Geschiedenis van Suriname

Part 70

Chapter 703,639 wordsPublic domain

[90] Ondertusschen had Cassard in November door een gedeelte van zijn eskader onder den Baron de Mouans, de kolonie Berbice zoodanig gebrandschat, dat de eigenaars de heeren van Peere, Zeeuwsche kooplieden, de aldaar afgegeven wissels niet wilden betalen en de kolonie liever den Franschen overlieten; waarop in 1714 eene overeenkomst tusschen de reeders en eene Amsterdamsche maatschappij (van Hoorn en Comp.) tot stand kwam, waarbij aan dezen tegen betaling der wissels, den eigendom van Berbice verbleef. In 1713 brandschatte Cassard het eiland Curaçao. (Sypesteyn blz. 26).

[91] Hartsinck, 2de deel, blz. 719.

[92] Hartsinck, 2de deel, blz. 714.

[93] Hartsinck, 2de deel, blz. 718.

[94] Hartsinck, 2de deel, blz. 722 deelt dit uitvoerig mede.

[95] Van Kampen, De Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 419 veronderstelt de mogelijkheid, dat familie-betrekkingen tusschen de aristocratische regering in Nederland, na den dood van Willem III, en den gouverneur van Suriname invloed uitoefenden op de ongunstige beschikking voor de kolonisten, iets dat mij echter minder waarschijnlijk voorkomt.

[96] Hartsinck, 2e deel, blz. 727, 728 enz.

[97] Sypesteyn, blz. 30.

[98] Redevoering van Mr. C. Ph. Vlier, Surinaamsche almanak 1833, blz. 278.

[99] Sypesteyn, Mr. Jan Jacob Mauricius, gouverneur-generaal van Suriname in 1742-1751.

[100] Sypesteyn, blz. 27.

[101] Teenstra, De landbouw in Suriname, 1e deel, blz. 40.

[102] Historische proeve, 1e deel, blz. 98.

[103] Historische proeve, 1e. deel, blz. 98.

[104] West-Indië 2de jaargang, blz. 28, 29. Sypesteyn.

[105] Sypesteyn en Hartsinck.

[106] West-Indië, 2de jaargang, blz. 23. Sypesteyn.

[107] Hartsinck, 2de deel, blz. 741. Historische proeve, 1e. deel, blz. 94. Sypesteyn, blz. 29. West-Indië, 2de jaarg. blz. 294, 295.

[108] Historische proeve, 1e. deel, blz. 95.

[109] Historische proeve, 1e. deel, blz. 95.

[110] Historische proeve, 1e. deel, blz. 95. West-Indië, 2de jaarg. blz. 150.

[111] Hartsinck, blz. 741. Historische proeve, blz. 94. Sypesteyn, blz. 29.

[112] Hartsinck, 2de deel, blz. 742.

[113] Hartsinck, 2de deel, blz. 742.

[114] Hartsinck, 2de deel, blz. 743.

[115] Hartsinck, 2de deel, blz. 744-754, alwaar het geheele octrooi medegedeeld wordt.

[116] G. B. v. d. Bosch, Reizen in Suriname, blz. 49.

[117] In het Journaal van Gouverneur Mauricius, worden nu en dan bijzonderheden over de bergwerkers medegedeeld; onderlinge twisten tusschen de hoofden en de ondergeschikten waren ook hier aan de orde van den dag.

[118] In de journalen der gouverneurs als Mauricius, von Spörche, Crommelin enz., welke op het rijks archief berusten, vindt men verscheidene keeren van de Paltzers en later de Zwitsers, melding gemaakt, dan alles komt in de hoofdzaak overeen met het hier vermelde.

[119] Hartsinck, 2de deel, blz. 740.

[120] Octrooi van 1682, artikel 5.

[121] Sommige verkoopers van slaven scheidden met voordacht de mannen van hunne vrouwen, de moeders van hare kinderen, om daardoor de koopers te noodzaken, die daartoe behoorden, ten duurste te koopen om niet geëxposeerd te zijn, de reeds gekochten door wanhoop te verliezen; tegen welke kwade praktijken o. a. door Mauricius besluiten werden uitgevaardigd; zie journaal van Mauricius, 3 Junij 1743.

