Part 55
De reactionaire partij in Suriname was zeer verbolgen op Elias, en werd dit telkens meer. Hiertoe droeg het volgende bij: Van wege het Britsch Gouvernement resideerde te Paramaribo nog steeds een Regter-Commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den slavenhandel. Die handel evenwel bestond niet meer, zoodat eigenlijk de functie van den heer Shanley weinig te beduiden had. Die heer, een negervriend, ergerde zich meermalen over de handelwijze, die sommige meesters omtrent hunne slaven volgden. Meermalen beklaagde hij zich hier over,--kan men dit den slavenvriend ten kwade duiden? Evenwel die bemoeijingen lagen buiten zijne functie en ook ging hij somwijlen hierin wat ver; Elias onderrigtte hiervan den Minister van Koloniën, eene diplomatieke correspondentie tusschen 's Gravenhage en Londen volgde daarop en Shanley werd door zijn Gouvernement teruggeroepen.
Wij zien uit deze handelwijze van Elias, dat hij geen inmenging van vreemden duldde, en desniettegenstaande werd hem ten laste gelegd, dat hij onder den invloed van Shanley stond. Zekere Röperhoff werd beschuldigd van een ouden slaaf geweldig te hebben laten kastijden; er werd een onderzoek bevolen, en het scheen, dat die beschuldiging eenigzins overdreven was geweest. Men vermoedde, dat Shanley hierin de hand had gehad. Röperhoff zond daarop een adres aan Elias, waarin hij op hoogen toon en op eene zeer onvoegzame wijze aandrong op het noemen van hem, die een dergelijk lasterlijk gerucht ten zijnen aanzien had verspreid, daar hij anders eene actie ter zake van laster en hoon tegen Elias zoude moeten institueren.
Daar Röperhoff in zijn adres den eerbied, dien hij aan den Gouverneur-Generaal verschuldigd was, èn als ingezeten èn als lid van den Kolonialen Raad, uit het oog had verloren, schorste Elias hem in laatstgenoemde betrekking, bij resolutie van 11 September 1843. [1273]
Bij de terugkomst van een der afwezig geweest zijnde effectieve leden van den Kolonialen Raad, had Elias de resolutie van 26 Maart 1842, waarbij o. a. zekere Freudenberg tot tijdelijk lid benoemd was, eenvoudig ingetrokken. Er werd aan Freudenberg geen eervol ontslag verleend, èn omdat hij slechts tijdelijk had gefungeerd, èn omdat hij aan den Gouverneur-Generaal, werkelijk gegronde reden tot ontevredenheid had gegeven.
De leden van den Kolonialen Raad beklaagden zich echter hierover in zeer onvoegzame termen en namen deze gelegenheid te baat, om Elias de belemmering der zoo volstrekt onmisbare huiselijke tucht, zonder welke geen slavenstand denkbaar is, te verwijten [1274].
De Gouverneur-Generaal hield den Minister van Koloniën op de hoogte van het gebeurde; een Koninglijk besluit van 5 October 1843, in de eerste plaats ten gevolge van gebeurtenissen te Curaçao uitgevaardigd, werd mede ter kennisse van den Kolonialen Raad in Suriname gebragt. Bij dit besluit werden de Koloniale Raden gewaarschuwd tegen: het aansporen van ingezetenen tot het onderteekenen en inzenden van adressen of petitiën aan hoogere magten, inhoudende klagten tegen de handelingen der Koloniale gezaghebbers, en tot middellijk of onmiddellijk deelnemen aan dergelijke petitiën, terwijl aan ieder vrij gelaten werd, om, bij individueel adres, eerst aan den raad en vervolgens aan hoogere magten klagten te doen. Die hiertegen handelde, kon door den Gouverneur-Generaal ontslagen of tot ontslag worden voorgedragen [1275].
De Amsterdamsche kooplieden, daartoe door de reactionaire partij in Suriname aangezocht, trokken zich de zaken aan, en vroegen, ofschoon onder eenige verzachtende termen, de terugroeping van Elias [1276].
De Minister J. C. Baud vroeg feiten, waarop de bewering der adressanten: dat de tegenwoordige Gouverneur-Generaal meer hartstogtelijk dan welberaden philantrophische denkbeelden voorstond, en dat in zijne gedragingen de behoudende beginselen werden gemist, steunde [1277].
