Part 58
Aldaar aangekomen heeft hij per memorie aan Z. M. de onbillijkheid van zijn ontslag betoogd. Is Zijner Majesteits regering wel niet op den genomen maatregel terug gekomen, zij heeft echter meermalen bewezen, door het benoemen van van Raders in belangrijke commissiën, dat zijne verdiensten door haar op prijs worden gesteld. Tot het ambteloos leven teruggekeerd geniet de Baron van Raders de achting van allen die hem kennen; ook van hen, die, in sommige opzigten, met hem in beginsel verschillen. Steeds blijft hij belang stellen in den bloei en de welvaart eener kolonie, die een tijdlang aan zijne zorg was toevertrouwd en levert daarvan de onloochenbaarste bewijzen.
De Gouverneur ad interim, de Kanter overleed den 14den Junij 1852, waarop het oudste lid van den Kolonialen Raad C. Barends het tijdelijk bestuur op zich nam [1320].
Vier dagen later arriveerde per schip Cortgene, de nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt auf Altenstadt, in de kolonie, welke den 22sten Junij 1852 het bewind aanvaardde [1321].
Overeenkomstig de aangenomene mildere begrippen, omtrent handel en zeevaart, werden zoo als reeds in 1849 (zie bladz. 722) met eenige, thans met vele bevriende natiën tractaten gesloten, waarbij die beginsels gehuldigd werden; [1322] de kustvaart werd aangemoedigd door vermindering van baak-, los- en steigergeld [1323]; de openbare verkoop te Paramaribo der voortbrengselen van plantaadjes en gronden werd gemakkelijker gemaakt door het afschaffen van verscheidene lastige formaliteiten [1324]; de briefwisseling werd nader geregeld en door verlaging van het port bevorderd [1325].
De verandering in het Nederlandsch muntstelsel, waarbij de gouden standaard werd opgeheven en de zilveren aangenomen, werd ook voor West-Indië verbindend gemaakt; terwijl evenwel, om de geldcirculatie te bevorderen, sommige vreemde zilveren munten tegen vastgestelden koers, als wettig betaalmiddel ook bij betalingen in 's lands kassen konden worden gebezigd [1326].
In Nederland was door openlijke behandeling der zaken de toestand van Suriname meer bekend geworden en meer belangstelling in het lot der slaven opgewekt. In de vergaderingen der volksvertegenwoordiging werd meermalen op welsprekende wijze aangetoond dat hierin verandering en verbetering moest komen en meer en meer won de overtuiging veld, dat alleen afschaffing der slavernij werkelijk de gewenschte verbetering kon daarstellen; de Nederlandsche regering erkende mede, dat de slavernij tegen godsdienst en menschelijkheid streedt, en dat hare afschaffing een eisch des tijds en tevens in het belang der kolonie was.
De nieuwe reglementen op de behandeling der slaven waren in velerlei opzigten onvoldoende; treffend werden de leemten er van aangetoond in het bekende werk van van Hoëvell »slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet." In dat werk werd een getrouw tafereel geleverd van het leven en lijden der slaven in Suriname; andere geschriften gingen vooraf of volgden; openbare voordragten werden over deze zaak gehouden; de sluijer die zooveel ellende voor het oog der Nederlanders verborg, werd verscheurd, en toch nog gelukte het der reactionaire partij voor een wijle de afdoening dezer groote schuld te vertragen; en de opgewekte belangstelling bij velen in Nederland te doen verminderen.
Werden de nieuwe slavenreglementen met reden in Nederland als onvoldoende geacht, in Suriname daarentegen werden zij door hen, die tot het oud regime behoorden met onwil ontvangen en niet naar behooren nageleefd. Elke latere wijziging in gemelden zin baarde ontevredenheid bij de mannen der reactie; dus ook die welke in Februarij en September 1854 werden gepubliceerd, en waarbij nadere verordeningen omtrent verstrekking van kleeding en voedsel enz. werden vastgesteld [1327].
De overtreding van het verbod omtrent het sloopen van plantaadjes en het vervoeren van slavenmagten naar elders, anders dan na verkregene toestemming van den Gouverneur werd met straf bedreigd [1328]; de premien vroeger gesteld [1329] op den invoer van slaven van de West-Indische eilanden naar Suriname werden ingetrokken, de uitvoer niet langer belast [1330] en alzoo ten minste de handel in slaven niet langer aangemoedigd; omtrent het vervoeren van enkele slaven van de eene naar de andere plantaadje werden ook regelen gesteld en de verpligting opgelegd hiervan vooraf kennis te geven [1331].
