Geschiedenis van Suriname

Part 6

Chapter 63,696 wordsPublic domain

Waren reeds deze hoedanigheden zeer begeerlijk voor een landvoogd, die bestemd was om in eene zoo zeer verwarde kolonie zoo mogelijk rust en orde te herstellen en een beteren gang van zaken voor te bereiden, op dit alles werd de kroon gezet door zijnen opregten warmen godsdienstzin. »Hij was een uitnemend vriend van God en godsdienst," zegt een der oude schrijvers over Suriname, [43] »en hij was dagelijks bedacht, om door zijn eigen voorbeeld zijne onderhoorigen den waren eerbied hiervoor in te boezemen, en als een baak hun de beoefening van alle christelijke deugden aangenaam te maken; en zij, die hem hierin het meest volgden, waren zijne beste vrienden, onaangezien hun staat, geslacht en sekse; daarentegen was hij een vijand van alle baldadigheid, ontucht en ongebondenheid, en ging hij deze ondeugden met mannenmoed in grooten en kleinen te keer."

Was hij een ernstig en godvreezend man, hij had daarbij een edelmoedig ridderlijk karakter, en bij zijne gehechtheid aan de Hervormde godsdienst en zijne achting voor de godsdienstigen, welke hij gaarne beschermde en begunstigde, paarde hij tevens eene, voor die tijden groote verdraagzaamheid; hij was gemeenzaam en weldadig jegens iedereen, maar ook gestreng regtvaardig; als eene schaduwzijde van zijn karakter moeten wij opmerken, dat hij soms wel wat onstuimig en met geweld te werk ging, daar hij een oploopend, driftig gestel bezat en zich zelven hierin niet altijd meester was, waardoor soms veel goeds verloren ging.

Wij zullen hem nu op het tooneel zijner werkzaamheden zien.

Hij kwam den 24sten November 1683 te Paramaribo aan. Bij de overname van het bestuur uit handen van den commandeur Verboom vond de nieuwe Gouverneur de geheele kolonie door twisten en oneenigheden verscheurd, en verder in dien ellendigen toestand, als waarvan wij bij het einde der vorige afdeeling gewaagden.

Hij ging dadelijk met krachtige hand aan het werk om dien toestand te verbeteren.

Een zijner eerste pogingen daartoe was de instelling van een Raad van policie en justitie, die hij reeds in het begin van 1684 zamenstelde, tot groot genoegen van de welwillende ingezetenen, want zoo ergens, dan was hier voornamelijk groote behoefte aan eene geregelde policie en regtspleging, daar tot dien tijd een iegelijk als het ware zijn eigen meester was, en regt en geregtigheid bijna onbekende zaken waren. Hij ondervond echter reeds dadelijk groote moeijelijkheid, voornamelijk door gebrek aan bekwame en geschikte lieden voor deze belangrijke betrekkingen; hij moest naar zijn beste weten hiermede te werk gaan en de beschuldiging, later tegen hem ingebragt, dat hij de Raden van justitie en policie niet behoorlijk gekend had, verliest daardoor hare gegrondheid; zij, die liever naar de lust van hun hart wilden leven, waren natuurlijk tegen deze maatregelen gekeerd; het straffeloos begaan van misdrijven werd hierdoor echter tegengehouden, en was dit voor van Sommelsdijk genoeg om op dezen weg voort te gaan, het was hem echter niet genoeg afzonderlijke Raden en regters te hebben aangesteld, hij hield het toezigt hierover; hij deelde met hen de bestiering over de policie en civiele justitie en hij voer voort onderscheidene goede wetten te maken. Gedurende zijn bestuur zijn vele heilzame resolutiën en placcaten gemaakt en uitgevaardigd, ten einde de huishoudelijke zaken der kolonie te regelen.

Ook werd door hem eene weeskamer en eene desolate boedelkamer opgerigt.

Als ijverige Hervormde handhaafde hij ook de bepalingen, die in het moederland goldden, omtrent de viering van den Christelijken rustdag, welke bepalingen in 1634 door de Algemeene Staten ook verbindend waren verklaard voor de volkplantingen in de nieuwe wereld. Maar nu kreeg hij de Joden tegen zich; dezen vermeenden hierdoor in hunne privilegiën verkort te zullen worden, en bragten hun beklag daarover in bij de geoctroijeerde sociëteit van Suriname (de gezamenlijke eigenaars), waarvan het gevolg was, dat de directeuren den heer van Sommelsdijk aanschreven, om zich stiptelijk te houden aan de vrijheden, door de Israëlieten tijdens het bestuur der Engelschen verkregen, en waaronder ook behoorde, dat zij en hunne slaven des Zondags mogten arbeiden en reizen.

