Geschiedenis van Suriname

Part 54

Chapter 543,602 wordsPublic domain

Eene groote sensatie verwekte de uitvaardiging van een Nieuw Reglement voor de schutterij te Paramaribo, op 31 December 1835. Vooral mishaagde de bij artikel 42 bevolen indeeling in vier compagniën, waarvan de eerste zou bestaan uit: gehuwde en weduwnaars, en die, welke schoon niet gehuwd, uit een wettig huwelijk geboren of door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie gewettigd waren; de tweede en derde compagnie uit de ongehuwden, welke uit geen wettig huwelijk waren geboren en niet door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie waren gewettigd geworden; de vierde compagnie uit vrijgeboren en gemanumitteerde negers, hetzij gehuwden, hetzij ongehuwden.

Men vond hierin eene aanranding, eene verguizing van des Burgers regten en de daarstelling van een laakbaar onderscheid tusschen den een en den anderen burger. Deze bepaling greep diep in het Surinaamsch leven in. Het is een betreuringswaardig feit, dat de onwettige kinderen onder de vrije bevolking (bij de slaven wordt volgens de wet des lands geen huwelijk toegestaan) verre het aantal der wettigen overtreffen, en ofschoon niet te sterk tegen die losbandigheid kan worden getuigd, was het zeker zeer onregtvaardig om de kinderen voor de schuld hunner ouderen te doen boeten, door hen te plaatsen in eene afzonderlijke compagnie en alzoo als het ware, te brandmerken; terwijl de schuldige bewerkers daarentegen in eere gehouden en boven hen werden verheven.

Vele burgers bragten met bescheidenheid hunne bezwaren tegen art. 42 en eenige andere artikelen in; de Gouverneur schorste daarop wel de uitvoering, doch (12 Januarij 1836) gaf hij echter bevel aan de Commissie, met de inschrijving voor de schutterij belast, om een register te vormen, waarin de gehuwden en ongehuwden, de wettige en onwettigen, de vrijgeborenen en de gemanumitteerden, ieder afzonderlijk moesten worden ingeschreven, met oogmerk om naar den letterlijken inhoud van het door den Gouverneur-Generaal in overleg met den kolonialen Raad, uitgevaardigde reglement, de schutterij te organiseren.

Deze daad verwekte groote ergernis bij velen en de gisting in de stad vermeerderde, zoodat in de maand Mei 1837 eenige ongeregeldheden plaats vonden. Van Heeckeren bevreesd voor opstand liet de stukken geschut der Fortres Zeelandia en van de ter reede liggende oorlogsschepen tegen de stad rigten. Ligt had bij de toenemende spanning ontzettende gevolgen hebben kunnen ontstaan, zoo de Gouverneur hardnekkig hadde volgehouden, doch hij zelf hiervoor beducht luisterde naar goeden raad, en bij publicatie van 31 Mei werden artikel 42 en verscheiden andere artikelen van het reglement ingetrokken of gewijzigd, zoodat de schutterij bijna weder op den ouden voet hersteld en de gewone koloniale verdeeling in blanken, kleurlingen en negers werd behouden; den 18den, 20sten en 21sten Mei werden de staf- en verdere officieren benoemd of bevestigd [1233].

Deze spanning hield op, evenwel leverde de gang van het beheer, gedurende van Heeckeren de betrekking van Gouverneur-Generaal vervulde, grond tot vele klagten op. Voornamelijk geeft Halberstadt in zijn reeds meergenoemd werkje hieromtrent een ongunstig getuigenis. Door van Heeckeren op onbewezen beschuldiging uit zijn ambt ontslagen, wendde Halberstadt, in het vaderland teruggekeerd, langen tijd vergeefsche pogingen aan om regt te verkrijgen [1234]; hierdoor is misschien de bittere toon, welke in dat geschrift heerscht, te verklaren; mogelijk oordeelt hij hierdoor eenigermate partijdig, doch ook in andere geschriften (uitgegevene en onuitgegevene) wordt een ongunstig getuigenis omtrent de regering van van Heeckeren gegeven. Willekeur heerschte er door den invloed der reactionaire partij, en de door van den Bosch voorgestane milde beginselen werden niet tot ontwikkeling gebragt.

Op den 7den Februarij 1836, werd met veel plegtigheid op het Etablissement voor melaatschen, Batavia aan de Coppename, de aldaar opgerigte R.-C. kerk, toegewijd aan St. Roch, ingewijd [1235].

