Part 71
Schetsrekening of Calculatie, om daeruyt te vinden een jaarlijksch bestaan voor een aan te stellen Exploiteur of Deurwaarder voor beide hoven.
De Exploiteur zal ten zijnen kosten moeten koopen twee bekwame scheepssloepen, welke men rekent dat zullen kosten hoogst f 400, die sloepen twee jaren dienende, zoo kost hem zulks jaarlijks f 200 Voor kost en onderhoud van 10 slaven, mitsgaders chirurgijnsloon à 50 per slaaf f 500 Voor het maken van een tentbootloods f 200; men rekent dat deze 4 jaren goed blijft, is dus ieder jaar f 50 ---- f 750
Alzoo kan de Exploiteur jaarlijks overhouden f 2050 ---- f 2800
Want hij zal genieten:
1. Een vast jaarlijks tractement f 2000 2. Voor huur van de twee sloepen f 200 3. Voor het onderhoud der 10 slaven f 300 4. Opbrengst huurloos, wanneer hij de slaven niet voor de dienst noodig heeft, rekent men f 30 per slaaf f 300 ---- wordt f 2800
Volgens de Notulen van 14 December 1745 werd bij de Instructie voor den nieuwen Exploiteur in artikel 29 de declaratiën bepaald.
Voor een Citatie f 4.10;--Insinuatie f 7.10;--Sommatie f 7.10;-- Renovatie f 7.10; --Aanwijzing van goederen f 7.10.
Dirigeren eene Executie eens vooral buiten vacatie f 20.00 Presentie-geld van ieder Raad in de rivieren per dag f 20.00 Presentie-geld van ieder Raad in Paramaribo per dag f 5.00 Omslag voor den tamboer f 1.10; voor vacatie in de rivieren in de 24 uren f 10.00 Huurvaartuigen en slaven, ieder 24 uren of vacatie f 8.00 Inventaris zonder voortgang der Executie f 7.10 Sondags-Proclamatie van 1, 2, 3 en 4de gebod, voor ieder f 7.10 Exploit op mandement van purge, soo wegens het afkondigen, uitroepen als het citeeren van een iegelijk, die sich partij zoude willen maken f 7.10 Copie van 't mandement op een zegel aan het raadhuis f 5.00 Het relaas of acte van Exploite f 5.00 Exploit van een mandement van ministerie en van policie f 7.10 Emolument voor den Substituut-copie van 't mandement f 1.16 Exploit op 't mandement van Benifice van Inventaris f 5.00 Edicaale Citatie op zegels, aan 't raadhuis en in de rivieren, ieder f 5.00 Het maken van Inventaris, Estimatie van goederen en verklaring bij acte doet stellen f 9.18
Vacatie per dag f 10. Copie van gedane Exploit f 4.
Arresten Interdict mitsgaders dagvaarding f 7.10.
Emolument substituut. Copie met zegel f 1.16. Presentie ter rolle f 1.16. Exploit van opdaging f 7.10. Copie der weetbrief van het arrest, mitsgaders obligatie en verdere documenten, neftens de schriftexempl. aan de overgedaagde f 4.10. Exploit van beteekening en gijzeling f 7.10. Visitatie in die gijzeling eens f 3. Copie van het rekwest en origineel mandement van gijzeling, mitsgaders 't Exploit van de beteekening derzelve en acte op zegel f 3.15.
Een insinuatie op verleende surcheange f 7.10 Een insinuatie om wederom in gijzeling te gaan f 7.10
Een edictaale citatie op 't zegel van het raadhuis en in de rivieren, alwaar de affectie is, voor ieder f 5.
Emolument voor den substituut, 't presenteren ter rolle van ieder Crediteur daarin gemeld, 6 stuivers.
[235] Recueil echte stukken, 1e deel, bl. 4 enz.
[236] In de notulen van 28 Febr. 1746 wordt ook gewag gemaakt van een voorstel van den Gouverneur om eene algemeene Landkaart te laten maken.
