Geschiedenis van Suriname

Part 61

Chapter 613,516 wordsPublic domain

Wel maken de Saramaccaners de talrijkste der drie stammen uit, doch de Aucaners, die door een langer verkeer en handel meer met het beschaafdere gedeelte der kolonie in aanraking zijn gekomen, staan als aan het hoofd der Boschnegers en worden door de andere stammen als hunne meerderen beschouwd. Naar de raadgevingen der Aucaners wordt gretig door de andere geluisterd, en hun voorbeeld meermalen blindelings gevolgd; hetgeen men vooral kan opmerken bij hunne aankoopen te Paramaribo; wat een Aucaner koopt wenscht ook een Saramaccaner of Becoe-neger te bezitten.

De beschaving der Boschnegers is nog zeer gering; als de minst beschaafde onder hen worden de Becoe- of Musinga-negers gerekend. Wel is in den laatsten tijd eenige meerdere toenadering zigtbaar tusschen de Boschnegers en de overige bevolking, doch het wantrouwen van de zijde der Boschnegers tegen de Blanken is nog niet genoegzaam geweken, om die toenadering meer volkomen te doen zijn.

In het algemeen leven de Boschnegers in eene droevige onkunde omtrent de waarheden en vertroostingen der godsdienst. Alleen bij de Saramaccaners is eene zending der Broedergemeente gevestigd geweest, welke zending niet ongezegend was en waarvan nog vruchten gezien worden. De Aucaners, die de blanken wantrouwden, betoonden zich steeds ongenegen om een zendeling te ontvangen. Volgens berigt van den meermalen genoemden en in hun midden gevestigden Kappler begint die afkeerigheid echter te wijken--en er wordt ook reeds over gedacht, om ook hun het woord des levens te verkondigen. Door den stam der Becoe- of Musinga-negers zijn in 1858 eenige jongens en meisjes afgestaan, om eene behoorlijke opvoeding te erlangen [1363], en ook door hen wordt Christelijk onderwijs begeerd. Reeds hebben eenige lieden van dezen stam onderwijs van de Hernhutters ontvangen; reeds is een geschikt gebouw door hen opgerigt, waar nationaal-helpers de Schrift lezen en in gebed en gezang voorgaan, en waar verscheidene negers opkomen, om te hooren van de groote dingen Gods.

Met genoegen wijzen wij op die enkele lichtpunten, doch wij zijn ook overtuigd, dat eerst na afschaffing der slavernij met eenige gegronde hoop op goeden uitslag onder de Boschnegers kan worden gearbeid. Dan zal het wantrouwen, dat zij nog steeds den blanken toedragen, meer en meer ophouden; de Boschnegers zullen zich meer in dadelijke betrekking met de overige bevolking stellen; zij zullen meer geneigd worden tot geregelden arbeid, daar zij nieuwe behoeften zullen leeren kennen, en omdat de verachting, die in eene slavenkolonie op den arbeid kleeft, door afschaffing der slavernij wordt weggenomen. Zullen de Boschnegers dan alzoo werkelijk aan de kolonie tot nut zijn; zij zullen ook deelen in de voorregten der beschaving en hetgeen vooral van hoog gewigt is: de gelegenheid om hun het Evangelie der genade te verkondigen wordt hierdoor der Broedergemeente gemakkelijker; en die Broeders en Zusters begeeren niets liever dan den kring te vergrooten, waarin zij werkzaam kunnen zijn tot uitbreiding van het rijk des Heeren; doch om daartoe de Boschnegers in hunne verwijderde woonplaatsen op te zoeken, is hun wegens hun gering aantal onmogelijk.

De slavenbevolking in Suriname bestaat uit ongeveer 37,000 personen. Zeven en dertig duizend personen leven in Suriname (eene Nederlandsche bezitting!) nog onder het knellende juk der slavernij. Hoe hun lot is hebben wij in de geschiedenis meermalen doen zien; moge het door mildere reglementen en door betere behandeling dan vroeger iets minder zwaar zijn, het blijft toch nog steeds zeer droevig. Al nemen wij aan, dat de kwellingen en mishandelingen hun vroeger bijna dagelijks aangedaan, thans tot de uitzonderingen behooren, ook nu nog geschieden er dingen, die het hart met weemoed vervullen: de toestand van den slaaf is in vele opzigten treurig en het behoud van dien toestand strijdt tegen godsdienst en menschelijkheid.

