Geschiedenis van Suriname

Part 57

Chapter 573,599 wordsPublic domain

2o. Goede zorg voor de huisvesting der slaven; en naauwkeurig toezigt, dat hunne woningen van behoorlijke waterloozing voorzien en rondom rein en open gehouden worden.

3o. Toereikende voedingsmiddelen van betere qualiteit dan de slaven tot dus ver bekwamen.

4o. Ruimere uitdeeling van kleeding.

5o. Beperking van den duur van verpligten arbeid tot hoogstens 9 uren per etmaal, met bepaling, dat de zondag hun nimmer ontnomen, maar tot hunne Godsdienstige opleiding bestemd wierde.

6o. Betere geneeskundige behandeling der zieken; betere verzorging der zwangere vrouwen en kinderen.--De behandeling der slaven liet veel te wenschen over en Rijk beklaagde zich, dat hoewel hij die verbeteringen reeds bij zijn vertrek uit de kolonie (1842) had aanbevolen, sedert dien tijd nog niets gedaan was. Daarop had in Augustus 1848 eene zamenkomst van de te Paramaribo wonende eigenaren en administrateuren plaats. Men nam aan, de voorgestelde verbeteringen in te voeren en trapsgewijze uit te breiden; men prees des Ministers »wijze en menschkundige bedoelingen;" men hield nog eenige vergaderingen, benoemde eene commissie--en toen bleef alles bij het oude.

Inmenging van particulieren in de behandeling der slaven, werd te Suriname als daad van Majesteitsschennis (de meesters waren immers souvereins over hunne slaven) beschouwd. Groot dan ook was de verontwaardiging der slaveneigenaren en administrateuren, toen de Hoofdvoorstander van de zending der Evangelische broedergemeente in de kolonie Suriname, Otto Tank, bij zijn verblijf in Nederland, in eene circulaire aan de eigenaars en administrateuren in Nederland, eerlijk en openhartig den toestand in Suriname blootlag. Terwijl hij in die circulaire aandrong tot het verleenen van meerdere vrijheid aan de zendelingen, om de slaven het Evangelie te verkondigen, en van hen verzocht zooveel mogelijk de belemmeringen daartegen weg te nemen, waagde hij het eene vergelijking te maken tusschen de Engelsche koloniën en Suriname. »De toestand der Engelsche koloniën in West-Indië", zoo schreef hij o. a. »is volgens de getuigenissen der hooge Overheid, op de plaats zelve ingewonnen, over het geheel genomen gunstig; maatschappelijk geluk en welvaren in verbond met zedelijkheid en kunstvlijt, nemen overal toe in uitgebreidheid en kracht. Dit is mijne eigene ondervinding, en ik zou meenen laakbaar te handelen, Mijne Heeren! wanneer ik mijne overtuiging voor u, gelijk het voor vrije Nederlanders betaamt, niet eerlijk en rondborstig deed kennen. Daarom wil ik ook dit niet terughouden. Terwijl ik Suriname reeds kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden in West-Indië en Noord-Amerika bezocht en naauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst, dat ik de slaven nergens aan die slechte behandeling heb onderworpen gezien, als in Suriname. Waar ziet men elders de negers naakt en door zweepslagen gewond langs de straten gaan? zelfs niet bij den arbeid zijn de Negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed. Waar dan bij ons, moet de Neger straf ondergaan, alleen omdat hij eene klagt heeft ingeleverd; waar wordt hij zoo onmenschelijk gestraft als bij ons? Het naast met ons gelijk, staan de Franschen, en dan volgen de Spanjaarden."

Hadden de zendelingen steeds gezwegen, uit vrees voor vermeerderde tegenwerking, uit vrees dat het lot der arme slaven des te ellendiger zou worden; hadden zij immer den regel gevolgd, zich niet met de, zoo als zij het noemen, »handhaving der plantaadje policie" te bemoeijen, de waardige Tank was van dezen regel afgeweken: hij kon niet langer zwijgen. Maakte de mannelijke taal van Tank indruk in Nederland; in Suriname was men er zeer gebelgd over. Die taal streed zoo geheel tegen hetgeen men steeds den menschen in Holland trachtte diets te maken, namelijk, dat het lot der slaven in Suriname veel gelukkiger was, dan dat van millioenen vrijen in Europa en duizenden in Nederland.