[237] Journaal van Mauricius, 8 Maart 1746. Na eene inspectie der nieuwe fortres deelt hij zijn oordeel daarover mede met deze woorden: "In 't geheel sie ik die fortresse aan met oogen van verdriet, als een lastig houkind, sonder dat het nut ooit geproportionneerd sal weesen na de kosten. Ze maakt een schoone parade op de kaart en als ze in Brabant lag, geloof ik, dat het een schoon stuk werk sou wesen.--Doch in den ganschen aanleg is geen attentie gemaakt op de omstandigheden van dit land. Zelfs de casernen zijn gemaakt, als of 't in 't noorden was, van steen en dichte benaauwde kamertjes, elk met een schoorsteen, correct op 't model van 't Amsterdamsche oude mannenhuis.
[238] Sypesteyn, Geschiedenis van Suriname bl. 32; Sypesteyn, J. J. Mauricius, bl. 32. Hartsinck, 2e deel, bl. 729-39; bij den laatsten schrijver vindt men het stuk in zijn geheel.
[239] Notulen van Gouv. en Raden, 25 en 26 Aug. 1744.
[240] Journaal van Mauricius, 5 Feb. 1745.
[241] Als een staaltje van de wijze, waarop de publieke opinie in Suriname zich bij dergelijke gelegenheden openbaarde, zie notulen 4 Mei 1744.
"Bij gelegenheid der verkiezing van een nieuw raadslid, gaf Mauricius zijne verontwaardiging te kennen, dat op de stembriefjes, die overluid voorgelezen moesten worden, soms baldadige en moedwillige beschimping van personen voorkwamen, ja de impertinentste en canailleuste declamatiën, waarom besloten werd dat voortaan bij dergelijke nominatiën niet anders dan de namen der bedoeld wordende personen zouden worden gelezen--en dat zoo er meer op mogt vermeld zijn dit als nietig zoude worden beschouwd."
[242] Journaal van Mauricius, 14 Dec. 1746.
[243] Journaal van Mauricius, 3 April 1748.
[244] Scherping was secretaris van het hof; hij stond alzoo onmiddellijk onder den gouverneur.
[245] Zij huwde in December 1721 te Paramaribo met Hendrik Temming, die na het overlijden van Jean Coutier, den 10den Oct. 1721 tot Gouverneur-Generaal van Suriname benoemd was en die den 1sten Maart 1722 het bestuur dier Kolonie aanvaardde. Na zijn overlijden hertrouwde zij den 17den Julij 1729 met den toenmaligen Gouverneur C. E. H. de Cheusses, welke den 1sten Februarij 1734 overleed, waarna zij ten derde male in het huwelijk trad den 10den Februarij 1737, en nu met den Gouverneur Joan Raije, die haar echter reeds den 11den Augustus van datzelfde jaar door den dood ontrukt werd. Den 7den Januarij 1742 huwde zij andermaal, nu met den predikant bij de Waalsche gemeente te Paramaribo, Anthony Audra, welke echter reeds den 17den Mei 1744 overleed, waarna zij eindelijk voor den vijfden keer (27 Mei 1748) in den echt trad met Louis Duvoisin, predikant bij de Waalsche gemeente, dien zij ook overleefde.
[246] Journaal Mauricius, 6 Febr. 1744.--Ook Sypesteyn deelt deze bijzonderheid mede.
[247] Notulen, 16 Mei 1748 enz.
[248] Journaal Mauricius, 6 Junij 1748.
[249] Kapitein der Artillerie, anders geen vriend van Mauricius.