Den 25sten Junij van hetzelfde jaar werd door van Heeckeren de eerste steen gelegd voor het zoogenaamde stadhuis, zijnde een steenen gebouw, waarin de kantoren van den Administrateur van Finantiën, van den ontvanger, van de gezworen klerken, en van het Collegie van kleine zaken werden geplaatst [1236].

Den 5 Mei 1837 werd de nieuwe Synagoge der Nederlandsche Israëlitische Gemeente, aan de Keizerstraat, plegtig ingewijd [1237].

In 1835 op den eersten April, werd in het kerkgebouw der Evangelische Broedergemeente, het vijftigjarig bestaan der Maatschappij tot Nut van het Algemeen gevierd [1238]; omtrent de werkzaamheden van de Surinaamsche afdeeling dier Maatschappij, die sedert 19 jaren bestond, kunnen wij uit gebrek aan verslagen, weinig mededeelen.

In 1837 werd door eenige ingezetenen besloten tot het daarstellen van een liefhebberij-tooneelgenootschap en tot het oprigten van een tooneelgebouw, waaraan gevolg werd gegeven en op den 5den Mei van het volgende jaar van het tooneelgebouw Thalia de eerste steen gelegd [1239].

Vele klagten omtrent het toenemend verval van Suriname vindt men in verschillende geschriften van dien tijd vermeld; vooral werd ook zeer geklaagd over de toenemende agio op wissels, op nieuw ontstaan door het ophouden van de operatien der P. W. I. Bank. Om hieraan eenigermate te gemoet te komen, werd 18 Mei 1838 gepubliceerd, dat Z. M. het Koloniaal Gouvernement gemagtigd had om, gedurende twaalf maanden, tot een bedrag van f 100,000, aan wissels op het Gouvernement in het Moederland te disponeren [1240].

Van Heeckeren vroeg verlof voor een jaar tot het doen eener reis naar Nederland; dit verlof werd toegestaan en het beleid der regering, tijdens zijne afwezigheid, opgedragen aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal [1241].

Van Heeckeren vertrok den 5den Junij eerst naar Curaçao, alwaar hij reeds den 15den Junij daaraanvolgende overleed [1242].

De Kanter aanvaardde ad interim het bestuur en gaf daarvan bij Proclamatie van 2 Junij 1838 kennis [1243].

Dit interims-bestuur duurde ruim een jaar. Door de Kanter werden eenige publicatiën houdende wijzigingen van sommige reglementen uitgevaardigd, en de invoer van slagtvee aangemoedigd door het voor één jaar vrijstellen van inkomende regten [1244]; en ook werd namens de Kanter ter kennisse van de ingezetenen gebragt, dat Z. M. op nieuw een crediet van f 100,000 verleende [1245].

In den vroegen morgen van den 11den Januarij 1839 werd te Paramaribo een vrij hevige schok van aardbeving gevoeld [1246].

Den 7den Julij arriveerde de korvet Amphitrite, kapitein-luitenant J. F. Tengbergen, aan boord hebbende den Schout bij nacht, Julius Constantijn Rijk, benoemden Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen [1247].

Rijk nam den 16den Julij 1839 het bestuur van de Kanter over [1248]; de toestand van Suriname was ongunstig toen Rijk het bewind aanvaardde en tijdens zijn bestuur verbeterde denzelve niet, ofschoon hij wel gezind en niet van bekwaamheid ontbloot was. Tot aanmoediging van den kleinhandel en tot wering van de daarbij bestaande misbruiken werden verordeningen door Rijk vastgesteld [1249]. De algemeene liquidatie van het voormalig Departement van de Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedelskamer, thans vervangen door een Collegie van Onbeheerde Boedels, met een verantwoordelijken Curator, werd door bepalingen daaromtrent gemaakt, bevorderd [1250].

Een Nieuw Reglement op het Brandwezen in de kolonie werd ingevoerd den 12den Mei 1840 [1251], en verder verscheidene publicatiën van min of meerder belang omtrent een en ander uitgevaardigd.