Men moest alzoo trachten: Tank tot een leugenaar te maken.

Drie ingezetenen van Paramaribo Egbert van Emden, H. G. Roux en Frouin trokken zich de zaak aan en riepen de Moravische broeders in Suriname tot verantwoording. Zij stelden den toenmaligen Hoofdvoorstander der zending in Suriname H. T. W. Pfenniger een aantal vragen ter beantwoordiging voor, ten einde de beschuldiging van Tank te wederleggen. Die vragen (59 in getal) goed te beantwoorden, was voor Pfenniger eene zware taak; hij kwam hierdoor in eene moeijelijke positie, want hij mogt de waarheid niet verkrachten, en toch was er, naar de meening der broedergemeente, alles aan gelegen, om de vrije bevolking van Suriname niet tegen zich in te nemen, daar zij den liefde-arbeid der Broedergemeente zoo zeer belemmeren konde. Hij antwoordde meestal ontwijkend en veroordeelde den stap van Tank, om, tegen den door de Broeders aangenomen regel, zich met de uitwendige toestanden en instellingen en met de staatkundige en burgerlijke aangelegenheden van het land, waar zij werkzaam zijn, in te laten, als »een niet genoeg overdachten stap."

Eene brochure werd daarop door genoemde heeren uitgegeven, waardoor zij vermeenden dat de overdrijving van Tank in een helder licht werd gesteld, doch ieder die dezelve onpartijdig en met aandacht leest, zal moeten erkennen, dat ook daaruit blijkt, dat Tank waarheid heeft gesproken [1305].

Tank keerde niet naar Suriname terug, en de Broedergemeente volgde sedert dien tijd nog stipter den gestelden regel van over deze dingen het zwijgen te bewaren. Om niet alles te verliezen moesten zij den slavenhouders veel toegeven; om den armen slaven eenige droppels uit den vollen beker des Evangelies toe te kunnen dienen, getroostten zij zich te zwijgen, waar zwijgen soms zoo moeijelijk viel. Wij veroordeelen die lieve broeders daarom niet, ofschoon, volgens onze overtuiging, spreken meermalen pligt ware geweest. »Al wat openbaar maakt is licht."

Een getuigenis der waarheid als door Otto Tank gedaan kan niet zonder gevolgen blijven. De belangstelling in het lot der slaven vermeerderde. In Mei 1850 schafte van Raders de enorme kosten en lastige formaliteiten bij het manumitteren van slaven af. Voortaan zou voor elke vrijgeving ten behoeve der koloniale kas, aan leges niet meer worden betaald, dan f 12. Ook werd den Gouverneur hierbij vrijheid verleend, tot het vrijstellen van de bij de wet verordende borgtogt [1306]. Eindelijk ook, 6 Februarij 1851, verscheen het koninglijk besluit, waarbij: Reglementen op de behandeling der slaven, en op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de tucht der slaven in Suriname, werden bekrachtigd, welke reglementen bij publicatie van 6 Mei 1851 in de kolonie werden afgekondigd en alzoo kracht van wet erlangden [1307].

Was reeds in 1828 door van den Bosch de noodzakelijkheid van de wijziging van het slavenreglement van 1784 betoogd; eerst 23 jaren later werd hiertoe overgegaan--en ofschoon werkelijk milder dan het reglement van 1784,--was toch ook dat van 1851: 1o. te streng voor den slaaf; 2o. te toegevend voor mishandelingen; en 3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en verdere materiële verzorging.

De invloed van belanghebbenden bij den Surinaamschen landbouw in Nederland gevestigd, en die van Plantaadje bestuurders in Suriname, was hierin niet te miskennen. De bekendwording echter van de slavenreglementen deed velen in Nederland de oogen open gaan omtrent den waren toestand in Suriname, zoo lang kunstiglijk verborgen. Velen in Suriname oordeelden de nieuwe reglementen evenwel nog te mild jegens de slaven, en daar geene speciale ambtenaren ter controlering, volgens het plan van Elias, werden aangesteld, overtrad men meermalen ongestraft derzelver mildste bepalingen.

