Part 53
Een te Suriname geconcipieerd reglement op de Manumissie der slaven werd door Z. M. goedgekeurd en bij publicatie van den 23 Maart 1832 in werking gebragt [1215]. Voor ieder gemanumitteerde boven de 14 jaren moest f 500, en beneden de 14 jaren f 300 als borgtogt door den meester worden gestort, waaruit, indien de gemanumitteerde tot armoede mogt vervallen in zijne alimentatie werd voorzien; ook moest het bewijs worden geleverd, dat hij in eenig erkend kerkgenootschap was opgenomen. De gemanumitteerde had aanspraak op alle Burgerlijke en Staatkundige regten, doch bleef tijdens zijne minderjarigheid onder voogdij van zijns vroegeren meesters.
In October 1832 werd eene gezondheids-commissie ingesteld, mitsgaders eenige maatregelen genomen voor het geval dat de Cholera Morbus, die toenmaals in Europa heerschte, zich in de kolonie mogt openbaren [1216].
Suriname bleef genadig van de Cholera verschoond, doch eene andere ramp echter trof de kolonie in den nacht van den 3 op den 4 September 1832, namelijk eene hevige brand, die een aanzienlijk gedeelte der stad Paramaribo verwoeste.
Na den noodlottigen brand van 1821, waardoor de stad voor een groot gedeelte in de asch werd gelegd, was de opbouwing der verbrande perceelen wel langzaam voortgegaan, o. a. was de kerk der Hervormde Gemeente nog niet herbouwd; evenwel prijkten op het verbrande terrein reeds weder sommige fraaije nieuwe woon- en pakhuizen, zij- en achtergebouwen, vooral tusschen de Knuffelsgracht en de Joden Breestraat, waar de brand in 1821 gestuit was. Dan helaas in den nacht van den 3 op den 4 September werd laatstgenoemd schoon en rijk gedeelte door de vlammen vernield, en met eene ongelooflijke woede sloeg het vuur over de 88 voet breede Joden Breestraat in de huizen aan de andere zijde; zoodat de gebouwen, welke zich tusschen de Joden Breestraat, de Steenbakkersgracht en de Maagdenstraat bevonden, allen, op een huis na, verbrandden of zware beschadiging ontvingen. De kerk en pastorie der Luthersche Gemeente werden mede eene prooi der vlammen; de kerk der Moravische broedergemeente, ofschoon in groot gevaar verkeerende, bleef echter bewaard.
Te zamen waren 46 woonhuizen verbrand en 13 afgebroken of zwaar beschadigd; zijnde het getal der zij- en achtergebouwen voorzeker driemaal meer geweest. De schade aan roerende en onroerende goederen geleden werd op f 800,000 geschat. Verlies aan menschenlevens had men bij deze brand niet te betreuren; ook waren er weinig goederen ontvreemd, indien men de daartoe zoo menigvuldige gelegenheid in aanmerking neemt.
De brand was ontslaan in een winkelhuis van den heer Mozes Nunes Monsanto; voor en aleer het huis van den heer Monsanto in volle vlam stond, ontwaarde men reeds brand in de achtergebouwen van de belendende huizen, terwijl de vlam met een ongelooflijke snelheid en verbazende woede van het eene tot het andere huis oversloeg. Het drooge saisoen, de groote voorraad van brandbare koopmansgoederen, in de pakhuizen der kooplieden aanwezig, zoo als: olie, pik, teer, loodwit, sterke dranken, terpentijn en zelfs buskruit, dit alles gaf het vuur een vreesselijk voedsel: zwarte rookkolommen van eene ontzagchelijke hoogte stegen onder een schrikkelijk gedruisch der vlammen en het noodgeschrei van eene menigte van have en goed beroofd wordende ingezetenen ten hemel. De geheele lucht was als met een zwart rouwfloers, onder hetwelk een ijsselijk licht flikkerde, overdekt; wijd en zijd verspreidde zich een vuurregen met vlammende lichten en een schrik en angst aanjagend geknetter, onder verschillende winden, over de geheel van hout gebouwde huizen der stad, die dezelve niet alleen dreigden eene prooi der vlammen te maken, maar ook zelfs op afgelegen plaatsen sommige daken, met hout of zoogenaamde singels gedekt, der huizen deed ontvlammen, welke niet dan door spoedig aangebragte hulp voor geheele vernieling gewaard bleven.
