Geschiedenis van Suriname

Part 9

Chapter 93,617 wordsPublic domain

Verscheidene ingenieurs kwamen daartoe uit Nederland, en daar de voordeelige ligging van het fort als hoofdzaak werd beschouwd, getroostte men zich de moeite en kosten om het op eene modderbank, toen Tijgershol genaamd, te bouwen. [97] De eerste steen werd in 1734 gelegd en het fort in 1747, dus dertien jaren daarna, voltooid. De plannen van dit fort waren, gelijk wij reeds vroeger gemeld hebben, gemaakt door den ingenieur Draak, terwijl de uitvoering werd opgedragen aan den ingenieur Pierre Dominique des Marets.

Het ligt op een hoek, waar de rivieren de Suriname en de Commewijne hare wateren in de zee storten en beschermt alzoo den ingang van beide rivieren, terwijl eene wijd uitgestrekte modderbank de nadering der werken door vijandelijke vaartuigen belet.

Het fort, dat ongeveer 3/4 uur in den omtrek heeft, vormt een regelmatigen vijfhoek, en wordt door breede watergrachten omringd; de vijf bolwerken zijn met geschut beplant, terwijl een bedekte weg naar drie wapenplaatsen leidt, waarvan twee de rivier de Suriname en een de rivier de Commewijne bestrijken; de aarden borstwering rust op een wal van rotssteen onder water, om het wegzakken te voorkomen. Binnen in het fort vindt men de officierswoningen, de kasernen der soldaten, eene smederij, eene timmermanswerkplaats, magazijnen voor kruid en levensmiddelen, een wind-korenmolen en een regenbak voor meer dan duizend ton water. Midden door het fort loopt een weg, aan weêrszijden met oranjeboomen beplant, die over een brug over de gracht naar kostgronden en eene landingsplaats voert, die door een gegraven kanaal, dat in eene kreek uitwatert, de gemeenschap met het overige gedeelte der kolonie blijft openhouden, al waren die langs de rivieren door eene vijandelijke magt gestremd.

Deze vesting, de sleutel der kolonie, gebouwd op een zeer lagen moerassigen grond, strekt den ontwerpers en uitvoerders tot eer, en staat daar in het verre westen als een blijk van hetgeen Nederlandsche volharding in dien tijd vermogt.

Tot eere van Nederland zeiden wij, en wij zeiden niet te veel, want indien men de moeijelijkheden en bezwaren nagaat, met welken men bij dezen bouw te kampen had, dan moet men de volharding, die tot den aanleg eener dergelijke vesting op eene modderbank noodig was, bewonderen.

De grond, waarop men bouwde, het voor den Europeaan afmattend klimaat, waren reeds bezwaren, die niet ligt te achten zijn, en dan nog kwamen hierbij de twisten en verschillen tusschen de directeurs der sociëteit en de kolonisten over de huur en het aantal der voor het werk te leveren slaven, waardoor de moeijelijkheden zeer vermenigvuldigd werden.

De tusschenkomst der Staten-Generaal werd ter vereffening dezer verschillen ingeroepen; na veel over en weder schrijven, na verscheidene bijeenkomsten en onderhandelingen, werd door den gouverneur voor de sociëteit en door de raden van policie voor de ingezetenen, onder goedkeuring van H. H. Mog., den 6den Maart 1748 eene verbindtenis aangegaan, waarbij deze zaken wel voor het oogenblik geregeld werden, doch waardoor de ontevredenheid en de wrevel, die in Suriname heerschten, echter niet werden weggenomen. De reeds vroeger genoemde grieven der kolonisten tegen het bestuur over het betalen der brandschatting van Cassard enz. enz., werden gedurig opgehaald en vonden gestadig nieuw voedsel. De bouw van het fort Amsterdam droeg hiertoe mede veel bij, en was eene vruchtbare bron van nieuwe moeijelijkheden geweest.

De onwil en wrevel van Suriname's ingezetenen jegens de sociëteit, openbaarden zich voornamelijk door tegenwerking van die gouverneurs, van welke men vermeende, dat zij de belangen der sociëteit hooger stelden dan die der inwoners. Men nam meermalen tegen hen eene vijandelijke houding aan en belemmerde hierdoor vaak datgene, wat door onderlinge zamenwerking tot heil van Suriname had kunnen strekken.