Omtrent de verpligtingen door de West-Indische bank op zich genomen, en op wier vervulling in 1845, in de Tweede Kamer, zoo sterk was aangedrongen, werd bij Koninglijk besluit van 6 Februarij 1847, bepaald, dat de door de Bank uitgegeven biljetten konden worden ingewisseld tegen schatkistbiljetten, rentende 5 pCt, aflosbaar in Nederlandsche muntspeciën [1308].

Vijftien duizend schatkistbilletten elk van f 100.-- werden achtereenvolgens uitgegeven en uitgeloot [1309]. In September 1849 werden zij tegen Nederlandsche muntspeciën ingewisseld; en bankpapier niet langer als geldige betaling aangenomen dan tot 30 Junij 1850 [1310]. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg had, en waarvan de waarde steeds wisselvallig was, hield dus op langer in Suriname te bestaan.

Meermalen waren uit Suriname klagten opgegaan, dat de handel tot het Moederland en Noord-Amerika was beperkt; die beperking werd thans opgeheven. De mildere begrippen omtrent handel en zeevaart wonnen in Europa veld en werden ook in Nederland gehuldigd.

Den 22sten Maart 1848 werd door van Raders het Koninglijk besluit van 17 December 1847 gepubliceerd, bij welk besluit de handel en vaart op de kolonie Suriname is opengesteld voor alle volken, met welke het koningrijk der Nederlanden in vriendschap leeft [1311]. Den 20sten April werden de regten op den in- en uitvoer nader geregeld. De regten op in- en uitvoer met vreemde schepen bedroegen het dubbelde van dien in Nederlandsche [1312]. Bij nadere bepalingen van 17 Februarij 1849 werden de regten op den uitvoer met vreemde schepen verminderd. [1313] Bij afzonderlijke overeenkomsten werden later de schepen van eenige mogendheden met de Nederlandsche gelijk gesteld [1314].

Aan schepen van vreemde natiën werd dus nu toegang tot Suriname verleend; wel werd hierdoor den handel eenigermate verlevendigd; evenwel waren de voordeelen hiervan niet zoo groot voor de kolonie als men zich had voorgesteld, want daar de meeste eigenaren of hypotheekhouders van Surinaamsche plantaadjes door de kantoren der fondshouders vertegenwoordigd, te Amsterdam wonen, bleef de consignatie meest tot die kantoren bepaald en werden ook steeds de meeste artikelen voor plantaadje-gebruik van daar verzonden.

Den 11den Mei 1849 werd het overlijden van Z. M. Willem den tweede, te Tilburg op den 16den Maart, in het 57ste jaar zijns levens, en de aanvaarding der Regering door Z. K. H. den Prins van Oranje, onder den naam van Willem, den derde, op 21 Maart, bij publicatie bekend gemaakt [1315].

In October 1850 werden de Hoofdgelden voor de vrije bevolking afgeschaft, en door eene belasting op het personeel vervangen [1316]. Vermelding van eenige branden en meer of min belangrijke gebeurtenissen, tijdens het bestuur van van Raders, gaan wij, om niet te uitvoerig te worden, voorbij, maar wij kunnen deze periode niet besluiten, zonder eerst nog een vlugtigen blik op de kolonisatie aan de Saramacca te werpen.

Ds. van Brandhoff had op de nieuw gekozen plaats van vestiging, Groningen, woningen laten maken; terwijl in de andere behoeften der kolonisten zoo goed mogelijk werd voorzien. De arbeiders togen zoodra zij hersteld waren, in het begin van 1846, ijverig aan het werk, en reeds in October 1846, kon de tot hunne hulp gezonden slavenmagt naar huis terugkeeren.

In weerwil van schimp en spot arbeidden zij ijverig aan de ontginning en bebouwing hunner akkers, en moesten daartoe zelfs groote stukken gevallen bosch opruimen, en toen, in October 1846, de slavenmagt vertrokken was, hebben zij het afgebroken werk van deze, bestaande in het verbeteren en voltooijen van wegen, waterleidingen enz., opgevat en voortgezet.

