kobus--alles sliep. In de benedengang tikte de klok, zwaar van klepel-gang. Nog eens keek ze in de hoeken, _onder_ 't bed, in de kasten, _achter_ de gordijnen--toen ging ze te bed, met kouwe voetklompjes in verstarde sokken--liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer streng verboden had.
[Illustratie: .... "Toen ging ze te bed, met kouwe voet-klompjes in verstarde sokken--liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer streng verboden had....", zegt de auteur. De uitgever verlangde dit dramatisch moment in beeld--de behendige illustrator, 't niet geoorloofd vindend critische opmerkingen in te lasschen over den zonderlingen zinsbouw en de gewilde woordkeus, meende zoowel de _kouwe voetklompjes_ als de _verstarde_ sokken te moeten verwaarloozen. Daar zijn zaken die de aesthetika verbiedt te teekenen. Te over herhaal 'k de meditatie, dat de schrijvers van den tegenwoordigen tijd, met al hun buitenissigheden en hun verslordiging der Natuur, studies nààr die Natuur bijkans onmogelijk maken. Ik vergenoegde mij met het bed A, het dek D, het nachtkastje B, het vloerkleedje C. De bedgordijnen, de peluw en de kaars acht 'k voortreffelijk geslaagd.... "Uit niets blijkt zoozeer de beteekenis en diepte van een meester, als uit zijn begrip en behandeling van de lijn; niets spreekt luider en duidelijker van den krachtigen of ontzenuwden toestand van eenige kunstperiode, dan haar teekeningen in lijn. Lijnen zijn de zenuwvezels van de kunst, het geheele lichaam verbindend en beheerschend...." betoogt _Walter Crane_ in zijn _Claims of decorative_ art--ik, die woorden tot de mijne makend, heb mijn gansche _ziel_ in Chris' bedgordijnen gelegd, met liefde en perspectivische kennis het bed geteekend. Welk een speling van schaduwen! Welk een massieve structuur! Welk een smijdigheid van stof! Welk een strenge eenvoud in het nachtkastje! En welk een droevige jammer dat zùlk een volkomen techniek, zulk een teerheid van behandeling, zulk een volheid van observatie, zulk een artistieke toets van de pen met _Neelmeijer_, naast deze bladzijde 66 _verloren gaan_, onmiddelijk bezwadderd worden door de stuitende woorden van den auteur:.... "_Zij snurkte er op los_...." Enfin, de _uitgever_ moet 't weten. Ik houd mij koel en 'r buiten. S. F.]