Geschiedenis van Suriname

Part 63

Chapter 633,767 wordsPublic domain

In 1790 werd eene groote school gebouwd; 11 Indianen bouwden nieuwe huizen, in geregelde orde, en die van appel- en andere vruchtboomen werden omringd. Kinderen en volwassenen werden tot nuttigen arbeid opgeleid. Grond ter cultuur van cassave werd aangelegd; velden met koorn en banannen zag men weldra in hunne volle schoonheid prijken. In October 1791 werden aan 108 bewoners eenige verordeningen voorgelezen, waardoor de Heidensche levenswijze zou ophouden en eene geregelde Christelijke hiervoor in de plaats komen; de Indianen beloofden die bepalingen te zullen nakomen. Caraïben en Waraauen voegden zich bij hen, en de geordende gemeente trok zoodanig de aandacht der Indianen in den omtrek, dat velen genoopt werden zich ook daarheen te begeven. In 1795 trokken 109 Indianen naar Hoop, en onder deze 36 Waraauen, die zich door bijgeloof, ligtzinnigheid, afkeer van arbeid en diefstal kenmerkten en der nieuwe gemeente alzoo tot een slecht voorbeeld waren.

De verovering van Berbice in 1796 door de Engelschen maakte het verkeer moeijelijker en belette de nieuwe kolonisten hunne waren te verkoopen. Friderici liet echter in 1798 den Indianen toe om voor hunne bijzondere zaken naar Berbice te gaan. Dat rustig verkeer met de naburige kolonie, zelfs gedurende den krijg, hield echter op door eene onvoorzigtigheid van Fischer. Deze namelijk hielp de bemanning van een gestrand Engelsch schip, die zich voor Noord-Amerikaners uitgaven, naar Berbice te komen. Hierop ontving hij bevel om met zijne familie den zendingspost Hoop te verlaten. Hij begaf zich daarop, tot groote smart der gemeente, naar Noord-Amerika

In 1799 werd het verkeer met Berbice weder toegestaan. Na het vertrek van Fischer zette Broeder Klüge met zijne nationaal-helpers, met ijver den arbeid voort; in 1800 kwam Broeder Schulz hem ter hulp, en in 1801 waren te Hoop 208 inwoners, waaronder 169 gedoopten. Echter geraakte de gemeente door de toenemende neiging der Arawakken tot dronkenschap en een zwervend leven in verval. In 1808 werden door eenige ligtzinnige booze jonge lieden de zendingsgebouwen in de asch gelegd. Het grootste gedeelte der Indianen verliet toen de nederzetting aan de Corentijn; andere pogingen werden aangewend, om hen hier en daar te verzamelen, doch in 1815 moest de zending eindelijk onder de Indianen worden opgegeven, daar de werkzaamheden op de plantaadjes onder de negerslaven aan de Nickerie al de krachten der Broeders vorderden.

Zoo hield de zending der Broedergemeente onder de Arawakken geheel op, en die gezegende plaatsen, waar eenmaal Gods lof werd verkondigd, waar liederen ter Zijner eere weerklonken, zijn thans met digt bosch bewassen, waaruit men slechts het geschreeuw der papagaaijen en van andere woudbewoners hoort. In Pilgerhut (Berbice) is geen pelgrim meer, Saron is niet langer een bloeijenden tuin, Ephraim draagt geene vruchten en op Hoop--hoopt men niet meer. Echter, zoo eenmaal de stem van den Archangel de dooden ter opstanding roept en de klank der laatste bazuin ook in deze wouden wordt gehoord, zullen ook dáár graven zich openen, uit welke Indianen met hunne leeraren en leermeesteressen zullen opstaan, die Hem zullen roemen en loven tot in eeuwigheid, Die zich hunner zielen heeft ontfermd en ten eeuwigen leven bekwaam gemaakt.

En in den tijd? Wij herhalen het vroeger gezegde. Na de afschaffing der slavernij zal het verkeer van de Indianen met de Europeanen worden bevorderd;--dan ook is het te wenschen, dat de Indianen zullen deelen in het genot der beschaving, en vooral in de vertroostingen der Christelijke godsdienst. Moge het Evangelie der genade hun dan op nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders van Christus een zoodanige zijn, dat die arme onkundige heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden. Daartoe verleene den Heer zijne genade, daartoe schenke Hij zijne kracht, de zegenende invloeden des Heiligen Geestes.

II.

ZENDING ONDER DE BOSCHNEGERS.

