Geschiedenis van Suriname

Part 8

Chapter 83,703 wordsPublic domain

De admiraal du Casse had ook te vergeefs beproefd om, door op de eerzucht van den heer Chatillon te werken, daardoor tweespalt tusschen hem en den gouverneur te verwekken. Hij had hem daartoe een vleijenden brief gezonden, waarin hij betuigde verheugd te zijn, zulk eenen braven cavalier als den heer Chatillon te ontmoeten, noemende hem: »Heere van Suriname" enz. De heer Chatillon, te edelmoedig en te getrouw aan de belangen van den Staat, en, hoewel nog jong, te kloek, en te verstandig om aan zulk eene vleijerij het oor te leenen, hielp met alle magt de trouwelooze Franschen afkeeren, en het smartte alzoo de geheele kolonie, toen hij den 10den Mei, door het te vroeg afgaan van een stuk geschut, hetwelk hij met zijnen kamerdienaar bediende, zwaar aan zijne handen en in zijn aangezigt gekwetst werd; en een ieder verheugde zich, toen hij gelukkig weder spoedig herstelde, [81] terwijl hij na zijne herstelling weder naar Nederland terugkeerde.

Nadat de Franschen alzoo weder in verwarring zee kozen en de kolonie een tijdlang van die lastige indringers bevrijd was, en men zich alzoo ongestoord aan verbeteringen en noodzakelijke hervormingen had kunnen toewijden, ontbrandde het vuur der tweedragt weder op nieuw, en voornamelijk tusschen de Joden, of nog liever tusschen den Jood Nassy en den gouverneur.

Nassy had zijnen invloed zeer zien toenemen door zijn heldhaftig gedrag bij den aanval van du Casse, [82] en de spanning werd gedurig heviger. Eindelijk besloot hij Suriname te verlaten; hij vertrok van daar en vestigde zich te Amsterdam; dan in plaats dat dit vertrek aan van Scharphuisen vrede bezorgde, ontsproot daaruit voor hem eene bron van nieuwe moeijelijkheden; want niet slechts bleef de spanning in de kolonie voortduren, doordat nu de hoofden der Israëlietische bevolking zich tegen den gouverneur verklaarden, hem beschuldigden de oorzaak van het vertrek van den zoo hoog geachten Nassy te zijn en wat dies meer zij, maar zij zonden daarenboven hunne klagten naar Nassy en den baron Belmonte, mede een Israëliet, die nu bij de autoriteiten van Nederland zochten te bewerken, dat hij zou teruggeroepen worden.

Van Scharphuisen wachtte dit echter niet af; hij verzocht en verkreeg zijn ontslag, en tot zijn opvolger werd benoemd de heer Mr. Paulus van der Veen, die den 14den Mei 1696 het bestuur van hem overnam.

Van Scharphuisen vertrok naar Nederland met het schip Brigdamme, welk schip op de reis door Fransche kapers genomen en hij als gevangene te St. Malo opgebragt werd.

Dan nu ondervond hij, dat een edelmoedig gedrag meermalen reeds hier beloond wordt, daar hij, terwijl al het andere volk naar Dinant in strikte gevangenis werd gevoerd, met zijnen secretaris en bedienden in een logement te St. Malo mogt verblijven, en het hem veroorloofd werd vrijelijk door de stad te gaan, vervolgens onder het stellen van borgtogt naar Rouaan te vertrekken, alwaar hij weldra een paspoort van wege den koning van Frankrijk verkreeg, die hem deze gratie bewees, omdat hij zijne onderdanen, die in zijne handen gevallen waren, zoo goed had behandeld.

Het was namelijk gebeurd een paar maanden na den zoo dapper afgeslagen inval der Franschen, dat een hunner oorlogsschepen van 24 stukken met 160 man tusschen de rivieren Coppename en Corantijn in den modder vast raakte. De schepelingen, door honger en dorst gekweld, en door de moeijelijke reis afgemat, moesten zich op genade of ongenade overgeven; op bevel van Scharphuisen werden zij geherbergd en gespijsd en vervolgens onder eenige voorwaarden naar een der Fransche eilanden teruggezonden. [83]

Bij de terugkomst van den heer van Scharphuisen in het Vaderland werd hij duidelijk gewaar, dat zijne vijanden niet stil hadden gezeten, en hem bij zijne hoofden, de directeuren der geoctroijeerde Sociëteit, hadden zwart gemaakt, zoodat zij zich ontevreden betoonden over zijne administratie en gouvernement in Suriname. Hij werd ter verantwoording geroepen, en daartoe werden hem verscheidene punten en artikelen ter hand gesteld, om zich daarop te verantwoorden, gelijk hij dit dan ook uitvoerig gedaan heeft.--Beide stukken zijn onder de titels van »Punten en Artikelen" en »Berigt en antwoord van den gouverneur Jan van Scharphuisen," uitgegeven te Amsterdam bij de wed. Aart Dirkzoon Oossaan, 1697. [84] De uitslag hiervan wordt noch door Hartsinck, noch door de schrijvers der Historische proeve medegedeeld.

