Part 62
En toch verneemt men nog van een gedurig protest uit Suriname tegen de afschaffing der slavernij, of van pogingen om dezelve te vertragen. Dit verwondere niemand. Eenige weinigen in Suriname hebben belang bij het behoud van dit afschuwelijk stelsel, doch deze weinigen zijn bij den tegenwoordigen stand der zaken de magthebbenden, onder wier juk niet slechts de slaven zuchten, maar ook een groot gedeelte der vrije bevolking gebukt gaat. Deze zijn eenige administrateuren van plantaadjes en handelaren in Amerikaansche waren, gelijk wij reeds vroeger aanmerkten; zij worden hierin ondersteund door enkele Amsterdamsche handelshuizen, de zoogenaamde fondshouders, hoewel het aandeel van deze laatstgenoemden in de op de plantaadjes gevestigde hypotheken soms zeer gering is. Elk, die met dergelijke negotiatiën eenigzins van nabij bekend is, weet ook, dat die heeren dikwijls geen enkelen cent uit hunne privé-beurs zullen derven als de gansche hypotheek te niet ging; maar handelsbelangen en betrekkingen met de Administrateurs in Suriname doen hun belang hebben in het behoud der slavernij, onverschillig of de aandeelhouders in de hypotheken, ooit iets van hunne geleende gelden terug bekomen. Duurt voor het tegenwoordige het rijk der Administrateuren nog voort, het begint te wankelen, nog eene wijle en het stort in. De Nederlandsche regering en volksvertegenwoordiging zullen de handen ineen slaan, de slavernij zal in Nederlandsche koloniën weldra worden afgeschaft, en met deze daad van regtvaardigheid gaat Suriname eene betere toekomst te gemoet. Nieuwe handelsondernemingen zullen worden daargesteld; nieuwe frissche elementen zullen er een nieuw leven doen ontstaan. Veel, wat goede ondernemingen in den weg stond, zal worden weggenomen. Kolonisatie van Hollandsche en Duitsche landbouwers zal meer uitbreiding erlangen. Dat Europeanen ook door geregelden arbeid, mits men behoorlijke voorzorgen in acht neemt, met eere het brood huns bescheiden deels kunnen verdienen heeft de ondervinding geleerd.
Van de kolonisten, die vroeger tot het etablissement aan de Saramacca hebben behoord, zijn thans nog een honderdtal in de kolonie en een gelijk getal is sedert aldaar geboren. De mislukking der kolonisatie aan de Saramacca en de latere omzwervingen der kolonisten hebben wij reeds medegedeeld; thans leven zij voor het grootste gedeelte in de nabijheid van Paramaribo. Zij bezitten thans te zamen p. m. 350 runderen, 160 stuks klein vee en 25 trekezels. Hunne gronden beslaan p. m. 1300 akkers, uit eigen middelen aangekocht, 60 akkers in vruchtgebruik en 160 akkers gepachte grond. Hierop hebben zij aangebouwd 18 woningen met toebehooren, waaronder er zijn die f 1300 hebben gekost; eindelijk dient hier nog bij vermeld, dat 140 dezer lieden hun eigenlijk bestaan door den landbouw vinden, terwijl de overigen òf in openbare betrekkingen geplaatst zijn òf zich met een of ander burgerlijk bedrijf generen [1371]. Immigranten uit andere oorden zullen na de afschaffing der slavernij in Suriname komen. Eene Immigratie van vreemde arbeiders, goed geleid, kan mede gunstig werken, en in vereeniging met de geheel vrije negerbevolking den landbouw uitbreiden.
Eene onberaden Immigratie, een gedurige stroom van Heidensche koelies, zou, uit het oogpunt van godsdienst en zedelijkheid, niet te wenschen zijn. Daarbij, zoo men tot elken prijs vreemde arbeiders laat komen, ten einde de loonen kunstmatig te verminderen, zal teleurstelling worden ondervonden en zal hierdoor de neger genoopt worden zich in de bosschen terug te trekken, daar hij als vrije arbeider evenmin billijkheid bij den blanke ontmoet, als toen hij als slaaf voor hem sidderde.
