Part 51
Omtrent de finantiën werd bepaald, dat ten behoeve van het algemeen bestuur, de regtspleging en verdediging, algemeene of 's landslasten, onderscheiden van de bijzondere of Gemeente-lasten, zouden worden geheven. Het beheer der Algemeene Finantiën en de daaruit voortvloeiende regeling der Landstaxen werd opgedragen aan den Hoogen Raad, onder onmiddellijk toezigt van den Controleur-Generaal van Finantiën. Met het oppertoezigt over 's Rijksdomeinen, als: 's Lands-plantaadjes, slaven, bosschen, gebouwen en andere eigendommen, werd de Raad-Commissaris-Generaal, onder den Gouverneur-Generaal belast. Aan dien Raad-Commissaris werd tevens het oppertoezigt ten aanzien van de behandeling der Inlandsche bevolking, slaven daaronder gerekend, het Armwezen, het Onderwijs en de Kerkelijke zaken opgedragen. Dien ambtenaar werd aanbevolen, te zorgen, dat de Christelijke Godsdienst zoo veel mogelijk onder de Heidensche bevolking werd uitgebreid en door alle gepaste middelen aangemoedigd, en was hij bijzonder belast met de zorg voor de goede behandeling der slaven; terwijl hij moest toezien dat alle misbruiken en mishandelingen ten aanzien van slaven werden tegengegaan en geweerd.
Van den Bosch verlangde zeer om verbetering in den toestand der slaven te brengen.
Getuigt hiervan reeds de aanstelling van een Ambtenaar, wiens instructie hem verpligtte zich hun lot aan te trekken; daarenboven verklaart hij zich, bij artikel 117 van het Nieuwe Reglement, nadrukkelijk tegen het onregtvaardig beginsel dat slaven in regten alleen als zaken en niet als personen werden beschouwd. Genoemd artikel luidt:
»De slaven zullen, wat de dagelijksche behandeling betreft in betrekking tot hunne eigenaars beschouwd worden te staan als onmondigen tot hunne Kurators of Voogden, aan welke wel het regt verbleven is, om eene vaderlijke tucht over dezelve uit te oefenen, doch tegen welker mishandeling alle publieke Autoriteiten verpligt zijn te waken, en toe te zien, dat de wet, in hun belang ontworpen, striktelijk worde gehandhaafd; wordende bij deze het onregtvaardig beginsel, dat zij in regten alleen als zaken en niet als personen kunnen beschouwd worden, definitivelijk afgeschaft."
Van den Bosch wenschte ook nadere voorzienigingen en wijzigingen van het in 1784 uitgevaardigde slavenreglement, dat niet meer aan de eischen van den tijd voldeed, als zijnde:
1o. te streng voor den slaaf;
2o. te toegevend voor mishandelingen; en
3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en de verdere materiële verzorging.
Hij drukt dien wensch uit in artikel 18:
»Het hoofdbestuur in iedere kolonie zal bijzonder zorg dragen, dat de werktijd, de voeding en kleeding der slaven behoorlijk worde geregeld en vastgesteld, en al die verbeteringen tot stand brengen, voor welke dit belangrijk gedeelte der Policie vatbaar mogt zijn."
De heldere en onbevangen blik van van den Bosch bespeurde weldra, hoezeer het onderscheid van kleur en godsdienst, ook bij de vrije bevolking, eene klove tusschen burgers en burgers daarstelde, die, onregtmatig in wezen, door veelzijdige miskenning en achteruitzetting de ontwikkeling van een groot deel der bevolking belemmerde en tot groot nadeel der kolonie strekte. Hij trachtte dit vooroordeel tegen te gaan door benoeming van verdienstelijke kleurlingen en Joden tot belangrijke betrekkingen, zijnde dit de eerste schreden, die kleurlingen en Joden op den weg van openbare ambten hebben gedaan; terwijl hij tevens in artikel 116 der algemeene bepalingen tegen dit vooroordeel te velde trekt in de volgende bewoordigingen:
»Aan alle vrije lieden, burgers der kolonie, om het even van welke godsdienst of kleur, worden gelijke burgerlijke regten toegekend; alle publieke Autoriteiten worden uitgenoodigd, om, door hun voorbeeld, de dienaangaande nog bestaande vooroordeelen tegen te gaan."