Er werden alzoo wel van tijd tot tijd mildere bepalingen omtrent de behandeling der slaven gemaakt, en ook in de kolonie openbaarde zich bij velen een loffelijke zucht om het beheer over slaven meer overeenkomstig de eischen van menschelijkheid te voeren; doch behalve dat het geheele stelsel der slavernij afschuwelijk is en noodzakelijk tot onregtvaardigheid leidt, waren er ook droevige uitzonderingen en vonden ook nu nog slechte behandeling ja mishandelingen van slaven plaats, die de menschheid onteerden.
De landelijke policie, die aan Heemraden en onder dezen aan Burgerofficieren was opgedragen, liet veel te wenschen over, ten opzigte van de bescherming der slaven tegen willekeurige behandeling van de zijde hunner meesters. Niet--zoo als Elias gewenscht had,--aan onzijdige ambtenaren, maar aan Administrateuren en Directeuren was de handhaving der reglementen, de bescherming der slaven opgedragen, en dat deze heeren niet te streng jegens hunne gelijken zouden zijn, kon men reeds à priori voorzien, en leerde verder de ondervinding.
Schmidt auf Altenstadt bezat noch de geestkracht van Elias noch den ijver van van Raders. Zijn ziekelijk ligchaamsgestel belemmerde hem in vele opzigten en eene magtige partij maakte gebruik om invloed te verkrijgen en de zaken naar haar inzigt te bestieren. Hij wilde bezuinigingen invoeren, doch ging hierbij menigmaal op onverstandige wijze te werk, zoo dat besnoeid en bezuinigd werd, waardoor menigeen te kort werd gedaan, terwijl hij een verrotten boel naliet, waarvan de herstellingen het drie dubbele zijner zoogenaamde besparingen heeft gekost.
Den 28sten November 1852 vierde de Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid haar 25-jarig bestaan, in het Kerkgebouw der Hervormde Gemeente.
In eene sierlijke rede werd door den heer J. C. Muller, Az, de geschiedenis der Maatschappij medegedeeld, en haar tegenwoordige toestand geschetst. Orgelspel en feestliederen verhoogden de feestvreugde; een groot getal van belangstellenden en nieuwsgierigen waren opgekomen tot bijwoning van dit feest en vele blijken van belangstelling werden gegeven. En zij verdiende die, want zoowel uit de feestrede, als uit het overzigt van de werkzaamheden, de bemoeijingen en het wedervaren der maatschappij door den Secretaris uitgebragt, blijkt dat haren werkkring hoogst belangrijk was. Zij ondersteunde behoeftigen door hun, bij ziekte genees- en heelkundige hulp te verleenen, doch ze dan verder tot werkzaamheid op te wekken en door het verstrekken van gereedschap enz. in staat te stellen, met eere hun brood te verdienen, en slechts bij uitersten nood meer bepaald te bedeelen. Hare zorg, om de kinderen dier behoeftigen behoorlijk schoolonderwijs te verschaffen, was vooral een uitnemend middel der Maatschappij tot welzijn der arme bevolking, terwijl zij zich ook nog later die kinderen aantrok, door hen, zooveel dit mogelijk ware, in zoodanig ambacht of zoodanige werkzaamheid te doen opleiden, als waartoe zich hunne keuze bepaalden en zij de geschiktheid bezaten. Eene opgerigte spaarbank ging de verspilzucht tegen en werkte zeer gunstig. Het oprigten van een weduwen- en weezenfonds, had om de beperkte middelen achterwege moeten blijven. In 1855 heeft zij ook gepoogd door het uitgeven van een tijdschrift nuttig te zijn. Ons is echter niet gebleken, dat hiervan meer dan een jaargang is verschenen.
De maatschappij had met veel tegenwerking te kampen gehad, doch aan de andere zijde had zij deelname bij velen en ondersteuning van het koloniaal Gouvernement ondervonden. Eenmaal zelfs was haar eene gift van f 100.-- uit naam van Koningin Victoria uit Groot-Brittanje toegezonden. Ruim 71 duizend gulden was door de maatschappij ontvangen en ten nutte der behoeftige bevolking besteed geworden. En nog steeds breidde zich haar werkkring uit en ging zij voort ten nutte der behoeftigen in Suriname te arbeiden.
