Geschiedenis van Suriname

Part 60

Chapter 603,568 wordsPublic domain

Door verkeerde toepassing kunnen zelfs maatregelen van eene goede strekking geheel de tegenovergestelde uitwerking hebben. Dit was o. a. het geval met een maatregel, die door den heer Mr. Donker Curtius, tijdens hij als waarnemend Procureur-Generaal fungeerde, na eenige proeven, werd voorgesteld en door den Gouverneur aangenomen, en die ten doel had: het afstraffen der slaven met zweepslagen te verminderen. In de daartoe strekkende publicatie van 19 December 1857 werd gezegd, dat: in overweging was genomen, dat sedert eenigen tijd met goed gevolg, in plaats van de gewone straffen van lichamelijke kastijding of opsluiting, aan slaven is opgelegd de straf van opsluiting met of zonder boeijen en dwangarbeid aan publieke werken, volgens beschikking der Policie, en dat daarom de Procureur-Generaal, de Landdrosten van Nickerie en Coronie, eigenaren en administrateuren, welke bevoegd waren aan slaven zekere straffen op te leggen, vrijheid werd verleend dezelve te doen vervangen door de genoemde. Die oprigting van een corps strafwerkers had gunstig kunnen werken, zoo de ligchaamsstraffen hierdoor werkelijk verminderd waren; doch daar het bestuur en de handhaving der tucht soms aan personen werden toevertrouwd, die hiervoor geheel ongeschikt waren, trof het geen doel. Zweep- en stokslagen werden soms op de openbare straat toegediend; het lot der strafwerkers was ellendig, terwijl de arbeid aan 's landswerken in verachting werd gebragt en dus tegen het goede beginsel van van Raders, en dat Schimpf anders zelf voorstond en ook bij de werkzaamheden aan het Saramacca-kanaal wilde bevorderen, gehandeld.

Het valt ligtelijk te begrijpen, dat, waar men aan een Koninklijk besluit, omtrent de plaatsing van Landdrosten eene uitlegging wist te geven en eene leemte in hetzelve wist te benuttigen, waardoor de goede bedoeling er van geheel verijdeld werd; waar maatregelen, zoogenaamd in het belang der slaven genomen, ter verzwaring van hun lot strekten, ook de toepassing der in milden zin gewijzigde slavenreglementen veel te wenschen overliet, en dat willekeur vaak in plaats van regt kwam.

De blik van Schimpf werd zoo beneveld, dat hij, hetgeen toch zoo duidelijk en zoo dagelijks en zelfs in zijne naaste omgeving kon opgemerkt worden, niet meer scheen te zien, en in een officieel verslag aan de regering berigtte, dat: »de slavernij in Suriname slechts in naam bestond." In krijtende tegenspraak met dergelijke officieele berigten was de mededeeling in sommige Nederlandsche dagbladen van feiten van mishandeling den slaven aangedaan, die elk gevoelig hart met deernis voor de ongelukkigen en met afgrijzen voor de daders dier geweldadigheden vervulde. Men trachtte in Suriname de feiten te loochenen, doch te vergeefs. De waarheid kon niet ontkend worden en zelfs in het den 29sten December 1860 aan de Tweede Kamer ingediend regeringsverslag over 1858 werden verscheidene dier feiten bevestigd. Boschpatrouilles werden op nieuw gehouden; weggeloopen slaven ten bloede gegeeseld; wreedheden door slavenmeesters en meesteressen begaan, en--de koloniale regering beschermde den zwakke niet; terwijl men, zoo men acht geeft op de vonnissen door de regterlijke magt tegen enkele meesters gewezen, met grond kan beweren, dat de straf op misbruik van magt voor de meesters meer in naam dan in werkelijkheid bestond [1353]. Ook de hoop, die de slavenvrienden op de komst van den Procureur-Generaal Gefken hadden gevestigd, werd grootendeels verijdeld, daar hem, ofschoon hij welgezind was en het goede voorstond zoo veel hij vermogt, meestal de kracht en magt ontbrak om werkelijk verbetering in het lot der slaven te brengen. Op velerlei wijzen werden zijne pogingen daartoe verijdeld, zijne kracht verlamd en--ook hij bleef niet geheel vrij van den invloed dier partij, welke Schimpf zoo geheel beheerschte.

