Part 56
Van de optrede van R. F. Baron van Raders als Gouverneur van Suriname (1845) tot het tegenwoordig bestuur van R. F. van Lansberge 1861.
De nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Renier Frederik Baron van Raders, door onderscheiden omstandigheden opgehouden, kwam eerst den 9den October 1845 te Suriname aan.
De reactionaire partij in de kolonie had reeds op den avond van zijne komst gelegenheid, om op te merken, dat ook hij de autocratie van zweep en spaansche bok haatte en daartegen zoo veel mogelijk de slaven wilde beschermen. Door den tijdelijken Gouverneur de Kanter uitgenoodigd om dien avond ten zijnen huize te komen doorbrengen, werd den nieuw benoemden Landvoogd aldaar, bij die gelegenheid, door het muziekcorps van het garnizoen eene serenade aangeboden. Terwijl hij aandachtig naar de uitvoering luisterde, hoorde hij een vreemdsoortig geluid. Op zijne vraag, wat dit was? werd hem geantwoord, dat dit geluid veroorzaakt werd door de zweepslagen der Bastiaans, die daarmede de slaven wegdreven. Van Raders verzocht dat men dit naliet; men voldeed hieraan, en nu konden ook slaven zich verlustigen in het genot dat de vrijen smaakten [1293].
Reeds dit feit kenmerkte de gezindheid van den man door 's Konings keuze geroepen de opvolger van Elias te zijn, en zijne verdere handelingen waren daarmede in overeenstemming.
Den 13den October 1845 nam van Raders het bewind van de Kanter over [1294].
Van Raders verzocht inlichtingen omtrent de drie à vier maanden te voren in Suriname aangelande kolonisten, en ontving zeer ongunstige berigten, waarop hij onmiddellijk besloot, reeds den dag na de aanvaarding van het bestuur, naar de plaats hunner vestiging aan de Saramacca te gaan, ten einde door eigen aanschouwing den toestand aldaar te leeren kennen en, waar hij kon, hulp aan te brengen. Tot dien tijd was nog niemand van Gouvernementswege bij de kolonisten geweest om hun een welkomstgroet te brengen; de Kanter koesterde echter het voornemen om er eerstdaags heen te gaan en ging nu met den nieuwen Gouverneur.
De toestand der kolonisten was ellendig. Den 10den Mei 1845 hadden de schepen Susanna-Maria en Noord-Holland, waarop de eerste kolonisten (29 huisgezinnen en ruim 30 vrijgezellen, te zamen 208 personen, onder geleide van Ds. Copijn en den schoolmeester van Hateren) waren ingescheept, de Nederlandsche kust verlaten. De reis werd gelukkig en voorspoedig volbragt, slechts een ziekelijk kind was gedurende dezelve overleden; dertig dagen later (den 9den Junij) kwamen beide schepen voor de monding der Suriname. De stoomboot, die de schepen de Saramacca op had moeten slepen, verscheen niet en was tot eene andere bestemming gebezigd. Twee koloniale schoeners bewezen nu de noodige hulp, doch door laag tij belemmerd, hadden de schepen 9 en 12 dagen noodig om de plaats hunner bestemming te bereiken.
De hitte tusschen deks, waar het meerendeel der kolonisten bij het opwerken der schepen op de rivier, verpligt waren te blijven, was ondragelijk; het vooruitzigt echter weldra de plaats hunner bestemming te bereiken, hield allen in eene opgeruimde stemming.
In den morgen van den 21sten Junij 1845 bereikte de Susanna-Maria Voorzorg, doch welk eene teleurstelling beidde daar de hoopvolle kolonisten! De voorbereidende maatregelen ter hunner ontvangst waren weinig gevorderd; de som van vijftig duizend gulden daaraan besteed, was als weggeworpen. Eenige hutten met strooijen (palmbladeren) daken, sommige nog maar half voltooid, in eene regte lijn tegen den groenen horizon van ondoordringbaar bosch, leverden een weinig uitlokkend gezigt voor de kolonisten op. Toen het anker was gevallen, hadden er aan boord van het schip ijzingwekkende tooneelen plaats. Vrouwen en kinderen jammerden en schreiden; de mannen liepen, bij den aanblik hunner bestemming, als wanhopenden en woedenden over het dek. De meesten weigerden om van boord te gaan; eenigen, die nog gelden bezaten, boden dezen den kapitein voor de terugreis aan [1295].
