Geschiedenis van Suriname

Part 64

Chapter 643,568 wordsPublic domain

Het werk Gods onder de negerslaven ging voortdurend met zegen voort; bijna elke maand werden er door den doop in de Christelijke gemeente ingelijfd. De gedoopten wandelden waardiglijk het Evangelie; op den 31sten Mei 1777 kwamen vier van hen voor de eerste keer ten avondmaal; in het volgende jaar elf en zoo breidde zich de Negergemeente al meer en meer uit.

Daar het aantal der toehoorders steeds vermeerderde, bouwden de Broeders op hunnen grond eene kerk tot gebruik der Negergemeente. Bij de feestelijke inwijding derzelve, op den 31sten Mei 1778, werd een liefdemaal met 52 negers gehouden. Blanken en zwarten, vrijen en slaven aan eene tafel, wel was dit een vreemd verschijnsel in Paramaribo! doch de Heer, die Zijn bloed voor de verzoening der geheele wereld stortte, zag er met welgevallen op neder. Des namiddags hield Kersten de eerste preek.

Eenige weken later kwam de Gouverneur (Jan Nepveu) met zijne vrouw en een talrijk gezelschap der aanzienlijkste personen de prediking en eene doopplegtigheid bijwonen. Den volgenden Zondag werd de toeloop der blanken zoo sterk, dat er naauwelijks plaats voor de vele negers was. Kersten hield toen eerst eene korte rede in het Hollandsch; betuigde zijne blijdschap over de belangstelling der blanken, doch vervolgde, dat, daar de kerk door de Broeders gebouwd was, om aldaar de negers het Evangelie te verkondigen, zoo zou hij overgaan om hun in hunne taal het Woord der verzoening in Jezus bloed en dood te prediken. Daarop zong hij met luider stemme: »Looft den Heer alle gij Heidenen," waarop de kleine zwarte gemeente zingend antwoordde: »En prijst Hem alle gij volken! Alleen God in de hoogte zij de eere, enz." Niettegenstaande het groot gemengd aantal van blanke toehoorders, onder welke zich ook verscheidene Joden bevonden, heerschten stilte en orde tot aan het einde; en allen waren verwonderd over de aandacht der Negers en over hun harmonisch gezang.

In het jaar 1779 ontvingen de Broeders een stuk land, buiten de stad, van de regering ten geschenke, tot begraafplaats der Christen-negers. De opwekking onder de slaven ging gezegend voort; gewoonlijk waren bij de prediking twee honderd aandachtige toehoorders tegenwoordig. Het getal der gedoopten en der avondmaalgangers vermeerderde en weldra moest de kerk worden vergroot; verscheidene heeren uit Paramaribo gaven daartoe bijdragen.

Ook opende zich aan het einde van hetzelfde jaar eene deur voor de Broeders, om de slaven op de plantaadjes het Evangelie te verkondigen. Zekere heer Palmer, eigenaar van de plantaadje Fairfield, tien uren van Paramaribo, aan de Commewijne gelegen, noodigde de Broeders uit aan zijne negers (150) Gods Woord te prediken.

De Broeders gaven gaarne aan deze roepstem gehoor. Toen Broeder Kersten hun de liefde des Verlossers bekend maakte, hieven deze arme slaven de handen ten hemel en dankten God met luider stemme, dat Hij dit liefelijke woord ook tot hen deed komen.

Later werden de bezoeken ook tot andere plantaadjes uitgestrekt. Eene vaste zendingspost werd noodig geacht, ten einde beter aan de zich meer en meer openbarende behoefte der negers naar het Evangelie te kunnen voldoen. De regering schonk den Broeders daartoe in 1785 een stuk grond, bij de zamenvloeijing der Commewijne en Cottica, Sommelsdijk, naar een vroeger aldaar gelegen fort genaamd. De plaats was ongezond en moerassig en de beide eerste zendelingen, die zich aldaar vestigden, vielen als slagtoffers dier ongezonde ligging. Intusschen had men hoop daar met kracht werkzaam te zijn. Vele negers der naburige plantaadjes kwamen er om de prediking bij te wonen; het woord Gods werkte met kracht en reeds aan het einde van 1786 waren 164 zielen onder de leiding der Broeders. Evenwel deden er zich groote zwarigheden op. Dewijl de negers van de plantaadjes niet anders dan te water naar Sommelsdijk konden komen, omdat hieraan gevaren waren verbonden, zoodat werkelijk in 1788 drie negerinnen, bij hare terugkomst van Sommelsdijk, in de rivier verdronken, zoo weigerden de meesters hunnen slaven langer naar Sommelsdijk te gaan. De Broeders werden dus genoodzaakt de plantaadjes te bezoeken.