Als een lichtpunt in dezen duisteren nacht moet de zegen worden beschouwd, die de Heer verleend heeft aan den trouwen zendingsarbeid der lieve Broedergemeente.

Ruim zestienduizend personen, zoo volwassenen als kinderen, zijn door de Hernhutters gedoopt; behalve dezen leven nog tien à elfduizend als onder den klank des Evangelies; op ruim 180 plantaadjes wordt door de Broedergemeente onderwijs gegeven [1364]. Vele belemmeringen worden den getrouwe Broeders nog onderscheidene malen in den weg gelegd bij dien arbeid der Christelijke liefde; de onnatuurlijke toestand èn door de slavernij geboren èn in stand gehouden, als: de onmogelijkheid tot het aangaan van een wettig huwelijk onder slaven; het dientengevolge niet erkennen van het vaderschap en nog zoo veel meer, zijn struikelblokken tegen gevorderde heiliging des levens bij den Christelijk onderwezen neger. Vele belemmeringen zullen opgeheven, vele struikelblokken weggeruimd worden, indien het afschuwelijk stelsel der slavernij voor goed wordt vernietigd. Ook de Roomsch Catholieken hebben zich in de laatste jaren de godsdienstige belangen der slaven aangetrokken. Ongeveer zeven duizend zijn door hen gedoopt, waarvan veertien honderd godsdienstig onderwijs ontvangen. Hunne gemeente op het Leprozen-gesticht Batavia aan de Saramacca is voornamelijk door den ijver en trouwe zorg van den voormaligen Apostolischen Vicaris, Bisschop Grooff, tot eene aanmerkelijke uitbreiding gekomen; zij telt thans ongeveer 350 personen [1365].

Ofschoon men den Roomsch Catholieke Priesters hier bij zekeren ijver niet zou willen ontzeggen, mag men echter evenmin verzwijgen, dat door sommigen van hen geen naauw toezigt op de zedelijkheid der aan hunne zorg toevertrouwden wordt gehouden. Zij zijn hierin veel minder getrouw dan de Zendelingen der Broedergemeente.

De vrije bevolking in Suriname bedraagt ongeveer zestien duizend personen. Veel van hetgeen op bladz. 171-78 omtrent hare verdeeling in onderscheidene standen en omtrent haar toestand van bladz. 178-201 is medegedeeld, kan ook nu nog van toepassing worden beschouwd. Er is echter hier en daar eenige verandering. De zoogenaamde Aristocratie van Suriname bestaat thans niet meer zoo zeer uit planters, maar meest uit Administrateurs van plantaadjes, gelijk wij reeds vroeger hebben doen opmerken, waar wij op bladz. 312 vermeldden: »Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde; dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs" kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich groote rijkdommen en oefenden grooten invloed op dien gang van zaken uit."

Dit is nog het geval. De administrateuren van plantaadjes, hoewel weinig in getal, maken eigenlijk de magthebbenden in Suriname uit. Zij heerschen niet slechts over het grootste gedeelte der slaven, maar ook een voornaam deel der vrije bevolking is in mindere of meerdere mate van hen afhankelijk. Zij beheerschen ook de voornaamste tak van den handel en hebben de geldcirculatie in hunne magt. Niettegenstaande den toenemenden achteruitgang der eigenaren trekken zij een enorm hoog commissie-loon der opbrengsten van den kolonialen landbouw, en velen van hen genieten daarenboven een niet gering aandeel in de voordeelen der levering van goederen ten behoeve van de slavenmagt der onder hun beheer staande plantaadjes. Zij oefenen over die slavenmagt eene bijna onbegrensde magt uit, ondanks de beperkende bepalingen der wet ten gunste der slaven.

Onder de weinige personen, die in Suriname wonen, aldaar eigenaars van plantaadjes zijn, behooren eenige Engelschen; voornamelijk in de districten Nickerie en Coronië [1366]; welke districten in bloei toenemen. In laatstgenoemd district wordt veel katoen verbouwd. Ook in de oude kolonie zijn enkele Engelschen, in strijd met de wet huns lands, eigenaars van plantaadjes en slaven. Een van hen, H. Wright, heeft er zeer aanzienlijke bezittingen.

