Part 7
Voornamelijk ter viering van het Loofhuttenfeest werd deze Savanne druk bezocht. De meeste Joden der kolonie, zoowel zij die op de plantaadjes, als zij, die in de stad woonden, kwamen aldaar te zamen; alle huizen waren met gasten opgevuld en aan feesten en partijen ontbrak het dan niet [56].
De Joden, die voornamelijk aan het hoogere gedeelte der rivier Suriname hunne plantaadjes aangelegd hadden, hadden dan ook in de eerste plaats veel van de invallen der Indianen te lijden gehad. Gelijk wij reeds vroeger vermeldden, behoorden zij dan ook onder de eersten, die de wapenen tegen hen opnamen, en meermalen moedig en met goed gevolg tegen hen streden; dit werd door de geheele bevolking erkend; hun invloed werd hierdoor vermeerderd en zij maakten alzoo gemakkelijk aanspraak op voorregten, ja zelfs op meer gezag in de kolonie, dan anders in die tijden wel het geval zou geweest zijn [57]. Na den vrede, door van Sommelsdijk met de Indianen gesloten, werden zij bijzonder gebaat en dit was mede oorzaak hunner zoo spoedig toenemende uitbreiding en welvaart.
Niettegenstaande het wezenlijk en vele goede, dat van Sommelsdijk door zijn krachtig bestuur aan de kolonie bewees, was het er echter ver af, dat iedereen tevreden was.
Er waren zoo velen, wier belang niet medebragt, dat de verwilderde zaken wederom in den regten plooi werden gebragt; in troebel water hadden zoo velen gevischt en zagen nu tot hun schrik, dat hun rijk een einde nam.
Anderen meenden door hem verongelijkt te zijn; wederom anderen klaagden, dat hij hen met hoogheid en barschheid behandelde.
Weldra waren er dan ook vele beschuldigingen tegen hem èn bij de Sociëteit van Suriname èn bij de Algemeene Staten ingebragt; de voornaamste dezer waren, dat hij de ingezetenen hooger bezwaarde, dan dit volgens het octrooi geschieden mogt.
Deze beschuldiging was zonder grond, want volgens het vierde artikel van het octrooi vermogt hij 2 1/2 ten honderd eischen van alle goederen, ieder keer als zij verkocht werden.
Later is door de Staten bepaald, dat dit regt slechts zou gevorderd worden van de goederen, die naar Holland werden uitgevoerd; doch deze bepaling bestond nog niet te dien tijde. Eene andere beschuldiging tegen hem, was »dat hij den een boven den andere zou begunstigd hebben in het waarderen der suiker." Ook dit bewijst te veel om iets te bewijzen en kan wegens de algemeenheid der beschuldiging niet klaar wederlegd worden [58].
Van Sommelsdijk heeft in 1687, bij publicatie, alle inwoners, die iets tegen zijn gouvernement hadden in te brengen, opgeroepen om hunne klagten in te brengen, verklarende hij zich bereid om hun volle bevrediging en genoegdoening te geven; stellende zich in deze niet als gouverneur maar als particulier persoon, en willende dit doen ten overstaan van het hof; hij verlangde dit, ten einde zich voor zijn vertrek naar het vaderland, waartoe hij scheen besloten te hebben, van alle valsche beschuldigingen te zuiveren. Hij heeft deze oproeping driemaal hernieuwd, maar--niemand verscheen, niettegenstaande hij hen, bij niet verschijning voor kwaadsprekers en lasteraars verklaarde. Zouden wij niet met hetzelfde regt hen hiervoor mogen houden? [59]
Nog was er bij de Staten eene aanklagt tegen hem verschenen, namelijk, dat hij tegen het oogmerk der Staten, twee Paapsche geestelijken in de volkplanting had toegelaten, waarover de Staten aan van Sommelsdijk schreven: »dat men in de kolonie Suriname geene predikanten had, [60] maar dat men integendeel toeliet, (zoo als den heeren Staten van Zeeland berigt werd) dat de Paapsche godsdienst aldaar in de kolonie werd uitgeoefend, en onder anderen door een Paapjen, in de nabijheid van het fort, die gezegd werd door zijne kluchten en fabeltjes der Papisten ook Indianen en ons eigen volk tot zijn gehoor te trekken [61].