Had men in Suriname ook al gegronde redenen tot klagen, men handelde echter onbillijk, daar men geheel uit het oog verloor, dat Suriname een conquest (wingewest) van Nederland was, en dat dus zelfs de gunstige bepalingen van het octrooi niet zoo zeer het voordeel der volkplanters, dan dat van de ingezetenen van Nederland ten doel had [98]; en dat de gouverneur, als door de sociëteit aangestelde ambtenaar, zich in de eerste plaats als haar dienaar moest beschouwen, en dien overeenkomstig te werk gaan.

Steeds levert tweedragt wrange vruchten op; steeds sleept onderlinge verdeeldheid droevige gevolgen na zich.

In de geschiedenis van Suriname ziet men gedurig de waarheid hiervan bevestigd.

Verscheidene pogingen tot verzoening, door verschillende gouverneurs aangewend, baatten niet, en in plaats van medewerking werd de meeste tegenstand gevonden juist in den boezem van het voornaamste collegie, dat geroepen was om met den gouverneur de belangen der kolonie te behartigen, namelijk bij het hof van policie. De leden hiervan, uit de rijkste en aanzienlijkste ingezetenen der volkplanting gekozen, behoorden alzoo tot hen, die de meeste belastingen moesten opbrengen. Terwijl zij zich meermalen op allerlei wijze aan die betaling trachtten te onttrekken, namen zij tevens den schijn aan van warme voorstanders van de belangen der ingezetenen te zijn [99].

Waren er alzoo steeds vele ontevredenen in Suriname, soms vereenigden zij zich en vormden zich als eene partij, die openlijk tegen den gouverneur optrad, gelijk dit voornamelijk onder het bestuur van Mauricius geschiedde, waarvan wij ter gelegener tijd nader spreken zullen.

Gedurende het tijdsverloop van 1712, in welk jaar de inval van Cassard plaats vond en 1747, wanneer de bouw van het tegen buitenlandsche vijanden zoo uitnemend geschikte fort »Nieuw-Amsterdam" voltooid werd, was er eene reeks van gouverneurs en tusschen-besturen, en het korte tijdsbestek van ieders beheer was mede oorzaak, dat er weinig belangrijks door hen kon worden verrigt.

Men vindt in de geschiedenis hiervan dan ook bijna niets aangeteekend.

Eene chronologische tafel der verschillende gouverneurs in het werk van Sypesteyn en eenige hier en daar verspreide aanteekeningen zijn de voornaamste bronnen, waaruit wij het volgende ontleenen:

Gouverneur Johan de Goyer, die den 19den Januarij 1707 het bestuur had aanvaard, en gedurende welks bewind zulke treurige gebeurtenissen waren voorgevallen, overleed den 28sten Julij 1715 en werd den eersten Augustus met veel plegtigheid in het fort »Zeelandia" begraven, volgens Herlein »tot groote droefenis der gemeente" [100]. In de Notulen der zittingen van het hof van policie vindt men gedurig gewag gemaakt van togten tegen weggeloopen slaven; de Journalen des wegens deelen feiten mede waar door men met verontwaardiging bezield wordt, zie volg. hoofdst.

Als tusschenbestuurders traden op François Anthony de Rayneval, commandeur met twee raden van policie, totdat Johan Mahory, den 22sten Januarij 1716 definitief als gouverneur benoemd, deze betrekking aanvaardde; doch reeds in het volgende jaar 1717, den 4den October, overleed; waarna het reeds vroeger, als zoodanig in functie geweest zijnde tusschenbestuur volgde; den 15den November 1717 werd Jean Contier tot gouverneur aangesteld, doch nam eerst den 2den Maart 1718 het bestuur op zich.

Het wegloopen der slaven schijnt toen reeds zorgwekkend te zijn geworden, daar wij lezen, dat Contier kort na de aanvaarding van zijn bestuur (den 21sten Julij 1718) de straf des doods hierop stelde [101].

Deze geweldige maatregel bragt eerder verbittering dan verbetering te weeg, het gewone gevolg van gewelddadige maatregelen. Contier verwisselde reeds den 2den September 1721 het tijdelijke met het eeuwige; F. A. de Rayneval nam met P. Lemmers en A. Wiltens weder zoo lang het bestuur op zich, tot dat Mr. Hendrik Temminck den eersten Maart 1722 gouverneur werd.