Tijdens het bestuur van Schimpf werden er ook malversatiën in publieke kassen ontdekt, als: in de kas van den Weesmeester en Curator Lionarons en van den Inspecteur der Domeinen, van de nijverheid en den landbouw, tevens Commissaris en Secretaris der opgeheven particuliere West-Indische bank, A. Wildeboer. Tegen den eerstgenoemde was Schimpf meermalen gewaarschuwd, doch hij had deze waarschuwingen niet geacht voor dat het te laat was. Toen de malversatie werd ontdekt heeft de schuldige zich zelven van het leven beroofd; Wildeboer onttrok zich door de vlugt aan geregtelijke vervolging.

Verscheidene belangrijke bouwwerken zijn onder het bestuur van Schimpf daargesteld; doch liet Schmidt auf Altenstadt, uit te vergedreven zuinigheid, veel verwaarloozen, Schimpf daarentegen, zeer bouwlustig zijnde, nam niet altijd den niet gunstigen staat der koloniale kas in acht; verscheidene 's Landswerken hadden zonder eenig bezwaar achterwege kunnen blijven; andere hadden veel minder behoeven te kosten. De oprigting eener steenfabriek en kalkbranderij voor rekening van het Gouvernement was eene proeve, die als mislukt kon worden beschouwd; belangrijke sommen zijn daaraan ten koste gelegd, zonder aan de verwachting te beantwoorden. Het ontbrak den Gouverneur ook hierbij aan geen goeden raad door deskundigen gegeven, doch hij luisterde daar niet naar, en alzoo werden de gewenschte uitkomsten niet verkregen.

Uit een en ander is genoegzaam op te merken, dat de toestand van Suriname gedurende het bewind van Schimpf niet vooruitging, en toch, toen hij in 1858 zijn voornemen te kennen gaf om de teugels van het bestuur neder te leggen en om zijn ontslag verzocht, werden in Suriname pogingen aangewend om hem daarvan te doen afzien. Schimpf gaf als reden van zijn gevraagd ontslag, zijn geschokten gezondheidstoestand op en dat hij buitendien zich met de inzigten van den Minister van Koloniën (Rochussen) niet kon vereenigen.

Wel had die Minister in de Kamers der Volksvertegenwoordigers den Gouverneur van Suriname geprezen, toen lof zeker misplaatst was, doch Schimpf schijnt volkomen instemming met zijne beginselen te hebben verwacht, en uit de in 1858 door den Minister ingediende wetsvoorstellen, tot afschaffing der slavernij en misschien ook wel uit niet openbaar bekende aanschrijvingen, was het tegendeel gebleken, De reactionnaire partij wenschte Schimpf te behouden en trachtte hem door adressen te bewegen zijn ingediend verzoek om ontslag in te trekken; terwijl tevens een adres door haar aan Z. M. werd toegezonden, met verzoek, om het door den Gouverneur gevraagd ontslag niet in te willigen.

Door den invloed der reactionnaire partij, die daartoe onderscheidene middelen aanwendde [1354], werden deze adressen door verscheidene personen onderteekend, doch het baatte niet. Schimpf gevoelde dat zijn toestand onhoudbaar was, hij bleef op zijn ontslag aandringen en het werd hem verleend.

Tot zijn opvolger werd benoemd Reinhart Frans van Lansberge, tot dusver Gouverneur van Curaçao en onderhoorigheden, die in Augustus 1859 in Suriname kwam en den 11den dier maand het bestuur van Schimpf overnam [1355].

Bij de komst van den nieuwen Gouverneur vleiden zich velen, dat hij de zoo noodzakelijke hervormingen in Suriname met kracht zou bevorderen; zich het lot der slaven met ijver aantrekken; zijne ooren sluiten voor de inblazingen der reactionnaire partij en werkelijk een Landvoogd zijn, waarop Suriname trots kon wezen.

Van Lansberge schijnt die in hem gestelde verwachtingen niet te beschamen, en, terwijl hij waardigheid en minzaamheid in zich vereenigt, dragen zijne handelingen blijk, dat hij het goede voor Suriname wenscht en ook het lot der slaven wil verbeteren. Thans zijn sedert twee jaren verloopen en--ofschoon wij de goede bedoelingen van van Lansberge gaarne willen erkennen en hem de eer geven van werkelijk in vele opzigten te toonen, dat hij het heil der aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie wil behartigen, gelooven wij echter, dat men van het bestuur van van Lansberge niet al te veel verwachten moet; want gebreken van den ouderdom beletten hem meermalen met die geestkracht te handelen, welke voor een Gouverneur van Suriname zoo onontbeerlijk is; hij moet te veel aan anderen overlaten, en dat hiervan door sommigen misbruik wordt gemaakt, is, indien men met den toestand in Suriname eenigermate bekend is, niet te verwonderen.