[122] Hartsinck, 2de deel, blz. 899.

[123] Zie hierover W. Bosman, Naauwkeurige beschrijving van de Guinesche Goud-, tand- en slavenkust, enz. 1704.--Deze schrijver heeft vele jaren in Guinea doorgebragt en als raad en opperhoofdman op het kasteel St. George d'Elmina, was hij wel in staat om, na grondig onderzoek, een gevestigd oordeel daaromtrent uit te brengen.

[124] W. Bosman, 2de deel, blz. 146.

[125] Hartsinck, 2e deel, blz. 901.

[126] W. Bosman, 2de deel, blz. 147.

[127] Als een voorbeeld uit vele dergelijke gevallen diene de volgende mededeeling uit het dagboek van jhr. J. J. Mauricius, gouverneur van Suriname: "11 Februarij 1751, voor den mond der rivier is gearriveerd kapt. Johan Gerritse, voerende 't schip Middelburgs Welvaren van Guinea, gedestineerd naar Berbice. Hij heeft het ongeluk gehad, toen hij met syn schip 2 à 3 dagen van de Afrikaansche kust is geweest, dat de slaaven een opstand hebben begonnen en op 't scheepsvolk syn aangevallen, weshalve sy genoodsaakt syn geweest, om daaronder te moeten schieten. De tegenweer der slaaven is so hevig en langdurende geweest, dat van ruim 260 maar 30 stuks syn overgebleeven, doch hy heeft by geluk geen één man van syn volk verlooren."

[128] Stedman, Reize naar Suriname, 1e deel, blz. 275 enz.

[129] Lans, die in onzen tijd door het Ned. Gouvernement naar Suriname is gezonden, om den suikercultuur na te gaan en zoo mogelijk hierin verbeteringen te brengen, getuigt in zijne brochure o. a. hetzelfde.

[130] Zie over de geneeskundige behandeling zelfs in lateren tijd het zeer belangrijke werkje van F. A. Kahn, M.D., Ridder der orde van den Ned. Leeuw, Chirur. en Chef der W.-I. troepen en hospitalen te Suriname, mitsgaders stadsdokter en physicus aldaar.--Beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantagie-slaven.

[131] Teenstra zegt in zijn werk: "De negerslaven in de kolonie Suriname," van de kleurlingen blz. 85 het volgende. "Van alle slaven zijn de kleurlingslaven het ongelukkigste; deze door blanken en zwarten als een tusschenras beschouwde wezens, worden van beide kanten veracht en verstooten. In voeding en kleeding heeft een kleurling het niet beter dan een negerslaaf; hij is zwakker en ziekelijker, en toch vordert men even veel en even zwaar werk van hem, terwijl de snerpende zweep hem op de dunne huid gevoeliger treft dan een neger, en ofschoon onder de negers werkende, zal hij hun vertrouwen nimmer deelachtig worden."

[132] Hartsinck, 2de deel, blz. 646. »Van Sommelsdijk bepaalde, dat voortaan niemand zijne slaven meer zou mogen verminken of met den dood straffen--er bleef dus nog al eenige ruimte over."

[133] Teenstra, de Negerslaven in de kolonie Suriname, blz. 379.

[134] Hartsinck, 2de deel, blz. 916.

[135] Hartsinck, 2de deel, blz. 916. Bij zwaarder misdrijven moest de meester een schriftelijk verhaal van het wanbedrijf van den slaaf in handen van den Raad-Fiscaal stellen, om naar bevinding daarvan te kunnen handelen (des noods) met kennis van twee raden, die ten onderzoek gecommitteerd werden. In de notulen van "Gouverneur en Raden van Suriname" van 19 November 1711 komt o. a. eene bepaling voor, om hierin een zekeren regel te brengen, daar tot dien tijd toe "vele irregularitijten syn gepleegt met d'een op meerder hoeken van straaten te geesselen als andere" en werden de zeven hoeken der straten, waar geesseling of het toedienen eener Spaansche bok geschieden moest, nader aangewezen.