De verbazende hitte dreef de tot hulp toegesnelde menigte op een te grooten afstand, om duurzaam werkzaam te kunnen zijn bij het afbreken der onder den wind staande huizen; evenwel bij het aanbreken van den dageraad, op den volgenden morgen, werd men eindelijk den brand meester. Het vaardig daarstellen van een brandpad, waarbij, ten einde de overlooping van het vuur voor te komen, alle brandbare stoffen werden weggedragen en de grond zelfs van de kleinste stukjes hout gezuiverd, werd onder den zegen van God, met een gelukkig gevolg bekroond. Militairen en matrozen, burgers en slaven beijverden zich de woede der vlammen te stuiten; twee dagen en twee nachten werd de dienst bij de brandspuiten waargenomen. Door wijkmeesteren werd in de onderscheidene wijken der stad met eene lijst en een armbus rondgegaan, ter inzameling van het bijdragen voor de noodlijdenden ten gevolge van dezen brand, welke collecte de som van f 3,843.10 heeft opgebragt.
In het eerst was men algemeen van gevoelen, dat de brand door een noodlottig toeval of onvoorzigtigheid was ontstaan. Toen echter kort daarna in onderscheiden gedeelten der stad een begin van brand werd ontdekt, dat gelukkig telkens in tijds werd gebluscht, begon men te vermoeden, dat boosaardig opzet en kwaadwilligheid in het spel waren. De Gouverneur-Generaal vaardigde daarop eene notificatie uit, waarbij eene premie van f 5000 voor elken vrijen persoon en den vrijdom, benevens eene premie van f 2000 voor en ten behoeve van elken slaaf, werd uitgeloofd, die den schuldige of de schuldigen aangaven of opspoorden en in handen der justitie overleverden.
Het bleek weldra dat het vermoeden van brandstichting gegrond was. Vier jeugdige negers, Cojo, Mentor, Present en Frederik waren uit vrees voor straf hunne meesters en meesteressen ontloopen. Cojo in dienst bij eene vrije negerin Peggie genaamd, had bij het verkoopen van door hem, op last zijner meesteres, uitgevente broodjes 2 1/2 cent te weinig ontvangen, en eene geduchte kastijding voorziende, durfde hij niet tot zijne meesteres terug keeren; Frederik, 16 jaren oud, die door zijne meesteres, de gestrenge en hardvochtige Jodin Samson, rondgezonden was, om koekjes te verkoopen had eenige centen (8 cent) verloren, en even als Cojo bevreesd voor een bloedig pak, vlood hij in het bij Paramaribo gelegen bosch; twee andere jonge slaven voegden zich hier bij hen, en eindelijk bevonden zij zich met hun zessen in gemeld bosch, en werden in hun voornemen om weg te blijven door een ouden neger Tom versterkt en aangemoedigd.
In deze hunne schuilplaats konden zij echter niets bekomen, en door een onwederstaanbaren honger naar de stad gedreven, wilden zij trachten, om het even hoe, zich voedsel te verschaffen.
De honger, een zoo scherp zwaard, dreef hen tot het stelen van eetwaren in de buitenbuurten, welke te bemagtigen toen nog alleen hun doel was; doch overal bespied, verjaagd en als wild roofgedierte nagezet wordende, namen wrevel en menschenhaat toe; en daarbij door den nood gedrongen middelen uit te denken, om spijs te bekomen, rijpte bij hen het verschrikkelijke plan om brand te stichten bij den Jood Monsanto, die in zijn winkel een grooten voorraad zoutevisch en pekelvleesch had, ten einde bij de algemeene ontsteltenis eten te kunnen stelen. In het proces worden ook nog van andere grootere plannen dier wegloopers gewaagd, die echter niet meer dan grootspraak bleken te zijn.
De aanleiding tot deze vreesselijke misdaad was dus vrees voor straf wegens het verlies van eenige weinige centen.
Het ligt buiten ons bestek, om uitvoerig mede te deelen hoe de schuldigen in handen der justitie geraakten of den loop van het tegen hen gevoerde proces te beschrijven. Teenstra heeft in zijn werk »de Negerslaven in de kolonie Suriname," een en ander reeds uitvoerig behandeld en uit dat werk nemen wij de voornaamste feiten daaromtrent, soms met zijne eigen woorden, over.
Wij vermelden dus nog slechts, dat het Openbaar Ministerie, waargenomen door den heer de Kanter, Procureur-Generaal, eischte, dat: Cojo zou gehangen, het hoofd daarna afgehouwen en ten toon gesteld worden; de andere schuldigen en medepligtigen met tamarinde-roeden gegeeseld en twee hunner Mentor en Present daarenboven gebrandmerkt en die allen voor langeren of korteren tijd, in bandietenboeijen geklonken, tot dwangarbeid zouden worden verwezen.
