Part 52
Uit eene redenering in 1845 van den toenmaligen Minister van Koloniën Baud blijkt, dat de regering vruchteloos naar een bankier in Nederland, genegen om drie millioen ter beschikking van die bank te houden, had gezocht, en toen de eerste voorschotten uit andere (niet genoemde) fondsen had gedaan [1196]. Dat het eer eene Gouvernements-bank kon worden genoemd toonde de zamenstelling van het bestuur; de Hoofd-directie toch bestond uit: den Gouverneur-Generaal, den Procureur-Generaal, den Controleur-Generaal en twee bezoldigde Commissarissen, een vasten Secretaris, benevens het noodige getal Ambtenaren en klerken. Ook andere omstandigheden deden haar met regt als eene staatsinrigting beschouwen. De regering noemde haar echter niet bepaald eene staatsbank, daar zij immer hoopte een bankier te vinden, waardoor zij werkelijk Particuliere bank kon worden.
In Suriname begroette men, zonder zich veel over die tweeslagtigheid te bekommeren, de oprigting der bank met blijdschap. Onmiddellijk werkte zij gunstig ten verbetering van den geldsomloop, dat dan ook zeer gewenscht was, want de in 1827 ter vervanging van de zeven millioen Surinaamsch kaartengeld ingevoerde Brusselsche bankbilletten en specie ten bedrage van f 2,400,000 was in den korten tijd van twee jaren reeds tot f 1,600,000 verminderd. Van de gelegenheid om geregeld twee maal per week wissels op Holland te verkrijgen, zonder betaling van agio, werd ruimschoots gebruik gemaakt; zoodat van 1829 tot 1831 voor f 1,260,000, meer wissels door de bank werden getrokken dan overgemaakt.
Het gronddenkbeeld van van den Bosch, bij het oprigten der bank, was om eene productie te scheppen niet toebehoorende aan afwezige eigenaars: 1o door het aflossen van Nederlandsch hypotheken, waartoe de bank de fondsen zou voorschieten; 2o. door het aanleggen eener groote suikerplantaadje voor rekening der bank; doch dit denkbeeld werd niet geheel verwezenlijkt; want het blijkt niet dat er bepaalde aflossing van Nederlandsche hypotheken plaats heeft gevonden. Evenwel werd de landbouw gebaat door het verschaffen van gelegenheid tot het opnemen van gelden ter verbetering van werktuigen als anderzins op plantaadjes. In de jaren 1829 en 1830 werden door de Particuliere W. I. bank aan een twaalftal personen eene som van f 1,200,000 beleeningen gedaan.
Negen dier geldopnemers leverden het bewijs, dat de heilzame bedoelingen van Z. M. op goede gronden rustte, en met gunstige gevolgen konden worden bekroond. Onderscheidene suikerplantaadjes kwamen daardoor in bloei; terwijl andere als uit de asch van verlaten koffij en katoengronden, met vollen luister verrezen en in bloei toenamen; doch omtrent de drie andere geldopnemers, kan niet een even gunstig getuigenis worden afgelegd. De Directie der bank had bij het gehoor verleenen aan de laatst gemelden niet slechts alle voorzigtigheid uit het oog verloren, maar zelve tegen den geest der bepalingen gehandeld, daar zij aan drie personen belangrijke kapitalen voorschoot, wier effecten de waarde daarvan niet bezaten, en die, uit hoofde van hunne enorme schulden, bij geen burger crediet hadden; ten bewijze waarvan diene, dat de tusschenkomst van Commissarissen der bank vereischt werd, om door acceptatiën van de schulden der geldopnemers, hunne hypotheken te doen doorgaan.
De directie was dus overtuigd, dat de drie bedoelde geldopnemers geen oogmerk hadden, om eenige verbeteringen aan hunne plantaadjes te brengen, maar het voorschot der bank slechts wilden bezigen, om hunne schulden tot een goed geheel te brengen; de Directie wist dus dat hier misbruik van de goede bedoelingen van Z. M. zou worden gemaakt, en, in plaats van zulks, volgens het advies van Commissarissen tegen te gaan, heeft zij alleen om staatkundige redenen, aan die aanvraag voldaan.