[136] Volgens rapport, na gedane huiszoeking door den Raad Fiscaal, had zij binnen korten tijd, 4 à 5 maanden, 6 harer negers gedood en was reeds zij voor lang door de onmenschelijke behandeling harer slaven bekend, waarvan zij "eene menigte om het leven heeft doen brengen, op tirannique en barbaarse manieren." Notulen Gouverneur en Raaden 24 December 1745.

[137] Stedman, Reizen in Suriname.

[138] Uit de rapporten, door den Raad Fiscaal aan het Hof van Policie ingeleverd, wordt deze geringachting van den doodstraf, zelfs in den gruwelijksten vorm, door de slaven, meermalen vermeld. Notulen enz.

[139] Volgens resolutie van 8 December 1686 was anders toch bepaald, dat negers, door de justitie gestraft wordende, aan de eigenaars uit de kas der modique lasten moesten betaald worden--doch zoo het om moord was, werd de schade den meester niet vergoed.

[140] Niettegenstaande dit besluit van 27 Aug. 1744, waarbij het voorstel van Mauricius werd afgewezen, is men er later op terug gekomen, en heeft het, eenigzins gewijzigd, meermalen in praktijk gebragt. Zie o. a. Notulen van 18 Dec. 1745--24 Dec. 1745--4, 7, 28 Februarij 1746 enz.--waaruit blijkt, dat verscheidene negers en negerinnen zijn veroordeeld, om gegeeseld, op het voorhoofd gebrandmerkt, de tong uit- en de ooren afgesneden te worden, en daarna in den ketting strafwerk te verrigten.

[141] Hartsinck, 2de deel, blz. 917.--Deze bepalingen werden meermalen vernieuwd en strenger gemaakt, en ook tegen het bezoeken der smokkelkroegen door slaven waren strenge bepalingen; gelijk uit verscheidene sententiën, door het hof van policie geslagen, blijkt.

[142] Hartsinck, 2de deel, blz. 755.

[143] Historische proeve, 1e. deel, blz. 99.

[144] Van Kampen, Bezittingen der Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 420.

[145] Van Kampen. De Nederl. buiten Europa. 2de deel, blz. 421.

[146] Surinaamsch placcaatboek, 7 Julij 1685.

[147] Surinaamsch placcaatboek, 10 Julij 1687.

[148] Surinaamsch placcaatboek, 8 Nov. 1698.

[149] Surinaamsch placcaatboek, 20 Feb. 1717 tot 18 Mei 1718.

[150] Notulen Gouverneur en Raden, 7 Dec. 1742.

[151] Surinaamsch placcaatboek, 24 April 1726 tot 7 Dec. 1742.--Resolutie, 13 Dec. 1742.

[152] Hartsinck. 2de deel, blz. 757.

[153] Van Kampen. De Nederlanders buiten Europa. 2de deel, blz. 423. Hartsinck, 2de deel, blz. 759.

[154] H. J. Koenen. Geschiedenis der Joden in Nederland, blz. 297.

[155] Zie notulen Gouverneur en Raden, 20 Mei 1730.

[156] Schadelijk wild?

[157] Zie notulen Gouverneur en Raden, 4 Aug. 1730 en Hartsinck enz.

[158] Notulen, 14 Dec. 1730. Hartsinck, 2de deel, blz. 764 enz.

[159] Stedman. Reizen naar Suriname. 2de deel, blz. 150, gewaagt mede van eene dergelijke strafoefening, welke een ooggetuige hem medegedeeld had, waarbij de aldus gefolterde echter geene klagt uitte, ja zelfs in dien toestand een neger, die onder de galg gegeeseld werd en bitterlijk kermde, deze uiting van smart verweet, hem toeroepende: "Zijt gij een man, gij gedraagt u als een kind." Stedman verhaalt verder, dat genoemde neger drie dagen lang geleefd had, en dat eindelijk de schildwacht, die bij hem op post stond, medelijden met zijne folteringen kreeg en er een einde aan maakte, door hem met de kolf van zijn snaphaan een slag op het hoofd te geven.