In 1762 was de langdurige strijd met de Boschnegers (zie bladz. 136 tot 154) geëindigd; een vredes-tractaat was door de koloniale regering in 1760 met de Aucaners en in 1762 met de Saramaccaner-negers gesloten (zie bladz. 154-160). De toenmalige Gouverneur van Suriname, Wigbold Crommelin, wenschte, dat de Broedergemeente ook onder hen eene zending zoude vestigen; de Saramaccaners zelven deden aanzoek om Christenleeraars en de Broedergemeente verheugde zich een nieuwen werkkring te vinden, om het Evangelie te verkondigen.

Rudolph Stoll en Thomas Jones werden daartoe uit Hernhut gezonden en kwamen, onder leiding van den ons reeds bekenden Broeder Dähne, die ter herstelling zijner geschokte gezondheid eenigen tijd in Europa had vertoefd, in 1765 te Paramaribo aan.

In December van hetzelfde jaar aanvaardden zij de reis naar de dorpen der Boschnegers. De vaandrig Dörig (meermalen in de Geschiedenis genoemd) stelde hen aan de grenzen als hunne toekomstige Leeraars aan de Kapiteins der 12 Negerdorpen voor, onder de betuiging, dat hetgeen zij aan de Broederen deden, goed of kwaad, de koloniale regering het zou aanmerken als aan haar te zijn geschied. De Kapiteins gaven luide hunne vreugde te kennen, en ieder wilde gaarne een Broeder bij zich nemen. Deze echter besloten zich voorloopig niet van elkander te scheiden.

In Februarij 1766 bereikten zij over de gevaarlijke watervallen Senthea Kreek, alwaar het Groot-Opperhoofd Abini hen vriendelijk ontving en eene hut voor hen liet bouwen. Jones overleed eenige dagen na zijne aankomst; Dähne keerde later naar Europa terug, zoodat Stoll alleen overbleef, hoewel andere Broeders en Zusters hem later ter hulpe kwamen.

De hoofdman Abini verloor kort daarop het leven in een gevecht met nog in opstand levende Negers. Eer hij ten strijde trok had hij de Broeders aan zijn zoon Arabi, een verstandig jongman, met de volgende woorden aanbevolen: »Ik weet wel is waar niet regt welk soort van lieden dit zijn en waarom zij hier willen wonen; ik geloof echter, dat God ze mij toegezonden heeft." En Arabi vergat deze woorden zijns vaders niet en betoonde den Broeders vele toegenegenheid en vriendschap.

Naauwelijks waren de Broeders zoo ver gevorderd, dat zij den Boschnegers in hunne eigene taal het doel hunner komst verklaren konden en hun alzoo wezen op den eenigen God en op Zijnen Zoon Jezus Christus als den Heiland der zondaren, of daar verhieven de afgodspriesters (Gado of Obia-mannen of Lokemans. Zie bladz. 118-19) en voornamelijk de oude vrouwen, een luid geschrei aan. Deze lieden dreigden de andere Negers met den toorn hunner goden, daar zij zich met den Gran-Gado (Grooten God) der blanken hadden ingelaten. Zelfs offerden en baden zij om die goden te verzoenen, en--de Obia-mannen zochten op allerlei wijze het volk tegen de Broeders in te nemen.

De Broeders waagden het niet des avonds uit hunne hutten te komen en werden door sommigen gewaarschuwd, dat zij ongetwijfeld zouden vermoord worden. Echter hielden de Broeders hunne huiselijke godsdienstoefeningen met open deuren, opdat welligt een der nabij wonende negers een gunstigen indruk hiervan mogt erlangen, en verder vertrouwden zij op den Heer. »Er is werkelijk meer gevaar dan wij weten", schreven zij in 1767, »doch wij verlaten ons op Hem, die magtiger is dan alle anderen. Wil Hij ons tot offer doen strekken, wij zijn bereid. Hij doe ons slechts zijne zalige nabijheid genieten."

De Heer sterkte deze geloofsmannen; niemand legde de hand aan hen. Bedroefd over de verstoktheid der volwassenen beproefden zij twee knapen, Scipio, een schoonzoon van Abini, en Grego, onderwijs te geven. Nog drie knapen voegden zich hierbij en toen hunne vijandig gezinde moeders dezen van hen wegnamen, bleven Scipio en Grego luisteren naar de verhalen van de liefde des Heeren. Zij leerden zingen en bidden met de Broeders, en Stoll vertaalde met hunne hulp eenige liederen en een gedeelte van het Nieuwe Testament.