Te veel blijft in Suriname alles bij het oude, en toch is er aan verandering en verbetering groote behoefte.

Het Surinaamsch Mettray op Lustrijk werd eenigen tijd na het vertrek van Schimpf opgeheven.

In Februarij 1860 werd in eene Buitengewone Algemeene Vergadering besloten Lustrijk, waar het Mettray gevestigd was, te verkoopen en die inrigting te verplaatsen in de nabijheid van Paramaribo, overeenkomstig 's volks verlangen. Aan dit eerste is gevolg gegeven, doch aan het tweede heeft men nog niet kunnen voldoen. Sedert zijn pogingen aangewend om met medewerking van het Gouvernement de Volksscholen te vermeerderen en uit te breiden, waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.

Meermalen was het gebrekkige der Surinaamsche wetgeving gebleken, en den 30sten September 1852 was bij Koninklijk besluit eene staats-commissie ingesteld, om deze zaak te onderzoeken en voorstellen te doen tot invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indische koloniën, zooveel mogelijk in overeenstemming met die van het moederland. Zeven jaren later werd de regering overtuigd, dat die invoering, in het belang der koloniën, ten spoedigste gevorderd werd; en bij Koninklijk besluit van 28 December 1859 werd Mr. L. Metman, Lid dier genoemde staats-commissie, benoemd tot Commissaris speciaal, belast met alles wat betrekking had tot de invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indische koloniën, en hem als Secretaris toegevoegd Mr. H. M. van Andel, Advocaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden.

Aan de Gouverneurs van Suriname en Curaçao werd opgedragen om, op voordragt en in overleg met genoemden Commissaris, die wetgeving voorloopig in te voeren, onder voorbehoud van 's Konings nadere goedkeuring [1356].

Metman en zijnen Secretaris van Andel kwamen den 26sten April 1860 te Suriname aan; Metman beijverde zich van den hem opgedragen last te kwijten; doch hij vermogt zijn arbeid niet ten einde te brengen, daar hij reeds den 5den October 1860 overleed. Zijn overlijden schokte veler gemoederen en vervulde menig hart met diepe droefheid. In den korten tijd, dien hij in Suriname doorbragt, had hij veler achting verworven; eene onafzienbare schare volgde dan ook den lijkstoet toen zijn stoffelijk overblijfsel in de groeve der verteering werd nedergelaten,

Weder werd dus deze zaak vertraagd; bij Koninklijk besluit van 2 December 1860 werd de voortzetting van de, ten gevolge van het overlijden van Metman, gestaakte werkzaamheden betreffende de gemelde wetgeving opgedragen aan de Commissie, vroeger reeds den heer Metman tot voorlichting toegevoegd, onder presidium van den Procureur-Generaal Gefken. Die arbeid is nog niet voltooid, doch nu zal na deszelfs voltooijing de nieuwe wetgeving niet dadelijk worden ingevoerd, maar vooraf aan Z. M. ter bekrachtiging worden gezonden.

In de laatste dagen van Augustus (1860) maakte de Gouverneur, met den heer Metman en eenige andere heeren, eene reis naar de Marowijne, waaromtrent in de Surinaamsche Courant belangrijke bijzonderheden worden medegedeeld.

Men bezocht de Fransche straf-etablissementen aan de overzijde der Marowijne gelegen, en werd door de Fransche autoriteiten met veel beleefdheid ontvangen. Door den Gouverneur en bijhebbend gezelschap werd ook het etablissement Albina bezocht. Na het ophouden van de houtvelling aldaar heeft Kappler eenige landbouwkundige proeven gedaan en zich voornamelijk op de veeteelt toegelegd; welke laatste, door relatiën met zijne Fransche naburen, niet onaanzienlijk waren. De vroeger aldaar gevestigde Wurtemburgers zijn hier en daar in de kolonie verspreid; sommigen hebben zich naar Demerary begeven [1357]. Een Indiaansch kamp, ongeveer een uur boven Albina gelegen, hetwelk onder het Caraïbisch opperhoofd, Petrie, staat, werd mede aangedaan. Eenige geschenken, daartoe van Paramaribo medegenomen, werden aan die Indianen, die zich verdienstelijk hadden gemaakt, uitgedeeld.