Eene goede behandeling, regtvaardigheid en billijkheid daarentegen zullen den neger na het verkrijgen zijner vrijheid doen arbeiden, en hem brood voor zich en de zijnen, door eigen arbeid verdiend, op waren prijs doen stellen. Geene vermomde of geene nieuwe slavernij besta in Suriname.
Is de groote daad van regtvaardigheid, de afschaffing der slavernij, geschied, dan volge hieruit andere hervormingen. Regtspraak en regtspleging worden behoorlijk geregeld en zijn geheel onafhankelijk van de politieke magt. Het bestuur der kolonie worde aan bekwame degelijke mannen opgedragen; het zij een billijk regtvaardig, maar tevens krachtvol energiek bestuur. Begunstiging van personen, tot dus verre helaas zoo dikwijls geschied, houde op. Talentvolle, achtingswaardige mannen in de kolonie worden niet langer achter gesteld, om enkele familiën als met ambten te overladen; geen ambt zij langer eene sinecure. De Koloniale Raad besta niet enkel uit eigenaren en administrateuren, maar ook andere daartoe geschikte mannen worden hiervoor gekozen. Voor eene constitutionnele regering als Nederland is Suriname nog niet rijp; indien zij al dadelijk na de afschaffing werd ingevoerd, zoude de zoogenaamde Surinaamsche Aristocratie ze tot het vormen eener oligarchie misbruiken. Eerst moet de bevolking, ten minste een groot deel derzelve, meer worden ontwikkeld en hare vrijheid van slaafsche banden op regten prijs leeren stellen, voor zij geroepen kan worden tot het uitoefenen van staatkundige regten en pligten. Anders zou een groot deel zoo ligt een speelbal worden van eenige weinigen, die, in plaats van de afgeschafte zweep en tamarinde stokken, andere middelen tot bedwang zouden aangrijpen, die alle vrije ontwikkeling tegenhielden.
Doch, is eene zekere gewijzigde autocratie voor Suriname nog eenigen tijd noodig, zij ontaarde niet in eene volstrekte onbegrensde alleenheersching. Zij worde door wijze en regtvaardige wetten beperkt en ook in deze moet een redelijken vooruitgang zijn. Vooral worde de nog in Suriname bestaande censuur der drukpers afgeschaft. Vrijmoedige beoordeeling van regeringsdaden is vooral noodig in een land, waar, om de bestaande omstandigheden, de vertegenwoordiging des volks nog betrekkelijk weinig invloed hierop kan uitoefenen. De regering worde door de vrije pers op misbruiken opmerkzaam gemaakt, waarvoor zij anders misschien blind zou wezen, of die men voor haar verborgen zou willen houden.
Godsdienstig en maatschappelijk onderwijs worde bevorderd en uitgebreid.
De handen der Moravische broeders worden gesterkt; en vrome mannen en vrouwen uit Nederland sluiten zich bij hen aan, of arbeiden, met het oog op den Heer, in eigen kring ter bevordering van godsvrucht en kennis [1372].
De Christenen in Nederland drukken wij deze zaak ernstig op het hart.
Hij, die, ter vervulling van het een of ander ambt, door de regering wordt geroepen; hij, die, door handelsbelang of industrie of door iets anders, gedrongen wordt zich naar Suriname te begeven, roepen wij met de dáár aanwezige bevolking toe: »Zij uw wandel eerlijk in alles" en ieder, die den Heer in Zijne genade heeft leeren kennen, trachtte door leer en voorbeeld Hem te verheerlijken en anderen tot Hem te leiden.
Daartoe verleene de Heer Zijnen Zegen en schenke Hij de kracht.