[160] Hartsinck, 2de deel, blz. 763-765. Luzac, Hollandsch rijkdom, 2de deel, blz. 173-179. Van Kampen, de Nederlanders buiten Europa, 3de deel, blz. 114 enz. Notulen van Gouverneur en Raden.

[161] Van Kampen, de Nederlanders buiten Europa, 3de deel, blz. 117. Notulen van Gouverneur en Raden, 1738.

[162] De kosten van iederen togt werden op ongeveer f 100,000 begroot.

[163] Over Mauricius enz. zie het volgende hoofdstuk.

[164] Behalve het commando onder Creutz werden te gelijker tijd nog twee andere expeditiën tegen de boschnegers uitgezonden, als eene onder Mamre van 60 blanken en 272 slaven, en eene onder Goede van 8 blanken en 28 slaven.

[165] Hartsinck, 2de deel, blz. 768-771.

[166] Mauricius schrijft in zijn dagboek den 7den Julij 1750, daar hij eenen dergelijken mislukten togt vermeldt, o. a. "Tijding gekregen, dat de post in Tempate is uit geweest om de wegloopers te vervolgen, dat se ook het spoor gevonden hebben, doch door de sware regens hebben moeten wederkeeren, zeer afgemat en ziek, dewijl se tot de keel toe door de zwampen hebben moeten gaan. NB. Zoo de heeren Amsterdamsche onderteekenaars" (hij zinspeelt hier op zijne tegenpartij, die zich tegen den vrede aankantte) "maar één drie dagen een dergelijken tocht geliefden bij te woonen, zouden se een iedee krijgen, hoe gemakkelijk 't hier is de wegloopers uit te roeijen."

[167] Hartsinck, 2de deel, blz. 776.--Notulen van Gouverneur en Raden. Journaal van Mauricius, waarin meermalen gewag van deze zaak wordt gemaakt.

[168] Zie volgende hoofdstuk.

[169] Zoutwater-negers zijn die welke uit Afrika aangevoerd zijn; de afstammelingen van hen, die in de kolonie geboren zijn, worden Creolen-Negers genaamd.

[170] Deze slaven waren, na hun meester doodgeslagen te hebben, gevlugt, Notulen Gouverneur en Raden, 1 Maart 1748.

[171] Zie over de familie Araby het latere gedeelte dezer geschiedenis, dat meer over de zendingszaak handelt.

[172] De ondervinding toch had geleerd, dat met vrucht weinig tegen de boschnegers kon verrigt worden, en alzoo besloot men nu tot datgene, hetwelk reeds 10 jaren vroeger door Mauricius was voorgesteld maar toen door de meesten verworpen was.

[173] Deze Quako was slaaf bij eene Jodin geweest, die hem, niettegenstaande hij getrouw en arbeidzaam was, steeds hard behandelde; lang had hij dit verduurd, maar toen zij hem uit een vreemden gril neus en ooren wilde doen afsnijden, had hij de vlugt genomen en zich bij de boschnegers gevoegd.

[174] Een der commissarissen, de heer Zobre, was ongesteld geworden.

[175] Zie Journaal van den Gouverneur, 19, 20, 26, 27 October, 7, 8, 11 December 1760.

[176] Journaal van den Gouverneur, Sept. 1761.

[177] Bij Hartsinck vindt men de togten tegen de negers en de met hen gesloten verdragen vrij uitvoerig vermeld, 2de deel, blz. 755-813, verder bij van Kampen "de Nederlanders buiten Europa", 3de deel, blz. 110-135: Stedman, Reizen in Suriname, 1ste deel, blz. 78-96 en verder in Teenstra, Sypesteyn en onderscheidene andere geschriften, en in de notulen van Gouverneur en Raden, terwijl in de Journalen der Gouverneurs hiervan mede dikwijls melding wordt gemaakt, gelijk wij reeds hier en daar aangegeven hebben.