Door ongunstige weêrsgesteldheid en andere oorzaken stegen de prijzen der levensmiddelen, waardoor velen der geringere volksklasse en de slaven zeer gedrukt werden. Bij publicatie van 9 December 1840 werd o. a. aan den Cipier van Zeelandia veroorloofd het door hem tot dien tijd ontvangen kostgeld voor civiel gegijzelden van f 1.20 tot f 1.50 te brengen [1252]. In het volgend jaar werd de toestand nog ongunstiger, zoodat voor een bos bananen de ongehoorde hooge prijs van f 2, werd betaald. Het kostgeld der zieke, in privé-hospitalen opgenomen, slaven werd toen met 10 pCt. per dag verhoogd [1253]; de invoer van slagtvee werd nu voortdurend vrijgesteld en de uitvoer verboden [1254].

In het laatst van het jaar 1841 hield deze schaarschte op en de vermeerdering van het kostgeld der zieke slaven werd dadelijk ingetrokken [1255].

Nog altijd was het reeds bij de komst van van den Bosch (in 1828) beloofde reglement op de behandeling der slaven achterwege gebleven. Van den Bosch had behalve eenige reeds genoemde, voor dadelijke toepassing vatbare bepalingen, algemeene beginselen vastgesteld, die de grondslagen moesten uit maken van een nieuw slavenreglement, hetwelk door het koloniaal bestuur ontworpen en aan den koning ter bekrachtiging gezonden zou worden.

Het koloniaal bestuur had daarop een reglement ontworpen, hetwelk toen het bij den Raad van State werd onderzocht, bleek veeleer een reglement tegen dan voor de slaven te zijn. Sedert had men wel gedachtenwisselingen daarover gehad, doch men was daarmede tot 1839 nog geen stap verder gekomen. Intusschen had de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana plaats gehad, en men begreep dat men toch eindelijk iets moest doen.

Toen Rijk naar Suriname vertrok ontving hij bevel van den Koning om de zaak tot een eindbesluit te brengen; een nieuw ontwerp van reglement werd vervaardigd en naar Suriname verzonden; doch onder Rijk evenwel kwam deze zaak niet tot stand.

Rijk zag een hoog belang in de medewerking van eigenaren en administrateuren en trachtte die medewerking te verkrijgen. In een brief van den 14den Maart 1842 deelde hij den voornamen inhoud der nieuwe verordeningen aan de individuele leden van den kolonialen raad mede, hen daarbij uitnoodigende en het hoog belang onder het oog brengende, om de eigenaren en administrateuren tot dadelijke en vrijwillige invoering van de hoofdpunten dier verordeningen aan te sporen, zoodat, wanneer het reglement later in den wettelijken vorm zou verschijnen, hetzelve slechts zou bestendigen, wat de eigenaren reeds uit eigene beweging aan de slaven hadden ingewilligd.

Bij dit ontwerp was bepaald, om vooreerst geene speciale ambtenaren te benoemen tot handhaving van het reglement in de districten, en dit geheel te laten aankomen op de goede trouw der eigenaren en administrateuren. Rijk ontveinsde het echter niet, dat, wanneer deze pogingen mislukten, er niets anders zou overblijven dan het benoemen van een slaven-protector met eenige adjuncten [1256].

Er kwam noch van het een noch van het andere iets tot stand; in 1842 werden over dat ontwerp de consideratiën en advijs gevraagd van eene speciale commissie in Nederland. De regering hoopte dat dit onderzoek zou leiden tot eene gewenschte eindbeslissing, doch--gelijk wel te begrijpen was--dit baarde slechts nieuw uitstel [1257]. En toch verbetering van het lot der slaven was zoo hoog noodig; er geschiedden zoo vele wreedheden; men leze daaromtrent de feiten door Teenstra medegedeeld, die daarbij bijzonderheden opgeeft, welke niet te loochenen zijn, doch wier lezing de haren te berge doet rijzen. Wij vermelden ze niet op nieuw, maar halen slechts aan, een door den Minister van Koloniën J. G. Baud in de vergadering der Tweede Kamer van 14 Maart 1843 medegedeeld feit, ten bewijze hoe het toen nog vigerend reglement van 1784 te toegevend was voor hem die de slaven mishandelde. Volgens arrest van het Geregtshof van Suriname van het jaar 1841 werd een vonnis geveld in de zaak van een plantaadje-directeur, beschuldigd van jegens een aantal der aan zijn beheer toevertrouwde slavinnen (waarvan er achttien in het arrest worden genoemd) de huisselijke jurisdictie te hebben misbruikt, tot het bereiken van oogmerken, die de Minister niet noemen wilde, waardoor dikwijls tooneelen van wanorde waren ontstaan. Op grond van het reglement van 1784, werd het schandelijk gedrag van dezen directeur blootelijk gestraft met eene geldboete van f 60,51 H. C. en met verbod om verblijf te houden op de plantaadje, die het tooneel zijner ergerlijke handelingen was geweest. Dit laatste gedeelte der straf heeft eenigen schijn van gestrengheid, vermits het den beklaagde van zijn middel van bestaan schijnt te hebben beroofd; doch dit was ook niet meer dan schijn. Hij zag zich weldra, als directeur op eene andere plantaadje, op nieuw met de roede der huisselijke tucht gewapend, en, op de voordragt van een lid van den Kolonialen Raad, hersteld in eene soortgelijke openbare betrekking, als hij bekleed had in de afdeeling, waaruit hij zich had moeten verwijderen; eene betrekking die onder hare pligten telt, het helpen zorgen voor de goede nakoming van wetten en verordeningen, inzonderheid wat de behandeling der slaven betreft [1258].