Van de regering van zijnen opvolger Mr. Paulus van der Veen, die van 14 Mei 1696 tot 2 Maart 1707 de kolonie als gouverneur bestuurde, wanneer hij op zijn verzoek eervol ontslagen werd en naar Nederland vertrok, vindt men in de geschiedenis niet veel vermeld; alleen schijnt het te blijken, dat de kolonie eene vrij gewenschte rust genoot en de landbouw zich meer en meer begon uit te breiden.

Hij werd opgevolgd door Mr. Willem de Gruyter den 20sten Maart 1707, welke echter den 27sten September van hetzelfde jaar overleed. Na een tusschenbestuur van den sedert 1703 benoemden commandeur François Anthony de Rayneval, dat echter nog al lang duurde, namelijk van 27 September 1707 tot 19 Januarij 1710, werd Johan de Goyer tot gouverneur benoemd, en aanvaardde hij deze betrekking den 19den Januarij 1710. [85]

Suriname geraakte, daar het nu tot eenige rust gekomen was, tot een bloeijenden staat, wat den landbouw betreft, schoon de eenige cultuur slechts in die van het suikerriet bestond. Deze en het vellen en verzenden van letterhout waren de bronnen, waaruit de welvaart der blanke bevolking ontsproot, terwijl de ongelukkige slaven, .... doch hierover later, wanneer wij meer bepaald hunnen toestand wenschen te beschouwen.

Suriname, hoewel een zeer vruchtbaar land, was echter zeer moerassig; maar hetgeen andere volken ten hinderpaal zou zijn geweest, was zulks voor de Hollanders niet. »De Hollandsche natie, zoo geschikt om moerassen te bebouwen," zegt zekere schrijver, [86] »bragt den eigen aard van haar land in deze over, en het is namelijk daardoor, dat zij met vermijding der groote onkosten, die de Engelsche wijze van doen vereischte, op eenen vochtigen en drassen grond eene volkplanting heeft weten te stichten, die door hare hooge waarde weldra door andere mogendheden met afgunstige oogen beschouwd werd."

Het was alzoo, minstens genomen, hoogst onvoorzigtig, dat de Staten en de Sociëteit geene betere maatregelen namen tot derzelver verdediging tegen eenen buitenlandschen vijand, niettegenstaande door de kolonisten, voornamelijk na den gelukkig afgeweerden aanval van du Casse, daarover vertogen werden ingediend.

Gedurige twisten en oneenigheden tusschen de inwoners en verschillende autoriteiten waren mede voor een deel hiervan de oorzaak; er heerschte geen eendragt, en dat deze toch magt maakt, is niet slechts het onderschrift van het Nederlandsche wapen, maar wordt als zoodanig door de geschiedenis gestaafd.

Weldra zou men in Suriname de wrange vruchten plukken van de onvoorzigtigheid van zich niet behoorlijk tegen eenen buitenlandschen vijand gewapend te hebben.

Reeds onder het bestuur van Mr. Paulus van der Veen in 1696 was de heer Gennis, admiraal van eene niet onaanzienlijke vloot, van plan geweest om Suriname aan te tasten; maar bij het vernemen, dat er twee groote oorlogsschepen aan den mond der rivier lagen, had hij daarvan afgezien; [87] dan uitstel bleek in deze niet altijd afstel te zijn.

De oorlog tusschen onze republiek en Frankrijk was naauwelijks op nieuw uitgebarsten, of deze Mogendheid, die, door de nabijheid van Cayenne, beter dan eenige andere èn met de belangrijkheid van den landbouw in Suriname èn met de geringheid harer verdedigingsmiddelen tegen eenen verradelijken aanval bekend was, gaf den vrijbuiter Jacques Cassard, bevelhebber van een eskader, vrijheid om zich derwaarts te begeven.