[178] Sypensteyn verhaalt daarvan in zijn werk »Mr. Jan Jacob Mauricius, Gouverneur-Generaal van 1742 tot 1751" dat hij reeds op zijn zesde jaar eene predikatie hield; op zijn achtste Latijnsche verzen maakte; op zijn twaalfde een heldendicht uitgaf; op zijn dertiende, student werd, en nog vóór zijn zestiende, tot doctor in de beide regten werd bevorderd.--Wij kennen de bron, waaruit Sypensteyn putte, niet en deelen deze bijzonderheden slechts op zijn gezag mede,--volgens het oordeel van kenners zijn zijne gedichten, op lateren leeftijd gemaakt, van weinig poëtische waarde.

[179] Sypensteyn, Jan Jacob Mauricius enz. bladz. 11-15.

[180] In het voorberigt van het octrooi door de Algemeene Staten, waarbij Suriname in handen en onder directie van de bewindhebbers van de Generale Nederlandsche Geoctroyeerde West-Indische Compagnie viel, wordt ten eerste haar hetzelfde regt als zij op al hare conquesten had verleend; en ten tweede bepaald, dat de gemelde Compagnie ten eeuwigen dage niet bevoegd zal zijn, of vermogen eenige de minste verandering te brengen in datgene, hetwelk bij de Articulen van voorn. octroy in 1682, gelimiteerd staat.

[181] Zie bladz. 84.

[182] Zie Hartsinck, bladz. 889.

[183] Zie notificatie 11 Mei 1742.

[184] Later in 1749 door de oprigting van een kas tegen de wegloopers verviel deze heffing.

[185] De beschrijving van de onderscheidene collegiën, kantoren, benevens de vermelding der onderscheidene ambtenaren, is voornamelijk aan Hartsinck ontleend, (zie 2e deel, bladz. 873-890), en komt volkomen met het deswege in de officieele bescheiden vermeldde overeen.

[186] Deze algemeene oproepingen waarvan wij ook in het 2de hoofdstuk 3de tijdvak spraken, moet men wel onderscheiden van de proeve van kolonisatie met Duitschers en Zwitsers.--Zie het zelfde hoofdstuk.

[187] Zie o. a. Teenstra, de Negerslaven en bladz. 37--waar geklaagd wordt, dat eigenaars en administrateurs van plantaadjes de Duitschers boven anderen voorthelpen en de eerste posten der regering soms bij voorkeur aan hen opgedragen worden.

[188] Hartsinck, 2e deel, blz. 876.

[189] Historische proeve. H. J. Koenen, geschiedenis der Joden in Nederland. Is. da Costa, Israël en de volken.

[190] Recueil echte stukken 2e. dl., blz. 183.

[191] Teenstra deelt in "de Negerslaven" op blz. 43--en een ongenoemde schrijver in een werkje "Suriname in deszelfs tegenwoordigen toestand," bladz. 48, hierover verscheidene bijzonderheden van lateren tijd mede, welke grootendeels overeenkomen met het hier vermelde.

[192] Journaal van Mauricius, 29 Jan. 1748.

[193] Amerikaansch Voyagiën, door Adriaan van Berkel, uitgegeven tot Amsterdam bij Johan ten Hoorn, 1695.

[194] Beschrijvinge van de volkplantinge Zuriname, door J. D. H. L., te Leeuwarden bij Meindert Injema, Boekdrukker en verkooper, vooraan in de St. Jakobsstraat, 1718 blz. 46.

[195] Recueil echte stukken bl. 518.

[196] Notulen, 23 Mei 1746.

[197] Notulen, 11 Junij 1748.

[198] De Hoogduitsche Joden maakten gebruik van een gesticht dat door de Portugesche Joodsche gemeente in 1719 was daargesteld, maar in 1744 bij besluit der geoctroyeerde sociëteit aan hen was afgestaan, en, bij de aanwas dier gemeente, aanmerkelijk vergroot werd.

[199] Om den lezer eenigermate een denkbeeld te geven van de uiterlijke gedaante der stad, hopen wij een paar platen te geven, waarin Paramaribo in twee onderscheidene tijdperken zal worden voorgesteld.