De zaak had zich aldus toegedragen. De heer van Sommelsdijk had zekere som gelds, ter voldoening van zijn quotum in de sociëteit, opgenomen van een koopman te Amsterdam, Philippus van Hulten, welke de R. C. godsdienst beleed. Toen van Sommelsdijk naar Suriname vertrok, stelde hij dezen van Hulten aan als gemagtigde voor zijn aandeel in de sociëteit. Deze man, een ijverige Roomsche, zond in wereldsch gewaad twee priesters naar Suriname, die echter kort na hunne aankomst overleden.
Hiervan maakten de vijanden van van Sommelsdijk, vooral de Zeeuwen, zoo grooten ophef, alsof de geheele kolonie in gevaar was, waarop de Staten, slechts ten halve onderrigt, bevalen, dat die priesters naar Nederland zouden teruggezonden worden.
Van Sommelsdijk liet de ligchamen der overledene priesters opgraven en zond hun gebeente naar Zeeland, met den volgenden brief, dien wij, om den eigenaardigen stijl van dien man te leeren kennen, in zijn geheel laten volgen: [62]
»Edele Groot Achtbare Heeren! Met schipper Johannis Plas hebbe ik aan de Heeren Staten van Zeelandt toegesonden de beenderen van de drie alhier overledene Papen, welcke sy gelieve Geestelycken te noemen; Ick gelove dat soo een kist vol ducaten haar beter contentement en vergenoegen soude doen, maar dat syn vrughten, die tot nogh toe hier niet er wassen, doch hope, dat by faute van dien, d'abondantie der suyckeren haar schreeuwende keelen sal versoeten en versachten, en met syroop en jalep haar van hare rasende koortsen genesen, en haar dan betere kennisse van saken doen bekomen van hetgeene hier passeert."
Waarmede Edele Groot Achtbare Heeren! UE. Groot Achtbare onderdanige Dienaar, (was geteekend) C. van Aerssens van Sommelsdijk. Actum Suriname, den 5 Sept. 1687 [63].
Na hevige klagten over deze daad door de Staten van Zeeland, werd door de Algemeene Staten bevolen, de lijken dier priesters weder naar Suriname over te voeren en in de vorige begraafplaats bij te zetten [64].
Weinig malscher waren de antwoorden van den beleedigden man over de andere onregtvaardige beschuldigingen tegen hem ingebragt. Wegens de beschuldiging, dat hij 4 pCt. van de natte waren geheven, en zelf in eene andere negotie gedeeld had, en de aantijging van eenige kapiteins, dat hij hen grootendeels benadeelde, door de suiker door zijne lieden te doen laden en hen af te wijzen, schreef hij o. a. in eene missive aan de Staten 26 Julij 1687,--»de redenen, waaromme desen last op de natte waren is gestelt, is dese, dat hier veele dronckaarts syn, die weinigh te kercken gaan, om haar te premoveren, het voordeel en genot van haar geldt te kercke te komen halen, alsmede te kennen te geven, dat wy van de droncke verckens ook eenigh voordeel en genot weten te trekken enz." [65]
Over de klagt der schippers zegt hij op denzelfden ronden, doch eenigzins ruwen toon, dat hij de schippers zijne aanklagers opgespoord heeft, in welke klagten »van het begin tot het eynde geen waar woordt en is, voor Godt en in conscientie geen de minste inhibitie oyt zynde gedaan aan de schippers, van niet te mogen inladen de bequame en gekeurde suykeren, dit zyn de listigheyt en de lagen, waarmede de schippers hare reders bedriegen ende abuseren, niet distinguerende het verbod van de ongekeurde suykeren" enz.--vervolgens noemt hij hen de kapers van de goudkust [66].