De handel en vaart op en van de kolonie Suriname bleef provisioneel beperkt uit en naar het moederland; de Noord-Amerikaansche handel en vaart en die van de ingezetenen der Nederlandsche West-Indische eilanden, aan welke dezelfde voorregten als aan de Noord-Amerikanen werden toegestaan, bleef echter op den ouden voet geoorloofd. Om het finantieel vertrouwen te herstellen en te voorzien in het gebrek aan Circuleerend Medium werd door van den Bosch het plan tot oprigting eener West-Indische bank gevormd, die ook in het volgend jaar tot stand kwam. Hij wenschte niet slechts de geldcirculatie te verbeteren, maar ook hiermede de opbeuring van den landbouw enz. in verband te brengen. Ook liet van den Bosch eene Landsplantaadje aanleggen, op Voorzorg, op den regteroever der Saramacca, tegenover de post Groningen, waarop o. a. proefnemingen in het belang van den Landbouw zouden geschieden, terwijl ook de invoering van stoomfabrieken zoo veel mogelijk werd aanbevolen.
Uit een en ander blijkt genoegzaam dat de Commissaris-Generaal van den Bosch, met ijver, de goede bedoelingen der Nederlandsche regering trachtte te bevorderen, en drage zijn werk ook al den stempel der onvolmaaktheid, dat alle menschelijk werk eigen is, wij houden ons overtuigd, dat, ware men in zijn geest voortgegaan, Suriname ongetwijfeld in bloei zou zijn toegenomen en niet tot dien achteruitgang zijn geraakt, als waartoe de kolonie is vervallen; ofschoon wij tevens gelooven, dat zijne hoopvolle verwachting wel wat hoog gespannen was toen hij tot het besluit kwam, dat Suriname het te kort der eilanden zou kunnen dekken [1183].
Van den Bosch toonde belangstelling in al wat tot bevordering van het welzijn van Suriname kon verstrekken.
Onder de middelen die de beschaafde klasse der kleurlingen aangreep om zich zelven op te heffen, behoorde het aangaan van wettige huwelijken, en het oprigten der reeds genoemde Maatschappij van Weldadigheid, die ten doel had de ondersteuning der behoeftigen en het verschaffen van onderwijs aan de kinderen van minvermogenden. De Israëlieten, die evenzeer als de kleurlingen door de zoogenaamde Aristocratie van Suriname verstooten werden, vereenigden zich met hen. Door die vereeniging bewogen zij zich eenvoudig op Philantropisch terrein. De magthebbenden in Suriname werden bevreesd, en zij schreven aan de oprigters geheime bedoelingen toe, die echter door de openbaar gemaakte statuten duidelijk werden weersproken. De uitnemendste der kleurlingen hadden zich tot van den Bosch begeven, hem den toestand blootgelegd en zijne ondersteuning verzocht.
Hij woonde, vergezeld van den Gouverneur-Generaal Cantz'laar, eene vergadering van het bestuur bij, en overtuigde zich van de edele beginselen, waarvan de oprigters uitgingen en hij vermeende dat die inrigting een weldadigen invloed op de mindere klassen zou kunnen uitoefenen, en, onmiddellijk nam hij die Maatschappij in bescherming en beval hare belangen, op eene nadrukkelijke wijze, bij het Koloniaal Gouvernement aan. Die jeugdige plant nam hierdoor in hooge mate in zedelijke kracht toe en werd sedert met meer belangstelling gadegeslagen. Het voorbeeld van den Commissaris-Generaal werkte gunstig; er traden spoedig velen tot genoemde Maatschappij toe; het getal harer leden vermeerderde aanzienlijk en--zij werd hierdoor in staat gesteld veel in het belang van Surinames behoeftige bevolking te doen.
Eene andere Maatschappij werd mede te dezer tijd opgerigt, waardoor veel goeds is verrigt, namelijk: Maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname.
De ontwerpers tot stichting dier Maatschappij waren de heeren:
Mr. E. L. Baron van Heeckeren, Procureur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen; D. Janssen Eijken Sluijters, Predikant bij de Evangelisch Luthersche Gemeente te Paramaribo; A. Roelofsz, Predikant bij de Hervormde Gemeente; Mr. H. R. Haijunga, Lid van het Hof van Civiele en Criminele Justitie; en F. Beudeker, oud Lid van het Hof van Policie, eigenaar en administrateur.