Het Geregtshof vermeende dat deze straf niet zwaar en afschrikkend genoeg was, en in naam des Konings regt doende, veroordeelde het Cojo, Mentor en Present levend te worden verbrand; Winst en Tom te hangen en de overige strengelijk met tamarinde-roeden te doen geeselen, in bandietenboeijen te klinken, enz.
Dit vonnis werd op Zaturdag den 26 Januarij 1833 ten aanschouwe van eene talrijke menigte ten uitvoer gelegd. Wij onthouden ons van verdere beschrijving van deze executie, die stuitend voor het menschelijk gevoel, een treffend voorbeeld oplevert, hoe het stelsel der slavernij de eischen van godsdienst en menschheid miskent, en onder voorwendsel van een exempel tot afschrikkend voorbeeld te stellen, in de negentiende eeuw, in eene Nederlandsche kolonie, geregtelijk wreedheden deed plegen, waarvoor de menschheid gruwt.
Spoedig begon men het nu laatst verbrande gedeelte der stad op te bouwen. Tot aanmoediging der ingezetenen, om de afgebrande huizen zoo spoedig mogelijk weder te doen opbouwen werd door het Gemeente-bestuur bepaald, dat de nieuw opgebouwde huizen 6 jaren vrijdom van belasting zouden erlangen; die geheel van steen of klei werden opgetrokken, 25 jaren [1217]. De herbouw der Luthersche kerk werd door den Stads-Architect C. A. Roman voor eene som van f 28,500 aangenomen; die der Hervormde Gemeente voor f 55,000; beide Gemeenten werden door aanzienlijke bijdragen van liefdegiften uit het moederland hiertoe in staat gesteld [1218].
In den nacht van den 17den op den 18den Mei deszelfden jaars 1833, ontstond er brand op de plantaadje Waterloo in het district Neder-Nickerie; de daardoor veroorzaakte schade werd op ruim f 70,000 geschat [1219].
De gevolgen van de Belgische revolutie en daarmede in verband staande verwikkelingen met Engeland en Frankrijk deden zich ook in de Kolonie gevoelen. Het den 2den Januarij 1833 op alle Nederlandsche schepen, uit hoofde van de vijandelijke gezindheid der genoemde mogendheden jegens Nederland, gelegde Embargo belemmerde den handel geweldig, en, terwijl de producten der Kolonie niet geregeld konden worden uitgevoerd en de landbouw hierdoor werd gedrukt, werden door verminderden aanvoer ook de levensmiddelen schaarsch en duur [1220].
De kolonie werd in staat van verdediging gesteld, en de leden der schutterij bezetten het fort Zeelandia, de sleutel der stad Paramaribo. Bij proclamatie van 28 Mei 1834 werden den ingezetenen van Suriname dank toegebragt voor de moeijelijkheden en opofferingen, die zij zich daarbij hadden getroost [1221].
Reeds waren van tijd tot tijd door de Koloniale regering, bij onderscheidene publicatiën, veranderingen en wijzigingen gemaakt betreffende het Regerings-reglement van 1828, waarbij aan de duidelijkheid niet veel werd gewonnen, daar de eene bepaling met de andere soms in lijnregte tegenspraak was Als een bewijs hoe men een vast beginsel mistte, noemen wij alleen, dat de regtspleging ten aanzien van misdrijven in 1830, bij publicatie werd bepaald, dat dezelve in 1831 gewijzigd, in 1832 op nieuw veranderd, en in 1834 zoogenaamd vereenvoudigd en later weder door andere bepalingen daaromtrent werd vervangen.
Vereenvoudiging in het bestuur der Kolonie was ongetwijfeld zeer gewenscht; want het onderhoud van een legio ambtenaren, waarvan sommige weinig te doen hadden, veroorzaakte enorme kosten, waartoe hooge belastingen noodig waren, terwijl men onder bergen van reglementen, ordonnantiën en publicatiën, bij herhaling gealtereerd en geamplieerd, als begraven was. Men beproefde dan ook die vereenvoudiging, en een Nieuw Regerings-reglement, werd, bij koninglijk besluit van 9 Augustus vastgesteld en den 3den December 1832 in de Kolonie gepubliceerd [1222].