Over hunne handelwijze jegens de West-Indische compagnie liet hij zich in dier voege uit: »De W. I. compagnie op de cust van Afrika, als een groot ligchaam zonder ziel, is door haar, onder de dekmantel van vreemde commissiën, aldaar dickwils gepluymt, nu zoude de questie zyn in Amerika van het selvige te doen, maar wees gepersuadeert, dat nu ick weet, met wat luyden ick te doen hebbe, ick my wel sal weten te defendeeren; myn verkopen kunt ghy wel, maar de leverantie sal je (de Staten) zwaarder vallen dan geïmagineert werdt," enz. [67]
Op een ander bezwaar, dat hij zich niet in alle opzigten aan de letterlijke bepalingen zijner instructie gehouden had, antwoordt hij: »De enckelde negotie en de commercie heeft geene overeenkomste nogh rapport met de grootmakinge van een Staat, ofte Colonie bysonderlyk als die is, en werdt geforceert en gedwongen. De Experiëntie heeft my geleert het geene ick niet en wiste, en hetgeene waarop ick niet gedagt en hadde. En hadt ick als een geck myn instructie naar de letter gevolgt, zoude de Staat, de Stadt, de W. I. Compagnie en ick reden van berouw hebben van het ondernomene, hetgeene (Godt sy gelooft en gedankt) nu so niet en behoort." [68]
Van Sommelsdijk sprak hier eene waarheid uit, die helaas te dikwijls voorbijgezien is.
Is ons land groot geworden door den koophandel, en wordt deze met regt de zenuw van den Staat genoemd, aan de andere zijde is het even waar, dat door eenen te ver gedreven koopmansgeest, die slechts uit zucht naar gewin handelde en hiervoor alles ten offer bragt, gruwelen zijn geschied in de overzeesche bezittingen, waarvan de herinnering alleen ons de oogen schaamrood doet nederslaan. Even waar is het dat niet slechts het geluk van enkele personen, maar van geheele volkeren aan dien te ver gedreven koopmansgeest zijn opgeofferd; even waar is het, dat..... maar wij vervolgen onze geschiedenis.
Gelijk wij zagen, bragt van Sommelsdijk door zijne opene en eerlijke, zij het ook wel wat ruwe wederlegging zijner valsche beschuldigers, dezen tot zwijgen; en indien wij terugzien op hetgeen hij gedurende zijn vierjarig bestuur tot stand bragt, kunnen wij hem den naam van den nieuwen grondvester of hersteller der kolonie Suriname niet ontzeggen.
De onvermoeide landvoogd legde ook den grond tot de stad Paramaribo bij het fort Zeelandia, volgens een regelmatig plan, [69] en weldra zag deze plaats er gansch anders en beter uit, dan hij haar bij zijne aankomst vond.
Tot deze en dergelijke werkzaamheden werden dan ook meermalen de soldaten gebezigd. Onder den zwaren arbeid, die de gouverneur van hen eischte, wordt voornamelijk genoemd het maken van eene steenen glooijing aan den rivieroever bij het fort Zeelandia;--die daartoe benoodigde zware, door de Negers uitgekapte steenen, moesten zij, bij gebrek aan geschikte werktuigen dragen, hetgeen in dit land zeker een zeer moeijelijk werk was [70]. Hierbij kwam, dat men door gebrek aan aanvoer uit het moederland, genoodzaakt was geweest het dagelijksch rantsoen te verminderen [71].
De geest van muiterij, die hen reeds lang bezield had, werd daardoor zeer versterkt; deze openbaarde zich dan ook weldra door hunne weigering om te werken, tenzij zij meerder rantsoen kregen. Den algemeen beminden commandeur Verboom gelukte het dit ongenoegen te stillen, maar twee dagen later, den 19den Julij 1688 brak die muiterij op nieuw uit. Terwijl de heer van Sommelsdijk in een laan van oranjeboomen voor het Gouvernementshuis op en neder wandelde, in gezelschap van den commandeur Verboom, kwamen daar elf zaamgezworene rebellen, half beschonken, met hunne geweren gewapend, tot hem en eischten op een hoogen toon vermeerdering van rantsoen en vermindering van werk. Van Sommelsdijk, dien wij reeds als een oploopend mensch hebben leeren kennen, in plaats van hen te woord te staan, verstoord over dit gedrag en deze schending der krijgstucht, tastte naar zijn houwer, om deze baldadigen terug te drijven, doch toen hij den arm ophief, schoten zij allen tegelijk op hem, en viel hij door zeven en veertig wonden doorboord levenloos neder. De commandeur, Verboom door eene wond in den buik getroffen, overleed negen dagen later [72].
Zoo was het einde van van Sommelsdijk, het einde van een man, die, wij herhalen het nog eens, veel tot den bloei van Suriname heeft toegebragt, en die door zijne godsvrucht, zijn open, eerlijk en regtvaardig karakter, onze volle sympathie verdient, maar die misschien wel wat te haastig, te driftig hervormen wilde, en die door zijne oploopendheid en wel eenigzins barsch en norsch karakter, zich vele vijanden verwierf.