[250] De negotie van Indiaansche of roode slaven was een voordeel aan de betrekking van Gouverneur verbonden. Daarvoor hadden de Gouverneurs zoogenaamde wervers "Bokkenruilders" in dienst, die de bovenlanden doorreisden en van de met het Gouvernement bevriende Indiaansche stammen, de door hen op andere gemaakte krijgsgevangenen opkochten, meestal in ruiling tegen blaauw katoen, kralen, ijzerwaren of sterke drank. Deze roode slaven werden in de stad gebragt, door een tolk onderzocht, of zij ook behoorden tot eene bevriende Natie en in het tegenovergestelde geval, namens den Gouverneur, aan de ingezetenen verkocht, die hen als huisbedienden of jagers gebruikten. Vroeger had deze hatelijke handel vele voordeelen opgeleverd; ten tijde van Mauricius echter bragt hij, doordat de Indianen verder in de binnenlanden trokken, zoo weinig op, dat de kosten naauwelijks uit den verkoop gedekt werden. De beschuldiging, dat Mauricius twee, hem door den vrijen neger Quassie aangebragte, roode slaven van een bevrienden stam zou verkocht hebben, was onwaar--de bedoelde slaven behoorden tot den niet bevredigden stam de Brouhahan's, enz.--Sypesteyn (Mauricius blad 90-92.)
[251] Journaal Mauricius, 13 Aug. 1743.
[252] Journaal Mauricius, 27 Dec. 1749.
[253] Journaal Mauricius, 26 Maart 1749.
[254] Journaal Mauricius, 8 Julij 1849 onder hevige koortsen uit.
24 Julij 1749. De ziekten onder de Zwitsers nemen toe, ook de ontevredenheid en wanorde.--Zij willen niet naar het hospitaal, zij willen niet innemen, zij willen voor de overgeblevene kinderen der overledenen niet de minste zorg dragen, zij willen geene bedekking van soldaten. Wat een onwil!
[255] Journaal Mauricius, 13 Nov. 1743.
[256] Journaal Mauricius, 8 Jan. 1745.--Bij deze gelegenheid drong Mauricius zeer aan op het uit Nederland doen overkomen van brandpalen. Zie blad. 295, 96.
[257] Journaal Mauricius, 13 Nov. 23 Nov. 25 Nov. 1, 2, 12 Dec. 1746.
[258] In 1797 in Februarij, ontstond er weder een boschbrand, die met afwisselende hevigheid woedende, eerst in April door den aanhoudende regen tot staan kwam.
[259] Notulen, 28 Feb. 1744.
[260] Zie Notulen, 18 Feb. 1745.
[261] Notulen, 4 Julij 1747.
[262] Journaal van Mauricius, 22 Julij 1748.
[263] 1 Mei 1749 werd door G. en R. verzoek gedaan tot het oprigten van een kas voor de wegloopers.
[264] Zie Notulen, 19 Dec. 1747.
[265] Zie bldz. 147 enz.
[266] Recueil 4 d. bl. 98 enz.
[267] Recueil 4e. deel, bldz. 347.
[268] Journaal van Mauricius, 24 Dec. 1750.
[269] Dit adres is vervolgens door HH. Commissarissen aan H. K. H. Prinses Anna (Willem de 4e was inmiddels overleden) overgegeven, die daarop berigt van HH. Directeurs inwon, welke het Mauricius in handen gaven, die er eene scherpe kritiek op leverde; daarna deed H. K. H. uitspraak, die door H.H.M. den 20sten Julij des jaars 1763 bekrachtigd werd.
Dit zeer belangrijk stuk zal met de aanmerkingen van Mauricius en de uitspraak van H.H.M. in de bijlagen worden opgenomen.
[270] Journaal van Mauricius van 11, 12, 13 April 1751.
[271] Volgens Journaal van Mauricius van 5 en 6 April 1751, waren genoemde heeren door den Commandeur, uit naam der HH. Commissarissen, geadverteerd, dat zij wel zouden doen met hunne demissie te vragen.
[272] Op de Vries was de Cabale zeer verbitterd en moest hij alzoo het veld ruimen.
[273] De benoeming van Pichot tot Prov. Fiscaal is nimmer door Directeuren erkend.
[274] Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Mei 1751.
[275] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Mei 1731.
[276] Notulen van Gouverneur en Raden, 28 en 29 Julij 1731.
[277] De Raad Fiscaal deed hiervan in de vergadering van het Hof mededeeling, waarop dit voor het vervolg streng verboden werd.
[278] Historische proeve 2e. deel, bladz. 135.
[279] Notulen G. en R.--12 en 16 Mei 1751.