De voornaamste handelaren, vooral die in Amerikaansche waren, vergaârden zich meermalen, in korten tijd, een groot fortuin, door de levering van hunne waren, dikwerf in stille of geheime vennootschap met administrateuren van plantaadjes. Zij zijn daardoor meesters van de markt en bepalen onderling de prijzen naar hun goeddunken. Wel worden er van tijd tot tijd inschrijvingen aangekondigd op de levering van slavengoederen, doch ieder in Suriname weet, dat dit meermalen slechts voor de leus is, en dat de vaste leveranciers al zeer zeldzaam van de toewijzing onzeker zijn; waartoe verscheidene kunstgrepen worden aangewend.

Bij de Israëlieten vindt men tegenwoordig weinig eigenaars van plantaadjes. De eens zoo bloeijende Joden-Savanne is nagenoeg geheel verlaten. Enkele laatste afstammelingen van vroeger aanzienlijke Portugeesch-Israëlietiesche geslachten leven daar in ellendige hutten, met schamel huisraad, en teren er uit naast de marmeren grafzerken hunner vaderen [1367].

In den regel vindt men onder de Joden in Suriname weinig welvaart; men treft er slechts een enkel welgestelden en eenige weinige gezetenen aan, doch de meesten zijn verarmd, velen zelfs behoeftig.

De kleinhandel wordt door verscheidene van hen gedreven; in den laatsten tijd zijn vele joden met het een of ander Gouvernementsambt bekleed. Zelfs is een Israëliet stads armen-schoolmeester. In plaats van terugzetting is thans meer begunstiging, ten koste van anderen, hun deel.

De kleurlingen zijn in onderscheidene betrekkingen werkzaam. Sommigen van de meer aanzienlijken onder hen bezitten plantaadjes; anderen zijn in den handel opgeleid; ook zijn er die min of meer belangrijke betrekkingen in het bestuur of bij de regterlijke magt bekleeden. Er zijn kleurlingen, die door talenten uitmunten. Vooral moet hierbij genoemd worden (om van de levenden niet te gewagen) de heeren Mr. H. C. Focke en Mr. J. G. Palthe van Wesenhagen, die niet slechts een sieraad der balie uitmaakten, en de belangrijke hun toevertrouwde ambten met ijver en getrouwheid waarnamen, maar die zich ook op litterarisch gebied onderscheidden.

De laatste daarenboven was met eene warme liefde voor zijn vaderland bezield en beoogde bij alles het heil der kolonie te bevorderen; hij trok zich door woord, pen en voorbeeld het lot der verdrukte slaven aan.

Ter nagedachtenis van Focke werd een eenvoudig gedenkteeken op zijn graf opgerigt; Palthe van Wesenhagen, die in het vorige jaar overleed, heeft zich een gedenkteeken gesticht in de dankbare harten van die landgenooten, welke zijne verdienste op prijs wisten te stellen; de arme, de verdrukte--de slaaf, zegent zijne nagedachtenis;--zelfs tegenstanders droegen hem eerbied toe.

Onder de kleurlingen vindt men bekwame bouwmeesters en geschikte ambachtslieden en verder worden allerlei beroepen en bedrijven door hen uitgeoefend.

Het bestaand vooroordeel tegen de kleurlingen is veel verminderd, doch echter nog niet geheel verdwenen. Als een klein bewijs diene de mededeeling, dat bij de Hervormde gemeente tot voor weinige jaren nog geen kleurling tot ouderling of diaken voor de stad, wel voor de districten, was benoemd; terwijl de Luthersche gemeente, in deze de Hervormde in verdraagzaamheid vooruit was, door reeds veel vroeger, bij de vervulling van deze ambten, niet op kleur, maar op godsdienstige degelijkheid acht te geven. Bij de geringere klasse der kleurlingen, uit, in latere tijden, gemanumitteerde slaven of afstammelingen derzelve bestaande en bij de vrijnegers van denzelfden staat heerscht nog veel armoede. Dikwerf wordt dit aan luiheid en onverschilligheid toegeschreven; somtijds is dit de ware oorzaak, doch ook meermalen oordeelt men hierbij onredelijk, en worden andere omstandigheden niet in aanmerking genomen.