[200] Notulen Gouverneur en Raden, 11 Junij 1748.

[201] Recueil echte stukken, 2e deel, blz. 517.

[202] Wel was dit bij placaten verboden, doch de overtreding derzelven kon moeijelijk nagegaan worden; o. a. was bij Resolutie, 24 Dec. 1745 bepaald, dat de blanke bedienden, die vleesschelijke gemeenschap met eene slavin hielden, met f 100 zouden worden beboet. Not. G. en R.

[203] Dichtlievende uitspanning, blz. 167, ook medegedeeld door Teenstra, De landbouw in Suriname, 2de bld. 151. Sypensteyn. J. J. Mauricius, blz. 116.

[204] Creool is de algemeene benaming van de in de kolonie geborenen.--Zoo vindt men blanke Creolen d. i. afstammelingen van Europesche ouders; gekleurde Creolen of Kleurling-creolen, afstammelingen van Europesche vaders en mulatinnen of negermoeders, of ook van Kleurlingen en Kleurlingvrouwen en in het algemeen allen, die niet tot het onvermengd Europeesch ras behooren, mits zij noch Karboegers noch negers zijn. Karboegercreolen, namelijk afstammelingen van een mulat en eene negerin, of van eene mulattin en een neger. Negercreolen of de in Suriname geboren negers. Zoutwaternegers werden de negers genaamd, die uit Afrika overgebragt waren.

[205] Journaal Mauricius, 7 Mei 1749.

[206] Journaal Mauricius, 15 en 16 Nov. 1740--10 Feb. 1751 enz. benevens de notulen over deze zaak.

[207] Notulen, 24 Dec. 1745 enz.

[208] Channing.

[209] Als een bewijs van het lage peil der zedelijkheid verhaalt Stedman, die eenige jaren later in 1776 in Suriname vertoefde, dat dezelfde vrouwen, die zich luide over de ongetrouwheid harer mannen beklaagden, vaak aan goede vrienden hare slavinnen, naar eene willekeurige waardering, voor zekeren prijs in de week aanboden.

[210] Alzoo wordt de slaaf genaamd, die met de verzorging der zieken is belast. Zie F. A. Kuhn, M. D. Beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantagie-slaven. Te Amsterdam, bij C. G. Sulpke 1828, en J. Wolbers, de Surinaamsche negerslaaf. Amsterdam, H. de Hoogh. 1854, bladz. 17, 18.

[211] Mauricius, zie bladz. 13.

[212] Een eigenlijk kerkgebouw bezaten de Hervormden in Paramaribo niet. Sedert de aankomst van Ds. Baseliers in 1668 tot den aanvang dezer eeuw, hield de gemeente hare godsdienstoefeningen in een bovenvertrek van het stadhuis, gewoonlijk het hof genoemd, op het kerkplein. Het onderste gedeelte diende tot vergaderplaats van het Hof van Policie en Crimineele Justitie, alsmede de secretarie enz. "Van Schaïck, de Hervormde Gemeente in Paramaribo. West-Indië, 1ste jaarg. bladz. 30.

[213] Reeds in 1691 was deze gemeente in het bezit van een eigen predikant, namelijk Ds. Klei.

[214] In de bijlagen zullen wij de naamlijsten der Nederd. en Fransche predikanten, benevens die der later opgerigte Luthersche gemeenten, laten volgen.

[215] Niemand ergere zich aan dit woord, het kwam in alle officieele stukken alzoo voor, en was eene in dien tijd geijkte uitdrukking.

[216] Dit Conventus kwam eenmaal in het jaar, in de maand Februarij, te Paramaribo tezamen. De predikanten en ouderlingen--zoo der stadsgemeente als die der divisie, die anders haren afzonderlijken kerkeraad hadden, verschenen aldaar om èn den staat, èn de behoeften der kerken en gemeenten te overwegen. In dit Conventus Deputatorum, ingesteld onder het Gouvernement van den heer Scharphuys, zaten ook twee Raden van Policie als Commissarissen politiek.

[217] Journaal van Mauricius, 17 Februarij 1748.

[218] Notulen Mei 1733, October 1733 enz.