Ruim vijf jaren duurde deze regering; de strooptogten der weggeloopen slaven vermenigvuldigden; zelfs werd door hen eene plantaadje aan de Commewijne niet slechts geplunderd, maar ook de slaven hiervan medegenomen en naar de bosschen gevoerd [102].

Temminck overleed te Paramaribo den 17den September 1727.

Nog eenmaal, en dus nu voor de 5de keer, vervulde de heer de Rayneval met twee raden van policie de betrekking van gouverneur ad interim, waarna Mr. Karel Emilius Henry de Cheusses den 9den November 1728 de teugels van het bestuur uit zijne handen overnam.

De in de bosschen gevlugte slaven verontrustten steeds meer en meer de kolonie; zij verwoestten verscheidene plantaadjes in Para, in Tempaty en Peninica, en ontzagen zich zelfs niet, om de plantaadje Berg en Dal, toebehoorende aan den gouverneur, aan te vallen [103].

De Cheusses liet in 1730 het kleine en geheel van hout gebouwde gouvernementshuis vergrooten en van steen opbouwen. Gedurende zijn bestuur werden door uit Nederland gezondene ingenieurs de noodige opmetingen gedaan, en het plan gevormd en gearresteerd tot het daarstellen van het fort »Nieuw-Amsterdam."--Hij mogt echter den aanvang van dit belangrijke werk niet beleven, daar hij den 26sten Januarij 1734 te Paramaribo den laatsten adem uitblies. De commandeur Johan François Cornelis de Vries nam nu met twee raden van policie het bestuur der kolonie op zich en werd hiervan afgelost door de optreding van Jacob Alexander Henry de Cheusses, op den 11den December 1734; diens gouvernement was echter van zeer korten duur, daar hij 46 dagen later, den 26sten Januarij 1735 overleed.

J. F. C. de Vries aanvaardde met twee raden van policie weder het bestuur, a. i., maar toen na zijnen dood, den 4den Maart 1735, de raden van policie dit alleen wilden waarnemen, kwamen zij hierover in verschil met den kapitein Pieter Bley, die hiertegen een protest inzond, waarbij hij zich grondde op de resolutie van de directeuren der sociëteit van den 23sten Februarij 1733, waarin onderscheidene bepalingen over de opvolging in het bestuur a. i. genomen waren, waartoe mede behoorde, »dat het gouvernement zou worden waargenomen door den commandeur en bij diens afsterven door den oudsten hoofdofficier van het garnizoen, tot luitenant toe enz.; voorts »dat aan den commandeur, gedurende het interim alle eer, eenen gouverneur verschuldigd, moest worden bewezen." Dit protest werd in de vergadering van den 11den Maart behandeld en daarop besloten, den kapitein Bley kennis te geven, dat men aan zijne reclame geen gevolg gaf, maar de directeuren daarover zou schrijven.

Bley schijnt hiermede genoegen te hebben genomen, terwijl de raden van policie, onder het voorzitterschap van Gerrit Pater, het bestuur bleven waarnemen tot 22 December 1735, wanneer Mr. Joan Raye, die den 6den Julij tot gouverneur benoemd was, te Paramaribo aankwam. [104]

Tegelijk met Raye was in Nederland Gerard van de Schepper tot commandeur benoemd, en bij geheimen lastbrief was, om verdere onaangenaamheden bij het overlijden van den gouverneur te voorkomen, bepaald, dat hij in dat geval als waarnemend gouverneur zou optreden. [105]

Tijdens het bestuur van Raye wendden de raden van policie zich reeds tot de Staten-Generaal, om te klagen »over de despotique conduiten van den nieuwen gouverneur Raye," een man die ieders hoogachting genoot, als welverdiende hulde voor zijne algemeene erkende kunde en braafheid.

Raye vroeg reeds in 1737 zijn ontslag, doch overleed voor de aankomst van hetzelve den 11den Augustus 1737 te Paramaribo.