Daar Senthea Kreek het middelpunt van den geheelen stam was werden de offerfeesten onder groot getier en geraas gehouden en de Broeders verlangden dus naar eene rustiger standplaats. Arabi voldeed aan hun verlangen en bouwde hen een huisje, een weinig meer zuidwaarts, te Quana; terwijl de zending door de aankomst van Broeder en Zuster Kersten werd versterkt. Arabi gevoelde zich, ofschoon zijn Grangmama (Grootmoeder), eene afgodspriesteres, hem hierover duchtig bespotte, meer en meer tot den Heer getrokken. Zijn voorbeeld werkte gunstig; andere negers wilden nu ook meer van den Heiland hooren. De Broeders begonnen nu des Zondags eene openbare godsdienstoefening te houden, en hadden in het begin verscheidene toehoorders, doch de ijverende Obia-mannen, en voornamelijk eenige vrouwen, verontrustten hen gestadig. Slechts bij Arabi vatte het woord der verzoening wortel in het harte en den 6den Januarij 1771 werd hij, als eersteling van dit in diepe duisternis verkeerend volk, gedoopt.

De meeste inwoners woonden de doopplegtigheid van Arabi bij, die op zijne eigene begeerte den naam van Johannes erlangde, doch daarna verhief zich een ontzettende storm onder dit volk, en voornamelijk waren de vrouwen woedend. Een dorpshoofd dreigde den Broeders den dood; door de genade des Heeren werd echter geen haar van hun hoofd gekrenkt.

In 1773 werd weder een neger, Janke, gedoopt en ontving den naam van Simeon. In December 1774 werden de Broeders genoodzaakt zich naar Bambeï te verplaatsen. Reeds in het volgende jaar mogten zij weder vier negers doopen, en onder deze hunne eerste leerlingen Scipio en Grego, welke de namen van David en Christiaan bekwamen. Zoo was het begin eener Christengemeente dáár, die door woord en wandel het Evangelie beleed.

Het Evangelie begon de harde harten der negers te verteederen. Een zoon van den bekenden zendeling onder de Indianen aan de Berbice, Schuman, arbeidde met groote trouw en ijver. Zijne medearbeiders waren door den Heer opgeroepen en hij zelf door eene zware krankte aangegrepen. Toen sprak hij uit zijne hangmat het Woord des levens tot zijne toehoorders. De prediking van dezen kansel droeg goede vruchten; in 1780 werden eenige vrouwen, waaronder zich de vrouw en zuster van Arabi bevonden, voor het Evangelie gewonnen, en toen was een groot bolwerk des Satans gevallen. Het Evangelie drong meer en meer in de harten der natie en verkreeg vasten voet in de kringen van het huiselijk leven.

Weldra bestond de gemeente uit 24 gedoopte of doop-candidaten.

In 1790 ontstond er eene bijzondere opwekking onder de Boschnegers, veroorzaakt door een vroegeren afgodspriester, die twee jaren geleden gedoopt en toen den naam van Paulus had ontvangen. Deze man had niet bij de Broeders gewoond, maar had het door hen gepredikte Woord vernomen, en de Heilige Geest had het vruchtbaar gemaakt. Zijn eenvoudig, doch levendig en krachtig getuigenis en zijn geheel veranderden levenswandel maakten een diepen indruk op zijne landgenooten; andere gedoopten vereenigden zich met hem en de Broeders werden uitgenoodigd hem te komen bezoeken.

Toen de Broeders aldaar aankwamen werden zij met de grootste vreugde ontvangen; de afgodische voorwerpen werden weggeworpen, en van 's morgens vroeg tot na middernacht zaten die lieden bij den zendeling neder om van den Heiland te hooren, die ook hen gekocht had met zijn bloed. De oude vrouwen, vroeger zoo verstokt en zoo vijandig, werden nu ook begeerig naar het woord Gods, en de gemeente wies en nam toe.

Doch nu kwam er eene nieuwe beproeving. Verscheidene zendelingen stierven, ook de in hunne plaats tredenden; slechts één, Broeder Wietz, bleef over. Door de regering tot posthouder bij de Boschnegers benoemd deed Wietz met den Hoofdman Arabi verscheidene ambtsreizen en verkondigde alzoo het woord aan vele negers. In Bambei zelf werd de gemeente gesterkt door nationaal-helpers en nam in kracht en sterkte toe. Wietz vertaalde voor hen: eene harmonie der vier Evangeliën, de Apostolische Brieven en de geloofsleer der Broeders. In de uit 49 gedoopten bestaande gemeente werd tot meerdere uitbreiding dezelfde inrigting gemaakt als aan andere zendingsgemeenten. De inlandsche helpers toonden in hunne voordragten eene goede gave te bezitten zich duidelijk uit te drukken.