Het Groot Opperhoofd der Aucaner Boschnegers, Byman, bragt met eenige andere kapiteins den Landvoogd een bezoek. De Aucaners oefenen tevens een soort van gezag uit over de Bonni-negers, afstammelingen van Marrons, die, onder hun opperhoofd Bonni, zoo lang voor hunne vrijheid tegen de blanken hebben gestreden, en van welken strijd wij in onze geschiedenis meermalen melding hebben gemaakt. De Aucaners grondden dit gezag op vroegere den blanken tegen de Bonni-negers bewezen diensten en wilden ook hen beletten, die aan de overzijde der Marowijne woonden, met de Fransche onderdanen in aanraking te komen.

Hierover is door den Gouverneur en een der Fransche autoriteiten met het Groot-Opperhoofd en bijhebbende kapiteins gesproken, waarbij werd aangetoond, dat dit gezag onwettig of ten minste verjaard was; tevens werd bepaald, dat later eene commissie zou worden gezonden, om deze zaak af te doen. Die commissie vertrok daartoe in November 1860.

In het eerst had men eenige moeite den Aucaner hoofdman te bewegen aan den eisch van het Gouvernement toe te geven. Toen de provisioneele Inspecteur der Domeinen, van de Nijverheid en den Landbouw, tevens belast met het toezigt over de verschillende Boschnegerstammen, mededeeling deed van het doel zijner zending, stond Byman op en gaf in bewoordingen, die niet altijd even kiesch waren en nu en dan zelfs gepaard gingen met bedreiging, te kennen: »dat het Nederlandsch Gouvernement het regt niet had om de Bonni-negers, die--èn omdat zij door zijne voorzaten in de met hen gevoerde oorlogen waren ten onder gebragt en sedert door de Aucaners in het belang der kolonie in toom waren gehouden, èn, ten gevolge van de met hen gesloten vredestractaten, slaven zijn van de Aucaners--vrij te geven; dat, indien het Nederlandsch Gouvernement slaven wenscht vrij te geven, dat het dan met zijne EIGENE SLAVEN een begin moest maken."--Deze rede, te lang om in deszelfs geheel hier te worden wedergegeven, besloot hij met de verklaring: »dat hij en de zijnen in de vrijverklaring der Bonni-negers niet zullen toestemmen en liever het leven verliezen willen, dan dat te gedoogen;" tevens de betuiging doende: »dat de Aucaners nog magt genoeg bezitten om de blanken te benadeelen; dat de Hollanders, uit vrees voor de Franschen, in de zaak der Bonni-negers hadden toegegeven en hij en de zijnen zich dus maar aan het Fransch Gouvernement zouden onderwerpen [1358]."

Na eenige over- en wedersprekingen werden de zaken echter tot genoegen van partijen geschikt, waarna de Commissarissen en twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich naar het dorp der Bonni-negers begaven, om aldaar alles nader te regelen.

Te negen ure des voormiddags van den 18den November (1860) waren de gezagvoerders der verschillende dorpen rondom het Groot-Opperhoofd, in het raadhuis (eene groote opene hut) vergaderd. Rondom de hut waren toeschouwers van beider kunne en van elken leeftijd geschaard, om getuige te zijn van de blijde boodschap, die haar zou worden verkondigd.

De Commissie, in costuum en uniform als bij de groote vergadering in Auca (10 November), binnengetreden zijnde, plaatste zich naast het Groot-Opperhoofd, terwijl de twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich nevens haar nederzetten. Eene diepe stilte en een gewenscht decorum heerschten onder de verzamelde menigte. De heer E. J. Slengarde, belast met het Commissariaat der Inlandsche bevolking, rigtte het woord tot de vergadering; schetste in korte en duidelijke bewoordingen het doel waarmede de Commissie in haar midden was verschenen, en schilderde het groote voorregt af, dat den Bonni-negers is te beurt gevallen, om vrij en onafhankelijk verklaard te zijn van de Aucaners, met kwijtschelding, door het Nederlandsch Gouvernement, van de gevolgen ter zake van al het voorgevallene met hunne voorzaten.