Van Sommelsdijk hield zich voortaan hieraan zoo stipt, dat de Joden zich later niet meer over hem beklaagd hebben.

In Suriname was tot heden nog slechts een hervormde predikant (Ds. Baselius, die van 1668 tot 1689 de dienst te Paramaribo waarnam.) Door de zorg van van Sommelsdijk werd daar, waar de Commewijne zich met de Cottica vereenigt, in 1688 eene kerk gebouwd, en deze door Ds. Anthonius Ketelaar ingewijd, die echter reeds in het volgende jaar overleed. [44]

Van Sommelsdijk verbood de huwelijken en de gemeenschap met de negers. Handelde hij in dezen overeenkomstig de denkwijze van zijnen tijd, aan de andere zijde bleek hij hier boven te staan, door met allen ernst de verregaande wreedheden, die sommige meesters jegens hunne slaven pleegden, te keer te gaan; hij vaardigde eene wet uit, waarbij het verboden werd, dat iemand voortaan zijne slaven zou mogen verminken of met den dood straffen; terwijl die slaven, welke eene dergelijke straf verdiend hadden, aan den Raad van justitie moesten worden overgeleverd.

Zijne geregtigheid was onkreukbaar en zijne vonnissen zonder aanzien van personen; hij ontzag daarin niet hen, die magt of invloed bezaten; zoo liet hij o. a. een zeker Indiaansch opperhoofd, wegens het dooden van ééne zijner vrouwen, onthoofden. Ter bescherming van de invallen der Indianen deed hij twee forten oprigten--één geregeld fort in den vorm van een vijfhoek aan de zamenvloeijing van de Commewijne en Cottica, later naar hem »Sommelsdijk" genaamd, en een, bij wijze van een versterkt steenen huis, aan de Para Kreek. Hij bepaalde zich echter niet bij deze verdedigingsmaatregelen, daar de Indianen de kolonie te dien tijde zeer verontrustten en zoo magtig waren, dat zij de gansche westzijde van de rivier Suriname hadden afgeloopen, zoo moest men hen door krachtige middelen zien te bedwingen, en verscheidene togten werden dan ook door en onder van Sommelsdijk tegen hen ondernomen. In den eersten togt verwoestte hij vijf hunner dorpen aan de oostzijde van de Coppename; doch het gelukte hem niet om Indianen gevangen te nemen. Dezen, met de verschillende sluipwegen in de wildernis bekend, ontgingen hem steeds, en trokken verder landwaarts in; doch daar zij gevoelden, dat zij toch tegen de magt der Europeanen niet opgewassen waren, gelukte het den gouverneur met hen eenen voordeeligen vrede te sluiten; waarbij de drie natiën Caraïben, Warauen en Arawakken voor vrije lieden werden verklaard, die nooit dan om misdaden in slavernij zouden worden gebragt.

Sommige schrijvers, o. a. de schrijver der Historische proeve, verhalen, dat van Sommelsdijk, daar de Indianen anders in de blanken geen vertrouwen wilden stellen, de dochter van een Indiaansch opperhoofd tot bijwijf nam, en zij voegen er bij, dat deze vrouw ten tijde van den Gouverneur Mauritius nog in leven en toen reeds 80 jaren oud was, en inwoonde bij mevrouw du Voisin, weduwe van den heer de Cheusses, in leven Gouverneur van Suriname, welke aan de familie van Sommelsdijk verwant was. [45]

Wat daarvan zij laten wij aan meer naauwkeurige geschiedvorschers over; het strookte zeker weinig met den ernstigen en godsdienstigen zin van van Sommelsdijk; maar--men vindt zoo gedurig inconsequentiën in het gedrag, zelfs van personen, die als beroemd en vroom bekend zijn, en het blijkt zoo gedurig, dat ook zij zondaars waren.

De gouverneur sloot ook eenen vrede met de boschnegers van Copenname, afstammelingen der reeds onder de Engelschen van hunne meesters weggeloopen slaven, die zich in de ontoegankelijke wouden gevestigd hadden.