Werkte deze maatschappij op philantropisch gebied en kan zij op gunstige uitkomsten wijzen, ook de maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname, die den 4den Julij 1854 haar 25-jarig bestaan vierde, had met zegen gearbeid. Zij was in staat geweest, om den zendingsarbeid der Broedergemeente met de belangrijke som van f 101,828.74 te ondersteunen. Het grootste deel dier geldsom f 80,630 was echter door het moederland bijgedragen; het overige was gedeeltelijk uit contributiën der leden in Suriname en verder uit interessen en vooral ook door subsidiën van het koloniaal Gouvernement bijeengebragt. Het Gouvernement had meermalen van zijne belangstelling bewijs gegeven; maar het getal leden in Suriname was niet zeer aanzienlijk, en bedroeg in 1854 slechts 62.
De Broedergemeente had de aangeboden hulp ten nutte gemaakt en een personeel van 28 broeders en 24 zusters werkten thans met onbezweken trouw op dezen akker; reeds een getal van 163 plantaadjes, kon in zekeren zin als onder hunne leiding staande, worden aangemerkt, 19,419 negers en kleurlingen, als onderwijs genietende beschouwd [1332]. Groote dingen heeft de Heer met kleine krachten gedaan. Zijne kracht wordt steeds in zwakheid volbragt.
De kolonisatie te Groningen aan de Saramacca, ging meer en meer achteruit. Van 1849 tot 1853 verlieten de kolonisten achtereenvolgens het genoemd etablissement. Voor de laatste vijf gezinnen die nog te Groningen waren gebleven, werden in 1853 vijf woningen gebouwd aan den gemeenen landsweg bij Paramaribo. Ook aan hen zijn door Schmidt auf Altenstadt koeijen ter leen gegeven en een voorschot van leeftogt tot December 1853, tot een gezamenlijk bedrag van p. m. f 4000, dus p. m. f 800 voor ieder gezin. In 1854 konden zij reeds in hunne eigene behoeften voorzien, en zij gingen vooruit, daar hun aantal vee, dat bij hunne vestiging 18 stuks bedroeg, in 1855 reeds tot 43 stuks rundvee en 2 ezels was toegenomen. De vijf huisgezinnen, die onder van Raders zich bij Paramaribo hadden gevestigd, bezaten nu reeds 79 stuks hoornvee en twee ezels, en hadden reden om te vreden te zijn. Ook anderen vestigden zich aldaar en hun welvaart nam toe, en dit noopte ook anderen, die nog regts en links omzwierven, zich in de nabijheid der stad neder te zetten [1333].
Dat het climaat van Suriname den Europeschen landbouwer niet belet om, bij behoorlijken levensregel den landbouw te drijven heeft de ondervinding geleerd; terwijl slechts verkeerd genomen voorbereidings-maatregelen, slecht gekozen plaats der vestiging en verkeerd bestuur als de voorname oorzaken van de mislukking der kolonisatie aan de Saramacca moeten worden beschouwd.
In een ander gedeelte der kolonie, namelijk aan de Marowijne, werd door een ondernemend man, zekeren Kappler, eene proef ter kolonisatie genomen.
Aan de Marowijne bestond vroeger de militaire post Armina, en niet ver vandaar, een piket van eenige manschappen, onder het commando van een korporaal, op eene plaats aan den linker Marowijne oever, post Frederik Willem Hendrik geheten. In 1839 werd een jonge Duitscher, August Kappler, commandant van dit piket. Door eene aaneenschakeling van zeer interessante gebeurtenissen en omstandigheden, welke hij ten deele in een werkje [1334] heeft bekend gemaakt, en waarbij hij eene volharding en een geduld aan den dag legde, welke inderdaad bewonderingswaardig zijn, werd deze eenvoudige man de grondlegger van eene Europesche volkplanting, die werkelijk goede vruchten beloofde.
Kappler die later door het koloniaal Gouvernement tot Assistent-posthouder bij de Aucaner Boschnegers werd aangesteld, voor welke betrekking hij f 700.-- ontving, had in die streek 10 akkers land geheel van bosch laten bevrijden. Vroeger bevond zich aldaar een Indiaansch dorp. Nadat dit door deszelfs bewoners was verlaten geworden, nam Kappler daarvan bezit en dreef jaren lang op deze plaats handel met de Boschnegers en Indianen, terwijl hij met gehuurde negers, een kleinen hoek grond tot verkrijging van voedsel bearbeidde.
Door den Wurtembergsche consul te Amsterdam kwam hij in aanraking met het handelshuis Kreglinger en Comp. in genoemde stad, van welk huis hij voortaan zijne waren ontving en met welks chef hij in vertrouwde briefwissel kwam.