Men was in de zamenstelling van dit reglement echter niet zeer gelukkig geweest, want dit zoogenaamde middel ter vereenvoudiging maakte de zamenvoeging van onderscheidene autoriteiten noodzakelijk, en--hierdoor werden de, bij het Regerings-reglement van 1828 gescheiden magten: die der wetgevende, regterlijke en uitvoerende, weder meer vereenigd. Ofschoon die zamensmelting in genoemd regerings-reglement niet is uitgedrukt, en men het, op goede gronden, daarvoor moet houden, dat zulks nimmer de bedoeling van Z. M. is geweest, zoo is evenwel die zamensmelting een uitvloeisel van sommige bepalingen dier wet, of met andere woorden gezegd, de bepalingen dier wet hebben tot het misbruik aanleiding gegeven.
Volgens het Nieuwe regerings-reglement berustte, even als vroeger, het hoogste gezag bij den Gouverneur-Generaal. Tot het beleid der regering stond hem een koloniale Raad ter zijde, die zamengesteld zou zijn, uit: den Procureur-Generaal, den Administrateur van Finantiën (nieuwe titel voor dien van Controleur-Generaal van Finantiën) en uit zes van de aanzienlijkste ingezetenen, die de eerste maal door den Koning zouden worden benoemd, de volgende keeren, uit eene nominatie van drie personen, door het Collegie zelve opgemaakt. Een weinig meer invloed dan bij het reglement van 1828, waarbij alleen ambtenaren den Hoogen Raad uitmaakten, werd alzoo den ingezetenen op de wetgevende magt toegekend. De Koloniale Raad was eene flaauwe afschaduwing van het vroegere Hof van Policie; eene zeer flaauwe echter, want slechts in betrekkelijken zin was het een wetgevend Collegie.
»De Koloniale Raad met geen ander oogmerk ingesteld zijnde, dan om den Gouverneur-Generaal, waar hij zulks noodig mogt achten, te adviseren en voor te lichten, zoo zullen diensvolgens in de vergaderingen van denzelven geene onderwerpen in deliberatie worden gebragt, dan welke tot een der genoemde einden door den Gouverneur-Generaal zullen worden voorgedragen" (art. 10).
»Doch was de invloed dezer zes honorifieke leden van den Kolonialen Raad niet buitengewoon gewigtig in betrekking tot de wetgevende magt, daarentegen werd hun een belangrijk gedeelte der uitvoerende toegekend, door dat hun als Heemraden, onder den Gouverneur-Generaal, het bestuur over de buiten-districten werd opgedragen (art. 44, 45 en 46).
Tevens oefenden zij eene regterlijke magt uit:
»Voor zoo verre twee of meer Heemraden daartoe in bijzondere gevallen door den Gouverneur-Generaal zullen worden gecommitteerd, zullen dezelve eene gedelegeerde Regtbank uitmaken, zoo dikwijls de verstoorde rust of oproerige bewegingen in de buiten-districten eenig regterlijk onderzoek mogt noodzakelijk maken."
»Deze Regtbank, bij welke de Procureur-Generaal het Regt der Hooge Overheid zal waarnemen, zal de plano en buiten figuur van proces dit onderzoek te werk stellen, en zoodanige straffen mogen opleggen, als waartoe Commissarissen tot de kleine zaken bevoegd zijn" (art. 47). Als zoodanig bezaten dus de leden van den Kolonialen Raad eene wetgevende, uitvoerende en regterlijke magt [1223].
De regtspleging zou worden uitgeoefend door het Geregtshof der kolonie Suriname, zamengesteld uit: een President, en drie leden, allen Meesters in de regten en vier leden uit de ingezetenen, die hiertoe geen regterlijken graad behoefden te bezitten, een Griffier en een Adjunct-Griffier.
De Regtbank van kleine zaken werd opgeheven, terwijl de zaken vroeger aldaar beregt, zouden worden opgedragen aan eene Commissie bestaande uit een der gegradueerde leden als President en twee gewone leden, geassisteerd door den Adjunct-Griffier. Die Commissie werd jaarlijks door den Gouverneur-Generaal benoemd, en door die jaarlijksche benoeming oefende de uitvoerende magt (de Gouverneur-Generaal) eenigermate invloed op de regterlijke uit.
Het beheer der Finantiën bleef, als vroeger, onder oppertoezigt van den Gouverneur-Generaal, berusten bij den ambtenaar, die nu den titel van Administrateur van Finantiën voerde.