Ds. van den Brandhoff hoopte, dat Groningen spoedig een stad zou worden. De zandige bodem aldaar kwam hem geschikt voor tot de eerste landbouwkundige proeven der kolonisten; deze proeven zouden het terrein ontginnen en in geschikten staat brengen, om later op hetzelve de stad te bouwen, terwijl alsdan aan de boeren, na zich hier aan het klimaat te hebben gewend, en in de kolonialen landbouw naar hunne behoeften, geoefend zijnde, verder uitgebreide gronden konden worden aangewezen. In plaats dat de stad als middelpunt van handelsverkeer, het gevolg zoude zijn van zich gunstig ontwikkelenden landbouw, zou hier de stad het uitgangspunt zijn voor deze ontwikkeling.

Ds. van den Brandhoff liet het terrein door regte breede straten voor de wijken der geprojecteerde stad verdeelen, en langs deze straten de erven voor de boeren uitmeten, zoodat elke boer een stuk grond verkreeg, ongeveer groot genoeg voor zijn aanvankelijke tuinbouw, maar geen voet grond overhield tot weide. Aan dezen aanleg met inbegrip van hetgeen noodig was, om zijn eigen verblijf tot eene fraaije in den Italiaanschen smaak gebouwde en winstgevende villa te maken, is drie vierde der bovengenoemde gehuurde slavenmagt gebezigd geworden. Door het andere een vierde gedeelte is p. m. 40 akkers banannen te Voorzorg aangelegd.

De velden begonnen reeds onder de nijvere handen der kolonisten, een geheel ander aanzien te verkrijgen, doch de langdurige droogte van 1846, bragt den moed der kolonisten op nieuw aan het wankelen en deed aan het welslagen der onderneming wanhopen. Sommige kolonisten keerden naar Nederland terug en de anderen moesten grootendeels hun onderhoud erlangen uit het magazijn van levensmiddelen.

Eindelijk, 25 Maart, vielen de eerste regens; de gronden herkregen hunne vruchtbaarheid, en een ieder der kolonisten was, binnen weinige maanden, in het bezit van een overvloed van aardvruchten en groenten; doch de te verre afstand van Paramaribo belette voordeeligen verkoop derzelven. Stapelproducten werden niet verbouwd. Proeven om nieuwe producten tot den uitvoer te verkrijgen mislukten, niettegenstaande welwillende ondersteuning van de zijde van van Raders.

Men liet de kolonisten nu in daghuur werken, voornamelijk tot den aanleg van breede wegen, en uitgebreid wandelpark, of tot proefnemingen in den tuin van den bestuurder. Ds. van der Brandhoff had het te druk met de administratieve bureau-arbeid, om zich veel met den landbouwende te bemoeijen. Uit zijne kamer of van zijn balkon gaf hij zijne bevelen, en nam zelden de moeite om de werkzaamheden der landbouwers in oogenschouw te nemen.

Bij het daggeld een sober bestaan vindende, zonder eenige hoop zelve onafhankelijke landbouwers te worden, wendden de kolonisten zich tot den bestuurder, om eene verbetering in hun lot te verkrijgen, doch zonder eenig gevolg. Eindelijk bragten zij hunne klagten voor den Minister, en zelfs voor den troon des Konings. Het magazijn van levensmiddelen werd daarop weder voor korten tijd en gedeeltelijk opengesteld. Enkelen maakten daarvan gebruik; anderen verlieten de nederzetting en vestigden zich te Rama, aan de boven Suriname, echter met ongelukkig gevolg.

De kolonisten, die te Groningen waren overgebleven moesten hun bestaan in daggelden zoeken. In 1849 werden zij bezig gehouden, om Voorzorg op nieuw voor eene vestiging van kolonisten in te rigten; doch toen de magt,--die door het aanhoudend vertrek meer en meer verminderd was--voor dit grootsche werk ontoereikend werd bevonden, werden de voor dagloon werkende kolonisten gebezigd voor den aanleg eener weide, op eene ruime schaal en zoodanig, dat zij alleen voordeelen kon geven aan den Bestuurder en zijn adjunct. Bij gemis aan weiland, waardoor het stalvoeder op verren afstand moest worden gehaald, waren reeds eenige kolonisten verpligt geweest, hun vee te verkoopen of te slagten.

Nog werden er van wege het bestuur, met de daghuurders, eenige proeven genomen met het planten van Cacao, die echter weinig voldeden.