In een nieuw adres (25 November 1843), merken de Amsterdamsche kooplieden aan, dat de van hunne correspondenten ontvangen berigten, over het algemeen de gesteldheid als zorgelijk voorstellen, en dat die overeenstemming de gewigtigste aller daadzaken was [1278]; zij wilden zich liefst onthouden van eene lange reeks van daadzaken op te noemen; doch maken slechts melding van het gebeurde met Röperhoff, en de inbreuk die de Gouverneur-Generaal maakte op de huiselijke jurisdictie, welke binnen de kolonie van oudsher is gebruikelijk geweest, en zonder welke ook tot een zekeren graad geen slavenstand denkbaar is [1279].
Later wendden de Amsterdamsche kooplieden zich per adres tot den Koning en daar zij hierop geen antwoord ontvingen, leverden zij den 2o October 1844 een nieuw adres in, waarbij zij om antwoord aandrongen, en daarop 11 November 1844 eene afwijzende dispositie van den Minister, als daartoe door den Koning gemagtigd, ontvingen [1280].
In Suriname nam intusschen de spanning toe. De vergaderingen van den Kolonialen Raad, werden niet dan met lange tusschenpoozingen gehouden; de Gouverneur-Generaal bleef van dezelven weg, daar hij in de gegevene omstandigheden met de honoraire leden geene zitting kon en wilde hebben; de Gouvernements-secretaris, die door meergemelde leden in een brief aan den Gouverneur-Generaal gerigt, op eene meer dan onvoegzame wijze aangerand was, verscheen er evenmin om de pen te voeren; terwijl zelfs de Administrateur van finantiën, niet minder met hen in gevoelens verschillende, zich insgelijks van die bijeenkomsten verwijderd hield. Door dit alles ontstond nu eene stagnatie in den loop der zaken. Van den eigenlijken oorsprong evenwel dezer verwarring: het reglement op de behandeling der slaven, vernam men niets meer [1281].
De reactionaire partij in Suriname zocht nieuwe en sterker sprekende beschuldigingen tegen Elias en zij meende die te vinden in het volgende:
De publicatie van Rijk, waarbij het nemen van agio op wissels naar Nederland werd verboden, trof geen doel en was dadelijk door de Nederlandsche regering als tegen goede beginselen van staathuishoudkunde strijdende afgekeurd; zij wilde dit verbod daarom intrekken, doch vond hierin tegenstand bij den Kolonialen Raad; zes maanden daarna bragt Elias de zaak op nieuw ter tafel, aanmerkende dat er steeds in weerwil van het verbod, agio op buitenlandsche wissels werd genomen, en dat (dit is letterlijk in de notulen vermeld) het verbod dus ten dekmantel strekte voor degenen, die in het geheim agio bedingen, zonder die aan de betrokkenen in rekening te brengen. De Koloniale Raad erkende de juistheid dezer aanmerking, doch gaf nogtans in overweging, om, in het belang van het Gouvernement zelf, de intrekking voor als nog uit te stellen, waartoe Elias zich andermaal liet overhalen. In het midden van 1844 zag hij zich evenwel genoodzaakt, om aan dat uitstel een einde te maken.
Hij ontving namelijk bevel, om aan de officieren van het Nederlandsch Eskader in de West-Indiën de vrije beschikking te laten over de wissels, welke zij op het Ministerie van Marine te trekken hadden. Die wissels moesten zij tot dusver krachtens een bevel van den vorigen Gouverneur-Generaal, à pari escompteren bij de West-Indische bank; een bevel waartegen het departement van Marine vertoogen had ingeleverd, als schadelijk èn voor die officieren èn voor zijne begrooting. Nu moest wel gelijk van zelf sprak, het verbod tegen de wisselagio worden ingetrokken, vermits de officieren van Marine niet mogten worden blootgesteld, om ter zake van het verkoopen hunner wissels boven de pari-koers, door het openbaar ministerie te worden vervolgd. Die intrekking had dus plaats en wel bij eene publicatie van 19 Junij 1844 [1282].
Al deze omstandigheden waren te Paramaribo van openbare bekendheid. Men wist dat de Minister van Marine dezen maatregel in het belang zijner geadministreerden had uitgelokt. Men wist, dat er verder niets achter schuilde. [1283]
Nu echter meenden de honoraire leden van den Kolonialen Raad een middel gevonden te hebben, zich op den Gouverneur-Generaal te kunnen wreken; nu hadden zij, hetgeen hun vroeger ten eenemale ontbroken had, een bewijs tegen den Gouverneur-Generaal; en het kwam er nu slechts op aan, om hunne committenten in het moederland te bewijzen, dat deze laatste maatregel van den Gouverneur-Generaal op de geldelijke belangen der Amsterdamsche huizen influenceren zou: de zwakste zijde van deze laatsten moest men derhalve aantasten.