De mogelijkheid van een uitgebreider houthandel met de Boschnegers aan de Marowijne werd in Suriname ingezien, en ten gevolge daarvan vestigde zich een jaar na de nederzetting van Kappler, een half uur hooger op, zekere Montecattini. Deze man, een Corsikaan van geboorte, vroeger Directeur eener plantaadje, was reeds sedert lang met de Boschnegers bekend, die voor hem, uithoofde der vele boschpatrouilles, die hij meest met een gelukkig gevolg als burger-officier gemaakt had, [1335] en waarvoor hij van eenige Hollandsche handelshuizen een eeredegen had ontvangen, veel eerbied bezaten. Hij was daarenboven eenigen tijd fungerend posthouder in de Cottica geweest en had zich als zoodanig in zulk eene hooge mate het vertrouwen der boschnegers weten te verwerven, dat het groot-opperhoofd hem tot zijnen specialen vriend koos en beiden tot bevestiging van hunne vriendschap wederkeerig elkanders bloed dronken.
Geheel anders was het met Kappler gesteld, die toen ten tijde nog geen assistent-posthouder was. Hij wist zich in het geheel niet op zulk een voet met de Boschnegers te stellen, dat hij voordeel daaruit trekken kon; hem kenden de Boschnegers van vroeger slechts als "Coprali" (korporaal), wat in hunne oogen niet veel te beteekenen had. Hier zagen zij hem zijnen akker zelf bebouwen, zijn hout splijten en zijn eten zelf koken. Dit gaf hem geheel het aanzien van een »Potti-bakkera" (arme blanke), waarvoor zij weinig eerbied hadden.
Montecattini had buitendien nog het groote voordeel, dat hij, zoo al niet zeer--echter toch meer--bemiddeld was dan Kappler, die niet had, dan hetgeen hij zelf verdiende, en daarvan nog oude schulden in Paramaribo afbetalen moest.
Terwijl dus Montecattini schepen naar de Antilles, met het van de Boschnegers gekochte hout, konde bevrachten, bepaalden Kapplers ondernemingen zich daartoe, dat hij van tijd tot tijd met het grootste levensgevaar eenige blokken cederhout, aan een corjaaltje gebonden, over zee naar Paramaribo of dwars over de Marowijne naar Mana in Fransch Guijana ter verkoop bragt.
Zoo ging het eenige jaren, totdat bij Kappler het plan ontstond om Europesche, voornamelijk Wurtembergsche, houtwerkers naar Suriname te laten overkomen. Daar hem hiertoe echter de middelen ontbraken, deelde hij zijn plan aan den heer Kreglinger mede, die zich niet ongenegen betoonde hem hierin behulpzaam te zijn.
Kappler ging in 1852 naar Europa, sloot een contract met Kreglinger en Co., reisde vervolgens naar Wurtemberg en engageerde aldaar voor de onderneming 19 personen, waaronder 8 mannen en vijf vrouwen, terwijl eene overeenkomst werd getroffen tot een tweede transport voor het volgende jaar, waarvan de zorg aan een jongen houtvester, Bühler, werd opgedragen, die hiermede als assistent van Kappler naar Suriname zou vertrekken.
In de maand Julij 1853 kwam Kappler, die in Wurtemberg gehuwd was, met 19 personen te Albina (naar zijne vrouw aldus genoemd) aan.
De voorbereidingsmaatregelen tot ontvangst der kolonisten, aan zekeren Stein, een vroegeren Directeur, opgedragen, waren nog niet geheel voltooid. Men ging echter met moed woningen bouwen, kostgrond aanleggen, en het schip, dat de Immigranten overvoerde, werd beladen met een voorraad hout, deels door Kappler reeds vroeger van de Boschnegers, deels door Stein gedurende zijne afwezigheid aangekocht.
Alles ging aanvankelijk goed; de arbeiders werkten met ijver en hunne gezondheid was voldoende; doch weldra ontstonden er moeijelijkheden tusschen Kappler en zijne Wurtembergers. Het door hem met de werklieden aangegaan contract, om hun f 1.-- per dag, vrije huisvesting, vrije kost en vrije geneeskundige behandeling te verstrekken, kon niet altijd behoorlijk worden nageleefd. De Wurtembergers klaagden somwijlen onbillijk en Kappler, die een driftig, opvliegend gestel bezat, was niet de man om zulke klagten met bedaardheid aan te hooren.
Schmidt auf Altenstadt bezocht in November 1853 het etablissement en zocht zoowel door zijne tegenwoordigheid als door zijne toespraak en die van den heer Wullshläger, voorstander der Moravische Broedergemeente, de overeenstemming tusschen Kappler en de werklieden te herstellen, waarin hij tamelijk wel slaagde.