Dit ontwerp kwam tot stand gedurende het verblijf van van den Bosch en werd hem door deze heeren bij Missive van den 7den Junij 1828 voorgesteld. Daar het doel der stichting in die Missive naauwkeurig en helder wordt uiteengezet, laten wij haar hier volgen:
»De ondergeteekenden, zich overtuigd houdende van den heilzamen invloed, welken, sedert ruim eene halve eeuw, de Moravische Broeders op de godsdienstige vorming der slaven en vrijlieden in deze kolonie gehad hebben, en wenschende aan deze belangrijke instelling meerdere uitbreiding te geven, hebben geoordeeld, dat, ter bereiking van dit doel, allezins dienstbaar zoude zijn de oprigting van eene Maatschappij of Genootschap, ten oogmerk hebbende de bevordering van het godsdienstig onderwijs onder onze zwarte bevolking, door middel der Moravische Broederen.
De bedoelingen en werkzaamheden dezer Maatschappij worden genoegzaam kenbaar door de zoo even gegevene omschrijving.
Het doel zou niet zijn bevordering van beschaving in het algemeen, maar bijzonder onder de zwarte bevolking dezer volkplanting, waartoe wij negerslaven en vrijnegers, zoo ook de kleurlingen of gemanumitteerden, of ook vrijgeborenen, die tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs genegen zijn, betrekken; en men zoude dit doel, bij uitsluiting van andere daartoe leidende middelen, eeniglijk trachten te bereiken door middel der Moravische Broeders, welker goede pogingen ter godsdienstige vorming onzer slaven, men door de meest gepaste middelen zoude trachten te ondersteunen, ten einde den kring hunner werkzaamheden uit te breiden, en aan hun onderwijs eene meer en meer doelmatige strekking te geven.
De blanke bevolking der kolonie te gering zijnde, dan dat men voldoend resultaat van dezelve ten deze zou kunnen te gemoet zien, acht men het, ten einde hiertoe te geraken, vóór alles noodig, dat deze Maatschappij zich gelijktijdig zoo in deze volkplanting als in het Moederland vestige, ten einde men alzoo beproeve, wat men met vereenigde krachten zou kunnen uitwerken, om op eene wenschelijke uitkomst te kunnen doen hopen.
Het ligt in den aard der zake, dat de eerste en voornaamste bemoeijingen dezer Maatschappij zoude behooren te zijn de daarstelling van een genoegzaam fonds, hetwelk uit de jaarlijksche contributiën der leden en de vrijwillige giften harer begunstigers zoude worden te zamen gebragt.
Indien de pogingen ter daarstelling van een zoodanig fonds met een eenigzins gunstigen uitslag zoude mogen worden bekroond, zoude hetzelve moeten worden aangelegd:
1o. om, voor zoo verre de voorhanden penningen nog niet genoegzaam zouden mogen worden bevonden, om aan de tegenwoordig bestaande instelling, door vermeerdering van leeraars als anderzins, eene meerdere uitgestrektheid te geven, de middelen van vervoer van Paramaribo naar de Plantagiën en terug voor de broederen gemakkelijk te maken; zulks zoude kunnen geschieden door het aankoopen van eenig vaartuig, hetwelk ter vrije beschikking der Broeders zoude staan, waarbij men ook wel zou willen voegen den aankoop van de daartoe behoorende roeinegers, indien men niet vreesde, dat zoodanige aankoop het fonds, vooral in den beginne, te zeer zoude verzwakken, en men overigens niet de meest gegronde hoop voedde omtrent de goede gezindheid van het Gouvernement, om ten dezen met landsslaven of zoogenaamde vrije arbeiders te willen ondersteunen;
2o. om, bij versterking en accrescement der geldmiddelen, het getal der alhier gevestigde Broederen te vermeerderen.