Er werd eene comparitie belegd; en het kostte den honorairen leden van den Kolonialen Raad voorzeker niet veel moeite, om een aantal administrateuren van plantaadjes hun gevoelen te doen omhelzen. Onder laatstgenoemden bevonden zich een effectief en twee provisioneele leden van het geregtshof, en deze beiden werden gekwalificeerd, om van het verhandelde een zoogenaamd proces-verbaal uit te brengen [1284].
Dit stuk is eene aaneenschakeling van onwaarheden. Men veinsde onbekendheid met hetgeen een ieder wist. Men huichelde vermoedens, die bij niemand bestonden. De zaak werd verdraaid, verwrongen, en men beschuldigde de Regering van opzettelijk voornemen, om de waarde van het West-Indisch bankpapier te verminderen. Vele ingezetenen, aan wie men naderhand dat fraaije stuk ter mede onderteekening aanbood, weigerden dit met verachting.
Van dit proces-verbaal werd door Elias een afschrift aan den Minister van Koloniën verzonden; èn om den onbetamelijken inhoud van dat stuk èn om het zich gedragen tegen het Koninklijk besluit van 5 October 1843, werden de honorifieke leden van den Kolonialen Raad en de heeren Penard, H. J. Roux en Pichot l'Espinasse, ongegradueerde leden van het Geregtshof, uit hunne respective betrekkingen ontslagen bij koninglijk besluit van 6 November 1844 en, bij een tweede, provisioneel de vacante plaatsen in den Kolonialen Raad aangevuld, door het aanstellen van Gouvernements-ambtenaren; terwijl aan den Gouverneur-Generaal werd opgedragen de Heemraadschappen te doen vervullen zoo als hij meest oorbaar zou achten [1285].
Deze maatregel veroorzaakte groote sensatie. De daarbij betrokkenen en hunne partij, beschouwden zich zeer verongelijkt--en de Amsterdamsche kooplieden wendden zich eerst nog tot den Minister van Koloniën (27 November 1844) en daarna (21 Februarij 1845) tot de Tweede Kamer, waarbij zij hevige beschuldigingen tegen den Gouverneur-Generaal en tegen den Minister van Koloniën over verregaande autocratie, ja, schennis der grondwet, inbragten.
Werd deze kwestie alzoo in den boezem der Tweede Kamer overgebragt en hadden daarover belangrijke discussiën plaats, ook uit Suriname kwam eene stem, die gansch anders luidde, dan die van de afgezette honorifieke leden van den Kolonialen Raad en van de Amsterdamsche kooplieden. In eene brochure getiteld: Beschouwing van het adres van Bosch Reitz c. s. door eenige ingezetenen der kolonie Suriname, Mei 1845, werd aan Elias regt gedaan, en het gedrag van de partij der reactie in het ware licht gesteld [1286].
Uitnemend wordt in dat werkje wederlegd het door de adressanten omtrent den Gouverneur-Generaal gezegde, dat hij in volslagen isolement verkeerde; dat hij alreeds door zijne antecedenten buiten staat gesteld, door veelvuldige omstandigheden belet werd, om voortaan in de kolonie eenig nut te stichten--dat die wijze van terug getrokken te leven, afgescheiden van allen, die in de kolonie redelijken invloed uitoefenden, en steeds omringd van lieden, die het vertrouwen van het algemeen nooit bezeten of sedert lang verloren hadden, botsing en tweedragt tusschen al de gevestigde authoriteiten te weeg gebragt had, aanranding van de onafhankelijkheid der regterlijke magt; allerwege toenemende ontevredenheid over, en wantrouwen tegen al de handelingen van het bestuur, gepaard met bezorgdheid voor de toekomst, belemmering der onmisbare huiselijke tucht over de slaven, geschokt vertrouwen bij den eigenaar, en door de vereeniging van al die zamenwerkende oorzaken, te midden van de toenemende magteloosheid van het openbaar gezag, schrikbarende waarde vermindering der bijzondere eigendommen.