Het Gemeente-bestuur voor Suriname werd afgeschaft en de Commissiën tot de zaken der Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedels-Kamer, vroeger door leden van hetzelve waargenomen, opgedragen aan eene Commissie, bestaande uit de Gouvernements-secretaris en twee leden van het Geregtshof [1224].
De Gouvernements-secretaris, welke, volgens artikel 12 van het Reglement in de vergaderingen van den Kolonialen Raad moest assisteren en de pen voeren, werd door latere bepalingen en voorschriften een persoon van gewigt en oefende vrij wat uitvoerende magt uit.
Behalve toch de reeds genoemde betrekking van President der Commissie van de zaken der Wees-, Curatele en Onbeheerde Boedels-Kamer werd aan hem de functien opgedragen, die behoorden tot de ingetrokken betrekking van den Raad Controleur der Inlandsche bevolking, zoo in betrekking tot de slaven, boschnegers en Indianen, als die van praesis van het Collegium Medicum, van de Commissie tot de Melaatschheid en van de Hoofdcommissie tot het Gezondheidsbestuur [1225].
Uit een en ander omtrent het Regeringsreglement medegedeelde blijkt genoegzaam, dat hetzelve veel aanleiding tot misbruiken gaf; want aan de eene zijde, bepaalden de wetgevers (in betrekkelijken zin toch kon men den Kolonialen Raad als zoodanig beschouwen) zelve, hetgeen zij aan den anderen kant, als uitvoerders (Heemraden) moesten uitrigten of doen bewerkstelligen; zij konden dus ook alle bepalingen uitleggen, beperken of uitbreiden naar mate hun gezag of belang zulks vorderde. Vooral omtrent de bescherming der slaven was dit Nieuwe Reglement veel minder krachtig dan dat van 1828, en bespeurt men hier duidelijk den invloed van de reactionaire partij.
Het reeds bij het adres in 1830 als te mild aangehaalde artikel 117 kwam hier niet meer voor; de betrekking van Raad-Commissaris voor de Inlandsche bevolking, o. a. bepaald met de bescherming der slaven belast, was ingetrokken en hoewel men in artikel 72 leest: »De slavenbevolking wordt aan de bijzondere bescherming van de koloniale regering aanbevolen" getuigt van halfheid, de 2de alinea van hetzelfde artikel: »zij zal steeds de doelmatigste middelen aanwenden, om, voor zoo verre zulks zonder inbreuk op regten der eigenaren, en zonder de rust en veiligheid der kolonie in de waagschaal te stellen, geschieden kan, den toestand der slaven te verbeteren, en aan derzelver welzijn bevordelijk te wezen".
De tusschenzin hier door ons cursief gesteld, beneemt immers alle kracht aan die door de regering beloofde bescherming. De Hooge Regering betoonde zich hierbij zwak; zij had meer gehoor verleend aan de drogredenen der slavenmannen, dan aan de stem van menschelijkheid en regtvaardigheid.
De werken van Teenstra en anderen getuigen hoe vele mishandelingen jegens slaven straffeloos werden gepleegd, en--al ware het ook dat door sommigen een betere handelwijze werd gevolgd, zoo voldeed de Hooge Regering niet genoegzaam aan den pligt van iedere goede Regering om de zwakken te beschermen: bepaaldelijk was er achteruitgang in deze tusschen 1828 en 1832. Ook over de slavenreglementen vernam men in langen tijd niets.
En toch eene betere behandeling der slaven zou in het belang der kolonie hebben gestrekt. Gestadig vonden desertiën plaats, en in de laatste jaren werden weder eenige plantaadjes door de wegloopers aangevallen. Een togt door de Aucaner-boschnegers naar het beruchte weglooperskamp Kraboello in 1834 ondernomen, werd met een gunstigen uitslag bekroond. De Aucaners doodden vier der Marrons en namen vier anderen gevangen. In September 1835 werden meerdere expeditiën uitgezonden; eene patrouille aan welks hoofd zich de Burger tweede Luitenant Montecattini bevond, ontdekte een kamp en vernielde het; terwijl de wegloopers gedeeltelijk sneuvelden of in handen hunner vervolgers vielen. Men deed liever boschtogten die veel geld kostten en waarmede doorgaans vele wreedheden gepaard gingen, dan dat men trachtte door een goede behandeling der slaven de desertie te voorkomen [1226].