Den 23sten April 1854 kwam het tweede transport, uit 19 personen (10 mannen, 4 vrouwen en 5 kinderen) bestaande, onder geleide van Bühler. Nu rezen spoedig nieuwe onaangenaamheden, voornamelijk tusschen Kappler en Bühler, welke laatste een wetenschappelijk gevormd man, maar vol roode socialistische denkbeelden was.
Door tusschenkomst van den Gouverneur werden de verschillen tusschen Kappler en de arbeiders bijgelegd. Bühler werd door den Procureur-Generaal in de stad ontboden en ontving bevel het land te verlaten, doch hij stierf nog vóór zijn vertrek aan de gele koorts, die toenmaals te Paramaribo heerschte.
De gezondheidstoestand bleef voldoende en de geschiktheid tot den arbeid bij de werklieden was bevredigend. Veel was er reeds gedaan, doch het eigenlijk doel, om, met behulp der werklieden, een geregelden houthandel te drijven, werd niet zoo volledig bereikt als Kreglinger en Co. zich hadden voorgesteld. Kreglinger had uitgegeven f 30,000; Kappler had f 7000 bijgedragen en in April 1855 was voor f 21,000 aan hout verzonden. Mislukt kon alzoo deze proeve niet worden genoemd. Kreglinger werd echter ongenegen meer geld in de zaak te steken en de gedurige twisten tusschen Kappler en de werklieden belemmerden den voortgang. Kappler zag ook spoedig in, dat de tegenwoordige onderneming niet aan de verwachting die men daarvan koesterde, zou beantwoorden, daar zij te kostbaar was;--slechts als landbouw drijvende kolonie kon zij den ondernemers de gewenschte winst opleveren. Kappler drong hierop bij Kreglinger aan, doch diens associé was tegen iedere uitbreiding der zaak; men vroeg de hulp van het gouvernement, doch dit sloeg alle geldelijke ondersteuning af. Deze onderneming verloor alzoo hare belangrijkheid.--Op Montecattini's oord waren in 1854 14 Europeanen werkzaam, die allen gezond bleven en aan de verwachting beantwoordden.
Eene Duitsche commissie van vier leden, Prof. P. Duterhofen, J. Schunk, C. F. Noak en Dr. T. Voltz, gingen in 1853 naar Suriname, om aldaar na te gaan en vervolgens het Nederlandsche Gouvernement voor te lichten, in hoeverre dat land voor eene kolonisatie met Duitschers geschikt zou zijn, en welk gedeelte der kolonie zou kunnen worden aangewezen, om, met hoop op een goeden uitslag, eene dergelijke onderneming tot stand te brengen.
Twee harer leden keerden in 1854 naar Europa terug; van de beide overgeblevenen overleed Dr. Voltz in 1855 te Paramaribo en J. Schunck nam in 1855 de terugreis aan. Over het plan werd met de regering onderhandeld, wederzijds voorstellen gedaan, doch de zaak kwam niet tot stand.
Ofschoon door die Commissie geen eigenlijk gezegd verslag is ingezonden, waren echter eenige aanteekeningen, door Dr. Voltz en Prof. Dutterhofer gemaakt, bij het koloniaal archief berustende. Hiervan is door het Indisch Genootschap, na verkregen toestemming van den Minister Rochussen, eene vertaling gemaakt en deze, met belangrijke uitbreidingen, geplaatst in het tijdschrift van genoemd Genootschap, en aan dit zeer belangrijk opstel zijn de voornaamste bijzonderheden omtrent de door Kappler beproefde kolonisatie ontleend [1336].
Schmidt auf Altenstadt, gedrukt door een ziekelijk en melancholisch gestel, verlangde naar rust en vroeg om ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname. Hij erlangde dat ontslag eervol en droeg het bestuur der kolonie, den 23sten Augustus 1855, over aan den Generaal-Majoor Titulair Charles Pierre Schimpf, die, door Z. M. tot Gouverneur van Suriname benoemd, het bewind dien dag aanvaardde [1337].
Ten gevolge van het in 1848 voor Suriname aangenomen stelsel van vrijheid van handel werden achtereenvolgens Consuls of Consulaire agenten van bevriende natiën in Suriname aangesteld, en hieromtrent tractaten gesloten. Met Belgie was hiertoe het eerst eene overeenkomst aangegaan [1338]; Frankrijk en Amerika volgden nog in hetzelfde jaar, en later werden verscheidene tractaten omtrent deze aangelegenheid ook met andere natiën gesloten. [1339]