Den 8sten Junij 1712 kwam hij met eenige schepen de rivier Suriname opvaren. De geestdrift onder de bevolking tot dapperen wederstand ontwaakte evenzeer als in 1689; men ontving de Franschen dan ook zoo dapper, dat zij den 14den Junij reeds weder zee moesten kiezen. Dit was echter slechts als een voorspel.

Den 8sten October van hetzelfde voor de kolonie zoo noodlottige jaar 1712, kwam Cassard weder, en nu met 8 groote oorlogsschepen, welke te zamen 336 stukken geschut voerden en 30 kleinere vaartuigen, waarop 3000 man soldaten, de rivier opvaren.

De 3000 man landingstroepen stonden onder bevel van de heeren de Gotteville de Belile, de Breteuil, d'Epinoy en de Sorgues. [88]

De Franschen beschoten den volgenden dag Paramaribo; de onzen maakten zich tot eene hardnekkige verdediging gereed, en de vijand deinsde schijnbaar af, zich vergenoegende met van tijd tot tijd eenige bommen in de stad te werpen. Mogt men toen eenige hoop gekoesterd hebben, dat men van dit lastig bezoek verlost was, weldra bleek het, dat die hoop ijdel was, daar de Franschen verder de rivier opzeilden en op verscheidene plantaadjes landden, alwaar men niet in staat was hun het hoofd te bieden, hoewel er bij menige schermutseling dapper gestreden werd.

Hierdoor kwam men in moeijelijke omstandigheden; de vijand was weldra meester van de rivier de Suriname en Para, en verschillende plantaadjes werden door hen bezet.

Daar de mannen meest allen naar Paramaribo ter verdediging der forten waren vertrokken, vlugtten de vrouwen en kinderen, zoo uit de stad als van de plantaadjes met hunne tilbare have door bosschen, kreeken en moerassen, onder geleide van eenige slaven, onder het uitstaan van armoede en kommer van de eene plaats naar de andere.

Zoo waren deze vrouwen dan aan de genade van hare slaven overgeleverd; hoe gemakkelijk zou het dezen geweest zijn, zich over de wreede behandeling, die zij zoo vaak op last hunner meesteressen ondergingen, thans op deze hulp- en weêrlooze vrouwen te wreken. Men vindt hiervan echter in de geschiedenis niets aangeteekend; maar wel, dat verscheidene dezer slaven van deze gelegenheid gebruik maakten, om hunne vrijheid te verkrijgen, door in de bosschen te vlugten en zich bij de andere wegloopers te voegen.

Hetzelfde was het geval met velen van hen, die door hunne meesters, om ze voor Cassard te verbergen, boschwaarts waren gezonden, maar die na den aftogt van den vrijbuiter geen lust gevoelden, om zich weder onder het juk te krommen.

De vijand was weldra zoo goed als meester der kolonie. Alleen de Pauluskreek was voor zijnen aanval bevrijd gebleven. De heer Simon van Halewijn had op zijne plantaadje aldaar, het eiland genaamd, alles tot eene moedige verdediging gereed gemaakt, batterijtjes doen oprigten en hierop zeven stukken kanon geplaatst, terwijl hij, behalve zijne gewapende slaven, dertien blanken bij zich vereenigd had. Dan hetzij Cassard zijn volk wilde sparen en zich toch reeds genoeg meester zag om de kolonie te kunnen dwingen, hetzij om andere redenen, de Pauluskreek bleef verschoond.

Cassard had reeds den 11den October 1712 de regering voorgeslagen, dat men eene brandschatting zou opbrengen en dat hij wenschte hierover te onderhandelen.

Men had dit toen echter afgeslagen; maar nu de zaken zoo reddeloos stonden, en hij den 20sten op nieuw eenen brief zond, waarbij hij brandschatting eischte, met de bedreiging, van anders alle plantaadjes langs de rivier te zullen plat branden, enz. besloot men om met hem in onderhandeling te treden, en den 2den October kwam op de plantaadje Meerzorg, toebehoorende aan den raad van policie P. Amsing, eene overeenkomst daaromtrent tot stand.

De som, door Cassard geëischt, en waarop niet af te dingen viel, was groot en bedroeg ruim een derde deel der bezittingen--f 747,350 Surinaamsch of f 682,800 Holl. cour.