[280] Eerst in 1754 kwam deze regeling tot stand en werd deze onder den naam "Ascamoth" door H.H.M. en de prinses Gouvernante en de Directeuren der Sociëteit bekrachtigd, terwijl alstoen tevens bij onderlinge schikking "voor deese reyse en zonder gevolg voor het toekomende" nieuwe regenten werden aangesteld: Hist. proeve 1e. d. bl. 135.
[281] Notulen G. R., 15 Mei 1731.
[282] Notulen G. R., 8 Julij 1732. Deze notulen zijn hier zeer belangrijk.
[283] Notulen, 3 Sept. 1731.
[284] Notulen van Gouv. en Raden, 16 Feb. 1752.
[285] Vóór dit Hoofdstuk ten einde is, zullen wij hier reeds op terugkomen.
[286] Later ging dit huis aan de familie Marselis Hartsinck over.
[287] Daar de Notulen van Gouvern. en Raden, anders zoo volledig der maand November 1751 ontbreken, kan dit plan der negotiatie door mij niet in zijn geheel worden medegedeeld. Ik heb het nu moeten opmaken uit de Notulen van 27 December 1751, 11 Januarij en 30 en 31 Mei 1752, toen deze zaak in discussie werd gebragt.
[288] De rente werd door Deutz gesteld op 6 percent. (Sypesteyn, bladz. 40.)
[289] De beschrijving dezer lijkstaatsie vindt men in de Notulen van Gouverneur en Raden van den 8sten September 1752 en wordt ook door van Sypensteyn medegedeeld op bladz. 50-52 van het tijdschrift van West-Indië 2de deel.
[290] Zie Notulen Gouverneur en Raden van 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 September 1752. Journaal van Crommelin van 5, 6, 7 en 8 September 1752 en 2 Februarij 1753 en mede Sypensteyn. Geschiedkundige aanteekeningen in het Tijdschrift "West-Indië", 2de deel, bladz. 36-47.
[291] Journaal van Crommelin van 2 Februarij 1753.
[292] Verschuer overleed reeds den 17den Mei 1753.
[293] Journaal van Crommelin, van 4 Febr. 1753.
[294] Journaal van Crommelin, van 5 Febr. 1759.
[295] Notulen van Gouverneur en Raden, 13 Februarij 1753.
[296] Notulen van Gouverneur en Raden, 1, 6 en 7 Maart 1753.
[297] Notulen van het Hof van Civiele Justitie, 10 April 1753.
[298] Notulen idem, 22 Mei 1753.
[299] Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Maart 1753.
[300] Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Mei 1753.
[301] Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Mei 1753.
[302] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 April 1753.
[303] Notulen van Gouverneur en Raden, 19 Maart, 22 en 24 Mei 1753.
[304] Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Aug. 1753.
[305] Notulen van Gouverneur en Raden, 23 Aug. 1753.
[306] Journaal van Crommelin van 1 Mei 1753.
[307] Journaal van Crommelin van 6 Mei 1753.
[308] Journaal van Crommelin, 11 Mei 1753.
[309] Notulen Gouverneur en Raden, 5 en 6 Julij 1753.
[310] Journaal van Crommelin, 27 September 1753.
[311] Journaal van Crommelin, 4 Julij 1753. Notulen Gouverneur en Raden, 4 Julij 1753.
[312] Journaal van Crommelin 11 Julij 1753. Jonkh. van Sypensteyn--in zijn "Mr. J. J. Mauricius," bladz. 117 en 118, vermeldt, dat zoowel de Fiscaal als Mauricius eene actie van injurie tegen Duplessis instelde, hetgeen ten gevolge had, dat hij voorloopig op de gevangenpoort te 's Gravenhage in hechtenis werd gehouden--en later bij de algemeene amnestie voor alles wat de Surinaamsche geschillen betrof, werd uitgezonderd. Eindelijk werd hem op zijn dringend verzoek vergiffenis geschonken, echter onder de voorwaarde, dat hij Duplessis alle gemaakte onkosten onmiddellijk voldoen en nimmer naar Suriname terugkeeren zou.