Wietz bleef, niettegenstaande zijne gezondheid geschokt was, met zijne vrouw tot April 1801 op zijnen post. Toen echter keerde hij tot herstel zijner gezondheid met zijne echtgenoote naar Europa terug.

Voortdurende gevallen van ziekten maakten gedurig verwisselingen van zendelingen noodzakelijk. De Gouvernementsbetrekking van posthouder wikkelde de Broeders menigmaal in moeijelijkheden; en toen men hen, op hun herhaald verzoek, hiervan in 1812 ontsloeg, gingen uiterlijke voordeelen voor hun bestaan verloren. In 1813 verliet de laatste zendeling het land der vrijnegers, terwijl hij de verzorging der gemeenten aan den eerwaardigen Johannes Arabi en aan Christiaan Grego overdroeg. Het klimaat was doodend voor den blanke, negen broeders en zes zusters waren daar als offer hunner Christelijke liefde bezweken; doch hun werk was niet zonder vrucht geweest en van de gemeente bleef, dank zij 's Heeren trouwe zorg, onder veel strijd en moeite, een overblijfsel bestaan.

Johannes Arabi en Christiaan Grego zetten met getrouwheid het werk der Evangelie-verkondiging voort; zij bezochten meermalen de Broeders te Paramaribo en bleven steeds met hen in geestelijke gemeenschap. Ofschoon er later veel achteruitgang in de gemeente ontstond en verscheidene tot heidensche gewoonten waren terug gekeerd, bleven Johannes Arabi, met Christiaan Grego en Simon Adoeka, hunne Christelijke belijdenis getrouw. Johannes Arabi overleed in 1821; voor zijn verscheiden beval hij zijne kinderen aan Christiaan, zijnen broeder in den Heer, op roerende wijze aan: »Als ik sterf," zoo sprak hij, »ga toch voort mijnen kinderen den weg des Heeren te leeren; want zij zullen in zijne hand blijven." Dit geloofsvertrouwen werd niet beschaamd, want, hoewel zij voor een tijd afweken, keerden zij tot den Heer terug, die zijne genade aan hen niet onbetuigd liet.

Nog veertien jaren na den dood van Arabi bleven de Boschnegers zonder leeraar; Christiaan Grego ging in 1824 in de ruste zijns Heeren in, zoodat Simon Adoeka van de oude gemeenteleden alleen overbleef. Treurig werd het verval der gemeente; de zonen van Arabi weken af en het scheen als of het gebed en de verzuchtingen huns zaligen vaders onverhoord zouden blijven. Doch de trouwe Heer vergat ze niet. In het jaar 1835 werden de zonen van Arabi de vermaningen huns vaders op nieuw gedachtig en door een innerlijken drang gedreven begaven zij zich naar Paramaribo om weder het woord des levens te hooren en voor zich een leeraar te verzoeken.

Bij de verkenningstogten door verschillende zendelingen daarop gedaan werd het Evangelie diep in het boschland gebragt. In de hoop van weldra een leeraar te zullen verkrijgen verzamelde het kleine hoopje gedoopten zich te Gingeh en kwam van daar dikwijls in de stad. Eindelijk werd een kerkje en zendingshuis gebouwd en Job, een der zonen van Arabi, kwam daar met anderen bidden, zingen en in eenvoudigheid over de dingen des eeuwigen levens spreken.

Eerst in het jaar 1840 werd de wensch der Boschnegers naar een leeraar vervuld. Broeder en Zuster Schmidt betrokken den nieuwen post. Met kracht verhief zich op nieuw de Heidensche geest; doch Schmidt en zijne trouwe gade lieten zich hierdoor niet ontmoedigen en voeren voort in veel strijds en veel gebeds het Evangelie te verkondigen, en hun werk werd ruimschoots gezegend [1374]. In 1843 nam de kleine gemeente zoo zeer in bloei toe, dat de Heidenen er door getroffen werden, en zelfs toovenaars de kerk kwamen bezoeken. Eene nieuwe beproeving echter wachtte de negergemeente, daar het den Heere behaagde zijne trouwe dienaar Schmidt tot zich te roepen. Schmidt ging in 1845 tot de eeuwige rust in. Zijn Christelijk afsterven, zijne laatste vermaningen bleven niet zonder vrucht. Zijne weduwe bleef nog elf maanden alleen bij de negergemeente en werd door den trouwen nationaal-helper Job, die door woord en wandel predikte, ondersteund.