Dit hier medegedeelde pleit niet zeer voor de energie van Rijk, om de slaven tegen willekeurige behandelingen te beschermen, daar hij het oor leende aan het verzoek van een lid van den kolonialen raad om dien slavenbeul weder in eere te stellen. Rijk heeft niet veel in het belang dier ongelukkigen kunnen doen. Nieuwe bepalingen omtrent het vanggeld (hatelijke benaming) voor weggeloopene slaven, kunnen daaronder zeker niet worden gerekend. Van f 3 tot f 100 premie werden uitgeloofd voor het vangen en opbrengen van een weggeloopen slaaf, en voor een doodgeschoten weglooper eene premie van f 10 op het vereischt bewijs deswege (wij weten dat hiermede de afgehouwen hand wordt bedoeld [1259].) Evenmin pleit voor zijne energie het besluit waarbij aan de Regtbanken van Hoofd-Ingelanden in de districten Coronie, die uit slaven-eigenaren bestond, de bevoegdheid werd toegekend, om de straffen voor de wegloopers, zonder hooger beroep, toe te passen, en dit alzoo niet langer ter cognitie van het Geregtshof te Paramaribo te brengen [1260].

Na het staken van de operatien der bank was er van lieverlede agio ontstaan op den wissel. In 1841 was die agio reeds 30 à 40 procent. De Administrateurs in Suriname bragten die agio niet altoos in het crediet hunner principalen, en dezen drongen er eindelijk met ernst op aan. Nu haastten de administrateuren zich om een wettelijk verbod tegen de agio te verkrijgen en dit gelukte hun.

Rijk vaardigde den 16den October 1841 eene publicatie uit, waarbij straf werd bedreigd tegen de depreciatie van het bankpapier, of met andere woorden: tegen het nemen van agio op wissels, die op het Buitenland werden afgegeven [1261].

Rijk vermeende op deze wijze het openbaar crediet te bewaren voor verdere schokken; terwijl hij hoopte en daartoe vele middelen bij het Ministerie van Kolonie aanwendde, dat de regering gevolg zou geven aan de niet nagekomen verpligtingen omtrent de particuliere West-Indische bank.

Sommige honoraire leden van den koloniale raad zagen hierin geen heil, ook de regering in het moederland keurde dien maatregel op staathuishoudkundige gronden af, en het gevolg er van was, dat die Administrateuren, die den ontrouwen rentmeester wilden spelen, nu onder den dekmantel van dat verbod, die agio voor zich konden behouden, want de agio bleef bestaan; slechts de officieren der Marine leden hierdoor onmiddellijk verlies, daar zij genoodzaakt werden hunne wissels bij den administrateur van finantiën à pari te escompteren, terwijl zij van particulieren verscheidene procenten maken konden [1262].

Tijdens het bestuur van Rijk werd men tweemaal door brand ontrust. De eerste op 23 September 1839, in het huis van den heer A. Samuels aan de Keizerstraat, veroorzaakte gelukkig weinig schade; die op 31 December 1841 in het fort Zeelandia ontstond, had ontzettende gevolgen kunnen hebben, bij de droogte en vooral door de nabijheid van het Kruiddepôt, doch door spoedig aangebragte hulp werd hij weldra gestuit [1263].