[313] Eene der meest beruchte cabalisten, Mevrouw de Wed. Duvoisin, overleed den 6 Aug. 1753.--Journaal van Crommelin, 8 Aug. 1753.
[314] Notulen, Gouverneur en Raden, 29 Oct. 1753, Journaal van Crommelin, van den zelfden dag.
[315] Alléén Strübe was van de oude raden op nieuw gekozen.
[316] Zie bijlage.
[317] Notulen Gouverneur en Raden, 6 Nov. 1753.
[318] In de meeste werken, en zelfs in eenige Staatsstukken wordt er steeds van 600 man staatsche troepen gesproken, die met de Commissarissen mede kwamen, doch uit het Journaal van Mauricius, gelijk als uit de belangrijke mededeeling daaromtrent gedaan door Jonkh. van Sypensteyn in het Tijdschrift "West Indie" 2de deel, bladz. 48 en 90, blijkt dat er slechts een getal van 392 soldaten waaronder 44 officieren in Suriname arriveerde.
[319] Notulen Gouverneur en Raden, 24 Junij 1754.
[320] Als eene der laatste stuiptrekkingen van de cabale wordt nog vermeld dat een harer bekende aanvoerders, de heer Jan David Cellier, zich bij het uitvaardigen der amnestie in zeer beleedigende woorden hierover uitliet op eene openbare plaats, in de kolfbaan van Paul Noortman, en zich onderscheiden dreigementen tegen de thans in de regering van Suriname gezeten personen veroorloofde. Hij werd hierover aangeklaagd, in Zeelandia gevangen gezet, en na een langdurig proces, den tweeden December 1754, veroordeeld tot eene boete van f 15,000. 1/3 voor den Fiscaal, 1/3 voor de Modique lasten, 1/6 voor de armen van Paramaribo, en 1/6 voor het Sociëteits-hospitaal. Notulen, 5 Aug. 2 Dec. 1754 enz.
[321] Notulen Gouverneur en Raden, 24 October, 4 Nov., 9 Nov., 10 Dec., 11 Dec 1754 en 20 Februarij 1755.
[322] Deze moeijelijkheden herhaalden zich telkens; het verschil over de verdediging der kolonie was eene bron waaruit onophoudelijk twist en tweedragt ontstond. Terwijl de Sociëteit van haar invloed op de Hooge regering in Nederland gebruik maakte om zooveel mogelijk de balans ten haren voordeele te doen overslaan, gaven de kolonisten ook nimmer dan schoorvoetende toe en niet altijd waren zij hier in het ongelijk, niet altijd werd hun regt gedaan. Om de gedurige moeijelijkheden met de schippers, in geval van noodzakelijke verdediging te voorkomen, besloot men later (6 Mei 1756) aan de Sociëteit te verzoeken om alsdan twee oorlogsschepen te posteren. Notulen, 6 Mei 1756.
[323] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Aug. 1755 bijlage Not. 30 Aug. 1755 enz.
[324] Notulen Gouverneur en Raden, 30 Aug. 1756.
[325] Notulen Gouverneur en Raden, 23 Dec. 1755.
[326] Notulen, 6 Aug. 1754.
[327] Journaal van der Meer, 11 Dec. 1754.
[328] Notulen, 6 en 26 Maart 1755 bijlage Notulen van 6 Maart No. 15 Mei 1755 enz.
[329] Notulen Gouverneur en Raden en bijlagen van 15 Mei, 3, 4, 12, 13 Junij 12 en 18 Aug. 17 Sept., 7, 24 October 1755, 24 Januarij 1756 enz. enz. enz.
[330] Journaal van van der Meer, Januarij 1755.
[331] Notulen Gouverneur en Raden, 27 Febr., 13 Junij en 9 Oct. 1755, 8 Oct., 5 Julij en 23 Julij 1756, bij deze laatstgenoemde notulen vindt men de Concept-Instructie der nieuwe weeskamer 24 Sept. 1756.
[332] Journaal van van der Meer, 18 Dec. 1755.
[333] Acta van het Conventus Deputatorum 26 Mei 1757.
[334] Bij de behandeling der zendingszaak vermelden wij een en ander uitvoeriger.