Hij heeft mede pogingen aangewend, om de binnenlanden nader te onderzoeken, en om zoo mogelijk het meer van Parima te ontdekken; hij zond daartoe een officier met vijf soldaten landwaarts in, doch het was eene vergeefsche poging; eerst na zijn dood teruggekomen, berigtten zij, dat hunne boot was omgeslagen; dat zij bij dit ongeval hun dagregister verloren; dat zij niets hadden gezien dan wildernissen en wilde menschen, enz. [46]

Een der grootste bezwaren tot vooruitgang der kolonie, het gebrek aan een behoorlijk aantal Europeanen, geneigd en geschikt om zich met den landbouw bezig te houden, trachtte van Sommelsdijk op onderscheidene wijze te verminderen.

Op zijn verzoek werd dan ook op 20 Julij 1684 door de Staten van Holland besloten, om in overleg met de directeuren der geoctroijeerde sociëteit van Suriname, de misdadigers in de provincie Holland, in plaats van in de tuchthuizen op te sluiten, naar Suriname te zenden, om hen aldaar aan 's lands werken als anderzins te gebruiken. De Gouverneur schijnt de hoop gekoesterd te hebben, dat zij zich door behoorlijk gedrag en geregelde werkzaamheden langzamerhand een beter lot waardig zouden gemaakt hebben; dan hij had zich hierin misrekend. De woeste hoop van dieven en vagebonden, die het luije leven gewend waren, beviel het volstrekt niet om zoo bezig te worden gehouden; zij poogden weldra zich uit die slavernij te bevrijden; zij verbraken daartoe hunne boeijen en begaven zich op eenige gestolene vaartuigen op de vlugt naar de Orinoco. De zoon van van Sommelsdijk, de heer de Chatillon, joeg hen met eenige soldaten na en bragt de meesten hunner weder terug.

Naderhand heeft de kolonie zich van deze bezending van misdadigers, als slechte ingezetenen, weten te ontslaan. [47]

(Op den togt ter vervolging der gevlugte misdadigers heeft de heer de Chatillon de eerste cacaoboom ontdekt en in Suriname gebragt).

Beter slaagde de poging om vreemdelingen, en voornamelijk Franschen, tot het gaan naar de kolonie te bewegen.

Vele uitgewekene Franschen gingen tijdens het bestuur van van Sommelsdijk naar Suriname; de voorname aanleiding daartoe was, dat een zijner voorvaders, François van Aerssens, vele jaren ambassadeur van de republiek der Nederlanden bij Hendrik IV en Lodewijk XIII geweest zijnde, [48] in Frankrijk met vele doorluchtige Protestantsche geslachten vriendschapsbetrekkingen had aangeknoopt, en deze door den gezant aangeknoopte vriendschapsbetrekkingen waren door zijne nazaten met naauwgezetheid onderhouden. De heer van Sommelsdijk had zelf eene Fransche vrouw, uit een adelijk geslacht gesproten, ten huwelijk genomen. [49]

Toen van Sommelsdijk alzoo als Gouverneur naar Suriname vertrok, waarvan hij tevens voor 1/3 medeëigenaar was, gingen verscheidene honderde Fransche uitgewekenen mede. Onder hen waren vele ambachtslieden, zoo als metselaars, smeden, timmerlieden en verscheidene landbouwers, aan welke laatsten door van Sommelsdijk, bij hunne aankomst in Suriname, gronden werden uitgedeeld. In 1686 kwamen nieuwe uitgewekenen aan, en werden eenige jaren later door anderen gevolgd. Verscheidene onder hen werden vermogend; koophandel en nijverheid, maar vooral landbouw werden door hen belangrijk uitgebreid. Vele Fransche namen van plantaadjes herinneren nog aan vroegere bezitters. Belangrijke regeringsposten werden later door sommigen hunner met getrouwheid en ijver vervuld, en Jean Coutier, die van 5 Maart 1718 tot 2 September 1721 gouverneur was, zoo mede Mr. Karel Emelius Henry de Cheusses, die van 9 November 1728 tot 26 Januarij 1734 dit ambt bekleedde, en daarna door zijn broeder, Jacob Alexander Henry de Cheusses werd opgevolgd, waren afstammelingen dier Refugiés. Wigbold Crommelin, die in 1748 commandeur en van 1757 tot 1768 gouverneur-generaal was, werd te Haarlem geboren, doch zijne voorouders waren Fransche uitgewekenen, enz. enz. enz.

Spoedig werd in de stad Paramaribo eene Waalsche kerk gebouwd, en de uitgewekene predikant Dalbas gekozen, om deze ontluikende gemeente te besturen.