De som werd, gelijk uitvoerig bij Hartsinck is opgeteekend, [89] betaald met slaven, suiker, diverse provisiën aan de vloot geleverd, kabeltouwen, koperwerk, ketels als anderzins, zilverwerk, gemunt geld en 22 wisselbrieven à f 37464,16 Holl. Cour. of f 44957,16 pap. geld op Holland. Alstoen zijn uitgevoerd 734 negerslaven berekend tegen f 350 de persoon, en tevens vindt men in gezegde rekening nog vermeld voor f 2300 roode slaven of Indianen.

Daar de Caraïben soms met andere stammen in oorlog leefden, verkochten zij de buit gemaakte gevangenen als slaven aan de Kolonisten. Bij het verdrag, onder van Sommelsdijk met hen aangegaan, was dan ook slechts bepaald, dat de Caraïben, Arawakken en Warauen niet tot slaven mogten worden gemaakt.

Cassard vertrok den 12den December 1712 uit de kolonie, na de goederen enz. te hebben overgenomen, waarvoor hij behoorlijk kwitantie passeerde [90].

Treurig waren de gevolgen van dezen ramp voor Suriname; want daar de opgebragte som over de inwoners moest verdeeld worden, gaf die betaling aanleiding tot zeer vele moeijelijkheden en hevige tweespalt tusschen de ingezetenen en het gouvernement; terwijl hierbij kwam de vermeerdering van het aantal wegloopers (Marors), hetwelk door alle schrijvers als het allernoodlottigst gevolg dier gebeurtenis wordt aangemerkt.

Wij willen in een volgend hoofdstuk hierbij iets langer stilstaan, alsdan tevens den toestand en den landbouw te dien tijde een weinig nader beschouwen, benevens de mislukte proeven ter kolonisatie enz. enz.

DERDE TIJDVAK.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Van den inval van Cassard (1712) tot de optreding van Jan Jacob Mauricius als Gouverneur (1742); overzigt van den landbouw te dien tijde, proeven van kolonisatie, enz.

Den 6den December 1712, des avonds ten zeven ure, vertrokken de twee Fransche commissarissen le Vasseur en Seraphin van Paramaribo, en met hen de heer Elias Chaine, die als gijzelaar voor de voldoening der wisselbrieven medeging; en bij het krieken van den volgenden morgen zeilde de heer Cassard met zijne vloot de rivier uit. [91]

Haalde men nu in Suriname ruimer adem toen de Franschen vertrokken waren, de droevige gevolgen dier geduchte brandschatting deden zich weldra gevoelen.

Een der droevigsten was de tweespalt, die er tusschen de eigenaars, »de geoctroijeerde Sociëteit van Suriname" en de kolonisten, en tusschen dezen onderling weldra uitbrak over de betaling dier brandschatting en over die van den met volle regt, ernstig geëischten bouw der verdedigingswerken, enz. enz.

Toen men in den nood zat en goede raad duur was, hadden de meesten der opgeroepen burgers, op het voorstel van den gouverneur wegens de te betalene brandschatting geantwoord, dat zij bereid waren hiertoe de gevraagde opofferingen te doen; sommigen zelfs lieten de bepaling hiervan geheel aan den gouverneur en raden over. [92] Toen de Fransche commissarissen te Paramaribo kwamen, om het een en ander nader te regelen, werden de heeren Cornelis Denys en Daniel Pichot gecommitteerd om deze zaken in orde te brengen; men ging bij de burgers rond, nam de goederen op, teekende de prijzen aan, gelijk ook de voorhanden zijnde suiker, en alles werd van tijd tot tijd aan de Fransche schepen verzonden. [93] Tegen dit alles was geen verzet geweest,--maar, nadat de vijand de kolonie had verlaten, en nu ieders in de brandschatting te dragen aandeel moest worden bepaald, toen eerst kwamen de moeijelijkheden, toen barstte het algemeen misnoegen los, toen ontstond er wrevel en brak het hevigste vuur der tweedragt uit. [94]

Bij placaat, in Januarij 1713 door gouverneur en raden uitgevaardigd, werd bevolen, dat er een inventaris van ieders bezitting zou worden opgemaakt, ten einde hierdoor in staat te worden gesteld, om eene behoorlijke regeling van ieders te betalene bijdragen te maken.

Hoewel reeds bij deze inventarisering veel onwil en misnoegen bij de kolonisten gezien werd, kwam zij echter tot stand, en nu werd de omslag tot bestrijding van de kosten der brandschatting op 8 à 10 pCt. op het kapitaal der ingezetenen bepaald, en dien overeenkomstig eene belasting uitgeschreven. Nu namen de ontevredenheid en het misnoegen in hevigheid toe.