De Negergemeente te Paramaribo nam gestadig toe en bestond weldra uit: 101 gedoopten, van welke 49 avondmaalgangers, en 40 doop-candidaten, te zamen alzoo uit 141 personen. De nieuwe Gouverneur Texier, die in 1779 Nepveu was opgevolgd, toonde zich, na een met de Broeders gehouden onderhoud, bereid hunne pogingen ten beste der negers te ondersteunen. Hij werd door eigen aanschouwing meer en meer overtuigd welke kracht tot verandering en tot heiliging des levens door de prediking des Evangelies bij de slaven werd verwekt. Ook sommige meesters werden hiervan overtuigd en enkele woonden den doop hunner negers met aandacht bij; anderen daarentegen waren zeer vijandig en zochten hunne slaven door dreigementen en slagen van het bezoeken der kerk af te houden.

De Broeders kozen weldra uit de beproefdste gemeenteleden eenige helpers en helpsters, die hun het opzigt over de steeds aanwassende gemeente hielpen houden. Toezigt was zeer noodig, want, bij den aanwas der gemeente vond men, zoo als overal, er ook onder, die op een zondigen dwaalweg geraakten, welke de Broeders in den geest der zachtmoedigheid, doch tevens met Christelijke ernst, hiervan zochten terug te brengen.

Aan het einde der vorige eeuw bedroeg de Negergemeente te Paramaribo reeds meer dan 300 leden. De Broeders, ten einde de vermeerderde kosten der zending te dekken, rigtten bij hun kleêrmakerswinkel nog eene bakkerij en eene horlogiemakerij op, waar gehuurde negers als knechts arbeidden.

Indien wij de geschiedenis van de zending onder de negerslaven eenigzins uitvoerig wilden mededeelen, zou de ons nog overgebleven ruimte hiertoe niet toereikend zijn. Het kost ons echter opoffering om van eene zaak, die zoo hoogst belangrijk is en die zulke groote blijken van Gods goedertierenheid en trouw, en van onbezweken ijver en vurige liefde der Broedergemeente oplevert, slechts kortelijk melding te kunnen maken. Een ding troost ons hierbij: de berigten, uitgegeven door het Zendinggenootschap te Zeist, zijn in veler handen, en hier toch vindt men de belangrijkste berigten over dit rijk gezegend werk medegedeeld. Dat toch elk in den lande, die de uitbreiding van Gods koningrijk ter harte gaat, zich verkwikke bij het lezen dier berigten en meer en meer worde opgewekt om den arbeid der Broedergemeente met gave en gebed te ondersteunen. Wij moeten ons bij onze verdere mededeelingen tot het aanteekenen van eenige hoofdbijzonderheden bepalen.

Gedurende de oorlogstijden van 1793 en tijdens Suriname onder Engelsch bestuur was, verkeerde de zending in grooten nood. De Engelsche regering wenschte den arbeid der Broederen wel te ondersteunen, doch de stremming van het verkeer met het vaste land van Europa verhinderde de overkomst van nieuwe arbeiders, om de plaatsen te vervullen van hen, die door ziekte of dood in hunne werkzaamheden waren gestoord.

Het getal der negerslaven aan de Commewijne en Cottica, welke tot de Christelijke gemeente behoorden, bedroeg in het begin dezer eeuw nog slechts 96, waarvan 55 alleen op de plantaadje Fairfield. De verdere werkzaamheden werden zeer verhinderd door de afkeerige gezindheid der plantaadje-directeuren. Eindelijk vond de Uniteits-Conferentie zich in 1817 genoodzaakt deze post op te heffen. De negers van Fairfield werden nu, om de acht weken, door de Broeders uit Paramaribo bezocht. Op uitdrukkelijk verlangen van den Engelschen predikant Austin, eigenaar der plantaadje Kleinhoop, werd, sedert Januarij 1819, ook aldaar het Evangelie aan de slaven verkondigd.