De muitelingen plunderden nu het magazijn, namen het fort Zeelandia in en benoemden opperhoofden.
De kapitein Abraham van Vredenburch, die wegens het verwonden van den commandeur Verboom als bevelhebber der troepen moest optreden, begaf zich onmiddellijk op het vernemen der tijding naar het fort, om aldaar, zoo mogelijk, de oproerigen tot onderwerping te brengen; maar dit gelukte hem niet, de muitende soldaten schoten op hem, en namen hem met den luitenant de Raineval en den secretaris de Graaf gevangen.
Dienzelfden avond begroeven de muitelingen het lijk van den vermoorden landvoogd, met krijgseer binnen het fort.
Bijna onmogelijk kan de toen bestaande verwarring geschetst worden. Bij Hartsinck vindt men in zijn tweede deel, bladz. 651 tot 671, daarvan een tafereel opgehangen, waardoor men er eenigzins over oordeelen kan. De muiters waren nu genoegzaam meester van de geheele kolonie en men was genoodzaakt, tot beveiliging van het leven der ingezetenen, een verdrag met hen aan te gaan, waarbij zij beloofden de kolonie te verlaten tegen eene geldelijke vergoeding, en waarbij hun geheele kwijtschelding van straf zou worden verleend.
Het gelukte den kapitein Vredenburch uit het fort te ontkomen en vervolgens, bijgestaan door den Joodschen kapitein Nassy en den raadsheer Bagman, met eenige gewapende burgers, gezegd fort door de rebellen te doen ontruimen. Zij zochten nu op het schip de Salamander te ontkomen, doch door onderlinge twisten verdeeld, werden zij eindelijk door de gewapende burgers en anderen gevangen genomen.
Hoewel er in Suriname nog eene groote verwarring bleef heerschen, werd de hoop op het herstel der rust door die gevangenneming zeer verlevendigd, en op last van den Raad van Policie werd den 30 Julij een dank- en bededag gehouden.
Nu was men het niet eens hoe met de gevangen genomen muiters te handelen. De zwaar gekwetste commandeur Verboom deed de Raden van Policie bij zich komen, en gaf de Raden in bedenking of men de moordenaars wel zou kunnen straffen, uit hoofde hij commandeur, benevens de andere officieren en burgers van Paramaribo, met de rebellen een verdrag hadden aangegaan, enz. De Raden antwoordden daarop, dat zulk een verdrag niet bestaan kon, als zijnde gemaakt door hem en verdere officieren, die in het geweld der rebellen waren, en door ontwapende burgers, en dus gedwongen; dat zoodanig accoord mede nul en van geen waarde was, als zijnde buiten hunne toestemming geschied, en dat zij in dat verdrag niet konden bewilligen zonder te zondigen, en zich eene groote straf op den hals te halen bij God en hunne principalen, ingeval zij de moordenaars ongestraft lieten vertrekken, enz. enz. Waarop de heer commandeur hun te gemoet voerde, dat het aan hunne beslissing stond, en dat hij hoopte, dat God hen wilde bijwonen met den geest der wijsheid, om niet alleen de zaak wèl uit te voeren, maar ten beste van het land te betrachten, waartoe hij met ernst bij hen aandrong. Den volgenden dag, den 28sten Julij 1688, overleed Verboom, die om zijne minzaamheid algemeen bemind was.
Het proces ging nu zijnen gang, en den 3den Augustus werden 3 der belhamers geradbraakt en 8 gehangen. De overige 60 man, die mede deel aan het complot hadden genomen, werden niet langer in dienst gehouden, maar voor en na, bij vijf of zes, naar Holland overgevoerd en volgens beloften aldaar vrijgelaten [73].
De rust alzoo hersteld zijnde, werden de officiers en burgerij door den heer G. Muenix, als president, uit naam van den Raad voor hunne goede diensten bedankt, en ging ieder weder tot zijn gewoon bedrijf en naar zijne woning terug [74].
Intusschen hadden de raden van policie zich na den dood van den commandeur Verboom alle gezag aangematigd, vooral door den invloed van den fiscal G. Muenix hiertoe aangespoord. De kapitein van Vredenburch leverde hiertegen den 13den September 1688 protest in, daar hem het regt van opvolging van den commandeur toekwam.