Sommige kolonisten zelfs beschouwden zich als onverpligt tot het betalen der belasting; zij vermeenden dat de eigenaars, de directeurs en de geoctroijeerde sociëteit van Suriname dien last dragen moesten, omdat deze niet behoorlijk voor verdedigingswerken gezorgd hadden, waartoe zij toch, volgens hun oordeel, bij het octrooi verpligt en daarenboven herhaaldelijk aangemaand waren.

Tot staving van hun oordeel voerden zij de omstandigheid aan, dat o. a. reeds bij den eersten aanval van Cassard in Junij 1712, de burgerofficiers, daartoe door de ingezetenen gevolmagtigd, zich bij eene breedvoerige missive tot de Staten-Generaal gewend hadden, waarin zij, na eerst een omstandig verhaal van het voorgevallene bij den eersten aanval van Cassard gegeven te hebben, H. H. Mog. wezen op de belangrijkheid der kolonie en op het voordeel, dat Nederland er van trok, en daarna hunne klagten inbragten over het verzuim der Sociëteit van niet voor genoegzame verdedigingswerken te hebben gezorgd; over de onbillijkheid, dat de kolonisten bezwaard waren geworden om bouwstoffen te leveren en slaven af te staan, om het bestaande ten minste nog in tamelijk goeden staat te houden.

In die missive beklaagden zij zich niet slechts, dat de bescherming der Kolonie verwaarloosd werd, zij beklaagden zich ook, dat er willekeurige belastingen, in strijd met het octrooi, werden geheven; zij beklaagden zich over de Sociëteit, over den gouverneur, over de raden van policie en eindelijk ook nog over de West-Indische Compagnie, omdat deze voor geen genoegzamen aanvoer van slaven had gezorgd. Na al deze gegronde en ongegronde klagten hielden zij bij H. H. Mog. aan, en verzochten om redres, teruggave van de, volgens hunne meening, te veel betaalde gelden, en nu verbeidde men in Suriname met ongeduld de uitwerking van dit klaagschrift. De directeurs der Sociëteit, toen hun deze stap der burgerofficiers bekend werd, zaten mede niet stil, maar leverden op hunne beurt eene uitvoerige wederlegging dier klagten bij de Staten-Generaal in.

H. H. Mog. benoemden daarop eene commissie uit de Gedeputeerden van de Provinciën Holland en West-Friesland, om alles nader te onderzoeken en hen van advies te dienen.

De einduitslag hiervan was, dat de directeuren der sociëteit in het gelijk werden gesteld, en bij resolutie van 28 Julij 1713 werd door de Staten-Generaal eene aanschrijving naar den gouverneur en raden van policie in de kolonie uitgevaardigd, waarin de ontevredenheid over dezen stap den burgerofficiers werd te kennen gegeven, wordende hun tevens bevolen zich voortaan van het beleggen en bijwonen van afzonderlijke vergaderingen te onthouden, en hun gelast de verschuldigde belastingen te betalen en zich aan den gouverneur en de raden te onderwerpen, hunne orders op te volgen, enz. enz. Zoo iets had men in Suriname niet verwacht--men had de hoop gekoesterd, dat zoo niet alle, ten minste eenige der klagten zouden gehoord en naar billijkheid daarin zou voorzien geworden zijn--en nu ontving men dergelijk antwoord! De ontevredenheid onder de kolonisten vermeerderde--er was nieuwe stof hiervoor--het onheil dat bij de missive der burgerofficiers als mogelijk was voorgesteld, was werkelijk gekomen, de kolonie, niet behoorlijk beschermd, was ten prooi geweest aan de roofzucht van den Franschen vrijbuiter--en in plaats van de bekomene orders op te volgen, vergaderde men op nieuw, en herhaalde de door de burgerofficiers in naam der burgers ingeleverde klagten, en behalve de reeds vroeger gedane eischen verlangde men nu ook vergoeding voor alle onkosten en schade, die men door den inval van Cassard geleden had en de teruggave der gelden, die men hem had moeten opbrengen, enz.