Zoo ga Suriname eene betere toekomst te gemoet; zoo worde die dierbare kolonie eene schitterende paarl aan de kroon van den beminden Vorst uit het geliefde stamhuis Oranje-Nassau, onzen Willem den Derde; onze Koning worde tot in lengte van dagen gespaard, om van de, onder zijn bestuur, ingetreden betere toekomst van Suriname veel goeds te vernemen, en zijne kinderen en kindskinderen mogen als waardige Vorsten zich steeds verblijden over het geluk, de welvaart, het heil van Nederland en deszelfs overzeesche bezittingen, waarvan Suriname een belangrijk deel is en meer en meer worden kan.
OVERZIGT VAN DEN ZENDINGSARBEID DER BROEDERGEMEENTE IN SURINAME.
Bij onze inleiding van de Geschiedenis van Suriname beloofden wij aan het einde een overzigt te geven: van den zendingsarbeid der Broedergemeente, welke zoo zeer door den Heer gezegend werd. Wij voldoen gaarne aan deze belofte, doch, daar de Geschiedenis zelve bij de bewerking uitgebreider is geworden, dan volgens ons oorspronkelijk plan, zoo moeten wij--ofschoon noode--korter zijn, dan wij wel gewenscht hadden.
Uitzending der Broederen naar Suriname en eerste vestiging aldaar.
Op bladz. 109 vermeldden wij reeds dat de vrome Spangenberg, een der eerste Bisschoppen van de Moravische broedergemeente, een waardig medestander van den edelen graaf van Zinzendorf, op zijne doorreize naar Engeland te Amsterdam vertoefde. In Holland werd belangstelling voor de Broedergemeente opgewekt, en eenige jaren later vestigden, voornamelijk op aanzoek van de vorstelijke weduwe MARIA LOUISE VAN ORANJE, sommige Broeders zich in de Nederlanden.
Deze vestiging, den strijd, die de Broeders weldra tegen sommige Hervormde predikanten te voeren hadden, en de vele moeijelijkheden welke zij aldaar hadden te overwinnen, gaan wij thans stilzwijgend voorbij.
Spangenberg trad in onderhandeling met de directeuren der Sociëteit van Suriname, en, nadat men het over de voorloopige voorwaarde eens was geworden, werden drie Broeders, George Piesch, George Berwig en Christiaan von Larisch, in het jaar 1735, tot onderzoek daartoe afgevaardigd.
Von Larisch overleed te Suriname en de beide eerstgenoemden keerden in 1736 naar Holland terug, om verslag van hunne zending te doen.
Het oorspronkelijk doel was om aan de negerslaven in Paramaribo en op de omliggende plantaadjes het Evangelie te verkondigen. In hetzelfde jaar 1736 gingen twee Broeders, Johan Güttner en Christoffel Dähne, op uitnoodiging van een heer in Amsterdam, naar Berbice, om aldaar aan de negers op zijne plantaadje het woord des levens te brengen. De onderhandelingen met de Directeuren der Sociëteit van Suriname werden voortgezet en in 1739 erlangde de Broedergemeente eene concessie ter nederzetting aan de Suriname.
Vijf Broeders werden daarop afgezonden, die behouden in Suriname aankwamen. In eene kleine woning aldaar moesten zij zich kommerlijk behelpen en in hun onderhoud door eigen handenarbeid voorzien.
Dit zou hen echter niet hebben verdroten, zoo zij aan hun vromen wensch, om het arme slavenvolk te spreken van een Heer, die ook hen lief had, gevolg hadden kunnen geven--doch die wensch werd nog niet vervuld.