[335] Notulen G. en R., 31 Aug. 1756.
[336] Notulen G. en R., 17 Dec. 1756.
[337] Not. G. en R., 23 Dec. 1756.
[338] Not. G. en R., 7 Sept. en 24 Dec. 1756.
[339] Notulen G. en R., 27 en 28 Dec. 1756, 7 Februarij 1757. Journaal v. Crommelin, 18, 21 en 23 Jan.
[340] Not. G. en R., 8 Februarij 1757.
[341] Notulen G. en R., 7, 10, 20 Maart April en Mei 1757.
[342] Bijlage der Notulen, 26 Mei 1757.
[343] Notulen G. en R., 15 Sept. 1757.
[344] In 1761 werden zij door de heeren J. L. van Son en D. F. Dandiran vervangen. (Not. G. en R., 20 Aug. 1761).
[345] Journaal Crommelin, 12 en 17 Jan. 1758. Bijlage van Not. G. en R., 25 Julij 1758.
[346] In 1765 en 66 vermenigvuldigden zich de verkoopingen en het onder sequestratie brengen van plantaadjes van wege het kantoor Marselis.
[347] Notulen, 8 Febr. 1764.--Volgens besluit van het Hof, 19 Febr. 1767, mogten o. a. de voordeeligste katoenboomen bij waardeering niet hooger dan 12 stuivers gepriseerd worden--de minderen in kwaliteit, naar evenredigheid.
[348] Zekere Johannes Bock, die 32 jaren in Suriname had gewoond en daarna, zoo voor eigene zaken als in het belang dezer zaak, naar Nederland was gegaan, had zich hiervoor veel moeite gegeven.
[349] Notulen van G. en R. van 13 Febr. 1764 en van 4 Febr. 1765.
[350] Notulen van Gouverneur en Raden van 25 Januarij 1736.
[351] Notulen van Gouverneur en Raden van 27 Maart 1761.
[352] Notulen van 19 Mei 1761.
Hartsinck, 2de deel, bladz. 857 en 858. Bij dezen schrijver vindt men ook eene afbeelding van dit kaartengeld, doch over de uitgifte is hij niet in alle opzigten naauwkeurig geweest en op zijn voorbeeld hebben ook andere schrijvers gedwaald.
[353] Zie notulen van Gouverneur en Raden van dezelfde datums.
[354] Notulen Gouverneur en Raden, 20 Februarij 1765.
[355] Notulen Gouverneur en Raden, 3 Dec. 1765.
[356] Notulen, 8 Mei 1764. Wegens gebrek aan muntspeciën werden Directeuren verzocht f 6000 aan stuivers, f 2000 aan duiten te zenden en tevens aan ieder schipper een zak met f 600 mede te geven.
[357] Not. G. en R., 23 Aug. 1765.
[358] Notulen G. en R. 23 Maart 1767.
[359] Zie bldz. 251.
[360] Notulen van Gouverneur en Raden van 26 Junij 1760.
[361] Notulen van Gouverneur en Raden van 27 en 28 Junij 1760.
[362] Een voorstel van Crommelin, om op het pad weder een schout te plaatsen, werd door de Raden afgewezen. Notulen, 17 Febr. 1762. Doch des niettegenstaande werd op 20 Mei 1763 een schout aangesteld. Aan de aanvraag om een eigen predikant werd nimmer voldaan: de predikanten van Paramaribo zouden er preken. In 1760 werd er eene predikatie gedaan en in 1764 weder eene. Notulen van 9 Mei 1764.
[363] Reeds vroeger had Crommelin voorgesteld, om die gehate extra-ordinaire belasting te verminderen; (zie Notulen, 17 Nov. 1758) terwijl uit de Notulen van 16 Dec. 1762 blijkt, dat er alstoen in genoemde kas een saldo van f 227,345,1 voorhanden was en de vermoedelijke uitgaven op slechts 50 à 60 duizend geraamd werden.
[364] Notulen van G. en R. van 4 en 8 Dec. 1760 en 3 Febr. 1761.