In 1839 beproefde men door de uitgave van een tijdschrift »de Kolonist," toegewijd aan de welvaart van Suriname, de belangstelling voor hetgeen ten goede der kolonie kon strekken, op te wekken; doch die proeve mislukte; slechts een jaargang van 16 nommers bestaat er van; men moest de verdere uitgave staken.

In December van hetzelfde jaar, vormde zich eene Maatschappij ter voorziening in de ordentelijke begrafenis van personen, binnen de stad Paramaribo overlijdende, wier bloedverwanten zich niet aldaar bevonden [1264].

In de maand Maart 1841 werd er een tooneelgezelschap Polyhymnia opgerigt [1265].

Op den 9den Januarij 1842 arriveerde te Paramaribo het prachtig stoomschip Clyde, Luitenant ter zee Woodcraft, komende van Londen, en bestemd voor de Brievenmail [1266].

De abdicatie van Z. M. Koning Willem den eerste op den 7den October 1840, werd bij Publicatie van 5 Junij 1841 den volke bekend gemaakt, en het Generaal Pardon aan alle Militaire gecondemneerden, bij gelegenheid van de troonsbeklimming van Koning Willem den tweede, den 28sten November 1840, uitgevaardigd den 24sten Maart 1841 [1267].

Een Reglement op de verdeeling der kolonie in divisien en ter verzekering van de goede orde en veiligheid in dezelve, was reeds in 1835 bij Koninglijk besluit gearresteerd, met last om dit Reglement, met overleg van den kolonialen Raad, te toetsen aan de bestaande verordeningen, en daarna dadelijk in werking te brengen; doch dit was tot dien tijd toe vertraagd. Rijk verlangde dit voor zijn vertrek, dat aanstaande was, in werking te brengen; hij won het advies van den kolonialen raad, men vaardigde in Maart 1842 eene publicatie uit, waarbij het Reglement eindelijk kracht van wet erlangde [1268].

Den 31sten Maart 1842 droeg Rijk, geroepen tot vervulling der betrekking van Directeur-Generaal der Marine, het bestuur over aan Mr. P. de Kanter, Procureur-Generaal [1269].

Rijk verliet den 5den April daaraanvolgende met de korvet Juno de Kolonie Suriname [1270].

De Kanter voor de tweede keer, als Gouverneur-Generaal a. c. der Ned. West-Indische bezittingen opgetreden, wenschte den kleinen landbouw en veeteelt aan te moedigen. Hij beloofde daartoe premien van f 100 tot f 400 uit aan die ingezetenen, meest vrijlieden of gemanumitteerde slaven, welke zich bij het aanleggen van kostgronden in den omtrek der stad door ijver en doelmatige bewerking van den grond enz. onderscheidden. Verscheidenen dezer lieden trachtten zich op deze wijze een behoorlijk middel van bestaan te verschaffen; terwijl de aankweeking van het zoo onontbeerlijk voedsel (bananen), van aardvruchten of groenten, of ook van tabak, specerijen enz. eene gewenschte zaak was, en deze tak van landbouw ook zeer verdiende aangemoedigd te worden. Ter aanmoediging van het aankweeken van hoorn- of rundvee en schapen werden premien van f 100 tot f 500 uitgeloofd. Vermeerdering en veredeling van den veestapel was zeer noodig, en reeds meermalen, ook o. a. in het landbouwkundig genootschap, was deze zaak besproken; Teenstra had ook daarover in 1832, in eene gehouden rede, belangrijke wenken gegeven.

Sommige ingezetenen hadden verwacht dat de Kanter definitief tot Gouverneur-Generaal zou worden aangesteld, doch het Nederlandsch Gouvernement had zijne keuze daartoe op den heer Burchard Jean Elias, Secretaris-Generaal bij het Ministerie van Koloniën, laten vallen en die keuze kon zeer gelukkig genoemd worden; want Elias was een man wiens kunde, goede trouw, eerlijkheid en standvastigheid gunstig bekend waren, en Suriname had behoefte aan een man, die aan bekwaamheid en eerlijkheid de noodige energie paarde om met kracht verouderde misbruiken aan te tasten, en vooral ook om met ernst het lot der slaven te verbeteren; hij beproefde dit en--ondervond vele tegenwerking.