Ds. Copijn, die gedacht had alles in behoorlijke orde te vinden, stond als verplet, toen hij met den werkelijken stand van zaken bekend werd. Hij sprak evenwel den kolonisten moed in, en zijne kernachtige taal vol onmiskenbare liefde en trouw stak hen een riem onder het hart, en zij en de andere kolonisten, die den volgenden dag met de Noord-Holland aankwamen, lieten zich aan wal brengen.
Waren de woningen ellendig, daarenboven aan huisraad, aan alles was gebrek. Geen voet gronds was bebouwd of productief gemaakt. De levensmiddelen door een der koloniale schoeners aangebragt bestonden in vaten Amerikaansche tarwe, blom en gezouten spek; alsmede eenige vaten rijst en spek. Aan bakken van brood viel niet te denken; de oven was defect en er ontbrak een baktrog. De kolonisten waren verpligt zich hoofdzakelijk met spekkoeken te voeden.
Slechts een gedeelte kon te Voorzorg onder dak worden gebragt, en dat nog zóó, dat in elk der woningen 7 tot 10 personen moesten huisvesten; de overigen betrokken de gebouwen van de vroegere militaire post Groningen aan de overzijde der rivier gelegen.
De ongezonde huisvesting, de slechte voeding en de teleurstelling, die allen zoo zeer had geschokt, deden eene ziekte ontstaan. Weldra vielen slagtoffers; de geneeskundige hulp van een scheepschirurgijn, met een medicijnkist was ongenoegzaam. De krachtige taal van Copijn bewoog het koloniaal Gouvernement hulpe te zenden.
Intusschen verwachtte men de overige kolonisten onder geleide van Ds. Brandhoff. Men sloeg in der haast eenige loodsen voor hunne ontvangst op; voordat deze echter voltooid waren lieten de schepen Antonio en Eugenie, waarop 15 huisgezinnen en eenige ongehuwde personen, te zamen 122 zielen, het anker voor Voorburg vallen.
Een tiental der eerst aangekomen kolonisten was reeds ten grave gesleept, en de overigen waren allen ziek. De ziekte nam een ernstig karakter aan en tastte ook de laatst aangekomenen aan. Geneeskundigen, Apothekers en oppassers snelden toe; ponten met medicijnen en ververschingen werden aangevoerd; doch alles te vergeefsch, het was te laat!
De Phoenix, met welk schip eenige hoornbeesten en ander vee werden aangevoerd, ontscheepte zijne 36 kolonisten op de Plantaadje Mijn Vermaak, een paar uren beneden Voorzorg gelegen; doch ook aan dezen deelde zich de besmettelijke ziekte mede en nam eenige hunner weg. Binnen weinige maanden stierven meer dan de helft der aangekomen kolonisten en onder deze de door de kolonisten geliefde en betreurde bestuurder Ds. Copijn (23 Julij). Zoo stonden de zaken toen van Raders den 15den October 1845 Groningen bereikte. Hij werd aldaar opgewacht door Ds. van den Brandhoff en eenige achter hem geschaarde vermagerde kolonisten, die ter verwelkoming van den Gouverneur een vreugdekreet trachten te slaken, doch uit hunne ontvleeschte borsten slechts een galm konden voortbrengen, onbeschrijfelijk van toon en bedroevend van uitwerking.
Van Raders bezocht de kolonisten in hunne schamele verblijven, waar velen ziek ter neder lagen; hij vreesde voor geene besmetting, maar ging persoonlijk tot hen, sprak hun woorden tot opbeuring en bemoediging toe en overlegde met den Bestuurder hoe verder te handelen.
Het bezoek van den Gouverneur en het van hem komend woord van bemoediging, deed hen zigtbaar goed; de epidemie had haar keerpunt bereikt, ofschoon ze eerst in Januarij 1846 geheel had uitgewoed, nadat zij 189 slagtoffers had gemaakt; en de kolonisten werden met nieuwen moed bezield.