Al de massa van beschuldigingen, zonder aanvoering van een enkel feit, worden achtereenvolgens ontzenuwd en duidelijk wordt aangetoond, dat de droevige staat van Suriname uit andere oorzaken dan uit de handelwijze van Elias ontstond. De Nederlandsche regering, door het niet voldoen aan hare verpligtingen omtrent de Particuliere bank enz., en de stijfhoofdigheid van de reactionaire partij, die alle verbeteringen tegenwerkte, waren voor een groot deel hiervan de oorzaken; terwijl andere omstandigheden als: groote vuurrampen, niet voordeelige oogsten, daling der koloniale producten, hiertoe hadden medegewerkt.
Eenige publicatiën over het zoo mogelijk weren van besmettelijke ziekten, tot het meer geregeld innen van 's Lands belastingen, ter voorziening tegen lediggang en vagabondage enz., enz., waren achtereenvolgens uitgevaardigd.
Tijdens het bestuur van Elias werden er toebereidselen gemaakt tot de proeve van Europesche kolonisatie aan de Saramacca. Meermalen was deze zaak besproken; in Nederland had men berigten ingewonnen, plannen gemaakt en voorstellen daaromtrent gedaan, alvorens bij het Ministerie van Koloniën het besluit werd genomen, om op 's lands kosten, eene Europesche kolonisatie in Suriname te beproeven, volgens het plan der heeren van den Brandhoff, Betting en Copijn, predikanten te Elst bij Amerongen, Beets en Wilnis.
Voorloopig werden 50 gezinnen, die zich daartoe aangeboden hadden, aangewezen, om met hen de kolonisatie te beproeven.
Bij Koninklijk besluit van 25 Januarij 1843 werd de heer Betting benoemd, om, vergezeld van twee bekwame landbouwers, als voorbereidings-commissie naar Suriname te gaan, ten einde, onder medewerking van het koloniaal bestuur, eene geschikte plek uit te kiezen, om daarop de noodige ontginningen en de stichting van een dorp van 55 huizen te doen bewerkstelligen.
Den 22sten Junij 1843 kwam genoemde heer met drie landbouwers, waarvan een zijn gezin had medegenomen, in Suriname aan.
De ontwerpers hadden hunne keuze bepaald gevestigd op eene landstreek aan de rivier Coppename, niet ver van het toen in volle werking zijnde etablissement van houtvelling Andresa. Eene op die plaats ingesteld onderzoek door Elias, den kapitein Esser, den Administrateur van Finantiën Leers en de commissie, overtuigde allen van het ongeschikte, om aldaar de vestiging te beproeven.
Men wenschte de nederzetting te doen plaats vinden, waar zij buiten aanraking der oude bevolking bleef, uit vrees, dat de aanraking met een door het stelsel van slavernij bedorven maatschappij, nadeelig op de moraliteit der nieuwe landbouwers werken zoude; doch ware dit in principe niet af te keuren, aan den anderen kant, werd hierdoor het doel gemist, om de landbouwende bevolking in de kolonie een goed voorbeeld te geven, het verderfelijk vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen weg te nemen en den landbouw te veredelen.
Verscheidene zeer geschikte punten in de nabijheid van Paramaribo, regtstreeks of zijdelings aangewezen, werden, om bovengenoemd beginsel, verworpen en naar een punt omgezien, waar de aanraking met bevolking ten minste niet groot was.
De Militaire post Groningen aan de Saramacca scheen hiertoe geschikt, en hier zou de nederzetting, behoudens eene volkomen gelijkstelling in burgerschapsregten, eene afzonderlijke huishouding vormen, waarover het koloniaal bestuur slechts een controlerend toezigt zoude voeren, en alzoo, in zekeren zin, een imperium in imperio worden gegrondvest. [1287] Groningen tot punt van vestiging gekozen zijnde, vormde Ds. Betting een plan voor den aanleg van 50 woningen, en 14 akkers grond voor iederen landbouwer: om dit te voltooijen ware eene slavenmagt van 500 zielen noodig geweest. Doch de heer Leers vermeende dit met circa 40 slaven, die later met 15 à 20 versterkt werden, te kunnen doen.
Al spoedig ontstonden klagten over ontoereikende magt, anderzijds over verkeerd gebruik dier magt. In drie en een halve maand werd niets meer uitgevoerd dan het vellen van 50 akker bosch, waarvan ongeveer de helft uitgewerkte en dus niet voor cultuur geschikte grond. Twee der Europesche landbouwers bedierven door onberadene proeven nopens de kracht van hunne gestellen tegen het klimaat, hunne gezondheid. Ds. Betting werd geheel ontmoedigd en wantrouwde aan het welslagen der onderneming.