[219] Notulen, 21 Mei 1733.

[220] Later was hij als predikant te Stevenswaard werkzaam. "West-Indië, van Schaïck, Hervormde Kerk 1e jaarg. p. 86."

[221] Ds. Duvoisin had kort vóór de ontvangst van dezen brief reeds zijne betrekking nedergelegd.

[222] Journaal Mauricius.

[223] Journaal Mauricius.

[224] Not. G. en R.

[225] Not. G. en R.

[226] De vertaling was reeds door zijn zoon geschied.--Recueil 2 d. bl. 4.

[227] Recueil 2 dl. bijl. 110.

[228] De Heer zij gedankt, dat de Hernhutters niet zoo oordeelden, want dan verkeerde de bevolking in Suriname nog bijna geheel in de magt des Heidendoms.

[229] Journaal Mauricius, 4 April 1746.

[230] Genoemde Jan Ark.

[231] Zie Notulen, 3 Mei 1743.

[232] Zij schijnen het hiermede echter niet zeer gelukkig getroffen te hebben; spoedig ontstond er oneenigheid tusschen den predikant, den kerkeraad en de gemeente.

Ds. Pfaff preekte slechts zelden, soms werd hij er door bevel der regering toe gedwongen.--In 1744 werd de eerste steen van de kerk gelegd en in 1744 voltooid en ingewijd.

[233] Hartsinck, 2e deel, bladz. 891.

[234] Notulen van Gouverneur en Raden, 9 December 1745.

Schetsreekening of Calculatie, waeruyt het Tantum aan den heer Fiscaal toe te leggen, mitsgaders de tractementen zoo aan den Exploiteur of Deurwaarder en deszelfs twee Substituten, alsmede alle kosten rakende het Exploiteur-ambt, te vinden zijn en de inkomsten van 't zelve Exploitementen.

Surinaamsch geld Men rekent, dat aan den heer Raad Fiscaal, volgens ZEd. eisch zal kunnen toeleggen jaarlijks f 6000 De nieuw aan te stellen Exploiteur of Deurwaarder f 2000 De twee Substituut-Exploiteurs ieder f 500, dus f 1000 Huur van twee sloepen, die de Exploiteur uit zijn privé-beurs moet betalen, jaarlijks voor ieder f 100 f 200 Onderhoud van 10 slaven, die door het land zouden moeten worden gekocht, te weten voor kost, noodig onderhoud en chirurgijnsloon aan den Exploiteur toe te leggen f 300 Interest van eene somme van f 5000, dat men rekent de 10 aan te koopen slaven zullen kosten, à 8 pCt. in het jaar f 400 ---- f 9900

Waartegen men rekent, dat het Exploiteurschap zoude opbrengen, grosse mode namelijk

dat alle jaren aan citatiën, zoo voor de beide hoven van Policie en Civiele Justitie, als voor het Collegie van Kleine Zaken, boven de f 100 worden uitgegeven 500 stuks, ieder gerekend à f 4.10 f 2025 Aan Exploiten, die jaarlijks worden gedaan, zoo schat men zulks op 300 stuks, ieder gerekend op f 7.10 f 2250 Aan huur van twee sloepen en 10 stuks slaven, tot het doen van Exploiten in de rivieren met de vacantiën, welke men vooraf alhier verdeeld, namelijk, dat wanneer een Exploit wordt gedaan op plantaadjes, één getij van Paramaribo gelegen, f 18 en verder voor ieder getij meer f 18, rekent men op te brengen f 1800 Voor 't derigeren der Executiën, ieder jaar f 10 à 20 f 200 Proclamatiën, Edictaales Citatiën, maken van Inventaris, alles met de aankleve van dien, alsmede voor het visiteeren in civiele gijzelingen, rekent men hoogstens f 1800 Voorgestelde heffing van 5 pCt. voor de koopers van losse, vaste goederen bij Executie verkocht, daar men vermeent, dat de kooper weinig zien zal, rekent men f 1000 ---- f 9075

Te kort alzoo volgens Calcula f 825 ---- f 9900