Daarna werd de acte van amnestie en ontheffing van alle contrôle zijdens de Aucaners, en gelijkstelling met alle andere Boschnegers, waarmede het Gouvernement overeenkomsten heeft gesloten, vervolgens, in triplo, door de Commissie, het Groot Opperhoofd, den gezagvoerder der verschillende dorpen en de beide afgevaardigde Aucanen-kapiteins onderteekend, en daarvan een afschrift van het laatste tractaat (zie blz. 743) in eene blikken bus aan het Groot Opperhoofd overhandigd, met gelukwenschingen, zoo aan hem als zijnen onderhoorigen, wegens de hun geschonken vrijheid.

De vreugde der Bonni-negers kende toen geene grenzen; oud en jong wierpen zich ter neder, namen met den mond aarde op en legden ze op de voeten van de leden der Commissie, die daarna door hen, onder het galmen van vreugdekreten en het lossen van eereschoten, het dorp werden rondgedragen [1359].

Met de mededeeling van de blijdschap dier negers sluiten wij de geschiedenis van Suriname. Wij hadden zoo gaarne gewenscht deze geschiedenis te kunnen besluiten met de vermelding van het afkondigen eener goede wet omtrent de afschaffing der slavernij. Wij hadden zoo gaarne willen eindigen met de mededeeling: »En Nederland heeft eindelijk den smet der slavernij uit haar midden weggedaan; de vloek der slavernij in Nederlandsche bezittingen is opgeheven; groot was de blijdschap der vrijgemaakte negerbevolking toen zij deze tijding vernam; in kinderlijke vreugde vierde zij feest over de verbreking van die zwaar knellende banden, en vele lof en dankpsalmen stegen omhoog om den Heer der Heeren voor hare bevrijding te danken; de naam van onzen geëerbiedigden Koning werd zegenend door haar in de gebeden herdacht en het »leve de Koning! heil voor Willem den derde! Oranje boven!" werd in de stad gejubeld en van plantaadje tot plantaadje blijde herhaald; Suriname gaat nu eene betere toekomst te gemoet."

Wij hadden zoo gaarne gewenscht alzóó te mogen eindigen; maar--het is ons niet vergund. Wel zijn door den afgetreden Minister Rochussen achtervolgens drie ontwerpen van wet ingediend, doch geen derzelve is tot wet verheven; nog onteert het behoud der slavernij den Nederlandschen naam; nog worden in Nederlandsch koloniën menschen van gelijke bewegingen als wij, gelijk de runderen des velds, gekocht en verkocht; nog wordt onder Nederlandsch bestuur het eerlijk huwelijk voor duizende natuurgenooten onmogelijk gemaakt; nog worden in Nederlandsche koloniën dikwerf de teederste banden des bloeds als niet bestaande geacht; nog worden aldaar mannen en vrouwen met snerpende geeselslagen, naar den luim huns meesters, gekastijd; nog wordt de ontwikkeling van Suriname tegengehouden; doch--wanhopen wij daarom? Neen, ganschelijk niet. Onze hope en verwachting is in de eerste plaats op den Heer, die de smeekingen der verdrukten hoort en verhoort; ten andere, onze Koning, een Willem van Oranje, heeft reeds meer dan eens betuigd, dat hij de afschaffing der slavernij wil en ook zijn nieuw gekozen Raadsman, de Minister van Koloniën Loudon, heeft in de Kamer der Volksvertegenwoordigers verklaard, dat hij ernstig bezig is met de zamenstelling van een nieuw ontwerp betreffende deze zaak. Wij verwachten dat de Nederlandsche regering en de volksvertegenwoordigers de handen zullen in een slaan om de afschaffing der slavernij, eene daad van regtvaardigheid, waarover zelfs in den hemel vreugde zal zijn, spoedig tot stand te brengen.