Toen de Gouverneur van Raders trachtte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen te overwinnen, gelukte dit--zoo als wij zagen--tamelijk wel; het was echter niet genoeg lust tot den arbeid te hebben ingeboezemd; er moest den werkman ook gelegenheid tot arbeiden worden gegeven. Van Raders zag dit goed in, en poogde voor een geruimen tijd hierin te voorzien door het laten graven van het geprojecteerde kanaal naar Kwatta. Toen dit werk echter op hooger gezag moest worden gestaakt, werd de vrijman weder aan zijn lot overgelaten, want de later door eene Maatschappij hiertoe ingestelde pogingen (zie bladz. 714) moesten, bij gebrek aan genoegzame deelneming, worden gestaakt.

»Men zegge niet" merkt R. E. in het Surinaamsch Weekblad van den 23sten September 1860 aan: »hij kan wel werk vinden als hij maar wil; hij kan hout hakken, de straat schoonmaken, hij kan een kostgrondje aanleggen, ja, dat alles kan hij wel doen en nog veel meer, maar de straat is niet altijd vuil, het door hem gehakte hout kan hij niet altijd aan den man brengen; evenzoo gaat het met de voortbrengselen van zijn kostgrond, want als zijn koren of zijne rijst rijp zijn, dan is zij dit ook bij anderen en er is overvloed aan de markt; intusschen moet hij toch in de behoeften van zijn huisgezin voorzien en hem blijft niets anders over dan zijne producten ver beneden prijs en waarde aan hebzuchtige opkoopers af te staan, of--gebrek te lijden."

In dat zelfde artikel wordt op de wenschelijkheid gewezen, dat de regering, evenals op Java, de rijst tegen een bepaalden prijs opkoopt. Misschien zijn hiertegen ook bezwaren, doch zeker is het dat de armoede des vrijmans niet altijd uit luiheid voortkomt. In 1860 zelfs boden eenigen dier lieden zich aan tot het verrigten van delfwerk (het zwaarste werk) op plantaadjes, doch zij vonden geen gerede huurders, niettegenstaande door slavenmannen zoo dikwijls over gebrek aan arbeiders wordt geklaagd. Hadden die vrijlieden het vooroordeel tegen plantaadje-arbeid overwonnen; de planter wilde geen vrije nevens zijne slaven dulden, zoodat ook eerst na afschaffing der slavernij in deze verbetering te hopen is.

Tot de vrije bevolking moet medegerekend worden het te Suriname aanwezige garnizoen, dat doorgaans tusschen de acht à negen honderd man sterk is. Aan deze magt is meer bepaald de verdediging der kolonie toevertrouwd; het grootste gedeelte is op de forten Zeelandia en Nieuw-Amsterdam in garnizoen; op enkele andere plaatsen zijn echter ook militairen gedetacheerd. De zeemagt bestaat uit 250 à 260 man. Het corps negerjagers, thans koloniale guides geheeten, is tot 10 man versmolten; in de laatste tijden is het niet aangevuld.

De schutterij te Paramaribo bestaat uit ruim 500 man; de gewapende burgerwacht in de divisien uit ongeveer 400 vrijen en 700 slaven.

Het grootste gedeelte der blanke bevolking en der meer aanzienlijke kleurlingen behooren tot eene der beide Protestantsche gemeenten, der Hervormden of der Lutherschen. De Hervormde gemeente bestaat uit ongeveer 5000 leden. In de stad wordt zij door twee predikanten, de heeren van Schaick en Conradi bediend; in de Nickerie is sedert 1858 de predikant G. L. Batenburg ter vervanging van den eenige jaren vroeger overleden Wichers aangesteld.

Van Schaick ook niet onbekend op litterarisch gebied, predikt mede van tijd tot tijd op eenige bij de stad gelegen plantaadjes in het Neder-Engelsch; Batenburg geeft op sommige plantaadjes in zijn distrikt godsdienstig onderwijs.

De predikant der Luthersche gemeente, de waardige Moes, telt onder zijne gemeente eenige leden, die tot den slavenstand behooren. Als president der Maatschappij ter bevordering van het onderwijs der gekleurde bevolking van Suriname, en ook op verschillende andere wijze heeft hij getoond veel belang in het lot der slaven te stellen.

Tot de Moravische broedergemeente behooren, behalve de Broeders en Zusters zelve, geene blanken; hunne godsdienstoefeningen worden evenwel meermalen door ernstige godsdienstige blanken en kleurlingen bezocht. Hun gezegende werkkring strekt zich uit tot vrije kleurlingen en negers, doch voornamelijk tot de in slavernij zuchtende negers.