De eigenaars der slaven en de andere in Paramaribo wonende Europeanen waren voor het grootste gedeelte tegen de Hernhutters ingenomen; verschillende lasterschriften, niet slechts van eenige Aterlingen, maar zelfs van Gereformeerde kerkeraden, uit Holland gezonden, werden in Suriname verspreid en valsche geruchten jegens hen uitgestrooid. Hunne huiselijke godsdienstoefeningen, waaraan ook weldra andere heilbegeerige zielen deelnamen, waren vooral een doorn in het oog van den kerkeraad van Paramaribo; door dezen werden zij zoo zeer gehaat en vijandelijk behandeld, dat zij in het volgend jaar (1740) zich genoodzaakt zagen de stad te verlaten en zich op eene nabij liggende, geheel vervallen en kleine plantaadje neder te zetten.
Werd hun hier den weg versperd, zij verloren echter den moed niet en beproefden toen onder de Indianen hunne zendingswerkzaamheden aan te vangen.
I.
ZENDING ONDER DE INDIANEN.
De Broeders, wier personeel sedert met twee Broeders en twee Zusters versterkt was, besloten eene kleine plantaadje aan de Cottica te koopen. De gelden, daartoe benoodigd, moesten zij wel door ijverigen handenarbeid winnen, maar dit ontmoedigde hen niet, doch andere moeijelijkheden noodzaakten hen dit station weldra te verlaten.
De keus van de plaats der vestiging was niet gelukkig. De opbrengst der plantaadje was niet genoegzaam om in hun onderhoud en de kosten der zending te voorzien, en ook waren zij te ver van de Indianen verwijderd; daarbij kwamen er--iets wat onder de zending der Broedergemeente tot de uitzonderingen behoort, oneenigheden, waardoor het gemeenschappelijk arbeiden verstoord werd. Zekere kortelings aangekomen zendeling, Regnier, was hiervan de oorzaak.
Omstreeks het jaar 1745 was de Broedergemeente dus genoodzaakt dit onvruchtbare station op te heffen; de Broeders verlieten Suriname en begaven zich naar Berbice om de wakkere zendelingen aldaar ter zijde te staan.
Suriname werd dus verlaten, doch, daar Paramaribo zoo uitnemend gelegen was voor eene zending onder de negers en tot ondersteuning van ver afgelegen zendingsposten, hield men de verlaten post in het oog en hoopte zich daar later weder te vestigen.
Die hoop werd verwezenlijkt. De Broeders in Berbice hadden door den heftigen tegenstand der blanken het ook aldaar voor dit oogenblik moeten opgeven den negerslaven van de genade des Heeren te spreken; ook zij hadden zich daarop tot de Indianen gewend. Na veel strijd werd hun arbeid gezegend en uitgebreid en ontstond aldaar te Pilgerhut (Pelgrimshoede) eene gemeente uit Inboorlingen bestaande.
In het laatst van 1747 werd het smeeken der Broeders verhoord; een honger naar het woord des levens ontwaakte onder de Indianen. In Maart 1748 werd eene oude Indiaansche vrouw als eersteling gedoopt. Tegen het einde van Junij waren reeds 39 Indianen in de Christelijke kerk opgenomen; de gemeente nam toe in bloei; vooral toen in 1748 de uitnemende zendeling Schuman, de Apostel der Arawakken genoemd, tot hulpe kwam. In 1757 bestond aldaar reeds eene gemeente van 300 zielen.
Men poogde ook nu de zending in Suriname weder aan te vangen. In 1754 begaven zich de reeds genoemde Dähne en zekere Marcus Ralfs naar Paramaribo, waar zij hun kleedermakers handwerk uitoefenen en als agenten der zending trachten zouden in de stoffelijke behoeften der zending te voorzien. Zij zouden de aankoopen doen voor de afgelegen zendingstations benoodigd; de uit Europa aankomende Broeders ontvangen; de goede verstandhouding met de koloniale regering trachten te bevorderen, en verder al datgene te doen wat tot welzijn der zending strekken kon.