Dalbas, Fauvarque en andere Waalsche predikanten, hebben ook pogingen aangewend ter uitbreiding van het Christendom onder de Indianen. Pierre Saurin verliet zijne rustige standplaats te 's Hertogenbosch, om zich geheel aan de bekeering der Indianen te wijden. [50]

De Synode der Waalsche kerken in Nederland stond in het jaar 1700 eene somme gelds toe, tot ondersteuning van de werkzaamheden dier zending in de bosschen van Guiana.

Van den uitslag dezer pogingen is weinig bekend; dan hoedanig die ook geweest zij, de eeuwigheid zal het openbaren. Intusschen moet het ons Nederlanders tot beschaming verstrekken, dat slechts door vreemdelingen belang gesteld is geworden in het waarachtig heil dier heidenen, in eene Nederlandsche kolonie; eerst door de uitgewekene Franschen, later door de Duitsche broedergemeente.

Behalve deze uitgewekenen kwamen ook weldra verscheidene Labadisten zich in Suriname vestigen. De secte der Labadisten had na onderscheidene lotwisselingen, sedert 1675 te Wieuwerd in Friesland, op het kasteel Thetinge, eenige rust gevonden. Genoemd kasteel was het eigendom van van Sommelsdijk. Deze was de Labadisten genegen en sloot alras eene overeenkomst, waarbij hij genoemd kasteel en andere bezittingen in Friesland aan zijne drie ongehuwde zusters voor haar erfdeel afstond. Daar deze zijne zusters tot de gemeente der Labadisten behoorden, zoo werd krachtens de gemeenschap van goederen, die bij hen was ingevoerd, dit kasteel eene tijdelijke bezitting der Labadisten. Toen zij nu het aanstaande vertrek van van Sommelsdijk, wiens drie zusters tot hunne voornaamste huisgenooten behoorden, vernamen, begrepen zij van deze gelegenheid partij te kunnen trekken, om elders hunne kerk uit te breiden.

Daar in dat verre, maar tevens zoo rijk door de natuur gezegend land, vermeenden zij, behoefden zij zich slechts te vestigen om, niet slechts het brood des bescheiden deels, maar een volkomen overvloed te vinden; daar zouden zij ongehinderd hunne kinderen kunnen onderwijzen en opvoeden voor den Heer; daar zouden zij de blijde boodschap des heils in Christus den blinden Heidenen kunnen verkondigen.

Met het schip, dat van Sommelsdijk naar Suriname zou overbrengen, gingen eenige afgevaardigden mede, om het terrein te verkennen.

Bij de terugkomst dezer afgevaardigden stemde hun getuigenis geenszins overeen. De een prees alles en beloofde zich gouden bergen, de andere had van niets anders dan van ellende en van gevaren te spreken.

De eersten werden geloofd.--Van Sommelsdijk drong mede op hunne overkomst aan. Weldra vertrok dan ook een goed getal naar Suriname; zekere Robijn was de aanvoerder der kleine schare; Hesener vergezelde als herder en leeraar de dochtergemeente van Wieuwerd.

De overtogt ging voorspoedig, en van Sommelsdijk bood hen bij hunne aankomst in alles de behulpzame hand. Hij raadde hen aan zich niet te ver van Paramaribo te verwijderen, opdat hij ze des te beter zou kunnen beschermen. Van Sommelsdijk had gaarne gezien, dat Hesener nu en dan preekte in de Gereformeerde kerk, doch dit werd afgeslagen. Hij was voornemens, de pas aangekomen nieuwe slaven op hunne plantaadjes te doen arbeiden, totdat zij verkocht zouden zijn aan andere meesters. Maar zijne raadgevingen en aanbiedingen baatten niet. De Labadisten verkozen, als te Wieuwerd, geheel afgezonderd te wonen. Men trok de rivier op. Dat kostelijke groen, die heerlijke plantengroei bragt allen in verrukking, en op meer dan tien uren afstands van Paramaribo, ver verwijderd van de wereld, legden zij hunne plantaadje aan, die zij »la Providence" noemden.

Alles ging naar wensch; de verwachtingen die zij koesterden werden dagelijks grooter, en te Wieuwerd ontving men de heerlijkste tijdingen van de dochtergemeente.