Gerard van de Schepper volgde hem nog dienzelfden dag als waarnemend gouverneur op. Nadat hij twee maanden rustig en in de beste verstandhouding met het hof van policie de kolonie had bestuurd, ondervond hij tegenkanting, en wel nu van de raden van het hof van civiele justitie, die weigerden, om hem als hun voorzitter toe te laten; waarop van de Schepper, bij eene notificatie op den eersten November 1737, openlijk protesteerde tegen alle vergaderingen van het hof, die buiten zijn presidium zouden worden gehouden, en verklaarde reeds bij voorraad al de vonnissen, die in deze vergaderingen zouden worden uitgesproken, voor onwettig en zonder waarde.

Hierover werden verscheidene discussiën gevoerd en nota's gewisseld; de raden erkenden, dat, volgens de resolutie der sociëteit van 23 Feb. 1737, den waarnemenden gouverneur het regt van presidium in hun collegie toekwam, maar beweerden daarentegen, dat deze resolutie in strijd was met het octrooi, artikel 23 en 24. Onder dit protest verklaarden zij zich bereid van de Schepper als hunnen voorzitter toe te laten, totdat daarover verder zou zijn beslist. Weldra kwam de tijding zijner benoeming als wezenlijk gouverneur, en wel voor het eerst onder de benaming van gouverneur-generaal, in Suriname aan, en werd Gerard van de Schepper als zoodanig op den eersten April 1738 plegtig ingehuldigd. [106]

Tegen het bestuur van Gerard van de Schepper kwamen spoedig vele klagten over misbruik van gezag bij de sociëteit in. Van de Schepper schijnt er niet tegen opgezien te hebben om zijn gezag door krachtige maatregelen te handhaven, waardoor men de vele klagten begrijpen kan; het is hem echter moeijelijk geweest zich omtrent al de tegen hem ingebragte beschuldigingen volkomen te zuiveren, ten minste directeuren besloten hem te doen vervangen, en hij werd ontslagen en droeg den 17den October 1742 het bestuur over aan Mr. Joan Jacob Mauricius, die twee dagen te voren in de kolonie was gekomen, en door van de Schepper op de meest vriendschappelijke wijze was ontvangen.

In een tijdvak van 30 jaren waren alzoo negen verschillende gouverneurs aan het bewind geweest, terwijl tusschen het overlijden en weder aanstellen van anderen, de commandeurs en raden van policie het beheer hadden gevoerd, waarover menigmaal verschil ontstond, gelijk wij reeds kortelijk aangemerkt hebben, zoodat het niemand verwonderen kan, dat gedurende dien tijd de toestand van het inwendig bestuur aan geregelde orde veel te wenschen overliet.

Behalve de reeds genoemde oorzaken van wrevel en misnoegen der kolonisten tegen de sociëteit en de door haar aangestelde gouverneurs, kwam er weldra onder het bestuur van Mauricius nog eene andere, namelijk: verschil van opinie over de wijze van oorlog voeren en vrede maken met de weggeloopen slaven. Daar wij in het volgende hoofdstuk ons meer bepaaldelijk wenschen bezig te houden met de beschouwing van den toestand der slavenbevolking en alsdan meer geregeld die ontstane verwikkelingen kunnen mededeelen, zoo willen wij dit nu laten rusten en in dit hoofdstuk een kort overzigt van den landbouw te dien tijde geven.

De blanke bevolking was in den loop der tijden vermeerderd; reeds onder van Sommelsdijk waren, behalve verscheidene Nederlanders, een goed getal Fransche vlugtelingen, om der godsdienst wille naar Suriname geweken; verscheidene Duitschers hadden zich mede in de volkplanting nedergezet.

Het hoofdbestaan der inwoners was de landbouw, en wel voornamelijk de suikercultuur; deze was langen tijd bijna de eenigste geweest; van de ruim 400 plantaadjes, in 1730 in cultuur, waren verre de meesten voor de suikercultuur ingerigt; men begon zich nu echter ook op het teelen van koffij toe te leggen.