Mogt het zendingswerk op de buitenposten vele moeijelijkheden ondervinden, te Paramaribo nam de gemeente steeds toe. Talrijke negers en kleurlingen, zoo vrijen als slaven, voegden zich bij haar. Bij de hevige kinderziekte, die in 1819 zoo vele slagtoffers maakte (ruim 2000 personen), waren de Broeders meermalen getuigen van de genade en trouw des Heeren, die zich aan de sterfbedden van vele gemeenteleden zoo krachtig openbaarde, dat velen juichend ontsliepen. Zelfs uit den mond der Heidenen hoorde men in dien tijd meermalen uitdrukkingen, als: »Niemand, geene Goden der negers, niemand kan mij helpen, dan alleen de ware God, die mij geschapen heeft" en dergelijken. De begraafplaats moest worden vergroot, en de gedoopte negers sloegen ijverig de hand aan het werk, ten einde het houtgewas uit te roeijen, de sloten er om heen te graven en het geheel met eene limoenhaag te omringen.

Bij den vreeselijken brand van 1821 werd de zendingskerk als door een wonder gespaard, en weldra was zij te klein om de toenemende gemeente te bevatten. Zes en negentig volwassenen werden in dat jaar gedoopt. De scholen, waar de negerkinderen in het lezen en zingen, en in het van buiten leeren van spreuken en liederen, onderwijs ontvingen, namen in bloei toe. Van de Neger-Engelsche vertaling van een te Londen gedrukt werkje: »Hoofdinhoud van Jezus leer," werd gretig gebruik gemaakt.

Ook op de plantaadjes vertoonde zich een nieuw leven. Verscheidene eigenaars verzochten den Broederen hunne slaven Christelijk onderwijs te komen geven. Op Breukelerwaard werd eene kerk voor de negers gebouwd en in 1825 ingewijd. Molhoop, Vlaardingen, Lustrijk, La Singularité en meer andere plantaadjes werden nu regelmatig bezocht.

Den 21sten Julij 1826 was het 50 jaren geleden, dat de eerste neger door den doop in de Christelijke gemeente werd ingelijfd. De herinnering hieraan werd door de Negergemeente feestelijk herdacht. Vele stadbewoners namen aan deze feestviering deel. Gedurende den vijftigjarigen arbeid onder de slaven waren 2477 gedoopt; toenmaals bevonden zich 1800 negers onder de leiding der zendelingen.

De aanzienlijke vermeerdering der gemeente had den aanbouw eener ruimere kerk noodzakelijk gemaakt; waartoe de onkosten meerendeels door vrijwillige bijdragen van welwillende Surinamers waren gedekt. Zij werd den 21sten Julij 1818 ingewijd. »Het was een hartverheffend gevoel," schrijft een zendeling, »onze broeders en zusters uit de negers, allen rein in het wit gekleed, naar de sekse afgezonderd, te aanschouwen. Verder was het overige der kerk, tot op de derde galerij, onder het dak, opgevuld met aanzienlijken en geringen, blanken, kleurlingen en zwarten, Christenen, Joden en Heidenen, die allen stil en eerbiedig nederzaten, terwijl tot lof en aanbidding van den eenigen waren God gesproken, gebeden of gezongen werd."

In 1828 werd de Maatschappij ter bevordering van het Godsdienstig onderwijs onder de slaven enz. opgerigt (zie bladz. 645). De Broeders werden uitgenoodigd aan de beraadslagingen van het bestuur deel te nemen en ondervonden verder veel ondersteuning, door middel dezer Maatschappij, welker stichting als eene zeer belangrijke en verblijdende gebeurtenis voor de zending kan worden aangemerkt.

Reeds door het bouwen eener ruimere kerk was in de stad aan een grooter aantal slaven gelegenheid gegeven het woord Gods te hooren. Door de Broeders was mede godsdienstig onderwijs aan de kinderen in de stad gegeven, welk onderwijs vooral goede vruchten opleverde, toen men aan die kinderen ook het woord Gods in handen kon geven. Door het Britsch en Buitenlandsch Genootschap was eene vertaling van het Nieuwe Testament in het Neger-Engelsch bezorgd; waarvan de Broeders slechts afschriften bezaten. Zoodra het ruchtbaar werd, dat dergelijke boeken waren te bekomen, wenschten vele negers zich dien kostbaren schat aan te schaffen. Ongeveer dertig stuks werden ten geschenke gegeven aan zulke schoolkinderen, welke vlug en goed konden lezen, en deze kinderen waren niet zelden de werktuigen, waardoor hunne ouders met de Heilige Schrift bekend gemaakt werden. Het getal kinderen, die vrij geregeld de school bezochten, bedroeg toenmaals reeds honderd en dertig. De zondagschool werd ook door volwassenen bezocht.