Terwijl men zich te Wieuwerd gereed maakte eene tweede bezending derwaarts uit te rusten, begon men op »la Providence" alles in te rigten, gelijk men dit noodig oordeelde en naar het voorbeeld der gemeente in Wieuwerd. Maar tot den veldarbeid kon men moeijelijk slaven ontberen, en hoewel dit den broeders tegen de borst stuitte, schikten zij zich naar de omstandigheden. Ter hunner eere moet gezegd worden, dat zij in den beginne alle moeite deden om den armen slaven hun juk aangenamer te maken; men deed hen wel, en behandelde hen met zachtheid en als broeders; maar toen de nieuwe volkplanters hiervan niet dadelijk goede vruchten zagen, raakte hun geduld schielijk ten einde en voerden zij eene gestrenge harde tucht in. Hoe weinig bedenkt de mensch, dat God langmoedig is, en dat Zijne goedertierenheid tot bekeering leidt, en hoe weinig betoont hij lust Hem hierin na te volgen. Indien de mensch in zijne goede bedoelingen tegenstand ondervindt bij hen, wier geluk hij wenscht te bevorderen, hoe spoedig verlaat hij dan den goeden weg en--ten minste zoo deden de Labadisten, en later wordt van hen ook op andere plaatsen in Amerika aan den Hudsonrivier, waar zij zich vestigden, getuigd, dat zij hunne slaven wreedelijk mishandelden en door hunnen slavenhandel, die toch zoo zeer tegen hunne leeringen aandruischte, velen tot ergenis waren.

Hunne pogingen ter bekeering der Heidenen hadden mede niet den gewenschten invloed, en spoedig zagen zij hiervan af.--Hoezeer verschilde hunne handelwijze in deze met die der Moravische broedergemeente, die op hope tegen hope voortging, en wier arbeid dan ook door den Heer zoo heerlijk gezegend werd.

Weldra ondervonden de Labadisten ook, dat zij dwaas hadden gedaan met den goeden raad van van Sommelsdijk, om zich in de nabijheid van Paramaribo te vestigen, in den wind te slaan. Zij lagen daar zoo ver verwijderd van de andere plantaadjes, bloot aan de invallen der Indianen en weggeloopen slaven, waarbij zich vele deserteurs voegden, die de militaire tucht ontvloden waren. Men moest alzoo dag en nacht op zijne hoede zijn; hierbij kwam de landziekte, die velen eenen vreesselijken dood bereidde; het gemis van de spijs, de gemakken, de rust en het klimaat van het geliefde vaderland deden zich spoedig gevoelen; inwendige verdeeldheden wachtten hen en toen de nieuwe bezending [51] uit Wieuwerd aankwam, vond deze, in plaats van een Eden, zoo als men zich voorgesteld had, een hospitaal en eene plaats, waar de liefde geweken en de tucht verslapt was. Sommigen keerden naar Friesland terug, anderen gingen naar een ander gedeelte van Amerika aan de Hudsonrivier; nog eenigen tijd rekte de stichting der Labadisten in Suriname haar kwijnend bestaan, lang duurde dit echter niet; eenige overgeblevenen vermengden zich onder de andere opgezetenen, maar de stichting of nederzetting als zoodanig ging te niet [52].

Waarschijnlijk zou het met »la Providence" niet zoo treurig zijn afgeloopen, indien men niet zoozeer door onkunde en eigenwijsheid verblind, meer gehoor had gegeven aan den waarlijk goeden raad van van Sommelsdijk, en daar er waarlijk vrome menschen onder hen werden gevonden, zouden zij, zoo zij hun beginsel van strenge afsluiting niet zoo bepaald gehandhaafd hadden, welligt tot eenen zegen voor de kolonie hebben kunnen verstrekken. In allen gevalle aan van Sommelsdijk is die mislukking niet te wijten, en behoort zij volgens ons oordeel, onder die welgemeende pogingen genoemd te worden, welke door hem ter bevordering van den bloei en welvaart van Suriname ondernomen zijn. Men beoordeele niet steeds de daden naar hunne uitkomsten, men zou alsdan meermalen een zeer onbillijk oordeel vellen.

Eene andere loffelijke poging van van Sommelsdijk ter verbetering van den toestand was die, waarbij hij trachtte om eene verandering onder den militairen stand te maken, die, gelijk een oud geschiedschrijver zegt, [53] »grootendeels in alle spoorloosheden versoopen lagen; dus," vervolgt dezelfde schrijver, »fnuikte hij alom de overdaad en inzonderheid in het gebruik van onmatige spijs en drank, als de baarmoeder van ongeregelde wellusten zijnde, en speende hen met een matig, doch tevens voldoend onderhoud, en bij dit zocht hij hen door eene gedurige bezigheid van alle ongebondenheid af te trekken." De soldaten, vroeger door hun losbandig gedrag eene plaag voor de inwoners, werden door van Sommelsdijk gebezigd tot het verrigten van zwaar werk, waaronder het uitdelven der Sommelsdijksche kreek, en het aanleggen en opwerpen van de twee forten tegen de invallen der Indianen, vroeger reeds beschreven, als het voornaamste is aangeteekend [54].