Men kan toch niet ontkennen, dat, bij vermeerdering van dezelver getal, de gelegenheden tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs zich uit den aard der zake moeten vermenigvuldigen, gelijk het evenzeer ontwijfelbaar is, dat aan zoodanige wenschelijke vermeerdering tot dus verre hinderlijk is geweest de kostbaarheid, waarop, zonder ondersteuning van buiten, de uitzending van meerdere leeraren der broedergemeente zou te staan komen;
3o. om, bij eene zoodanige vermeerdering van Leeraren, hun de gelegenheid te verschaffen, of gemakkelijk te maken, om in Paramaribo de hand te slaan aan het onderwijs der slavenkinderen, ten einde dezelve in de beginselen van het lezen en schrijven niet langer onkundig blijven, en zij dus met te meer vatbaarheid het godsdienstig onderwijs zoude kunnen ontvangen;
4o. om ook buiten Paramaribo, liefst op eenig bevolkt middelpunt, in eene der divisien, een etablissement op te rigten, waar twee, drie of meer broeders, hetzij bij afwisseling, hetzij bij uitsluiting, hun vast verblijf zouden houden, ten einde van daar, zoo aan het evengemeld onderwijs der jeugd, als bijzonder aan de godsdienstige belangen der slavenmagten in den omtrek, voor zoo ver deszelfs eigenaren of administrateuren zulks zouden willen gedoogen, bevorderlijk te zijn;
5o. om door de verspreiding van het verwacht wordende Neger-Engelsch Nieuwe Testament, tegenover den Nederlandschen tekst, tot de kennis der Heilige Schrift, bijzonder onder de geringere volksklasse in deze kolonie, bij te dragen.
Bij deze hoofdtrekken gelooven zich de ondergeteekenden voor alsnog te moeten bepalen: Zij gevoelen te wel, dat men ten dezen te zeer van personen, tijden en omstandigheden afhankelijk is, dan dat zij niet zouden schroomen voor het tegenwoordige in meer bijzonderheden te treden. Zij vermeenen echter genoeg gezegd te hebben, om Uwe Excellentie met den aard en den geest hunner bedoelingen bekend te maken, en vertrouwen dat Uwe Excellentie gaarne hare goedkeuring daaraan zal geven, en hunne pogingen zal willen schragen, door alle zoodanige middelen als bij Hoogstdeszelven daartoe mogten voorhanden zijn, terwijl zij, bekend met de godsdienstige gezindheid van Zijne Majesteit, ook van die zijde de meeste welwillendheid en bescherming te gemoet zien."
Deze Missive werd vergezeld door een Reglement voor de Maatschappij, in hetwelk, behalve de punten, in de Missive behandeld, het beheer en de regeling der zaken aan twee afdeelingen werd opgedragen, waarvan de eene te Paramaribo, en de andere in Nederland gevestigd zoude zijn.
Reeds den 10den derzelfden maand Junij ontvangen de ontwerpers een goedkeurend antwoord van van den Bosch; hierdoor bemoedigd gingen zij voort, en alzoo werden de handen der Moravische broederen gesterkt. Deze waardige mannen maakten met dankbaarheid van de gelegenheid gebruik, om in ruimeren kring dan tot dus verre, het Evangelie van genade den armen slaven te verkondigen; met, door deze hulp, versterkte krachten arbeidden zij aan de bevordering van het geestelijk heil der slaven; en steeds zetten zij dit werk der liefde voort, trots vele miskenningen en teleurstellingen. De Heer ondersteune hen!
Het hoofddoel der zending van van den Bosch, het zamenstellen van een reglement op het beleid der regering, met de daartoe behoorende bijzondere verordeningen, afgeloopen zijnde, verliet hij op den 1sten Augustus 1828, op welken dag de nieuwe reglementen in werking zouden komen, de kolonie, en vertrok, over Nickerie, naar Nederland.