De raad bood hem zitting aan en stelde voor de zaken gezamenlijk te behandelen. Om de reeds bestaande verwarring en oneenigheid niet te vermeerderen, nam van Vredenburch dezen voorslag aan, maar behield zich zijn regt voor, zich in de notulen steeds teekenende, »ongepraejuditieerd" zijnen rang [75].
Toen de tijding van het droevig uiteinde van den gouverneur van Sommelsdijk in Nederland bekend werd, bood de geoctroijeerde Sociëteit van Suriname, volgens het bepaalde bij het 6de artikel van het met den overledene gesloten verdrag, den zoon des heeren van Sommelsdijk, den heer van Châtillon, luitenant ter zee aan, om in zijns vaders plaats, gouverneur van Suriname te worden. Er waren èn voor mevrouw van Sommelsdijk èn voor haren zoon te droevige herinneringen hieraan verbonden, en na rijp beraad bedankte hij voor die eer [76].
Mevrouw van Sommelsdijk bood haar aandeel te koop aan de Sociëteit, doch deze wilde hiertoe niet overgaan. Den 12den Februarij 1692 gaf zij kennis aan den burgemeester van Amsterdam, dat Koning Willem III van Engeland het had gekocht.
Hartsinck en anderen gissen, dat deze koop naderhand vernietigd is, omdat bekend is, dat den 19den April 1770 de stad Amsterdam van de erven van Sommelsdijk haar aandeel kocht voor de som van f 700,000, te betalen in drie termijnen. Meer aannemelijk komt ons in deze voor, het gevoelen van den heer Mr. C. Ph. Vlier uit Suriname, (zie Surin. Almanak 1833, blz. 239) die denkt, dat dezelfde aanbieding, welke bereids door mevrouw van Sommelsdijk aan de Sociëteit gedaan was, ook herhaald is aan den Koning van Engeland; doch dat deze, evenmin als de Staten van Holland, die koop ooit gesloten heeft. Hoe dit ook zij, vervolgt de heer Vlier, wij mogen hieruit gerustelijk afleiden, dat de kosten tot onderhoud dezer volkplanting in die dagen kwalijk konden worden bestreden door de voordeelen, die de Sociëteit van daar trok, wijl het anders moeijelijk te begrijpen is, waaraan de weigering der overname van het een derde aandeel van mevrouw van Sommelsdijk zij toe te schrijven.
De onderlinge twisten tusschen de verschillende magten in Suriname hielden aan. Onder hen, die zich in dit tusschenbestuur veel aanmatigden, behoort vooral de reeds genoemde Israëliet Samuel Nassy. Hij had zich door zijn moedig gedrag en goed overleg zeer verdienstelijk gemaakt in het beteugelen van den opstand der muitzieke soldaten, en droeg er veel toe bij, dat zij eindelijk gevangen werden genomen. Door dit een en ander had hij veel invloed gekregen, en koesterde hij misschien wel eenige hoop, om tot gouverneur der kolonie te worden benoemd.
Een man van groote middelen zijnde, had hij op de Joden-Savanne op eigene kosten een gasthuis voor zijne behoeftige geloofsgenooten laten bouwen, en door meerdere weldaden zijne natie zeer aan zich verpligt, zoodat de Joden hem steeds als hun beschermer aanzagen, hoewel hij toch ook van verscheidene kanten veel tegenwerking ondervond, toen hij, gesteund door brieven van de Amsterdamsche rabbijnen, trachtte eenige hervormingen bij hen tot stand te brengen, inzonderheid ten opzigte hunner zoo menigvuldige feestdagen [77].
Deze tegenstand werd zoo hevig, dat er ongeregeldheden en opstanden tusschen de Joden onderling ontstonden, dat zij zelfs handgemeen en er verscheidene gekwetst werden. Dan niet slechts bij de Joden was er over dergelijke zaken twist, ook tusschen de Hervormde predikanten en andere beambten heerschten twisten en wanorde, waardoor groote opschuddingen en gemor onder de ingezetenen veroorzaakt werd.
De militie was sedert den dood van van Sommelsdijk nog niet regt aan het bedaren; de fortificatiën waren in slechten staat; in het kort, de staat van zaken was zeer verward [78], en het was noodig, dat er als landvoogd in Suriname weder een man kwam, die de noodige vereischten bezat om dien verwarden boedel wat teregt te brengen. De keus der Sociëteit viel, (en zij werd door de Staten bekrachtigd) op den toen met verlof in Nederland zijnden raad van policie en heemraad van Thorarica, Johan van Scharphuisen, die met eene versterking van krijgsvolk en voorraad van oorlogs- en mondbehoeften naar de kolonie vertrok, in gezelschap van den heer Chatillon, die mede ging om de zaken zijns vaders te regelen.