Ds. Brandhoff had bij zijne komst de plaats de vestiging Voorzorg, als zeer ongezond, afgekeurd en liet nu op den tegenovergestelden post Groningen een vijftigtal woningen maken, die ieder f 700.-- dus te zamen f 35,000 kostten. Twee honderd delfnegers en timmerlieden werden hiertoe in het werk gesteld en de kolonisten betrokken achtereenvolgens de woningen en erven. Veldgereedschappen, gevogelte, runderen en ander vee werden aangeschaft; de kolonisten werkten met ijver en toch--veel geld is nutteloos verspild en de kolonisatie aan de Saramacca is mislukt, èn omdat de plaats tot vestiging slecht gekozen was èn omdat het geheele plan niet met behoorlijke kennis van zaken was gevormd en de uitvoering er van daarenboven aan iemand was opgedragen, die hiertoe de noodige landbouwkundige kennis miste: Ds. Brandhoff bleek niet de geschikte persoon te zijn tot bestuur eener dergelijke onderneming.
Van Raders die reeds op Curaçao met ijver getracht had den landbouw aan te moedigen en nieuwe cultures te scheppen, die waren zij onder zijn toezigt voortgezet, welligt belangrijke uitkomsten zouden hebben opgeleverd, achtte het ook zijn pligt om een en ander naar zijn beste vermogen te bevorderen.
Ons bestek laat niet toe in het breede alles te vermelden wat van Raders in deze heeft gedaan en wat hij verder van plan was te doen, zoo hij behoorlijke medewerking van de hooge regering en anderen in plaats van de nu ondervonden tegenwerking had genoten. Wij kunnen slechts een en ander aanstippen.
Van Raders heeft o. a. getracht, om door het aankweeken van Paragras den veeteelt te verbeteren; proeven daartoe genomen voldeden goed, doch vonden geen navolging; hij wenschte den Maïsbouw te bevorderen, waardoor de geringere volksklasse en de slaven een beter voedsel dan banannen konden erlangen, (zie "Eenige woorden ter aanprijzing van den Maïsbouw in de kolonie Suriname"); men bleef echter liever den ouden sleur volgen. Wat betreft proeven om nieuwe cultures, geschikt tot den uitvoer, te scheppen, heeft men hem geen tijd gelaten, of door tegenwerking belemmerd, om te bewijzen, dat zijne plannen op gezonde landbouwkundige beginselen rustten.
In December 1845 vaardigde van Raders eene publicatie uit; waarbij, ter aanmoediging van den invoer van werkvee en geschikte werktuigen voor landelijk bedrijf de invoer daarvan in 1846 werd vrijgesteld, welke termijn na bekomen autorisatie telkens verlengd werd [1296].
Vooral heeft van Raders zich omtrent de kolonie verdienstelijk gemaakt door zijne pogingen tot bestrijding van het algemeen heerschende vooroordeel, dat veldarbeid den vrijen man onteerde.
Dit vooroordeel belemmerend voor den toekomstigen bloei van Suriname, werkte in alle opzigten nadeelig.
Vele gemanumitteerde slaven bevonden zich te Paramaribo; doch moeijelijk kon men hen bewegen veldarbeid te verrigten, daar deze hen in de oogen van anderen vernederde, en--zoo sprak men--met de slaven op eene lijn stelde. Van tijd tot tijd waren door de koloniale regering wel eenige pogingen aangewend, om hen van dit vooroordeel te genezen, doch vruchteloos.
In 1835 hadden zich op den grond Voorzorg aan de Saramacca, daartoe als eene geschikte plaats aangewezen, wel eenige huisgezinnen gevestigd, doch de uitkomsten hadden niet aan de verwachting beantwoord [1297]. Kleine stukken land rondom de stad waren uitgegeven en de arbeid aldaar aangemoedigd [1298]; dit was wel niet geheel onvruchtbaar gebleven, evenwel werkte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, te sterk, om hiervan vele vruchten te kunnen oogsten.
Van Raders zag met helderen blik, dat indien men dit vooroordeel kon overwinnen, niet slechts reeds dadelijk velen werden gebaat; maar dat ook hierdoor in het vervolg, bij eventueele emancipatie en bij latere kolonisatiën, belangrijke voordeelen zouden worden verkregen.
Hij sprak dikwijls met de leden van den Kolonialen Raad en anderen, over de middelen die men zou kunnen aanwenden, om den veldarbeid bij de vrije klasse der bevolking in eere te brengen, waarvan hij meer heil voor Suriname verwachtte, dan van de kolonisatie aan de Saramacca, zoo als die was ingerigt, of van het plan der centralisatie, dat door de hooge regering werd voorgestaan. Niemand geloofde dat hiertoe mogelijkheid bestond. Van Raders liet zich hierdoor echter niet afschrikken; hij hield niettegenstaande dergelijke ontmoedigende mededeelingen, zijn doel steeds voor oogen en zocht door gepaste middelen hetzelve te bereiken.