Dergelijke onvoorzigtigheden bragten de Bank groot nadeel toe, en waren eenigmate mede oorzaak, dat in de laatste helft van het jaar 1830, de bank, op last van hooger gezag, opgehouden heeft, om beleeningen te doen.
Hierdoor werd de hoop van vele eigenaren en van velen, welke middellijk of onmiddellijk bij verbetering of uitbreiding van landbouw belang hadden, ten eenemale vernietigd.
De groote Gouvernements-suikerplantaadje Voorzorg, die tevens een der steunpilaren der bank moest worden, werd spoedig verlaten, en dit--op aandrang der kolonisten zelven. Die onderneming toch werd door hen als gevaarlijk afgeschilderd, omdat zij het vereenigingspunt worden moest van de zoogenaamde vrije gouvernements arbeiders (menschen van prijsgemaakte slavenschepen genomen, en door het Gouvernement in dienst genomen, doch niet veel beter dan slaven behandeld), die men veiligheidshalve--zoo heette het--liever verspreid, dan bij elkander te werk gesteld zag.
Met het ophouden der beleeningen ontstond een ander kwaad, namelijk het niet in circulatie brengen van het bankpapier. De bank ontving jaarlijks uit de koloniale kas eene som van f 150,000, was zij nu voortgegaan met het doen van doelmatige beleeningen, dan ware het papierengeld van zelve weder in omloop gekomen, maar nu zij hiermede ophield en jaarlijks toch die som bleef ontvangen, verminderde natuurlijk de circulatie.
Weldra waggelde de West-Indische bank op hare grondslagen. De reeds genoemde onvoorzigtigheid; het verlaten der Gouvernements plantaadje; het niet tot stand komen van de benoodigde drie millioen kapitaal; het door staatkundige rampen plotseling opdroogen der bron, waaruit de eerste voorschotten waren verleend, dat alles te zamen bereidde haren ondergang.
In het begin van 1831 adverteerde de Directie der Particuliere West-Indische bank kortaf in de Surinaamsche Courant, dat provisioneel geene wisselbrieven op het Ministerie van Koloniën zouden worden afgegeven, en kort daarna (den 3den Mei 1831) verscheen eene publicatie van den Gouverneur-Generaal, waarin o. a. werd gezegd: dat, de beroerten in Zuid-Nederland (de onlusten in Belgie) eene groote belemmering hebben doen ontstaan in alle takken van bestuur, en voorzeker ook de geldelijke gesteldheid van 's lands schatkist in het vaderland in onvoorziene ongelegenheden moeten hebben gewikkeld. Voorts werd bij die publicatie overwogen, dat het Koloniaal Gouvernement zorgen moest: »dat de tijdelijke belemmering in den financiëlen staat bij het Nederlandsch Gouvernement niet werd verhoogd door koloniale inrigtingen, welke zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen, en zonder eenige der welbegrepen belangen dezer volksplanting in de waagschaal te stellen, wijzigingen worden ondergaan." [1197] Daar er reeds acht maanden na het uitbreken van den opstand in Belgie waren verloopen, is het wel te vermoeden, dat de Gouverneur van den Minister van Koloniën eenige voorschriften omtrent zijne te volgen handelwijze had ontvangen en dus niet anders vermogt te handelen. Mogt Cantz'laar werkelijk vermeend hebben, dat het ophouden van het afgeven van wissels door de Bank slechts eene eenvoudige wijziging was, die zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen kon plaats hebben, dan getuigt het niet van zijn helder inzigt in finantiële zaken; want die wijziging was eene hoogst belangrijke en had zeer droevige gevolgen.
In Artikel 1 der bedoelde publicatie van 3 Maart werd wel, schijnbaar lijnregt in strijd met de advertentie van de bank, gezegd: »Het afgeven van wisselbrieven zal bij voortduring plaats hebben," maar deze belofte werd niets beduidend door de bijvoeging: »edoch niet verder of meerder dan naar evenredigheid van het bedrag der ter escompte aangeboden wissels, en mitsdien in diervoege, dat de Particuliere West-Indische bank al de door dezelve af te geven wissels door eigen remises dekken kan."