In 1834 werd, ten behoeve van de kolonie, in Noord-Amerika gebouwd, en vervolgens in koloniale dienst gesteld, de schoener Henriette Elisabeth; terwijl in 1836, door den Ingenieur Thomas Keen, een stoomvaartuig, genaamd Willem de Eerste, werd gebouwd en bestemd voor de vaart op de binnenwateren. In November 1837 werd een tweede schoener, de Beschermer, door het koloniaal Gouvernement gebouwd [1227].
De Communicatie werd door het in de vaart brengen dezer vaartuigen veel verbeterd, zoodat de hiertoe benoodigde geldsommen werkelijk tot nut der kolonie verstrekten; sommige kolonisten beklaagden er zich echter over, dat men bij den ongunstigen staat der finantiën te veel kosten hieraan had besteed, daar zij vermeenden dat men hetzelfde doel: verbeterde communicatie, met minder kosten had kunnen bereiken. Vooral echter werden, met regt, luide klagten aangeheven over de groote sommen, die aan de vertimmering van het Gouvernements-gebouw werden besteed. Reeds onder bestuur van de Veer was het geheel vertimmerd, zoodat het daarna het Nieuwe Gouvernements-gebouw werd genoemd, en desniettegenstaande liet van Heeckeren hetzelve in Maart 1834, voor een groot gedeelte afbreken, om het veel fraaijer, en ook alleen daarom te doen opbouwen. De laatste verfraaijing moet de koloniale kas ongeveer twee tonnen gouds hebben gekost [1228].
In 1835 genoot Suriname het voorregt van Prins Hendrik der Nederlanden, destijds Adelborst 1ste klasse, in de kolonie te zien. Z. K. H. kwam onder geleide van den kapitein ter zee Arriens, met het fregat de Maas en Z. M. brik de Snelheid, gecommandeerd door den kapitein luitenant ter zee Ferguson, den 24sten Junij 1835 te Paramaribo aan en vertoefde in de kolonie tot den 6den Julij.
Onderscheidene feesten werden gegeven en Suriname's ingezetenen toonden hunne liefde en gehechtheid aan Oranje op ondubbelzinnige wijze. Tijdens het verblijf van den Prins werd op den 5 Julij de nieuw gebouwde kerk der Hervormde Gemeente door den predikant A. Roelofs plegtig ingewijd, waarbij Z. K. H. tegenwoordig was [1229]; ook legde de Prins den eersten steen van de nieuwe Hoogduitsche synagoge te Paramaribo (een zeer ruim en fraai gebouw) [1230].
Dat men in het algemeen en de hooge Autoriteiten in het bijzonder zich beijverden om den Prins al het fraaije te laten zien en het minder gunstige voor hem verborgen te houden, wordt door Teenstra medegedeeld, en Halberstadt verhaalt in zijn werkje »Vrijmoedige gedachten over de oorzaken van den tegenwoordigen staat van verval der kolonie van Suriname" o. a., dat toen Prins Hendrik zich in Suriname bevond, een zestigtal Engelsche grond- en goedbezitters aldaar, zich vereenigd hadden, om den jongen Vorst een adres van hulde en eerbetuiging aan te bieden. De door hen uit hun midden benoemde Commissie werd echter, op beleedigende wijze, de toegang ontzegd, onder het schrale en zich zelf tegensprekende voorwendsel: dat het aanstaande vertrek van den Prins, Z. K. H. tot de ontvangst geen tijd overliet; terwijl elkeen wist dat de waterstand der rivier dat vertrek nog onmogelijk maakte. »De vrees," schrijft Halberstadt, »dat er op die audiëntie waarheden zouden gezegd worden, was er niet vreemd aan" [1231].
Onderscheidene publicatiën betreffende min of meer belangrijke zaken werden van tijd tot tijd uitgevaardigd; eene der belangrijkste was die van 19 November 1834, waarbij een Nieuw Reglement op het lager schoolwezen en onderwijs in werking werd gebragt. Het onderwijs moest zoo veel mogelijk, op de wijze als in Nederland, klassikaal worden gegeven; het godsdienstig onderwijs moest zich bepalen bij de Bijbelsche Geschiedenis en de zedekundige lessen, in dezelve vervat, met zorgvuldige vermijding van hetgene met de begrippen van eenig erkend kerkgenootschap zoude strijdig zijn, en mitsdien de Geschiedenis des Nieuwen Testaments alleen des Zaturdags kunnen behandeld worden; ook moesten geene schoolboeken worden gebruikt, die eenigen aanstoot aan de eene of andere Godsdienstige gezindheid konden geven [1232].