Verschillende rapporten werden naar Nederland gezonden en voorloopig de werkzaamheden gestaakt. Een Ministerieel bevel tot hervatting der gestaakte voorbereidings-werkzaamheden hield den uitdrukkelijken last in aan Ds Betting, om de aangevangene taak te voltooijen. De verlatene en geïnnundeerde plantaadje Voorzorg, tegenover Groningen gelegen, werd nu tot punt van nederzetting bepaald.
In Julij 1844 werden de werkzaamheden hervat. De bekwame stads-architect J. A. Voigt, ontwierp een plan tot het bouwen van 50 goed betimmerde en op goede voetstukken gestelde woningen, waarvan ieder f 1000 zoude kosten. De administrateur van finantiën, Leers, vond dit veel te hoog; latere door de Gebs. Mesquita (J. J. en L. A.) ingediende plannen, een à f 750 en een à f 600, werden om dezelfde reden verworpen, en in plaats daarvan aan een timmerman Halfhide dit werk opgedragen.
Met primo December 1844 ving Halfhide zijn arbeid aan. Geweldige aanhoudende regens, achterlijkheid in het verstrekken van bouwgereedschappen en materialen uit de stad belemmerden den voortgang van het werk en in plaats van in 26 weken (tegen het begin van Junij 1845 werden de 50 eerste kolonisten verwacht) 50 dezer gebouwtjes daar te stellen, kreeg Halfhide er in 30 weken met veel moeite 23 klaar.
Elias stelde wat te veel vertrouwen in den administrateur van finantiën Leers; deze die niet vele goede vruchten van de kolonisatie verwachtte, wilde het Gouvernement op zoo weinige kosten mogelijk jagen, en behandelde alles op de zuinigste wijze, doch door de te groote zuinigheid van Leers kwam er van het werk der voorbereiding tot ontvangst der kolonisten bijna niets te regt; voor de ontvangst der kolonisten was niet behoorlijk gezorgd, en toch men liet hen komen. De heeren van den Brandhoff en Copijn met 50 huisgezinnen kolonisten vertrokken uit Nederland, en in Suriname dacht men, dat, indien zij er eenmaal waren, alles zich wel van zelf zou schikken. Welke droevige gevolgen de onvastheid van handeling, het gebrek aan genoegzame landbouwkundige kennis bij heeren bestuurders, de zuinigheid van den administrateur van finantiën enz., enz., hadden, zullen wij in het volgende hoofdstuk zien [1288].
De discussiën in de Tweede Kamer over de Surinaamsche kwestie namen een aanvang; doch vóór ze ten einde waren gebragt, had reeds Elias bij herhaling zijn ontslag gevraagd, daar hij moede was langer den strijd voort te zetten met de partij der koloniale reactie, die gesteund door geestverwanten in het moederland, hem in al zijne handelingen ten beste der kolonie, belemmerden. Hij erlangde eindelijk het zoo begeerd ontslag.
Vóór het vertrek van Elias publiceerde hij het Koninglijk besluit van 6 April 1845, waarbij de zes door hem tot het waarnemen der vacante Heemraadschappen gekozene kolonisten, tot leden van den kolonialen Raad werden benoemd [1289]. Z. M. was op voordragt van den Minister van Koloniën, na vernomen loffelijk getuigenis van den Gouverneur-Generaal omtrent hunne geschiktheid en bekwaamheid, daartoe overgegaan; hierdoor hield de provisioneele voorziening, die ook in de Tweede Kamer werd afgekeurd, op.
Bij Koninglijk besluit van 9 April 1845, werd de Administratieve afscheiding der kolonie Suriname van Curaçao en de overige Nederlandsche West-Indische eilanden bepaald; de ingang van den tijd dier afscheiding zou later worden vastgesteld [1290].
Den 21sten April 1845, werd bij Koninglijk besluit aan Elias een eervol ontslag verleend, en zoo zeer verlangde hij om de teugels van het bewind neder te leggen, dat hij zelfs de komst van zijn opvolger niet afwachtte, maar reeds den 16den Julij de waarneming der loopende zaken, tot de komst van den nieuw benoemden Gouverneur, opdroeg aan den Procureur Generaal de Kanter, als oudste lid van den Kolonialen Raad.