Met veel getrouwheid en ijver waren die Broeders in dezen hunne kring werkzaam. Wekken die daar te Paramaribo op de kleermakerstafel gezeten Broeders onze bewondering op, zijn zij ons in zoo velen ter beschaming; ook de inwoners van Paramaribo lieten langzamerhand hunne vooroordeelen vallen. De handel en wandel der Broeders getuigden zoo zeer van een Christelijken geest, dat de laster verstomde, en terwijl hun kleermakersbedrijf van jaar tot jaar in belangrijkheid toenam, verheugden zij zich ook over vermeerderd vertrouwen bij de regering en andere aanzienlijke personen. De voormalige Gouverneur van Berbice, Lösner, die den arbeid der Broeders van nabij had gadegeslagen, had zich te Paramaribo met ter woon gevestigd en legde omtrent hen een gunstig getuigenis af bij den toenmaligen Gouverneur van der Meer. Na verkenning van het terrein, en na toestemming der sociëteit te hebben ontvangen, bouwden 5 zendelingen en 8 Indianen, aan de rivier Saramacca, Saron. De ligging was, om met de Indianen in aanraking te komen, geschikt, doch tevens zeer ongezond; verscheidene Broeders vonden hier een vroegtijdigen dood.
Ook hier werd het woord der prediking door den Heer gezegend. Zelfs de meer woeste Caraïben kwamen aldaar om het woord te hooren, dat van liefde en vrede en genade getuigt. Reeds bij het einde van 1757 waren er 30 Indianen gevestigd.
Dähne vertrok uit Paramaribo in 1757, om zich aan de Corentijn te vestigen; terwijl Ralfs alzoo alleen als agent te Paramaribo achter bleef. Eenige Indianen hielpen Dähne aldaar eene hut bouwen, doch verlieten hem daarna; slechts een, Christoffel genaamd, bleef nog eenige maanden bij hem. Toen deze man ziek werd, zeiden doortrekkende Indiaansche toovenaars tot hem: »Gij zult bij dezen blanke nimmer gezond worden, want de duivel heeft de magt over hem, en de blanke zelf zal ziek worden." Christoffel luisterde naar deze woorden, en, toen hij eenigzins hiertoe in staat was, ging hij weg en liet Dähne alleen in de wildernis achter, ofschoon vele Indianen hem van tijd tot tijd kwamen bezoeken, aan wie hij dan het Evangelie verkondigde.
»Ik heb toen," schreef deze waardige man: »met mijn lieven Heiland alleen huis gehouden, met een vergenoegd en zalig hart gedaan wat ik kon, en de Heiland troostte mij, door Zijne lieve nabijheid in deze wildernis zoo krachtig, dat ik regt zalige tijden heb doorgebragt."
Dähne, die hier van alle menschelijke hulp verstoken was, moest zwaarder arbeid verrigten, dan ooit te voren, en kreeg door overspanning en ontbering hevige koortsen; doch de Heer verliet zijn getrouwe dienstknecht niet; Hij beschikte het, dat de zendeling Schuman hem bezocht en artsenijen medebragt, waardoor Dähne spoedig weder herstelde. Dähne verkeerde meermalen in levensgevaar: Een tijger sloop des nachts brullend rondom zijne nederige hut, die uit vier palen met een dak van palmbladen bestond, onder hetwelk hij zijne hangmat ophing; hij vreesde den tijger niet; wel nam hij de voorzorg 's nachts een vuur in zijne hut te ontsteken, doch als dit uitging, bleef hij kalm in zijne hangmat liggen; zijn vertrouwen was op den Heer en dat werd niet beschaamd.