De gouverneur-generaal van Neêrlands-Indië H. Zwaardekroon, had in 1718 de eerste koffij van Mocka op Java overgebragt, en eenige planten werden door de zorg van den burgemeester Nicolaas Witsen, in den kruidtuin te Amsterdam aangekweekt. Vrij zeker is het, dat in Suriname zekere zilversmid, genaamd Hansbach, van geboorte een Duitscher, de eerste proeven hiermede heeft genomen; sommigen zeggen, dat er eenige planten uit den Hortus Medicus van Amsterdam aan den gouverneur waren gezonden, die eenige boontjes hadden uitgeleverd, welke gemelde Hansbach had weten tot zich te nemen; hij daarentegen gaf voor, dat hij uit eenige ponden Oostindische koffij (die aldaar uit Holland voor negotie, even als de thee, gezonden werd en toen aldaar vijf à zes gulden het pond kostte) eenige boontjes had gevonden, die hem voorkwamen nog een weinig sap te hebben; dat hij als een liefhebber der chemie, eene soort van aarde wist te bereiden, zoo krachtig, dat die de minste teelsappen in beweging moest brengen; dat hij daardoor een of meerdere van die boontjes aan het groeijen had gekregen, en eindelijk daarvan vruchten had bekomen, waarmede hij verder die plant had aangekweekt. Zeker is het dat hij de eerste is geweest, die de koffijboompjes in manden heeft geteeld, hoewel hij er echter weinig voordeel van heeft gehad.

De heer Stephanus Laurentius de Neale heeft hiervan beter partij getrokken; deze zocht Hansbach zoo door drank, waaraan hij zeer verslaafd was, als door andere geschenken, eenige boontjes af te troonen, en nu werd door hem op zijne plantaadje »Nieuw-Levant" de eerste koffij aangeplant. Daar hij gelukkig hierin slaagde, bekwam hij daardoor een groot fortuin, en werd hij weldra door anderen hierin gevolgd; de aanplanting werd algemeen en dit voortbrengsel droeg veel tot Suriname's latere welvaart en bloei bij [107].

In 1724 werd de eerste koffij van Suriname te Amsterdam aangebragt.

Vele suikerplantaadjes werden opgebroken om zich op het bouwen der koffij toe te leggen; mede liet men hiervoor nu de indigo-teelt varen, die echter reeds sedert het jaar 1708 in de kolonie gekweekt was, en waarvan de opbrengst niet zoo geheel onbelangrijk was, daar men van 1710 tot 1722 van 150 pond tot 1328 toe had uitgevoerd [108].

Later in 1764 heeft de heer ontvanger Gever en een Fransch officier Destrades, die te St. Domingo geweest was, hernieuwde proeven met de indigo-cultuur genomen, die niet slecht uitvielen, hoewel men er echter daarna niet veel meer gewag van gemaakt vindt.

Het planten van tabak, reeds door de eerste volkplanters beproefd, had men in 1706 op nieuw begonnen, en jaarlijks werd er eene genoegzame hoeveelheid uitgevoerd om tot proeven te verstrekken; zijnde er zelfs in 1749 30,000 pond naar Holland verzonden; eindelijk is deze teelt geheel vervallen [109].

De roucou, eene roode verwstof, werd op eenige kleine landwoningen geteeld; men zamelde daarvan 100 tot 7000 pond in, die men naar Holland verzond. Carel Willem Cloege, omstreeks 1735 overleden, was de laatste, die dit product ter verzending (boven in Cottica) cultiveerde; daarna kweekte men hetzelve meer voor eene aardigheid dan als handelsartikel; later is dit geheel vervallen [110].

Hoewel de cacao reeds in 1706 was geplant geworden, gelijk de schrijvers der historische proeve vermelden, schijnt dit echter van weinig belang te zijn geweest, daar volgens Hartsinck eerst in 1733 cacao van uit Suriname naar Amsterdam verzonden is. De belangrijkheid van de cacao-plant werd evenwel reeds vroeger erkend, daar den gouverneur Contier in 1721 een fraai rijpaard ten geschenke werd aangeboden voor de verzending der eerste cacao-plant naar Berbice [111].

Ook met de katoenteelt had men vroeger wel eenige proeven genomen, doch was hierin niet zeer gelukkig geslaagd; in 1735 werd het eerste katoen naar Amsterdam verzonden.

Men verkeerde steeds in het denkbeeld, dat het katoen minder geschikt was voor de veengronden; doch dit denkbeeld bleek later eene dwaling te zijn geweest.