In 1831 zond men van Zeist aan de Broeders eene drukpers, met al hetgeen noodig was om Neger-Engelsche schoolboeken te drukken. In 1835 werd de Negergemeente verblijd door de ontvangst van een orgel voor de nieuwe kerk, mede uit Zeist gezonden. De kerk was bij den brand van 1832 weder, gelijk in 1821, door Gods goedheid, bewaard gebleven, terwijl de kerken der andere gemeenten in de asch waren gelegd. De Broeders boden hun bedehuis der Hervormde en Luthersche gemeenten aan, ten einde daarin de kerkedienst waar te nemen, van welke vriendelijke aanbieding door de Hervormde Gemeente gebruik werd gemaakt. Door de koloniale regering werden de Broeders uitgenoodigd het fort Nieuw Amsterdam te bezoeken om aldaar te prediken en door het Geregtshof werd hun de zielezorg voor de gevangenen opgedragen. Deze welwillende gezindheid der regering oefende ook invloed uit op de stemming van bijzondere personen, en de vooroordeelen tegen de Broeders verminderden bij den dag.

Het aantal plantaadjes, waar het den Broeders vergund werd het Evangelie te verkondigen, bleef lang zeer klein. De opzigters der plantaadjes, voor zoo verre zij niet als vijandig tegen het zendingswerk waren bekend, zagen echter tegen de onkosten op, die het godsdienstig onderwijs der slaven vorderden. Want, daar in Suriname meest alle reizen te water moeten geschieden, en de zendelingen, die te Paramaribo van hun handwerk leefden, geene middelen bezaten om zich roeibooten en negers voor hunne maandelijksche bezoeken op de plantaadjes aan te schaffen, moesten de Directeurs hen laten afhalen, of van de eene naar de andere plantaadje vervoeren. Ook moest men bij een dergelijk bezoek den slaven eenigen rusttijd gunnen tot het bijwonen van de predikatie en het onderwijs in de godsdienst.

Een ander bezwaar was, dat, wegens den verren afstand van sommige plantaadjes van Paramaribo, het den Broeders aldaar moeijelijk viel hen te bezoeken, waarom zij zeer wenschten meerdere zendingsstations in de kolonie te kunnen oprigten, van waar de toegang tot de negers der omliggende plantaadjes gemakkelijker was. Deze beide bezwaren werden opgelost door de reeds gemelde Maatschappij. Door haar werd in het gebrek aan roeibooten en negers voorzien, en in 1835 de tot het doel gunstig gelegen plantaadje Charlotte-burg aangekocht en den Broeders ten gebruike afgestaan.

Sedert dien tijd treedt eene nieuwe periode der zending in. Nog hadden wel de Broeders vele bezwaren te overwinnen: onwil bij verscheidene directeurs en administrateurs, ongeloof, verblindheid en gehechtheid aan Heidensche gewoonten bij de negers, doch de Heer gaf aan zijne dienstknechten en dienstmaagden kracht en in Zijne kracht bestreden zij de vesten des Heidendoms en--overwonnen. Meerdere vaste zendingsposten werden opgerigt, waarop Broeders en Zusters met groote trouw werkzaam waren.

Twee zwakke weduwen, zuster Voigt op de plantaadje Andresa, aan de Coppename, en zuster Hartman op Bergendal aan de Boven Suriname, arbeidden aan de grenzen van het zendingsveld. Door onderwijs der kinderen, door toespraken en vermaningen aan de volwassenen, door een heiligen wandel waren deze vrouwen tot grooten zegen voor de negerbevolking.

Broeder Jansa, de apostel der Warappa-kreek, ondernam een veldtogt tegen de afgodstempels en de gevreesde afgodspriesters. De Heer, die met hem was, schonk hem de overwinning. De Heilige Geest opende veler harten en verwekte bij de negers een honger en dorst naar het woord des levens en maakte de prediking vruchtbaar.