De directeuren bragten daarentegen hunne verdediging in en de Staten-Generaal beslisten weder in hun voordeel; zij oordeelden dat men de directeurs onregtvaardig beschuldigd had en deze dus tot geene teruggave als anderszins verpligt konden worden. [95]

Weldra, den 28sten December 1713, volgde er eene tweede aanschrijving van H. H. Mog. aan den gouverneur en de raden, om de ingezetenen van Suriname op nieuw te vermanen, zich stiptelijk naar de vroegere bevelen te gedragen en hun te bevelen om de achterstallige schuld aan de Sociëteit, zoo wegens hoofdgelden, als wegens gekochte doch niet betaalde slaven, van welke betaling men om aangevoerde redenen ontslagen meende te zijn, te betalen--en wat het belangrijkste punt, de aanbouw van behoorlijke verdedigingswerken, betrof, hierop werd door de Staten-Generaal geantwoord, dat zij de belangrijkheid daarvan mede erkenden, maar dat de kolonisten zich met de directeurs der Sociëteit moesten trachten te verstaan over de wijze waarop dit zou geschieden, en met hen en H. H. Mog. in overleg treden over het bedrag van ieders aandeel tot bestrijding der kosten.

Dat in Suriname bij deze herhaalde teleurstelling de ontevredenheid tegen het bestuur der sociëteit eer toenam dan verminderde, behoeft naauwelijks gemeld te worden; men onderwierp zich, doch met onwil; wrevel vervulde de gemoederen, en gedurig zien wij hiervan onderscheidene blijken in den loop der geschiedenis.

Het gezamenlijk belang, dat èn de eigenaars van Suriname, vertegenwoordigd door de directeurs der geoctroijeerde sociëteit, èn de kolonisten in den bloei en welvaart der volkplanting hadden, moest hen vereenigd hebben, moest hen de handen hebben doen ineenslaan, om met vereende krachten maatregelen te verordenen en uit te voeren, die ten goede der kolonie konden verstrekken. Maar er ontstond nu eene breuke, die moeijelijk kon geheeld worden; een ieder dacht meer om zijn eigen dan om het algemeen belang; de een vertrouwde den ander niet, en ieder trachtte op zijne beurt het meest mogelijke voordeel van den andere te verwerven, en zelf het minst mogelijke te betalen.

Dat deze staat van zaken ongunstig werkte, dat hierdoor veel verzuimd werd, dat het welzijn van Suriname had kunnen bevorderen, ligt in den aard der zaak.

Zoo verliepen er dan ook verscheidene jaren eer men tot dien zoo dringend noodzakelijk geachten bouw van de verdedigingswerken overging.

In de kolonie wilde men zich niet uitlaten hoeveel men daartoe zou willen bijdragen; de directeurs der sociëteit wachtten hierop een geruimen tijd; eindelijk, na ernstige overweging, besloten zij den eersten stap te doen, en daar zij vreesden, dat door over en weder schrijven de gelegenheid zou voorbijgaan om nog bij tijds de kolonie in behoorlijken staat van tegenweer te brengen, en zij alzoo bij den eersten den besten vijandelijken aanval niet slechts groot gevaar loopen, maar misschien geheel geruïneerd zouden worden,--zonden, om dit te voorkomen, de directeurs dan op hunne kosten den Ingenieur Draak uit Nederland naar Suriname, om alles naauwkeurig op te nemen, en de directeurs daarna in te lichten, welke fortificatiën tot eene goede verdediging der kolonie werden vereischt.

Hij volbragt zijnen last, en vervolgens werd door hem, in overleg met den directeur-generaal des Rosques, het plan tot verbetering der oude en het aanleggen van nieuwe fortificatiën gemaakt, en de kosten hiervan begroot op ongeveer f 800,000.--

Na vele en velerlei bijeenkomsten tusschen directeuren van de sociëteit en gemagtigden der inwoners van de kolonie, werd eindelijk den 8sten December 1733 eene overeenkomst deswege gesloten, welk verdrag door eene resolutie der Staten-Generaal van 19 December 1733 werd goedgekeurd en bekrachtigd.

De directeurs verbonden zich om bekwame werklieden en bouwstoffen te zenden; de kolonisten om zorg te dragen, dat er steeds een genoegzaam aantal slaven voor alle verdere diensten aanwezig waren. De directeurs zouden zeven jaren lang, in welk tijdsverloop alles moest voltooid zijn, ieder jaar f 20,000 voor hun aandeel in de kosten storten, de kolonisten jaarlijks f 60,000 [96].

Als hoofd-verdedigingswerk besloot men tot den aanleg van een regelmatig fort, dat »Nieuw Amsterdam" zou worden genaamd.