[365] Notulen van G. en R. van 14 Junij en 14 Julij 1762.
[366] Notulen Gouverneur en Raden, 19 Feb. 1763.
[367] Notulen G. en R., 20 Dec. 1763.
[368] Journaal van Crommelin, 8 Aug. 1765.
[369] Journaal van Crommelin, 29 Oct. 1766.
[370] Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Febr. 1767.
[371] Journaal van Crommelin, 9 Dec. 1767.
[372] Journaal van Crommelin, 11 Aug. 1768.
[373] Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Febr. 1767.--
Bij de blijvende moeijelijkheid om predikanten te verkrijgen, werd in December 1768 besloten, het tractement weder te verhoogen en hetzelve te brengen; voor de stad op f 2500, voor de districten op f 2000,--terwijl toen ook bepaald werd dat de weduwen haar pensioen buiten de kolonie mogten verteren.
Notulen G. en R., 3 Oct. 1751, 12 Aug. en 18 Dec. 1766. Journaal van Crommelin, 16 Dec. 1751, 23 Febr., 28 Maart, 16 April, 22 April, 2 Julij 1767, 29 Dec. 1767, 11 Aug. 1768 enz., enz., enz.
[374] Notulen G. en R., 2 Junij 1758, 28 Oct. 1759, 12 Aug. 1765, 10 Mei 1768, 4 Mei 1769, 11 1769 tot 14 Mei 1770 enz., enz.
[375] Notulen van Gouverneur en Raden van 28 Februarij 1759 en 8 Februarij 1762.
[376] Notulen van Gouverneur en Raden van 20 Augustus 1761 en 9 Februarij 1762.
[377] Notulen van Gouverneur en Raden van 17 Mei 1768.
[378] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 Mei en 13 Augustus 1760 enz.
[379] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 Februarij 1764.
[380] Journaal van Crommelin van 19 April 1763. Notulen van Gouverneur en Raden van 2 Mei 1763.
[381] Zie hierover bladz. 170-80.
[382] Notulen van Gouverneur en Raden van 23 Mei 1763.
[383] Notulen van Gouverneur en Raden van 7 Augustus 1764.
[384] Notulen van Gouverneur en Raden van 22 Augustus 1766 enz.
[385] Notulen van Gouverneur en Raden van 6 December 1764, 22 Augustus en 5 October 1766.
[386] Journaal van Crommelin van 10 September 1767.
[387] Zie bladz. 219-20.
[388] In 1767 kwamen in Suriname wel verontrustende tijdingen uit Nederland over geheime voornemens, welke men vermoedde dat Engeland koesterde, om een aanval op de kolonie te doen. Men besloot toen ook wel om op zijne hoede te zijn en zich ongemerkt in staat van tegenweer te stellen, doch het opgevatte vermoeden omtrent kwade bedoelingen van Engeland bleek ongegrond te zijn geweest.
Zie Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Mei 1767, enz.
[389] De Engelsche schippers waren dan ook immer verpligt om paarden aan te voeren; de Engelsche schipper die geene paarden aanbragt moest, zonder verder zijne lading te mogen verkoopen de kolonie verlaten. Aan deze bepaling volgens placaat van 1704 werd streng de hand gehouden.
[390] Notulen van Gouverneur en Raden van 2 April 1760.
[391] Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Junij 1764.
[392] Notulen van Gouverneur en Raden van 10 December 1764.
[393] De Deserteurs werden naar Holland gezonden. Wederzijdsche uitlevering van gevlugte slaven had wel van tijd tot tijd plaats doch deze zaak was toch nog niet bepaald geregeld. Eerst in 1770 werd er tusschen Frankrijk en H.H.M. een cartel gesloten over de wederzijdsche uitlevering van Deserteurs en gevlugte slaven.
[394] Eene gansch niet onbelangrijke mededeeling omtrent die mislukte kolonisatie vindt men in het Tijdschrift "Onze Tijd" Jaargang 1859. Afl. Januarij in een artikel getiteld "Cayenne."
[395] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 October 1766.
[396] Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Mei 1763 en 5 Julij 1763, enz.