Eenige vrijwilligers van het garnizoen maakten den tuin, achter het Gouvernementshuis, die in verwaarloosden toestand verkeerde, in orde; een paar dier militairen legden aan de voorzijde een heester-bloemperk aan, en--om door eigen voorbeeld het vooroordeel tegen dergelijk werk door vrijen, weg te nemen--leende de Gouverneur soms de hand tot het planten en pooten. Een moestuin voor de garnizoens-menage, vroeger een door ruigte verwilderd terrein, werd daargesteld. Reeds hoorde men door vrouwen uit de volksklasse aanmerken: »Zie wat die blanken kunnen verrigten! waarom werken onze mannen en broeders niet even zoo als zij?" Dergelijke gezegden waren goede voorteekenen.
Eenigen tijd daarna kwamen twee vrije kleurlingen, timmerlieden, hunnen nood bij den Gouverneur klagen, wegens gebrek aan werk in hun vak. Van Raders bewoog hen in zijn tuin te arbeiden en gaf hun ieder een nieuwen zilveren gulden, toen nog zeer schaarsch in Suriname, tot belooning. Nu vervoegden er zich weldra andere vrijlieden tot den Gouverneur, aan wie hij te kennen gaf, dat hij hun niet in zijn tuin, maar elders wel een zilveren gulden wilde laten verdienen, namelijk met het verleggen der steenbakkersgracht buiten Paramaribo.
Het duurde wel vier à vijf weken vóór zij hiertoe wilde overgaan; eindelijk verklaarde zes vrijlieden genegen te zijn tot het aangeduidde werk. Zij kwamen op den bestemden dag, maar nog schoorvoetend; nog ontbrak hun de zedelijken moed om de spade op te vatten; toen nam de Gouverneur zelf de spade op en ging lustig aan het delven. Dat voorbeeld werkte en weldra werd het ijverig nagevolgd. Nog eenigen tijd--en de bespotting, waarmede het verrigten van delfwerk door vrijen, werd aangezien, was overwonnen. Zoo wel blanken, als vrije kleurlingen en negers, stapten, de schop op den schouder dragende, met zekere fierheid door de straten van Paramaribo. Om die overwinning blijvende te maken, werd een feest verordend zoo als vroeger nimmer in Suriname was gezien.
In de Surinaamsche Courant van 1 September 1846 leest men daaromtrent het volgende:
»Gisteren vierde deze volkplanting den gedenkwaardigsten dag, die immer voor Suriname's burgers is aangebroken; een dag waarop een nieuwe tijdkring, een nieuw leven voor dit gewest is aangevangen.
In den morgenstond kondigde een kanonschot van het fort Zeelandia, den daarzijnden feestdag aan, en wapperden, met zonsopgang, van de ter reede liggende schepen, van de publieke en vele particuliere gebouwen, de Nederlandsche driekleur. Met geestdrift stroomde, van alle kanten, de volksmenigte naar het einde der Steenbakkersgracht, alwaar de plegtige inwijding van het nieuwe kanaal zou plaats vinden. Onder opwekkende muziek, togen de Schutterij en het Garnizoen naar de aangeduide plaats en schaarden zich aan weêrszijde der aangelegde vaart, waarvan de brug met eene eerepoort was voorzien. De hooge Autoriteiten en verschillende genoodigden, benevens de dames, verzamelden zich in eene op het veld keurig ingerigte en met vlaggen, bloemwerk en loof versierde tent, voor welke, aan weêrszijde eerepoorten met toepasselijke opschriften waren geplaatst.
Ongeveer zeven ure, verscheen Zijne Excellentie de Gouverneur met Hoogstdeszelfs gezin, in een rijtuig, voorafgegaan en gevolgd door eene eerewacht te paard, uit aanzienlijke burgers zamengesteld.
Na eene korte poos, begaf zich de Gouverneur, gevolgd door de Autoriteiten en genoodigden met hunne dames, volgens de orde van het programma, onder het spelen der muziek, in optogt naar het afgebakend terrein.
De werklieden, ten getale van honderd en elf, waren in orde in het bed der vaart, in twee rijen verdeeld, naar hunne ploegen geschaard, en verbeidden vol verlangen het oogenblik der plegtige inwijding van hun aangevangen werk."
De Gouverneur hield daarop eene gepaste toespraak.