Zoo sleepte de kolonisatie nog eenigen tijd haar treurig bestaan voort. Goede raadgevingen, door eenige welgezinden ondersteund, werden in den wind geslagen of stuitten af èn op reglementaire bepalingen èn op het plan, waarnaar de onderneming was aangevangen en door den bestuurder werd voortgezet. Ongeveer 6 1/2 tonde gouds werd verspild, van welke som de kolonisten zelven hoogstens 1/6 hebben genoten.

En toch werd bewezen dat de Nederlandsche landbouwer in Suriname wel werken kan en zijn brood verdienen, zonder schade voor zijne gezondheid. Vijf huisgezinnen besloten zich te Paramaribo te gaan vestigen; zij vertrokken naar die stad, leefden eenigen tijd bekrompen, tot dat van Raders zich hun toestand aantrok; hij liet vijf woningen voor hen bouwen en gaf ieder twee koebeesten ter leen. En deze en later aankomende boeren hebben hun toestand verbeterd en zijn tot betrekkelijke welvaart gekomen [1317].

In 1851 heerschte in Suriname de geele koorts en ten gevolge dezer epidemische ziekte stierven vele personen, o. a. werden verscheidene zendelingen der Broedergemeente (9 broeders, 4 zusters en 1 kind), die nog niet lang in de kolonie vertoefden, door deze ziekte aangetast en ten grave gesleept, waardoor de zending een gevoelig verlies onderging. Ook onder de militairen en het scheepsvolk maakte deze gevaarlijke ziekte vele slagtoffers. In September o. a. overleden de kapitein, benevens eenige matrozen van een Oostenrijks schip de Venezia. Het werd daarop door de twee of drie overblijvende personen verlaten en toen door de onbeheerde Boedelskamer genaderd.

Genoemd schip was bevracht voor rekening der heeren van Heukelom en Vollenhoven, te Amsterdam. De correspondent der bevrachters, de heer P. R. Planteau beproefde om de overgebleven schepelingen van hun voornemen, om dien bodem te verlaten, terug te brengen, doch te vergeefsch; waarna hij het aan het departement der onbeheerde Boedels overgaf.

Het Collegie van Commissarissen van genoemd departement aanvaardde het schip, liet het ontzegelen en inventariseren, en, ingevolge Art. 19 van het Reglement voor het Departement van onbeheerde Boedels, moest, binnen vier weken, bedoeld schip worden verkocht.

Vóór dit collegie hiertoe overging rigtte zij zich per missive tot van Raders, ten einde hem te vragen of hij ook, om mogelijk groot verlies voor de eigenaren te voorkomen, wegens het exceptionele van het geval--met afwijking van het bestaande reglement,--maatregelen wilde nemen tot conservatie van de regten der eigenaren. Ook andere personen gaven aan van Raders den raad, om in dit geval tusschen beide te treden en de bestaande wet niet te laten toepassen, doch van Raders zag hierin zwarigheid en vreesde, dat wanneer hij de werking van bestaande reglementen schorschte, het Gouvernement voor de gevolgen van zoodanige handeling, wanneer zij later soms bevonden werden, nadeelig voor belanghebbenden te hebben gewerkt, verantwoordelijk zou worden gesteld. Hij wendde evenwel pogingen aan, om het schip weder in de handen van den heer Planteau te doen overgaan, en bood hem daartoe de hulp van het Bestuur en ondersteuning met volk aan; die heer weigerde, volgens den raad hem door zijn advocaat gegeven, zich hiermede in te laten.

Van Raders had, bij de kanaalgraving gemeend vrijheid te vinden, om, van het, bij Koninklijk besluit van 14 Mei 1845, bepaalde bij artikel 4, verleende bevoegdheid gebruik te maken, ten einde, zonder vooraf bekomene authorisatie der Hooge regering, eene zaak, die met het welzijn of het nut der kolonie in naauw verband stond, aan te vangen; doch hij ontving daarover van de Hooge regering, bij Ministerieel schrijven eene teregtwijzing. In genoemd Ministerieel schrijven van 14 December 1847, werd aan van Raders de juistheid van het door hem gedane beroep op zijnen ambtseed niet toegegeven: »vermits" zoo schreef de Minister, de door UHEG. bezworene verpligting om den bloei en de welvaart der aan u toevertrouwde bezitting voor te staan en te behartigen, en om alles te doen wat een goed en getrouw Gouverneur schuldig is en behoort te doen; geheel ondergeschikt zijn moet aan eene ongekrenkte naleving van het Regerings-reglement, en van de verdere door of van »wege den Koning gegeven algemeene of bijzondere instructiën of bevelen."