Elias kwam in November 1842 in Suriname aan en nam den 13den derzelver maand het bestuur van de Kanter over [1271].

Reeds spoedig na zijne aankomst zag hij zich verpligt, om sommige ambtenaren en authoriteiten, die hem trotseren wilden, tot hun waar standpunt terug te brengen, ja zelfs eenige individuen van de in Suriname bestaande magten van zich te verwijderen, aangezien hij weldra de slinksche wegen en middelen begreep, welke zij aanwendden, om hierdoor eene zekeren invloed op hem te verkrijgen, en, ware het mogelijk, zoo doende door hem te heerschen, zoo als wel vroeger in de kolonie had plaats gevonden [1272].

Vooral echter maakte Elias zich gehaat, omdat hij met ernst zich het lot der mishandelde slaven aantrok.

Gelijk wij reeds meermalen deden opmerken: telkens was de invoering van een nieuw slaven-reglement vertraagd. Toen Elias als Gouverneur-Generaal naar Suriname vertrok, werd hem door de Nederlandsche regering opgedragen, om, na plaatselijk onderzoek, een reglement zamen te stellen, hetwelk op de ondersteuning der eigenaren zou mogen rekenen, maar onder herinnering tevens, dat het de pligt der regering was, om zich door geene zwarigheden te laten terughouden van het op een billijken voet, regelen van de betrekking tusschen meester en slaaf.

Elias wenschte den hem opgedragen last trouw te vervullen, doch ondervond hierbij veel tegenwerking.

Sommige Amsterdamsche kooplieden,--met droefheid vermelden wij dat hieronder hoofden van aanzienlijke handelshuizen, die overigens eerbied en achting verdienden, zich bevonden--protesteerden tegen elke wijziging in de bestaande reglementen, zonder vooraf daarop hunne goedkeuring te hebben verleend; zij achtten wijzigingen zonder die goedkeuring, eene inbreuk op hun regt van eigendom, en betwistten het Gouvernement het regt om wijzigingen in de bestaande reglementen te brengen zonder schadeloosstelling aan de eigenaren.

Dit protest door de reactionaire partij in Suriname uitgelokt, werd daarna in de kolonie een spoorslag tot heftigen tegenstand. Enkelen die Elias reeds medewerking hadden beloofd trokken zich nu terug. En echter, er moest een einde aan komen: want de eigenaren en administrateuren hadden nog niet aan den wensch van Rijk voldaan; zij hadden nog geen initiatief genomen. Elias uitte openhartig zijne meening omtrent de behandeling der slaven en joeg hierdoor de kolonisten tegen zich in het harnas. Hij hield het er voor, dat de huiselijke jurisdictie, ingesteld bij het reglement van 1784, reeds eene beperking had ondergaan ten gevolge de verordeningen in 1828 door van den Bosch uitgevaardigd, en dus--zoo als ze somwijlen werd uitgeoefend--onwettig was; terwijl hij anderdeels, na eenige ondervinding, het gevoelen aankleefde, dat, wilde men eenig nut stichten door het nieuwe reglement, men de handhaving hiervan niet aan de Administrateurs en Directeurs maar aan onzijdige ambtenaren moest opdragen. En niet slechts uitte hij deze meeningen, maar hij ging verder: hij wilde grenzen gesteld zien aan de zoogenaamde huiselijke tucht; hij maakte waar zij die grenzen overschreed haar tot een punt van onderzoek en zond de strafregisters naar Nederland, opdat men daar beter dan vroeger omtrent den werkelijken staat van zaken zou worden ingelicht.

In die strafregisters (weekrapporten van den Adjunct-Luitenant van Policie en van den Cipier van het fort Zeelandia) komen er dikwerf 100 zweepslagen voor, die door dienaren der justitie, op aanvrage des meesters, met uitsluiting van onderzoek van derden, werden toegediend. Die ambtenaren, dienaren der justitie, vonden hieruit een groot gedeelte hunner inkomsten en het tarief der emolumenten klom met het getal der slagen. Elias meldde aan de Nederlandsche regering dat het getal slagen met tamarinde roeden wel eens twee tot drie honderd bedroeg, alvorens hij de grenzen der huiselijke tucht tot een punt van onderzoek had gemaakt, en toch wordt hem in de adressen der Amsterdamsche kooplieden verweten, dat hij de onmisbare huiselijke tucht onder de slaven belemmerde.