Volgens onze belofte, in de inleiding van dit werk, willen wij nog eens een blik om ons heên slaan in den tegenwoordigen toestand van Suriname. Wij vestigen dien dan het eerst op de oude oorspronkelijke bewoners van Suriname's ondoordringbare wouden, de Indianen. Wij zagen de heeren der ruwe, maar schoone schepping van Guyana, die kinderen der natuur, in talrijke scharen ronddolen, zich met jagt en vischvangst generen, hier en daar hunne eenvoudige hutten opslaan [1360]; straks, in die levenswijze gestoord door de komst der Europeanen, vruchteloos zich hiertegen verzetten, en daarna meer en meer in de ontoegankelijke wouden teruggedreven. Wel hebben de vrome Hernhutters hen daar opgezocht, om hun het Woord des levens te verkondigen, en was zelfs eenigen tijd bij hen ook eene bloeijende zending gevestigd. In den negeropstand en de daardoor ontstane verwikkelingen werd het voornaamste zendingstation verwoest, en zijn de Hernhutters door verschillende omstandigheden genoopt geworden de zending onder de Indianen op te geven.

Sedert dien tijd dolen de oorspronkelijke bewoners des lands om en komen weinig in aanraking met de Europeanen. Hun aantal neemt gestadig af en kan niet met eenige zekerheid worden opgegeven; hunne hartstogt tot sterken drank, hunne gebrekkige voeding, het gemis aan geneeskundige hulp en verpleging en hunne uiterst gebrekkige huisvesting zijn voorname oorzaken dier steeds toenemende vermindering.

De Indianen zijn achterlijk in beschaving en hebben zeer weinig begrip van godsdienst. Als eene merkwaardige bijzonderheid mag dus hier worden vermeld, dat eenigen hunner, behoorende tot de stam der Arowakken, die op de plantaadje Killenstein voor dagloon werkzaam zijn geweest, door de Roomsch-Catholieke priesters gedoopt zijn [1361].

Wanneer door de afschaffing der slavernij een andere toestand wordt geboren, waardoor het onderling verkeer tusschen de verschillende gedeelten der bevolking van Suriname zal worden bevorderd, is het te wenschen, dat ook de Indianen in het genot der beschaving zullen deelen, en vooral in de vertroostingen der Christelijke godsdienst.

Moge het Evangelie der genade hun op nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders van Christus eene zoodanige zijn, dat die arme onkundige Heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden!

De Boschnegers, de afstammelingen van hen, bij wie wij ons in de geschiedenis dikwerf hebben bepaald, van wie wij--zij het dan ook in ruwen vorm--edele daden hadden te vermelden, toen zij met de wapenen in de hand hunne vrijheid verwierven en die sedert behielden, leven nog steeds afgezonderd van de overige bevolking der kolonie.

Hun getal bedraagt, bij benadering, tusschen de zeven en acht duizend; zij zijn in drie stammen verdeeld, als: Aucaners ruim 3000; Saramaccaners ruim 4000 en Becoe- of Musinga- of Maturie-negers ruim 300 personen. De Aucaners wonen aan de oevers der Marowijne, de Saramaccaners aan de oevers der Boven-Suriname en de Becoe- of Musinga-negers aan die der Boven-Saramacca. Nu laatstelijk is ook (zie bladz. 759) een verdrag gesloten met de Bonni-negers, die den linkeroever der Marowijne bewonen; zij zijn uitgenoodigd om zich meer in het bewoonde gedeelte der kolonie neder te zetten.

De Boschnegers wonen in afzonderlijke dorpen, boven de watervallen gelegen. Uithoofde der vele klippen en ondiepten, die slechts bij eenige Indianen en bij henzelve bekend zijn, is het moeijelijk hunne verblijfplaatsen te genaken. Eene reis van Paramaribo tot daar duurt verscheidene dagen, en kan niet zonder hunne hulp worden volbragt. In het regensaizoen is de vaart stroom opwaarts moeijelijk ten gevolge van den geweldigen stroom, en in den droogen tijd is zij gevaarlijk door de vele klippen, slechts door eenige duimen water bedekt. In elk der dorpen oefent een kapitein eenigermate het gezag uit; doch over elk der stammen regeert een groot opperhoofd, bij hen Graman (Gouverneur) genoemd.

Twee posthouders en twee correspondenten zijn, van wege het koloniaal Gouvernement, bij hen aangesteld. In plaats van de gewone geschenken, die hun vroeger door het Gouvernement, volgens verdrag, werden gezonden, ontvangen thans de drie Groot-Opperhoofden toelagen, en worden er slechts zeldzaam en, in geringe hoeveelheid, partieele geschenken gegeven [1362].