Kort na het zalig afsterven van Broeder Schmidt kwam de toenmalige hoofdvoorstander der zending Otto Tank aldaar. Hij werd door de gemeente met hartelijke blijdschap begroet, en ook hem op nieuw de wensch naar een leeraar op het hart gedrukt. In Februarij 1846 werd aan dien wensch voldaan; Broeder Meissner werd naar Bambei (men had dit station uit herinnering aan de vroegere vestiging alzoo genoemd) gezonden ter vervulling van de door het overlijden van Schmidt opengevallen plaats. Hij kwam daar, huwde met de weduwe Schmidt, en arbeidde met zegen; doch eene ziekte, eene soort van verlamming, noodzaakte hem ter genezing met zijne vrouw naar Europa te gaan. In den herfst van 1848 keerden zij echter tot groote vreugde der negergemeente tot haar terug. Evenwel door aanhoudende en telkens wederkeerende krankheden werden zij genoodzaakt in 1849 Bambei en zelfs Suriname voor goed te verlaten; doch ook nog in Europa bleven zij de hun dierbare gemeente niet slechts in de gebede gedenken, maar onderhielden briefwisseling met sommige gemeenteleden.

In het jaar te voren trof ook de negergemeente een groot verlies: Job, de lieve, trouwe Job, ging na een kort ziekbed in tot de vreugde zijns Heeren. Hier en bij andere ziek- en sterfbedden werden treffende getuigenissen van 's Heeren genade en liefde afgelegd. Later werd nog weder beproefd om de zendingsarbeid aldaar voort te zetten, doch het element was doodend voor Europeanen, evenwel vreesden de Broeders, welke daarheen gezonden werden, hiervoor niet. Vele blijken van Christelijken moed werden daar gezien; vooral moet men de Christelijke moed bewonderen van Zuster Hartman, die een geruimen tijd alleen overbleef, en, niettegenstaande eene ongeneeslijke ziekte, niet ophield zich het geestelijk heil der negers en voornamelijk het onderwijs der jeugd aan te trekken. Eindelijk bezweek ook zij en overleed 30 December 1853. Het zendingsbestuur te Paramaribo vond geene vrijheid om, daar het werk der zending onder de slaven zoovele krachten vereischte, meer Broeders of Zusters naar het zoogenaamde doodenland te zenden. De zending werd dus opgeheven. De gemeente blijft echter bestaan; de trouwe nationaal-helpers komen meermalen in de stad, om de geestelijke gemeenschap met de Broeders te onderhouden, en keeren van daar versterkt en bemoedigd naar het Boschland terug, om die gemeente op te bouwen in geloof en kennis. Er blijft eene kerk bestaan en de Heer ziet er in genade op neder, bewaakt, beschermt die kleine gemeente.

Welk eene uitbreiding kan zij erlangen als, na de opheffing der slavernij, de Boschnegers zich meer in aanraking met de overige bevolking zullen stellen, en de waardige Broedergemeente beter gelegenheid zal erlangen hun, volgens hunne begeerte, het Woord des levens te verkondigen.

Ook bij de Auca-negers wijkt de tegenstand; de Becoe- of Musinga-negers vragen naar leeraars en onderwijs [1375]. De weg des Heeren wordt bereid. Hij zal zijne liefde en genade ook hen doen bekend maken, die er nu nog niet van hebben gehoord. Voor het volk, dat in de duisternis zit, zal een groot licht opgaan. Velen zullen zich verheugen in het licht van de zon der geregtigheid. De bazuin des Evangelies zal niet te vergeefs in de wouden van Suriname klinken. Onze Heer zal lof, dank en aanbidding, nu en in alle eeuwigheid ontvangen.

III.

ZENDING ONDER DE NEGERSLAVEN.

Was de eerste poging der Broedergemeente, om den slaven het Evangelie te verkondigen, door den heftigen tegenstand der blanke bevolking, vruchteloos, en had men zelfs, na mislukking der eerste zending onder de Indianen, Suriname moeten verlaten, in 1754 echter kwamen er op nieuw twee Broeders als Agenten der zending te Paramaribo, zoo als wij reeds bladz. 784 hebben vermeld, ten einde voornamelijk de stoffelijke belangen der zending voor te staan.