Elias verliet de Kolonie, waar hij gepoogd had nut te stichten, doch door vele tegenwerking dit niet had vermogt; hij keerde naar Nederland terug, en leefde sedert dien tijd als ambteloos burger. Hij was verheven boven lof of hoon der wereld; daarom heeft hij zich niet willen verdedigen tegen hetgeen men hem ten laste had gelegd, omdat zijne regtvaardiging eene smet zoude zijn voor iemand, dien hij gaarne sparen wilde. Sedert zijn ongeveer zestien jaren verloopen en--Elias is geregtvaardigd. In Suriname dragen de achtingswaardige mannen, die hem aldaar kenden, hem steeds de meeste achting toe; zijn bestuur wordt door velen met liefde herdacht, en zelfs zijne geduchtste vijanden in de kolonie, geven hem thans de eer van een ervaren, standvastig en onpartijdig Landvoogd.
De reactionaire partij in Suriname, gesteund door Amsterdamsche kooplieden, scheen te zegevieren, daar de verwijdering van den gehaatten Landvoogd hun gelukt was; doch hun zegepraal was niet volkomen, want Z. M. benoemde tot Gouverneur van Suriname den wakkeren Baron van Raders, toen gezagvoerder van Curaçao, en die Landvoogd had reeds overtuigende bewijzen gegeven, dat hij wel de belangen der aan zijn bestuur toevertrouwde bezittingen, met geestkracht en onverzwakten ijver, zocht te bevorderen, maar wars was om eene partij te vleijen, die hare stem verhief tegen de zoogenaamde autocratie der pen, om die, welke de zweep en de spaansche bok tot werktuigen heeft, ongehinderd te kunnen laten bestaan [1291].
In Junij 1845 werden de discussiën over de Surinaamsche aangelegenheden in de Tweede Kamer voortgezet en ten einde gebragt.
Eene commissie, benoemd tot onderzoek der zaak, bragt den 18den Junij haar verslag uit. In dat verslag werd erkend, dat door vroegere Landvoogden willekeurige handelingen waren begaan, doch omtrent Elias aangemerkt, dat geen enkele handeling van dien ambtenaar is bekend geworden, die aanleiding zou kunnen geven, om hem zoodanig te beschuldigen, als de adressanten, (de 46 Amsterdamsche kooplieden) hadden gedaan.
In dat rapport der commissie werd vooral gewezen op het niet nakomen der regering van hare verpligtingen omtrent de Particuliere West-Indische bank, en werd dit door haar van een zoo groot gewigt beschouwd, dat zij in een bij haar Rapport overgelegd concept-adres aan den koning, waarbij de belangen van Suriname aan Z. M. ten dringendste werden aanbevolen, de bereidheid der Tweede Kamer bekend maakte om met Z. M. de vereischte wettelijke maatregelen te nemen, ten einde de koloniale administratie, des noods uit 's Rijks middelen in staat te stellen, om de verpligtingen volkomen na te leven, die in 1829 aan de Particuliere West-Indische bank bij K. B. opgelegd waren.
Een voorstel van eenige leden om den koning bij adres o. a. als de meening der Kamer te doen kennen, dat de hoofdbepalingen of beginsels van het octrooi van 1682 nog verbindende kracht bezaten, vond geen genoegzamen bijval en het concept-adres der commissie werd aangenomen en vervolgens den koning aangeboden.
Als gevolg daarvan kan het Koninklijk Besluit van 1 Julij 1843 worden beschouwd, waarbij besloten werd als oninbaar te doen afschrijven:
a. eene vordering van f 647,212.7 1/3 ten laste van Suriname, wegens nadeelig verschil tusschen de vandaar ontvangen remises en de voor die kolonie gedane betalingen, in de jaren 1837-1842, toen Suriname heette niet gesubsidieerd te zijn, en echter blijkens deze uitkomst eene subsidie ontving;
b. eene vordering als voren van f 35,156.53 waarmede het aan de kolonie Suriname in 1844 verleende subsidie van f 150,000 was overschreden geworden [1292].
Ook ter kwijting der verpligtingen van de Particuliere West-Indische bank en ter gemoetkoming aan het gebrek aan Circulerend Medium werd door de Regering plannen gevormd, die onder het bestuur van van Raders zijn uitgevoerd.
VIJFDE TIJDVAK.
DERDE HOOFDSTUK.