Dat de zending van van den Bosch weinig aan de hoopvolle verwachtingen en goede bedoelingen der Nederlandsche regering heeft beantwoord, lag niet aan den persoon van van den Bosch, die met ijver en getrouwheid, de hem opgelegde taak, naar zijn beste weten heeft volbragt; doch andere omstandigheden waren daarvan de oorzaak. Het voornemen der toenmalige Nederlandsche regering met de zending van van den Bosch, om regtvaardig en billijk jegens allen te zijn, bereikte geen doel; want wat baat het milde regtvaardige beginselen in de wet op te nemen, zoo de personen met de ten uitvoer legging dier wet belast, of zelven niet van die beginselen doordrongen zijn, of de zedelijke kracht missen om ze, trots allen tegenstand, te handhaven en toe te passen? Daarom dan ook gelukte het der reactionaire partij, de mildere beginselen omtrent de behandeling der slaven en tot wegneming van het vooroordeel tegen de kleur door van den Bosch aanbevolen, zoo al niet geheel krachteloos te maken, ten minste lang tegen te houden en derzelver ontwikkeling te belemmeren. Niet alle Gouverneurs waren gezind of bezaten de noodige geestkracht om der reactionaire partij het hoofd te bieden en de Nederlandsche regering zelve leende te dikwijls het oor aan die partij en ondersteunde de goedgezinde Landvoogden niet genoegzaam.
P. R. Cantz'laar, een dapper zeeofficier, van 1816 Gouverneur over de eilanden St. Martin en Saba, en sedert 1820 Gouverneur van Curaçao, had het bestuur over Suriname en de West-Indische eilanden aanvaard, onder den titel van Gouverneur-Generaal over de gezamenlijke West-Indische bezittingen. De taak hem opgedragen, om de nieuwe reglementen, overeenkomstig de bedoeling der Nederlandsche regering, ten uitvoer te leggen was reeds uit den aard der zake geene gemakkelijke taak. Daarbij heerschte er in Suriname veel gisting; er waren aldaar vele ontevredenen, en men uitte die ontevredenheid op verschillende wijze. Reeds vóór de aanvaarding van het bestuur had Cantz'laar een naamloos geschrift ontvangen, »houdende lasteringen en calomnie tegen sommige ambtenaren." In eene zijne eerste publicatiën betuigde hij zijne verontwaardiging en ontevredenheid over dergelijke laakbare handelwijze; doch berigtte tevens, dat de weg tot hem openstond voor elk en een iegelijk, die vermeende eenige billijke of grondige klagten of bezwaren te hebben tegen de ambtenaren in de kolonie [1184].
Zoo lang de Commissaris-Generaal in Suriname vertoefde, stond de Gouverneur-Generaal, als het ware eenigermate op den achtergrond; hij had evenwel veel met hem gewerkt en begeerde in denzelfden geest te handelen. Na het vertrek van van den Bosch, beijverde Cantz'laar zich om den nieuwen toestand te bevestigen, waartoe onderscheidene nadere bepalingen en instructiën werden daargesteld.
Onder het oppertoezigt van het Gemeente-bestuur werd gesteld: de plaatselijke en landelijke policie, het brandwezen, de waag enz., welk een en ander door speciale reglementen en instructiën nader werden geregeld [1185]. Het bestuur van de Curatele en onbeheerde Boedelskamer en het Collegie van Raden en Houtvesters en Commissarissen der gemeene weiden werden ontbonden en het beheer daarvan provisioneel aan eene Commissie uit den Gemeenteraad opgedragen [1186]. Strenge verordeningen omtrent het wegloopen der slaven werden uitgevaardigd en het oppertoezigt op het nakomen er van berustte mede bij het Gemeentebestuur [1187].
Ofschoon de slavenhandel regtstreeks uit Afrika verboden was en dit verbod streng gehandhaafd werd, strekte zich dit niet uit op het vervoer van slaven, respectivelijk van de eene Nederlandsche kolonie in de West-Indië naar eene andere, of van en naar zoodanige vreemde kolonie, waar de directe invoer van slaven uit Afrika niet geoorloofd was. Deze reserve behouden bij het Koninklijk besluit, betreffende de afschaffing des slavenhandels van 17 September 1818, werd in een K. B. van 5 Julij 1825 vernieuwd en, krachtens een koninklijk rescript van 11 Junij 1830, werd den 26sten October 1830 door Cantz'laar eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de uitvoer van slaven van de West-Indische eilanden werd aangemoedigd door het uitloven van premien (f 25 voor elken gezonden werkbaren slaaf en f 12,50 voor een gezonden slaaf beneden de 16 en boven de 12 jaren oud); terwijl op den uitvoer van slaven uit Suriname daarentegen eene belasting van f 100 werd gesteld [1188].