Op zekeren avond, als hij zich ter ruste wilde begeven, viel een tamelijk groote slang van een lat van het dak op hem, slingerde zich twee tot driemaal om zijn hals en hoofd en drong zich immer vaster. »Ik dacht," zoo verhaalde hij, »dat kon wel mijn dood veroorzaken, en schreef daarom met krijt deze omstandigheid op de tafel tot narigt voor de Broeders, opdat zij niet in de waan zouden verkeeren, dat de Indianen schuld aan mijnen dood hadden" (welk eene liefelijke teedere bezorgdheid). »Intusschen viel het mij in, om, in vertrouwen op het woord des Heeren (Marcus 46-18) den slang van mij af te werpen; ik deed dit daarop met zulk eene kracht, dat iets van mijn vel mede ging." Het was duister, hij wist niet wat er van den slang geworden was, doch Dähne legde zich rustig in zijn hangmat neder en de Heer bewaarde Hem, zoodat hem er niets kwaads van overkwam. Het grootste gevaar echter dreigde hem van de wilden en gruwzame Caraïben, welke in November 1757 het voornemen hadden opgevat om hem te vermoorden. Hoe hij door Gods genade ook nu gered werd, willen wij hem met zijne eigene woorden laten verhalen:
»Als ik 's middags zou gaan eten kwamen 50 mannen, in hunne Canoes zittende, aan; zij verlieten die en omringden mijne hut. Eenige van hen hadden ijzeren bijlen en houwelen, anderen zwaarden en dergelijke moordtuigen meer bij zich. Ik ging tot hen en verwelkomde hen op vriendelijke wijze in het Arawakkisch; zij antwoordden mij barsch: »ik moest Caraïbisch met hen spreken." Intusschen merkte ik op, wie het bevel voerde. Terwijl zij onder elkander Caraïbisch spraken en merkten dat ik dit niet verstond, kwam hun tolk voor en vroeg mij in het Arawakkisch: »Wie heeft u veroorloofd hier te bouwen en te wonen?" waarop ik antwoordde: »De Gouverneur." »Waarom zijt gij hier in het land gekomen?" Nu vervoegde ik mij tot het Opperhoofd en zeide hem met vrijmoedigheid: »Ik heb broeders aan de overzijde der zee, die gehoord hebben, dat in dit land Indianen wonen, die hun Schepper niet kennen; deze broeders nu hebben mij hierheen gezonden, omdat ik eerst de spraak dier Indianen zou leeren en hun dan, wat ook voor hen het voornaamste is, zou mededeelen. Ook zullen er weldra nog meer tot datzelfde doel hierkomen."
»Zijt gij een Spanjaard?" »Neen", »of een Franschman?" »Neen." »Zijt gij dan een Hollander?" »Ik kom wel uit Holland, doch eigenlijk nog verder. Genoeg zij het; ik ben een dier broederen van de overzijde der zee, die u liefhebben." »Hebt gij dan niet gehoord, dat de Indianen u zullen doodslaan?" »Ja, doch ik heb het niet geloofd, en gij zelven hebt onder uwe Indianen lieden, die bij mij zijn geweest, en weten, dat ik u lief heb." »Dat is waar, en zij hebben mij gezegd, dat gij een andere Christen, dan de andere blanken waart." »Nu, als gij dan weet dat ik u lief heb, hoe zoudt gij mij dan kunnen doodslaan?"
Het opperhoofd hernam lagchende: »Dat is waar ook!" Nu veranderden allen in hunne gebaarden en de kring ging uiteen. Slechts de aanvoerder bleef bij mij en vroeg mij vele dingen, die ik hem zoo goed mogelijk verklaarde, en toen hij hoorde, dat geene andere blanken, dan de Broeders hier woonden, werd hij vriendelijk, en bij zijn vertrek gaf hij mij, op mijn verzoek, van zijne levensmiddelen en beloofde mij weder te komen. »Zoo hielp de Heiland mij genadig van dag tot dag, zoodat ik bij het einde des jaars groote reden had om Hem te loven en te danken."