In het begin van de maand Januarij 1689 scheepte hij zich in en had eene zeer moeijelijke reis, eerst door het ijs, later door buitzieke kapers, zoodat het schip zoo ontramponeerd werd, dat een gedeelte van het scheepsvolk begon te morren en eenige hunner in de kajuit kwamen, alwaar van Scharphuisen met den heer Chatillon, kapitein Lohuijzen en zijn secretaris aan tafel zaten. Zij zeiden, dat niemand der matrozen gezind was om met een zoo ontramponeerd schip in zee te blijven, maar dat zij verzochten de eerste haven de beste binnen te loopen. Van Scharphuisen vraagde hun, of hij en zijn gezelschap ook niet mede voeren en zoowel als zij het leven te verliezen hadden; en voegde hun toe, dat zij onvoorzigtig waren en eigenlijk de galg of de nok van de raa kwamen eischen; doch dat hij, hunne onnoozelheid inziende, hun dezen misslag vergeven wilde, mits dat zij zich stil en rustig hielden en hun best deden om het schip zoo veel mogelijk weder in staat te brengen om te kunnen zeilen.
Door deze mannelijke taal tot rede gebragt, dropen zij stilletjes af, sloegen handen aan het werk, en met stoppen en stengen werd het vaartuig zoo ver in staat gebragt, dat de reis kon voortgezet worden, zoodat zij zonder verderen tegenspoed den 8sten Maart 1689 voor de rivier van Suriname aankwamen, en de gouverneur den 10den aan land ontvangen werd. [79]
Wij deelden deze bijzonderheid mede om te doen zien, dat men in een man als van Scharphuisen wel eenig vertrouwen stellen kon, om als opvolger van van Sommelsdijk op te treden. Dat het hem echter niet gelukte regel en orde in dien verwarden toestand te brengen, zullen wij verder zien. Dadelijk na zijne komst poogde hij de inwendige twisten te stillen; hij stelde, behalve de reeds bestaande raad van policie, wien de criminele jurisdictie was opgedragen, uit een dubbel getal personen, door de ingezetenen gekozen, volgens artikel 23 en 24 van het octrooi, een collegie van zes personen aan, die met hem de civiele justitie zouden beheeren, welke tot heden door den raad van policie was bestierd; zoo mede een bijzonder collegie voor kleine zaken, ter beslissing en bevrediging van kleine verschillen tusschen de ingezetenen (een soort van vredegeregt), om deze alzoo zoo spoedig mogelijk tot een goed einde te brengen. Mede werden door hem opzigters der gemeene weiden benoemd, daar het vóór dien tijd hiermede zeer onordelijk toeging. [80]
Grondig bekend met den landbouw, en zelf eigenaar eener plantaadje aan de Boven-Suriname, zocht hij ook door zijn voorbeeld de wijze van cultuur te verbeteren.
De verbetering der vestingwerken, die in slechten staat waren, werd zeer gewenscht en hij onderzocht met de raden van policie wat het eerst en het best tot beveiliging der kolonie te doen ware.
Terwijl hij hiermede bezig was, nog geene twee maanden na zijne komst in Suriname, den 6den Mei 1689, stevende eene Fransche vloot van 9 oorlogsschepen en 1 bombardeer-galjoot, onder bevel van den admiraal du Casse, de rivier Suriname op; overviel de aan den mond der rivier gestationeerde Bark, en trachtte de kolonie te overrompelen.
De inwoners echter door eene nadere en bedekte wacht in tijds gewaarschuwd, hielden onmiddellijk krijgsraad en besloten tot tegenweer.
Zij gedroegen zich dapper, en het toen nog zoo nietige fortje Zeelandia stond een drie daagsch bombardement door; de vereenigde pogingen van het krijgsvolk, der burgers en der scheepslieden deden de bedoelingen van den Franschen admiraal, om de Commewijne op te varen, mislukken, waarna de Franschen, na een groot verlies te hebben geleden, de rivier afzakten en met het eskader in zee staken.