»Na deze rede werd de Nederlandsche vlag van de seinpaal nedergelaten, en de koninklijke standaard opgeheschen, onder het lossen van een saluut van 21 schoten uit het veldgeschut, terwijl Zijne Excellentie de eerste schop gronds uitgroef, hetwelk gevolgd werd door de verschillende autoriteiten, genoodigden en particulieren, waarna de dames zulks met den troffel verrigtten."
Een der arbeiders bragt vervolgens den Gouverneur de hulde zijner dankbaarheid in treffende bewoordingen toe, en eindigde zijne rede met het aanheffen van den juichtoon:
»Leve de Baron van Raders!" welke uitroep door al de arbeiders met geestdrift herhaald werd.
De Procureur-Generaal de Kanter uitte, in hartelijke bewoordingen den besten heilwensch voor het welgelukken eener proeve, zoo belangrijk voor het welzijn van Suriname en zijne bevolking.
De delvers gingen onder het spelen der muziek, met lust en opgewektheid voort. Een algemeen hurrah, een juichtoon van: Leve de baron van Raders, weergalmde door de lucht. 's Middags hadden volksvermaken plaats; 's avonds werd de tent heerlijk verlicht en de eerepoorten geïllumineerd, terwijl een landelijk bal het volksfeest besloot.
Het voornaamste doel: het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, weg te nemen, was bereikt.
De hoop om op deze wijze een bevaarbaar kanaal naar Kwatta te delven, aan welks boord ongeveer zestig boeren-huisgezinnen konden gevestigd worden, werd verijdeld, door tegenwerking der hooge regering.
Van Raders had globaal berekend, dat hiertoe jaarlijks f 80,000 zou noodig zijn; hij deelde dit den Minister van Koloniën mede en vroeg om drie maandelijksche toezendingen van f 20,000. De Minister echter keurde het plan af en 25 December 1846 ontving van Raders bevel het werk te staken.
Van Raders hoopte nog den Minister door nadere ontvouwing van het groote nut van zijn plan tot voortzetting er van te bewegen; hij zelf stelde f 5000 beschikbaar en de leden van den Kolonialen Raad te zamen f 7500, om het werk tot nadere beschikking te doen voortgaan. Telkens boden zich nieuwe arbeiders aan; het verrigten van dergelijk werk werd niet langer als vernederend beschouwd; een hoogst schadelijk vooroordeel was overwonnen; Franschen en Engelschen, uit de naburige koloniën Cayenne en Demerary, gewaagden, in periodieke geschriften en officieele rapporten, met hooge ingenomenheid, van de proeve door van Raders met zoo veel merkwaardige bekwaamheid genomen, en stelden zich hiervan veel goeds voor; in de Tweede Kamer werd deze maatregel door den heer van Golstein ter sprake gebragt en beschouwd als aanmoediging te verdienen,--doch de Minister van Koloniën bleef die poging afkeuren en het werk moest voor goed worden gestaakt. Het was echter niet vruchteloos geweest; een goed zaad was uitgestrooid en bragt vruchten voort. De veldarbeid is door van Raders in Suriname meer in eere gebragt.
Eene Maatschappij ter bevordering van den Landbouw onder de vrije bevolking werd in Maart 1847 opgerigt en trachtte den opgewekten lust te bestendigen. Ook zij had met vele moeijelijkheden te kampen. Voornamelijk door het achterwege blijven der geldelijke hulp haar door particulieren toegezegd (de som van f 31,800.-- was voor het eerste jaar ingeschreven en men ontving slechts f 19,100) en door het buitengewoon droog saisoen, [1299] waren de uitkomsten gering; evenwel was ook deze poging ter bevordering van het goede doel niet geheel vruchteloos [1300].
Het gerucht van den door vrije kleurlingen en negers te Paramaribo betoonden lust tot dergelijken arbeid drong tot de boschnegers door, en het gegeven goed voorbeeld vond bij hen navolging; bij verschillende stammen werd lust tot werkzaamheid opgewekt; sommige boden hunne diensten aan, en daarom werd het onvoorwaardelijk verbod om Boschnegers te logeren, in zoo verre gewijzigd, dat ieder die verlangen mogt Boschnegers op zijn erf of grond te ontvangen, daartoe onder eenige bepalingen verlof kon krijgen [1301].
Was van Raders zeer teleurgesteld; hij verloor echter den moed niet, maar voer ijverig voort te doen, wat hij in het belang der kolonie vermogt.