Ook bij de Roomsch Catholieke gemeenten worden weinige blanken gevonden; omtrent hun arbeid onder de slaven hebben wij reeds een en ander medegedeeld.

De beide Israëlietische gemeenten bestaan: de Nederlandsche uit ongeveer 750, de Portugesche Israëlieten uit ongeveer 700 personen. Sedert lang waren de beide Israëlietische gemeenten zonder leeraar. In 1858 is echter een Opper Rabbijn voor beiden uit Holland gezonden. De heer Lewenstein aanvaardde den 22sten Januarij 1859 zijn ambt te Paramaribo. Thans wordt om de 14 dagen beurtelings in eene der synagogen godsdienstoefening gehouden en ontvangt ook de Israëlietische jeugd van hem godsdienstig onderwijs.

In den regel is het godsdienstig bewustzijn in Suriname niet zeer ontwikkeld; echter worden er gunstige uitzonderingen gevonden. Bij een gedeelte der vrije gekleurde bevolking worden zoogenaamde psalm-gezelschappen gehouden, waar men bijeenkomt om psalmen en geestelijke liederen te zingen. Wel vindt men soms in die kringen veel verkeerdheden en wordt er soms meer op de zangkunst gelet, dan ten doel gesteld om den Heer hiermede te verheerlijken en zich zelven te stichten; echter zijn ze ook daartoe niet geheel onvruchtbaar en mag het betrekkelijk goede hier niet geheel voorbijgezien worden.

Gastvrijheid wordt steeds in Suriname op ruime schaal geoefend, liefdadigheid is eene deugd, die in Suriname niet vergeten wordt. Meermalen wezen wij hierop. Bij het vernemen der droevige tijdingen omtrent den watersnood, waardoor Nederland in het begin van dit jaar werd bezocht, ontsloot menigeen in Suriname de beurs en gaf mildelijk; zelfs de zuur verworven penningskens der slaven werden op het altaar der liefde geofferd [1368].

Onder de instellingen van liefdadigheid neemt de meergenoemde Maatschappij van Weldadigheid eene eerste plaats in. Wel zijn de eigenlijk bedeelden in gering aantal--in 1858 verleende zij alzoo slechts aan 8 personen onderstand,--doch belangrijk is haar werkkring, door haar pogen om personen voort te helpen, te ondersteunen, tot werkzaamheid op te wekken, enz. Bevordering van het schoolonderwijs is een voornaam gedeelte harer werkzaamheden, en de oprigting eener spaarbank, waardoor de spilzucht wordt tegengegaan, levert goede vruchten op. In December 1858 bedroeg het fonds dier spaarbank f 23,833,91.

In uiterlijke beschaving staat Suriname weinig achter bij Nederland. Behalve op de scholen der Broedergemeente, wordt te Paramaribo op 21 scholen onderwijs gegeven. Op eene hoofdschool, drie stads-armenscholen en veertien particuliere, benevens eene school door Roomsch-Catholieke geestelijke zusters gehouden en twee bewaarscholen ontvangen ongeveer 1650 kinderen te Paramaribo onderwijs, waarvan 520 gratis van het Gouvernement en 80 op kosten der Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid. Aan de Nickerie worden door een aldaar geplaatsten hulponderwijzer twintig kinderen, waarvan twaalf gratis, onderwezen.

Sommigen dier scholen laten nog wel veel te wenschen over en over het algemeen wordt, zoo men de scholen der Moravische broedergemeente en eenige anderen hiervan uitzondert, het ernstig positief godsdienst-element veel gemist, evenwel moet erkend worden, dat de gelegenheden tot bekomen van onderwijs in de laatste jaren veel vermeerderd zijn. Doch vermeerdering en uitbreiding van het onderwijs voor de eigenlijke volksklasse is nog hoogst wenschelijk en vordert noodzakelijk voorziening [1369].

Tot het ontvangen van middelbaar en hooger onderwijs is geene gelegenheid in Suriname; de ouders, die dit voor hunne zonen begeeren, zijn nog altijd genoodzaakt hen daartoe naar Europa te zenden. Door de oprigting van vrij goede Fransche scholen vervalt de noodzakelijkheid om ook de dochters der meer aanzienlijken tot het erlangen van eene beschaafde opvoeding naar Nederland te zenden. Dit geschiedt dan ook nu veel minder dan vroeger.