Behalve deze den waardigen Landvoogd zeker grievende, ernstige teregtwijzing, had van Raders 11 Januarij 1849 een schrijven van den Minister ontvangen, om zijn ambtelijk gezag aan te wenden ten einde de bijeentrekking der slavenmagten te bevorderen, en was hem hierbij weder aangezegd, »dat het handelen naar eigene inzigten, zonder zeer overwegende redenen, wanneer die inzigten in strijd zijn met stellige voorschriften van het opperbestuur, niet kan worden toegelaten."

Van Raders met het oog op deze wenken, wilde in eene zaak, die met het welzijn der kolonie in geen verband stond geene discretionaire magt tot stremming van den loop des regts aanwenden; hij liet de zaak hare gewone wettelijke loop en, dientengevolge werd het meergenoemd vaartuig de Venezia binnen den bij de wet bepaalden tijd 24 September 1851 in het openbaar verkocht aan Mr. Barnét Lyon q. q. voor Hart Lyon voor de som van f 5100.

Het was eene eenvoudige zaak, waarbij van Raders volkomen overeenkomstig de wet had gehandeld en toch was deze wettige handeling oorzaak van zijn ontslag. De Oostenrijksche Ambassadeur beklaagde er zich over en eischte schadevergoeding; de Amsterdamsche kooplieden van Heukelom en Vollenhoven deden hetzelfde; de Minister van Koloniën Pahud keurde de handeling af; de Ministerraad vereenigde zich met dit afkeurend oordeel; den Koning werd in overweging gegeven om van Raders een eervol ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname te verleenen, en Z. M. teekende 29 December 1851 het besluit waarbij de Generaal-Majoor R. F. Baron van Raders eervol ontslagen werd [1318].

Van Raders een verdienstelijk Landvoogd, werd aan de diplomatie opgeofferd, of--beter gezegd--aan eene reactionaire partij, zoo in Suriname als in Nederland, wier invloed zich hierbij heftig gelden deed.

Den 1sten Maart 1852 droeg Baron van Raders in eene zitting van den kolonialen Raad, het bestuur over aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal, die alzoo de derde maal de functie als Gouverneur a. i. aanvaardde. [1319]

In de door van Raders gehouden afscheidsrede kon hij naar waarheid getuigen, dat zijn zesjarig verblijf in de kolonie niet geheel zonder nut was geweest. Feiten spraken. Bij zijne komst in het bestuur was de koloniale kas f 190,000.-- aan de Reserve-kas verschuldigd; bij de aftreding van van Raders lag daarentegen f 80,000.-- ter beschikking; 's Lands plantaadjes en gebouwen en verdere eigendommen, waren in beteren staat dan vroeger; de communicatie in de stad, was door het aanleggen van nieuwe bruggen verbeterd, en de beoefening van den landbouw door de vrije bevolking in eere gebragt. Tijdens het bestuur van van Raders waren ook belangrijke wetten en Reglementen, namens het Opperbestuur, uitgevaardigd. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg bezat, was door Nederlandsche muntspeciën vervangen; de handel en vaart, zoo lang tot en van het moederland beperkt, was voor vreemde natiën opengesteld en eindelijk waren de lang toegezegde reglementen op de behandeling der slaven tot stand gekomen.

Van Raders vertoefde nog tot den 8sten April in de kolonie. Hij ontving voor zijn vertrek vele bewijzen van sympathie van de ingezetenen: Een adres dat vele onderteekeningen bevatte, werd hem door eene commissie aangeboden, in dit adres werden zijne, der kolonie bewezen, diensten erkend; een aantal der vrije werklieden bragten hem in persoon hunne hulde toe, en verzochten zijne voorspraak bij Z. M., opdat zij bij vernieuwing in staat mogten worden gesteld om, door eigen arbeid, met eere hun brood te kunnen verdienen; en de Europesche kolonisten, gevestigd aan het kanaal van Kwatta dankten hem, bij een adres, in ongekunstelde taal, voor de hulp hun meermalen zoo edelmoedig verleend.

Van Raders verliet den 8sten April Suriname, en keerde naar Nederland terug.