Daar er nu geene wissels ter escompte aan de bank werden aangeboden, omdat er dadelijk agio ontstond, en ieder particulier op wissel winst aanbood; daar de bank geene eigene remises bezat of konde verstrekken en in tegendeel reeds in twee jaren voor f 1,126,000 meer had getrokken dan overgemaakt (zie bladz. 654), kwam het volkomen op hetzelve neder als of men de advertentie der Directie had gecopieerd.
De afgifte van wissels op het Ministerie van Koloniën hield geheel op, en de bank had reeds opgehouden met het doen van beleeningen, in een woord: die inrigting was argent court; zij ging den doodslaap in en werd, ondanks eenige stuiptrekkingen, herleefde zij niet meer [1198].
Zoodra als de Bank ophield nieuwe beleeningen te sluiten, terwijl de gedane moesten worden afgelost en het geld daarvoor in de Bank stroomde, ontstond er spoedig gebrek aan Circulerend kapitaal, omdat de bank als crediteur voor de nog loopende hypotheken bankbilletten ontving en niet op nieuw uitgaf.
Ook daalden de bankbilletten in waarde, want de bepaling in artikel 3 der publicatie van 3 Mei 1831, dat zij de volle waarde zouden behouden baatte niet, daar men voor wissels op nieuw agio moest betalen en, naarmate van de rijzing des wisselkoers, daalde het papier.
De handel werd hierdoor gefnuikt. Menig faillissement of surseance van betaling was het uitsluitend gevolg van den treurigen finantiëlen toestand der Kolonie en hierdoor kwamen berouw, mistrouwen en afkeer bij den Hollandschen koopman, om op nieuw met de volkplanting betrekkingen aan te knoopen, daar die zoo ligt verlies konden opleveren. Niet slechts de groothandelaar of planter leed hierdoor, maar ook niet minder de nijvere burger of de bezoldigde ambtenaar, die de noodzakelijkste levensbehoeften, als: boter, vleesch enz., uit Nederland aangebragt, tegen de hoogste prijzen moest betalen, daar de verkoopers door het slechte crediet van Suriname, niet dan tegen een verhoogde markt, konden koopen en derhalve hunne waren aan de Surinaamsche ingezetenen zoo veel duurder van de hand moesten zetten [1199].
De hoopvolle verwachtingen omtrent verbetering en uitbreiding van den landbouw hadden in 1829 sommige kolonisten opgewekt, een Surinaamsch Landbouwkundig-genootschap op te rigten onder de zinspreuk: Prodesse Conamur, waar men te zamen kwam, om onderling over onderwerpen daarmede in verband staande, te spreken; waar vragen ter beantwoording werden opgegeven, enz. [1200]. De benoeming van een bekend Landbouwkundige, den heer M. D. Teenstra, niet slechts tot Inspecteur van bruggen, wegen, enz., maar tevens tot Rijks-Cultivateur, den 27sten April 1831, mag mede worden beschouwd als eene poging tot opbeuring van den landbouw; hij ondervond echter vele tegenwerking in de kolonie; men dankt aan hem vele belangrijke geschriften over Suriname.
Het ophouden der beleeningen door de West-Indische Particuliere Bank; de lagen prijzen der suiker en andere omstandigheden deden de hoopvolle verwachtingen in rook vervliegen. In de laatste jaren werden ook weder eenige plantaadjes door de Marrons aangevallen en afgeloopen, waartegen boschpatrouilles werden uitgezonden [1201]: in het kort Suriname ging niet vooruit.
Tijdens het bestuur van Cantz'laar werden nadere voorzieningen gemaakt tegen de uitbreiding der Boassie; de verzending der aan deze vreesselijke ziekte lijdenden naar het Etablissement Batavia, aan de Coppename, ter hunner verpleging ingerigt, werd verpligtend gemaakt. [1202]
Toen in 1831 de Cholera-Morbus heerschte, nam de koloniale regering maatregelen, om, »onder den zegen van den Alvermogende" het overbrengen der smetstof in Suriname tegen te gaan, door de schepen uit besmette plaatsen komende aan eene soort van quarantaine te onderwerpen. Als zeer gestreng mag wel artikel 3 worden aangemerkt, waarin bepaald werd, dat de Gezagvoerder, Stuurlieden of Chirurgijn, die, ter kwader trouw, valsche opgaven deden, met den dood zouden worden gestraft [1203].