Is uiterlijke beschaving in Suriname toegenomen, vermeerdering van waarachtige godsvrucht is onder de vrije bevolking weinig te bespeuren. Ligtzinnigheid en onzedelijkheid heerschen nog steeds in ruime mate. Het huwelijk is er nog niet in genoegzame eere, en het leven met concubines is er nog zoo zeer in zwang, dat slechts weinigen er zich over ergeren.

Groot is het aantal onwettige kinderen, die jaarlijks worden geboren. In het regerings-verslag van 1858 wordt gemeld, dat in dat jaar bij de Hervormde gemeente gedoopt zijn: 218 kinderen, waarvan slechts 54 in echt en 164 buiten echt waren geboren; bij de Lutherschen 120 kinderen van vrijen [1370], waarvan 29 in echt en 91 buiten echt;--dus in het geheel 83 wettige kinderen tegen 255 onwettigen, zoodat het getal in onecht geboren meer dan 3/4 bedraagt.

Voegt men hierbij de hoererij der blanken en vrije kleurlingen met de slavinnen, die zoo sterk is, dat men voorbeelden vindt van mannen, die te gelijker tijd met zeven of acht slavinnen betrekkingen onderhouden, die er heden eene wegjagen morgen eene bijnemen; terwijl dikwerf de slavinnen gedwongen worden zich aan de lusten harer meesters te onderwerpen, dan verkrijgt men eenig denkbeeld van het lage peil der zedelijkheid in Suriname en--in alle slavenkoloniën. Ook dit is een droevig doch natuurlijk gevolg der slavernij. Dat afschuwelijk stelsel demoraliseert niet slechts den slaaf, maar ook den vrije.

De bekende Staatsman Minister Baud zeide hieromtrent in eene redevoering in de Staten-Generaal (10 December 1854): »Wat mij betreft, ik heb in maatschappijen geleefd, waar de slavernij bestaat, en de indruk, dien ik daar heb ontvangen, is, dat de slavernij niet slechts de slaven, maar ook den meester verdierlijkt; elke maatschappij, waar slavernij bestaat, is eenige graden lager op de schaal der zedelijkheid dan eene maatschappij uit enkel vrijen bestaande."

Reeds uit deze oorzaken moest het Nederlandsche volk, bij wie godsdienst en zedelijkheid toch nog op prijs worden gesteld, de afschaffing der slavernij tot elken prijs begeeren; zelfs al ware het dat stoffelijke voordeelen de instandhouding van dezelve deden wenschen; doch ook dit is niet het geval.

Wel hebben eenige individuen stoffelijke voordeelen onder het stelsel der slavernij genoten; het getal evenwel derzelve was gering en een naauwgezet onderzoek der geschiedkundige bronnen, waarvan hier de resultaten zijn medegedeeld, hebben mij volkomen overtuigd, dat Suriname nimmer een wezenlijke bloei of een degelijke welvaart heeft gekend;--en thans, terwijl slavernij nog tot schande van den Nederlandschen naam in eene Nederlandsche bezitting bestaat, kwijnen landbouw en handel in die kolonie.

Is er in de laatste jaren meer uitbreiding aan de suikercultuur gegeven, en is de opbrengst daarvan vrij aanzienlijk, andere cultures daarentegen zijn grootendeels vervallen, en die uitbreiding der suikercultuur geschiedt ten koste van de gezondheid en het leven der slavenmagt; enkele gunstige jaren uitgezonderd, neemt het getal der slaven--de productieve kracht van Suriname--gestadig af. Gedurende de onzekerheid, de wijfeling, die ten deze reeds zoo vele jaren heeft geheerscht, wordt de ondernemingszucht uitgedoofd. Zijn er eenigen, die zich hierover niet bekommeren, die voortgaan de slaven uit te mergelen, om eene dadelijke stoffelijke winst, en verder redeneren: »après nous le déluge," of die, gelijk de Schrift een dwaze voorstelt, in zorgelooze ligtzinnigheid zeggen: »laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij," het betere gedeelte, de kern der vrije bevolking, ziet ook verlangend uit naar de afschaffing der slavernij, daar slavernij alle ontwikkeling tegenhoudt en Suriname bij een langer voortduren van dat verderfelijk stelsel noodzakelijk ten val moet komen.