Sedert 1850 vooral zijn meerdere vaste posten gevestigd en heeft men pogingen aangewend om regelmatige scholen voor de kinderen op de plantaadjes op te rigten, doch hierbij had men groote zwarigheden te overwinnen. Eene circulaire, waarbij de Broeders aan de planters vroegen hun kweekelingen af te staan, om op hunne school tot nationaal-helpers en onderwijzers te worden gevormd, bleef zonder vrucht; eerst een uitdrukkelijk bevel van de in Nederland wonende eigenaars maakte de plantaadje-bestuurders gewilliger om kweekelingen voor deze school af te staan. De eerste knaap, die men daartoe afstond, was een kreupele, die door zijn ligchaamsgebrek niet geschikt voor den veldarbeid was.

In het jaar 1851 eindelijk kwam die school tot stand, op het nabij Paramaribo gelegen Beekhuizen. Tien kweekelingen werden opgenomen en ontvingen onderrigt in den Bijbel en de Catechismus, in het rekenen en zingen; eerst in 1856 werd het den Broederen veroorloofd onderwijs in het schrijven te geven. In December 1858 bedroeg het getal der aanwezige kweekelingen veertien. Over hun gedrag en vorderingen waren de Broeders en ook anderen, die de school bezochten, zeer te vreden.

In 1856 heerschte de gele koorts in hevige mate in Suriname en maakte vele slagtoffers. In tien maanden overleden, zoo in de stad als op de buitenposten, veertien Broeders en Zusters. Doch de Heer sterkte de Broedergemeente ook in deze beproeving; een nieuwe frissche gebedsijver ontvlamde, de vermoeiden werden verkwikt en tot nieuwen ijver aangevuurd. Steeds werden nieuwe strijders gevonden, die de plaatsen der gevallenen wilden vervullen, zoodat de zending zich uitbreidde en op vastere grondslagen werd gevestigd. Het Para-district maakte lang eene droevige uitzondering. De administrateurs waren aldaar de zendelingen wel genegen, maar de negers bleven lang afkeerig. Het scheen, dat Satan zich hier als in zijne laatste vesting tot het uiterste wilde verdedigen. Broeder Mense ging echter in de kracht zijns Heeren die vesting aantasten. Met het instorten van twee der grootste afgodstempels, die immer in Suriname bestonden, en waarvan de eene 150 jaren bestaan telde, werd de eerste bres geschoten en drong het Evangelie ongehinderd het land in. Eerst werd dit district uit de stad bezocht, doch reeds in 1851 kon aldaar eene eigen post, Berseba genaamd, worden aangelegd, waar in 1858 eene kerk werd opgerigt [1376].

Thans is het getal der zendingsetablissementen tot 12 gestegen. Ruim dertig Broeders en Zusters, getrouwelijk door nationaal-helpers bijgestaan, zijn op dit arbeidsveld werkzaam. In Paramaribo zijn ongeveer 6000; op 180 plantaadjes 20,000 personen, die in meerdere of mindere mate onder het geklank des Evangelies leven. »De velden zijn wit om te oogsten; bidden wij den Heer dat Hij arbeiders geve in dezen wijngaard."

Het was ons eene regte verkwikking aan het einde van onzen arbeid eenige oogenblikken te mogen wijden om op lichtpunten te wijzen. Wij danken onzen God, die ons het voorregt schonk, om, nadat wij zoo veel droevigs hadden moeten vermelden, ook te kunnen gewagen van die dingen, die het hart des Christens met blijdschap vervullen. Wij wilden hiermede wel besluiten, doch waarheidsliefde dringt ons ook nog met een enkel woord te spreken van de groote belemmeringen die het zoo gezegende werk der zending ondervindt. Wij spreken hier niet van de hardheid der harten, noch van de neiging tot afgodsdienst, noch van de ligtzinnigheid, die zich nog zoo dikwijls bij de negers openbaren. Waar van zending, waar van Evangelieverkondiging sprake is, wordt dit in onderscheiden schakeringen ondervonden. Wij spreken hier slechts van de belemmeringen, die onafscheidelijk zijn aan het stelsel der slavernij.