In het jaar 1829 werd het kaperschip Dorego van Buenos Ayres, benevens zijn prijs, het driemastschip Lébre van Brazilië door den Kapitein-Luitenant W. J. van Esch, commanderende Z. M. Brik van Oorlog, de Valk, te Paramaribo opgebragt. Hierdoor ontstond een langdurig en ingewikkeld proces en eerst den 13 October 1830 werd het vonnis uitgesproken, waarbij het Opperhoofd Bariteaud tot twintig jaren dwangarbeid veroordeeld werd; Stevan Donay, 1ste luitenant, tot 15 jaren; Manuel Echanes, victualie-meester, en Charles Stewart, stuurman, ieder tot eene gevangenis voor den tijd van drie jaren [1204].
Het onderwijs liet nog veel te wenschen over; echter kwam er eenige verbetering. Er bestonden zes scholen in Paramaribo; in 1830 (den 5 Junij) werd in de Luthersche kerk een soort van Examen gehouden, en 134 kinderen met prijzen beschonken.
Cantz'laar trachtte naar zijn beste weten, het belang der kolonie te bevorderen; hij wordt geroemd als een man van een regtschapen en achtenswaardig karakter, bezield met eene warme zucht voor regtvaardigheid, als een gestreng regent, niet geneigd tot de te groote toegevendheid van vroegere gezaghebbers, doch tevens welwillend en verwijderd van persoonlijke en zelfzuchtige inzigten [1205].
Cantz'laar voerde echter de teugels van het bewind niet lang. Uit hoofde eener ongesteldheid droeg hij den 11 November 1831 de voorloopige waarneming van het bestuur aan den Procureur-Generaal Baron van Heeckeren op; en reeds eenige dagen later (den 18 December)overleed hij.
Mr. Evert Ludolph Baron van Heeckeren nam nu als Gouverneur-Generaal ad interim het bestuur op zich [1206]; terwijl hij, op aandrang van sommige ingezetenen, bij Koninklijk Besluit van den 6 Maart 1832, definitief tot die betrekking werd benoemd [1207].
Het ophouden van de operatiën der Particuliere West-Indische bank, door van den Bosch ontworpen, veroorzaakte bij velen in Suriname ontevredenheid jegens de regering in het moederland en de regering, die zich door den drang van verschillende omstandigheden buiten staat bevond, om den wensch der kolonisten naar voorziening in deze te voldoen, kwam hierdoor in eene moeijelijke stelling. Zij wilde gaarne andere bezwaren door de kolonisten voorgesteld, wegnemen, en de reactionaire partij, welker invloed in Suriname aanzienlijk was, maakte van deze gezindheid der regering gebruik, om de ontwikkeling der milde beginsels door van den Bosch voorgestaan, tegen te houden.
Reeds in 1830 was een uitvoerig adres, door 50 ingezetenen van Suriname onderteekend, aan Z. M. den Koning ingediend; waarbij bezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur, enz. nader uiteen werden gezet.
Vijf hoofdbezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur werden door de adressanten aangewezen, als:
1o. het aangenomen stelsel, dat de koloniën geheel en al zich zelven moesten onderhouden;
2o. het stellen der gezamenlijke Nederlandsche West-Indische bezittingen onder één Gouvernement-Generaal, voor zoo verre daarmede verbonden was, de ondersteuning welke de eene kolonie aan de andere te verleenen had;
3o. de, ten gevolge van een en ander, gevorderde te hooge belastingen;
4o. de, uit de ontoereikendheid der reeds te hooge belastingen, ontstaande zwakheid of ongenoegzaamheid der Militaire magt ter verdediging en bescherming der kolonie; en
5o. het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel en familie's gewijze te verkoopen.
Ten einde het gewigt der drie eerste hoofdbezwaren aan te toonen, wezen de adressanten er op: hoe Nederland vele voordeelen van Suriname ontving door het monopolie ten behoeve van het Moederland, dat echter ten nadeele der kolonie strekte; trok het moederland alzoo groote voordeelen van de kolonie, »het moest" zoo redeneerden de adressanten: »wilde het die blijven behouden, den ondergang van Suriname die een zoo groot verlies voor Nederland zou opleveren, trachten te voorkomen. Reeds bij het oude Octrooi was bepaald, dat de onkosten van de verdediging der kolonie door de West-Indische Maatschappij gedragen moest worden [1208]; Frankrijk en Engeland bekostigden ook nu nog het onderhoud van het garnizoen en suppleerden de tractementen der civiele ambtenaren, en de laatstgenoemde staat daarenboven bevorderde den W.-I. cultuur door beschermende regten (protecting duty) [1209]; de billijkheid alzoo eischte dat de Nederlandsche staat de Kolonie niet aan zich zelve overliet, waar eigen hulpmiddelen te kort schoten."