Dähne leefde onder menigerlei nood en ontbeering getroost voort in de hoop, dat weldra Broeders uit Europa tot zijne hulpe zouden komen, hetgeen echter eerst in 1759 geschiedde. Intusschen deed hij in zijne eenzaamheid wat hij kon; hij prees de hem bezoekende Indianen de zondaarsliefde van Jezus aan, en bekwam van hen levensmiddelen (cassaves); was bij alle ontbeering vrolijk en zalig in de nabijheid van zijnen Heiland en genoot eindelijk de vreugde, dat eenige Indianen zich in zijne nabijheid hutten bouwden, en alzoo brak ook voor Ephraim (zoo werd die nederzetting genoemd) een tijd van genade aan.
De gemeente te Saron werd voornamelijk door Caraïben bezocht, die met troepen van 10 tot 20, zelfs in Augustus 1760 met 100 aankwamen, om zich aldaar te vestigen. Zoo ging het werk Gods verblijdend vooruit, toen eensklaps eene bedroevende gebeurtenis het verstoorde. De Caraïben vingen meermalen gevluchte negerslaven op, leverden ze hunnen heeren over, ten einde de f 60 vanggeld te verdienen. (Vervloekte slavernij!) De Boschnegers, hierover vertoornd, namen daarop het besluit Saron te verwoesten, zoodat de Indianen genoodzaakt zouden zijn dien omtrek te verlaten. Toen in 1761 de Caraïben naar hunne oude woonplaats waren gegaan, om levensmiddelen te halen, en Saron alzoo van hare krachtigste mannen ontbloot was, voerden de Boschnegers hun voornemen uit. Op Zondag den 25sten Januarij, toen de gemeente de prediking bijwoonde, kwamen de Boschnegers, schoten met geweren en pijlen en staken het zendingshuis in brand. Allen moesten vlugten en Saron werd verwoest, waarna de Boschnegers vertrokken [1373]. Twee Broeders, Schirmer en Cleve, keerden eenigen tijd daarna terug om te beproeven de verstrooide gemeente van Saron weder bijeen te verzamelen. Tot hunne bescherming erlangden zij een detachement van 14 soldaten. Honger en krankte volgden en de minst gevaarlijke zieke moest menigmaal den anderen kranke verplegen, doch kon niets dan cassave en water hiertoe geven; de Broeders evenwel smaakten, bij alle droefheid, toch meermalen de groote blijdschap, dat de Indianen ook bij deze beproevingen zich aan den Heiland vasthielden en Hem nog stervend beleedden; er kwam hulp uit Europa, een Broeder en Zuster, doch beiden vonden er spoedig hun graf.
Schirmer en Cleve versaagden niet en Saron kwam omstreeks 1762 weder in bloei. De Indianen echter leefden in gestadige vrees voor de aanvallen der oproerige negers, die steeds in den omtrek kruisten; vele Indianen verlieten deze plaats, en in 1779 moest de zending aldaar worden opgegeven. In de kleine gemeente te Ephraim brak in 1762 eene hevige koorts uit, en, bij den negeropstand in 1767, moest ook dit station worden verlaten.
Eene nieuwe nederzetting, Hoop genaamd, werd daarop in 1764 aan de Corentijn gevestigd en hier scheen in den aanvang de arbeid zeer gezegend te worden. Na vier jaren stonden er reeds 10 Indiaansche hutten en Schirmer en Cleve predikten aan 80 tot 100 zielen het woord der verzoening. Doch in 1766 werd Schirmer en in 1768 Cleve van hunnen arbeid afgeroepen door den Heer, die hun in de ruste bragt en het genadeloon aan trouwen arbeid in zijne dienst verbonden deed genieten. Het overlijden dezer mannen was een zware slag voor de zending.
Gedurende een geruimen tijd was er te Hoop slechts een arbeider, Jacob Erdmann Burchhardt; in 1784 kwam er versterking, doch de zending ging niet vooruit. Zoo stonden de zaken, toen in 1789 Johan Jakob Gottlob Fischer uit Wurtemberg te Hoop aankwam; hij leerde spoedig de Arawakkische taal en legde zich bijzonder toe op het onderwijs der jeugd.