Nog wordt de verkondiging van het Evangelie van genade door sommige Administrateurs en Directeurs tegen gehouden; nog blijven plantaadjes voor de zendelingen gesloten; nog wordt het onderwijs der kinderen op velerlei wijze belemmerd. Op sommige plantaadjes wordt het den zendelingen wel veroorloofd eene preek voor de negers te houden, doch hun niet toegestaan de oude, zwakke en zieke slaven te bezoeken. Met hoeveel voorzigtigheid moet de zendeling zich uitdrukken, om de waarheid niet te verkrachten, en toch den meester niet te veel aanstoot te geven, opdat hij niet het geheele werk verstore. Welk een hinderpaal voor de uitbreiding van het rijk Gods onder de slaven is de hoererij der blanken, met de onder hunne magt staande slavinnen. Welk een droevig gevolg der slavernij is het, dat er geen wettig huwelijk onder de slaven kan worden aangegaan en de regten van het vaderschap niet worden erkend. Hoe dikwijls wordt het met moeite onder zuchten en tranen gezaaide moedwillig door den blanke verstoord. Hoe vele voorbeelden zouden wij hiervan kunnen mededeelen; wij onthouden er ons echter van. »Hoe verwoestend de slavernij is voor de zedelijke magt der maatschappij, daarvan wordt men ten volle overtuigd, wanneer men slechts eenigermate met het leven in de kolonie is bekend geworden. Intusschen willen wij ons werk nog voortzetten en niet vertragen, in weerwil van den tegenstand derzulken, die, om hunne persoonlijke bedoelingen, zich met onze prediking der verzoening in Christus niet kunnen vereenigen; wij willen in de kracht van Christus strijden tegen de duisternis, en ook daarin ons geloof, dat de wereld in ons en rondom ons overwint, betoonen, dat wij ons, na meer dan honderdjarigen arbeid, nog blijven schikken in en naar de bestaande betrekkingen, die door God worden toegelaten; opdat, wanneer de kracht van Christus den slavenstand opheft, Hem ook eere moge bereid worden van onze verdrukking en droefenis, en de wereld erkenne, dat in Hem alleen ware vrijheid te vinden is." Zoo sprak de waardige Otto Tank, wiens ernstige gemoedelijke taal bij de blanke bevolking te Suriname ergernis verwekte. In eene maatschappij, verpest door de slavernij, tracht men immer de stem van waarheid en regt te versmooren. Worde de slavernij dan spoedig afgeschaft, want, gelijk de tegenwoordige hoofdvoorstander der zending te Paramaribo schreef: »De vrije ontwikkeling van het Godsrijk, de geestelijke en verstandelijke beschaving der negerbevolking, wordt in het algemeen door de bestaande slavernij in eene hoogere mate belemmerd, dan het, uit de verte gezien, wel schijnt, en dit is de onzegen (vloek), die op haar rust; om deze rede voornamelijk, en niet alleen om den uitwendigen toestand der slaven, is de slavernij verwerpelijk en verfoeijelijk. Des te meer verheugen wij ons, dat thans het zekere vooruitzigt op hare afschaffing bestaat."

Spoedig kome die dag; de Heer doe hem weldra aanbreken; Zijne liefde dringe ons daartoe mede te werken.

Zoo door mijn geringen arbeid afkeer tegen de slavernij en belangstelling in Suriname's blanke-, gekleurde- en negerbevolking eenigermate vermeerderd worde, zoo is mijn doel met het schrijven van de Geschiedenis van Suriname bereikt, en ik zal er den Heer voor danken, die mijne zwakke krachten gesterkt heeft. Worde Zijne kracht ook in mijne zwakheid volbragt; zij dit werk ter Zijner eere.

NASCHRIFT.

Door gunstige beschikking van den Minister van Koloniën is mij inzage verleend in de officieele bescheiden, door den heer Baron van Heeckeren op 's Rijks-Archief gedeponeerd, welke betrekking hebben op den tijd (1831-1838), dat hoogstdeszelfs vader, de heer E. L. baron van Heeckeren, Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen was. Toen ik deze gunstige beschikking ontving, was de geschiedenis bijna, het tijdvak van van Heeckeren reeds geheel afgedrukt. Kon ik dus de resultaten van het onderzoek dier belangrijke bescheiden niet ter plaatse, waar zij eigenaardig behooren, mededeelen, in een naschrift willen wij echter het voornaamste daaromtrent aanstippen.