Uit het hier medegedeelde blijkt genoegzaam, dat de heer van Sommelsdijk met kracht en ernst de hand aan het werk sloeg, om niet slechts den verwarden toestand te verbeteren, maar tevens den bloei der kolonie te bevorderen.

Rust en vertrouwen keerden weder. De kolonisten, door verscheidene nieuw aangekomenen versterkt en nu, na den gesloten vrede, niet langer door de gedurige invallen der Indianen verontrust, begonnen hunne plantaadjes aan beide zijden der rivier uit te breiden--van 50 plantaadjes werd dit gedurende zijn bestuur tot 200.

Voornamelijk kwamen de Joden weldra tot eene groote welvaart. De heer Samuel Nassy schonk in 1682 aan de Portugeesch Joodsche natie eene uitgestrektheid gronds, of Savanne, later de Joden-Savanne genaamd. In 1691 voegde Nassy hier nog 25 akkers van het nabijgelegen land bij, dat nog, in hetzelfde jaar, onder het bestuur van den opvolger van van Sommelsdijk, gouverneur Scharphuijs, door eene gift van 100 akkers, uit naam der eigenaars in Holland vergroot is [55].

Deze Savanne, welke haren naam ontleende aan de uitgestrekte weilanden, die dezelve omringden, lag 8 à 10 mijlen van Paramaribo, aan de boven Suriname, op eene hoogte, die zich 30 à 36 voeten boven het waterpas verhief, hebbende aan de beide zijden eene diepe vallei, die aan de Savanne de volkomene gedaante eener landengte gaf. Deze plaats, bestemd om als het ware, een vereenigingspunt der Portugeesch Joodsche natie te worden, werd volgens een geregeld plan met huizen bebouwd; de ruimte, die men daarvoor aanwendde, was een langwerpig vierkant van 450 voet lang en 300 breed, en was met vier dwarsstraten doorsneden.

De huizen, op de hoeken van dit vierkant gebouwd, waren groot en gemakkelijk; de andere eenvoudig, enkele echter fraai te noemen.

Die huizen, welke van achteren uitzagen op de vallei en op den oever der rivier, hadden ieder een klein tuintje op de helling der hoogten, welke tuintjes beplant waren met laag geboomte en moeskruiden, en welke, wanneer men de rivier opvoer en de Savanne naderde, een alleraangenaamst gezigt opleverden.

Het grootste sieraad van het vlek echter was de Synagoge, die daarop in 1685 van tigchelsteen gebouwd werd. Zij was 90 voeten lang, 40 breed en 33 hoog, en werd ondersteund door vier groote houten pilaren, waarboven een fraai gewerkt gewelf was ter bekleeding van het dak des gebouws.

Aan de eene zijde had men het vertrek der vrouwen omhoog, en regt daartegenover dat der mannen, alwaar men eene groote kast van cederhout vond, waarin de rollen der wet werden bewaard; deze was van zeer schoon maaksel en versierd met goed uitgevoerd beeldhouwwerk. Deze Synagoge pronkte daarenboven met zilveren kroonen, waarmede de rollen der wet, bij plegtige gelegenheden versierd werden, en andere versieringen van hetzelfde metaal, groote kaarskroonen van geel koper met verscheidene armen en verschillende soorten van kandelaars, waaronder zich zeer kostbare bevonden.

Onder de Synagoge, of liever onder het vertrek der vrouwen, had men de regentenkamer, en die waarin het archief bewaard werd; (tevens hield hier hunne bijzondere regtbank zitting).

Alles was zoo goed gebouwd, en het geheel had zoo iets deftigs, dat die Synagoge de bewondering trok van allen, die haar voor de eerste maal zagen.

De Savanne bereikte spoedig een grooten bloei; zij werd, gelijk men bedoeld had, het vereenigingspunt, het centrum der Joodsche gemeente; weldra wies het aantal huizen tot 70 à 80 aan.--Ieder huisgezin, dat zich daar nederzettede, kreeg 4 à 5 slaven, benevens de noodige levensmiddelen voor niet van de Joodsche eigenaars der plantaadjes in de nabijheid. De inwoners hielden zich inzonderheid bezig met het vervaardigen van planken en timmerhout, waarbij zij hun bestaan vonden.