En zij schoten te kort, want behalve vele rampen, waaronder vooral de brand van 1821 moest worden geteld, werkte de lage prijs der Koloniale producten zeer nadeelig op den landbouw. De koffij en het katoen stonden voorbeeldeloos laag; de suiker was door de overlading der Nederlandsche markten van vreemde suiker [1210], de Melassie door een hoog inkomend regt in Amerika sterk gedaald. De kosten van de administratie der plantaadjes, van het onderhoud der slaven en der gebouwen, waren zoo belangrijk dat de opbrengst van verscheidene plantaadjes ter naauwernood toereikende was ter bestrijding van genoemde onkosten. Was reeds het stelsel dat de Koloniën zich zelven moeten onderhouden onbillijk, de onbillijkheid voor Suriname was zoo veel te grooter, om daarenboven verpligt te worden de te korten der West-Indische eilanden te dekken, van welke eilanden Suriname geen wederkeerige voordeelen genoot. De belastingen waren dien ten gevolge hoog opgevoerd: de hoofdgelden waren sedert 1816 bijna verdubbeld; de landstaxen of akkergelden, de uitgaande regten op de Koloniale producten en de inkomende op de bijna onmisbare Noord-Amerikaansche provisiën, de zegelbelasting enz. enz. waren aanzienlijk verhoogd. Nieuwe belastingen waren ingevoerd, als: in 1827 het patentregt en in 1829 het regt van successie; terwijl slechts de geringe belasting bekend onder den naam van Kerkelijke contributie à f 2.10 Surinaamsch op iedere plantaadje en de quotisatie van winsten en inkomsten die jaarlijks ongeveer f 60,000 opbragt, en die het minst den eigenlijken landbouw drukte, waren afgeschaft.
En hoewel bij eene publicatie van den Commissaris-Generaal van 30 Julij 1828 was bepaald, dat van de producten naar Nederland uitgevoerd, een uitgaand regt van 5 pCt. moest worden betaald, en die waarde zou moeten berekend worden naar een telken drie maanden te regelen tarief, was aan deze laatste bepaling geen gevolg gegeven en werd alzoo o. a. de suiker nog berekend tegen 11 cent, de prijs in 1829, ofschoon ze nu slechts 5 cent gold, zoodat men in plaats van 5 pCt. 11 pCt. uitgaand regt moest betalen.
De planter ontving ook niet meer zoo als vroeger huur van het Gouvernement voor zoogenaamde Commando slaven, maar was thans verpligt zijne negers, welke tot onderhoud der Communicatie wegen of tot verdediging der kolonie door het Gouvernement werden opontboden, af te staan, zonder hiervoor betaling te kunnen eischen, en eindelijk: de belasting genaamd Akker of Canon of recognitie gelden, betaald voor uitgegeven gronden, hield vroeger op, indien de eigenaars dier gronden, zoo ze niet meer vruchtbaar waren of door gebrek aan genoegzame slavenmagt niet konden bearbeid worden, ze tot het domein van den staat deden terugkeeren, doch dit nu was den planter, sedert 1827 niet langer geoorloofd.