In 1752 werd door den raadsheer Johan Felix deswege eene nieuwe proef genomen; hij had een stuk gebrand of Biribiri land aan de Metappicakreek in aankweeking genomen, doch toen de koffij, die hij aldaar geplant had, niet goed wilde tieren, besloot hij op die schrale plaatsen katoen tusschen de koffij te planten, hetgeen zoo goed slaagde, dat men in het volgende jaar reeds drie à vier duizend pond kon inschepen, en in het vierde jaar achttien à twintig duizend pond, behalve veertig à vijftig duizend pond koffij. Dit voorbeeld werd weldra door de in zijne nabijheid wonende planters en later ook door anderen in de kolonie met goede uitkomsten gevolgd. [112]

Nog tegenwoordig zijn het de kustlanden, bijzonder de genoemde Metappicakreek en de nieuwe kolonie, of het Nickerie-district, waar men de meeste katoenplantaadjes vindt.

Behalve de vrij aanzienlijke houtplantaadjes of liever vellingen, van welke het daarop verkregen hout minder uitgevoerd dan tot binnenlandsch gebruik aangewend werd, en de reeds vroeger genoemde voortbrengsels, lieten de oude bewoners der kolonie hunne bespiegelingen ook gaan over andere producten, voor den handel geschikt; zoo trokken zij o. a. ruwe was uit de nesten, die de wilde bijen op de boomen der onmetelijke bosschen van het hoog gelegen gedeelte der kolonie maakten. Men had alzoo hier even als van andere voortbrengselen der zoo rijke en weelderige natuur van Suriname meer voordeel kunnen trekken, dan men werkelijk deed, doch het gebrek aan werkende handen en de begeerte van dadelijke winst verlamde de pogingen, en spoedig werden dergelijke liefhebberijen, gelijk men dit in de kolonie noemde, nagelaten, voor den degelijker arbeid der stapelproducten.

Zoo waren er ook in vroegeren tijd in Suriname verscheidene steenbakkerijen; daar vele planters voor het aanleggen der watermolens en andere gebouwen niet slechts het hout lieten kappen en zagen en gereed maken, maar ook daar hiertoe vele steenen noodig waren, deze zoo onontbeerlijke bouwmaterialen zelven vervaardigden.

In Para en elders waren goede steenbakkerijen; op verscheidene plaatsen in de kolonie werd goede klei en zand gevonden; overvloed van brandhout en zoet water voor de deur. Met een paar blanken als opzigters kon men zeer goed de slaven voor dezen arbeid bezigen; niettegenstaande al deze genoemde voordeelen liet men de steenbakkerijen vervallen en de steen uit Holland komen, hetgeen natuurlijk meer kosten veroorzaakte [113].

Om de blanke bevolking in de kolonie te vermeerderen, had men reeds in 1692 voorgeslagen eenige Paltzische familiën derwaarts over te voeren; hetwelk echter bij dien voorslag gebleven is [114].

Men riep in die tijden kolonisten van allerlei landaard voor Suriname op.

De vrome Spangenberg, een der eerste Bisschoppen der Moravische Broedergemeente, een waardig medestander van den edelen graaf von Zinzendorf, vertoefde op zijne doorreize naar Engeland in 1734 eenigen tijd te Amsterdam.

Hier werd hem die oproeping bekend; de lust en de begeerte der herstelde Broedergemeente was opgewekt geworden om naar vreemde landen te trekken; niet echter met het doel om zich te voeden en te verrijken ten koste van het zweet en bloed der Heidenen, maar om dezen rijk te maken door de verkondiging van de blijde boodschap der genade in het bloed van den gekruisten Christus.

Spangenberg won bij de directie der »geoctroijeerde sociëteit van Suriname" de noodige inlichtingen daarover in, en reeds in het volgende jaar, 1735, werden drie broeders tot eene verkenningsreis afgezonden, en in 1739 vestigden zij zich in de kolonie.

De komst dier broeders, door hunne tijdgenooten naauwelijks of ook zoo al, dan met zekeren wrevel, opgemerkt, mogen wij wel als de gelukkigste gebeurtenis, als eene der belangrijkste feiten in Suriname's geschiedenis beschouwen.

Wij stippen die nu slechts aan, om later, gelijk wij in onze inleiding beloofd hebben, uitvoerig te gewagen van hunnen arbeid en hunnen strijd, maar ook van den zegen, dien de Heer hun schonk op hun volhardend en ijverig pogen om der Heidenen heil te bevorderen.

Zij vestigden zich eerst in de stad, later rigtten zij zendingsposten onder de Indianen, daarna onder de boschnegers op; eindelijk werd het hun vergund ook den slaven vrede door het bloed des kruises te verkondigen.