Die Broeders waren ijverig bezig in de eenvoudige werkkring, die hun was aangewezen. Hun kleêrmakers-bedrijf verschafte hun niet slechts het noodige voor hun onderhoud, maar daarenboven konden zij hierdoor de afgelegen zendingstations ondersteunen.

Om des te beter hun handwerk te kunnen drijven kochten de Broeders in 1767 eene eigene woning en een stuk grond, waar zij een tuin en, aan het einde daarvan, eene begraafplaats aanlegden, welke zij met een hek omringden. Een der Broeders, Christiaan Friedrich Gastman, werkte hieraan met zoo veel ijver, dat zijne vrouw tot hem zeide: »Gij zult zeker wel de eerste zijn, die hier zal komen te liggen."--en waarlijk; nog in hetzelfde jaar ging hij in tot de vreugde zijns Heeren; en was zijn lijk het eerste, dat op dien Godsakker der aarde werd toevertrouwd, om den dag der opstanding te verbeiden.

Bij de uitbreiding van hun beroep hadden de Broeders hulp noodig en huurden alzoo 10 à 12 negers, die als gezellen of leerlingen met hen arbeidden. Waren de Broeders ijverig in hun handwerk, deden zij met lust al datgene wat hunne hand vond om te doen, zij vergaten echter de hoogere dingen niet. Dáár op die kleêrmakers-tafel zittende, werd door de Broeders een zaad uitgestrooid, dat onder den dauw des Heiligen Geestes vruchten opleverde, waarover in alle eeuwigheid zal gejuicht worden.

Na lang wachten genoten de Broeders de vreugde, dat (in 1768) bij drie hunner negers eene levendige begeerte ontstond, om den weg des heils nader te leeren kennen. Zij kwamen daartoe des avonds bij een der Broeders (Kersten), die hunne taal magtig was, om nader onderrigt. Deze verhaalde hun dan van de menschwording en den dood des Heeren Jezus, en van het heil door Hem voor zondaren verworven. »Hoe het ons verheugde," schrijft hij in een zijner brieven, »nu wij, na lang wachten, eindelijk negers zien, wier harten door den Heer is geopend, en bij wie eene begeerte naar het Woord des levens komt, kan ik niet beschrijven."

Toen de eerste opwekking onder de slaven was ontstaan, kwamen er weldra meerderen tot de Broeders, om van deze dingen, die hun zoo liefelijk, maar toch ook zoo vreemd klonken, te hooren. Toen Broeder Kersten, ter vervulling der zending onder de Boschnegers was vertrokken, zette Broeder Rose de avondvergaderingen alleen voort; terwijl hij aan hen, bij wie de belangstelling toenam, bijzonder onderrigt gaf. Wel moest hij de tijd uitkoopen, want zijne beroepsbezigheden lieten hem weinig over, en twee, tot zijne hulp uit Europa gezonden Broeders, overleden kort na hunne aankomst. Doch de Heer sterkte en troostte hem en gaf hem in het volgend jaar de vreugde, dat twee negers het Woord met blijdschap aannamen, en toen zij daarna ziek werden, getuigden zij, dat de Heer hun nabij was, en ontsliepen met die betuiging op hunne lippen.

Rose bezorgde hunne begrafenis en gebruikte deze gelegenheid om tot de verzamelde Heidensche negers te spreken van het lijden en sterven van Jezus Christus ter verzoening van de zonden der geheele wereld. Velen dier negers kwamen later in de zondagsvergaderingen.

Kersten, door de uniteits-conferentie uit het boschland terug geroepen en tot voorstander der Surinaamsche zending benoemd, keerde naar Paramaribo terug, tot groote blijdschap van Rose. De belangstellende toehoorders vermeerderden; negen werden als doop-candidaten ingeschreven en ontvingen afzonderlijk onderwijs, en--den 21sten Julij 1776 werd de eersteling der negerslaven te Paramaribo gedoopt, waarbij hij den naam van Christiaan ontving. Nog in datzelfde jaar werden acht negers en eene negerin gedoopt.

Het gedrag der nieuw bekeerden was zoodanig, dat vele regeringsleden en bijzondere personen den wensch uitten, dat alle negers zich bekeeren mogten. Niet alle meesters echter dachten alzoo; er waren ook onder dezen, die hunne slaven jammerlijk mishandelden indien zij de predikatiën der Broeders bezochten; doch de arme zwarten leden liever onregt dan weg te blijven van de plaats waar hun werd verkondigd: het Woord der verzoening, dat van zulke heerlijke beloften getuigt; zij verdroegen hiervoor gaarne smaad en slagen.