De suikerplantaadje Catharina Sophia, was in 1833 door de Particuliere West-Indische bank ingekocht of overgenomen, in gedeeltelijke betaling van daarop jegens die bank gevestigde schuld, wegens eene aanzienlijke som van geleend geld; de daarnaast gelegen koffijplantaadje Johanna Catharina en de daar tegenover gelegene Mijn Vermaak, waren om dezelfde redenen aan de bank of liever aan het Gouvernement vervallen: na 1845 is de Catharina Sophia meer eigenaardig Gouvernements-plantaadje genoemd.
De suikerplantaadje Catharina Sophia was bij de komst van van Raders in verwaarloosden toestand; een aantal der beste plantaadje slaven, waren gedetacheerd naar Groningen en Voorzorg tot ondersteuning der aldaar gevestigde kolonisten en, tot ongeluk der plantaadje, was in 1844 uit Europa eene gecompliceerde machinerie van Derosne en Cail gezonden, die aldaar, op last van den Minister van Koloniën, moest worden opgezet, doch waarvan, bij de oprigting, door gebrek aan technische kennis verscheidene misslagen waren begaan, waardoor zij volstrekt niet voldeed.
Van Raders trachtte door herbouwing van de reeds afgebroken oude batterij ten minste te zorgen dat er (muscovado) suiker kon worden gemaakt. Hij stelde later den Minister voor, eene eenvoudige, weinig kostende en proefondervindelijke goede machinerie uit Londen te laten komen, waardoor de Gouvernements plantaadje tevens het voorbeeld eener verbetering in de afwerking van het suikersap had kunnen geven, die volgens zijne berekening, de waarde van de jaarlijksch uit Suriname vervoerd wordende 30 millioenen Amsterdamsche ponden suiker een millioen gulden zou hebben doen rijzen; doch de Minister Pahud kon zich met dat denkbeeld niet vereenigen [1302].
De bestuurder der plantaadje, De Niefeld, werd door van Raders ontslagen, ofschoon deze zich hierdoor veel onaangenaamheden berokkende, doch 's lands belang gold bij hem boven persoonlijk. Onder een nieuwen bestuurder (Humpreijs) ging alles beter en in plaats van 3 1/3 okshoofd suiker, vroeger in een langgerekten dag gemaakt, klom dit nu tot 5 okshoofden in 10 uren [1303]. De verkorting van den werktijd baatte in het bijzonder de arme slaven, en van Raders stelde grooten prijs om hun lot te verbeteren. Eene uitdeeling van schoenen, als eene belooning aan de meest oppassende gouvernementsslaven door hem gedaan, werd hem door de administrateurs zeer ten kwade geduid; men maakte allerlei overdreven en verontrustende voorstellingen, wegens dit doen ophouden van »de voornaamste teekenen der slavernij;" en zelfs werd van Raders door den Minister belast hiermede niet verder voort te gaan.
Tegen het, zonder voorkennis van den Gouverneur, sloopen van plantaadjes en doen overbrengen van slavenmagten van de eene op de andere plantaadje werd door van Raders aan eene reeds bestaande Notificatie van 7 September 1819, bij Resolutie van 19 Mei 1847, herinnerd. Dat hij geen geweld gebruikte, om slaven tegen hun zin te verplaatsen, strekt hem tot eere; de meesters waren hierover echter niet te vreden en de minister werd bewerkt, om van Raders aan te schrijven, om meer toegeefelijkheid jegens de eischen der meesters te gebruiken;--ofschoon hierdoor de eischen der billijkheid ten opzigte der slaven niet erkend werden [1304].
Van Raders trachtte de Administrateuren tot eene mildere handelwijze hunner slaven te bewegen en wees hun daarbij op de teekenen der tijden, op de pogingen, die reeds in Nederland werden aangewend tot vrijmaking der slaven; doch hierdoor werd de reactionaire partij zeer verbolgen tegen hem, en zij vond steun bij sommige Amsterdamsche kooplieden, en ook tegen van Raders vormde zich eene cabale.
In Mei 1848 rigtte de tijdelijke Minister van Koloniën, Rijk, zich per circulaire tot de in Nederland gevestigde belanghebbenden bij de kolonie en drong met ernst aan:
1o. Matigheid en zoo veel doenlijk vermijding van ligchamelijke straffen:--beperking van de magt daartoe aan de directeurs en plantaadje-bedienden verleend, en overbrenging van die magt bij bevoegde autoriteiten.