Deze bepaling moest strekken om zoogenaamd den landbouw in Suriname te bevorderen; doch, dat zij wreed voor de aldus van hunne verwandten gerukte slaven was, schijnt niet van genoegzaam gewigt te zijn beschouwd geworden.
De belastingen in Suriname, speciaal die op den in- en uitvoer, het Hoofdgeld, de Additionele verhooging, het Patentregt, de Administriële, het Zegelregt en de Transportregten werden gewijzigd, en tot stijving der koloniale Finantiën de reeds in het moederland bestaande belasting, bekend onder den naam van Regt van Successie, ingevoerd [1189].
De leges en emolumenten, welke op de publieke kantoren, ten behoeve van den lande en voor de ambtenaren zouden worden geheven, werden bij publicatiën van 23 December 1828 geregeld [1190].
Nieuwe verordeningen omtrent de binnenlandsche scheepvaart, het havenregt enz. werden uitgevaardigd [1191]; de posterij werd op een meer geregelden voet gebragt en de briefporten verminderd [1192]; het uitoefenen der notariële practijk door vijf gezworen klerken te Paramaribo en een in het district Nickerie residerende, werd onder behoorlijk toezigt van den Procureur-Generaal en den Griffier van het Hof van Civile en Criminele Justitie gebragt [1193], en verder werden verscheidene min of meer belangrijke reglementen, instructiën, publicatiën enz., enz. daargesteld en uitgevaardigd.
Ten gevolge der bemoeijingen van den Commissaris-Generaal werd in 1829 in Suriname opgerigt de Particuliere West-Indische bank.
De regering vermeende te gemoet te komen, aan de door de ingezetenen van Suriname meermalen uitgedrukte begeerte om hulp en medewerking van het Nederlandsch Gouvernement ter verbetering van den geldsomloop, enz., enz., door het daarstellen eener inrigting, die de strekking had, om den geldsomloop behoorlijk te regelen, den wissel zoo veel mogelijk voor agio te bewaren, en door het voorschieten van gelden aan ingezetenen (planters), den landbouw en daardoor den bloei en de welvaart van Suriname te bevorderen. Het kapitaal dezer bank werd bepaald op f 3,000,000, welke som in Nederland zoude berusten, terwijl als representatief daarvan eene gelijke som in bankbilletten van 1/2 gulden tot f 1000 zou worden uitgegeven.
De billetten dezer bank zouden in het gebrek aan Circulerend medium voorzien, en tot wettige betalingen dienen, zoo voor belastingen, als voor allerlei aard, voor Suriname en de West-Indische eilanden; terwijl de tot dusverre als 's Lands munt gangbare billetten van de Maatschappij ter bevordering van den Volksvlijt te Brussel, hiervoor konden worden opgewisseld van 1 Julij tot 31 Augustus 1829.
Tweemaal elke week zouden bij de directie, zonder oponthoud of korting, wissels op hare Agenten in Nederland verkrijgbaar zijn.
Verder zouden de operatien der Bank, indien de staat harer fondsen dit toeliet, worden uitgestrekt: tot het escompteren van wisselbrieven, afgegeven door geaccrediteerde grondeigenaars of Administrateurs of kooplieden of handelshuizen in de West-Indische bezittingen gevestigd, tegen goeden waarborg en eene billijke provisie, en tot het voorschieten van kapitalen op suiker en andere plantaadjes in de Kolonie Suriname, welke kapitalen zouden worden aangewend tot het plaatsen van stoomwerktuigen, ter bevordering van den landbouw, of tot het invoeren en uitbreiden van de Indigo teelt.
Als waarborg voor de houders der Bankbilletten worden, behalve het crediet van drie millioen in Nederland, [1194]
a. alle panden en voorwerpen door de bank beleend, en
b. eene som van honderd en vijftig duizend gulden, welke jaarlijks uit de Koloniale kas te Suriname in de kas der bank zou worden gestort. [1195].
De oprigting der Particuliere West-Indische bank was eene voor Suriname zeer belangrijke instelling. Evenwel heerschte er eenige onbestemdheid bij derzelver zamenstelling; want volgens den naam, was zij eene particuliere bank; doch dan werd met regt gevraagd: wie was dan de bankier en waar waren de drie millioen waarborgskapitaal gedeponeerd?