En toch niettegenstaande al de aanzienlijke verhooging van belastingen en niettegenstaande de meerdere aangehaalde omstandigheden, die de kolonisten drukten, kon toch de kolonie bezwaard met de ondersteuning der W.-I. eilanden zich zelve niet onderhouden [1211], en bleek dit uit hetgeen door rekwestranten als het 4de der hoofdbezwaren was aangewezen, de ongenoegzaamheid der militaire magt, waardoor het Cordon, onder Nepveu opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers, bijna verlaten, de nog enkele militaire posten zeer zwak bezet waren en er geene militaire patrouilles tot opsporing of ten minste tot verontrusting der gevlugte slaven konden worden uitgezonden; ten gevolge waarvan de deserteurs vermeerderden, niettegenstaande het lot der slaven benijdingswaard? was. [1212]
De rekwestranten beschouwden als voorname oorzaak dier desertiën, de openbaarmaking door den druk, en de wijze der redactie van het 117 artikel van het Nieuwe regerings-reglement, waardoor verkeerd begrip en gisting bij vele negers was te weeg gebragt, daar zij nu vermeenden onderdrukt te worden en in den waan verkeerden, dat de koning de afschaffing der slavernij wilde. Die heeren vreesden dus ook dat de nieuwe slaven-reglementen een ongunstigen indruk zouden kunnen maken, zoo zij niet uiterst voorzigtig werden opgesteld.
Over het 5de hoofdbezwaar, het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel en familie's gewijze te verkoopen, waren de rekwestranten vooral uitvoerig.
Zij beweerden dat de teelt van koffij en katoen onvoordeelig was en men dus zich meer en meer op de suikercultuur ging toeleggen, en nu wilden de negers uit luiheid, als beducht voor zwaarder werk, niet naar de suikerplantaadjes en verzetteden zij zich soms met de eigenzinnigheid en weerbarstigheid aan alle onbeschaafde volken eigen. Slechts zoo het Gouvernement krachtig tusschen beide kwam en de regten (?) der eigenaars handhaafden gaven de slaven toe, waarvan eenige voorbeelden door de rekwestranten werden bijgebragt [1213].
Omtrent het noodzakelijke van partieelen verkoop werd door rekwestranten, aangemerkt, dat zonder deze de suikerstaten niet konden worden uitgebreid, geen stoommachines geplaatst en de thans ongelijkmatige verhouding der beide seksen niet verbeterd. Van het onregt en het lijden dat hierdoor den negers werd aangedaan, van de geweldadige verscheuring van familiebanden, van de mogelijkheid dat desniettegenstaande de verhouding der seksen niet gunstiger zou worden, zoo de winzucht des meesters liever krachtige mannen voor de suikercultuur dan zwakkere vrouwen verlangde, werd natuurlijk niet gerept; de adressanten verzwegen al datgene wat niet regtstreeks hunne belangen betrof.
Het antwoord der Nederlandsche regering was in vele opzigten gunstig voor de adressanten.
Bij Koninklijk besluit van den 29 November 1831, gepubliceerd te Suriname den 6 Februarij 1832, werd goedgunstig bepaald:
Artikel 1 a. Dat de tauxatie, welke tot grondslag der heffing van het uitgaand regt op de suiker diende verder zoude geschieden, door eene gemengde Commissie van Ambtenaren en belanghebbenden, ten einde dat regt, volgens de vroegere verordening, bedrage 5 pCt. van de waarde, zonder meer;
b. dat de betaling van akkergelden van plantaadjes, met toestemming der regering verlaten, geheel zou ophouden van het oogenblik, dat de amotie beschouwd kon worden als volbragt te zijn.
Art. 2. Dat het terugnemen van plantaadjes te Suriname in den boezem van het Domein zou worden toegelaten; zullende, bij het beoordeelen van verzoeken daartoe strekkende, moeten worden uitgegaan van het beginsel, dat aan het meerder bijeentrekken der slavenmagten geene andere beletselen moesten worden in den weg gelegd, dan die, welke volstrektelijk door het algemeen belang werden gevorderd, enz.
Art. 3. Dat van en met den 1 Januarij 1832, buiten bezwaar der Surinaamsche kas, zou worden voorzien in het te kort der geldmiddelen van Curaçao, St. Eustatius en St. Martin [1214].
Men ziet ook weder hieruit, dat de door de Surinamers zoo menigmaal luide aangeheven klagten over verwaarloozing door het Nederlandsche Gouvernement niet altijd billijk waren. Ook nu had de Nederlandsche regering, niet slechts gehoor verleend aan billijke verzoeken der rekwestranten, maar was zelfs verder gegaan, en had de belangen der slaven opgeofferd, ten behoeve hunner meesters (zie artikel 2). De regering gaf den meester toe, doch trad niet krachtig op ter bescherming der slaven: de reeds door van den Bosch toegezegde reglementen op de behandeling en tucht der slaven bleven nog lang achterwege.