Part 50
Intusschen heerschte er in Suriname veel ontevredenheid en allerlei klagten over een slecht beheer drongen in het Moederland door. De Nederlandsche regering vermeende dat in vele opzigten veranderingen moesten geschieden, en zij zond daartoe den Generaal Majoor J. van den Bosch als Commissaris-Generaal voor de Nederlandsche West-Indische bezittingen naar Suriname en de W.-I. eilanden. Van den Bosch was voorzien van opene brieven des Konings, waarbij hem magt werd verleend, om als 's Konings vertegenwoordiger in die gewesten, den staat van zaken aldaar na te gaan en de noodige voorzieningen te doen plaats grijpen enz. [1180].
De zending van van den Bosch, de gevolgen daarvan, het brengen van Suriname en de W.-I. eilanden onder een Gouverneur, waartoe de schout bij nacht Paulus Roelof Cantz'laar werd benoemd, zullen wij in het volgende hoofdstuk behandelen. Wij vermelden nu slechts dat Generaal van den Bosch den 28sten April 1828 per Z. M. brik van Oorlog de Zwaluw, in Suriname arriveerde; en slechts zes dagen later per Z. M. Corvet de Panther, de Schout bij nacht, gewezen Gouverneur van Curaçao, P. R. Cantz'laar, terwijl de Veer, op last van Z. M. door Z. M. Commissaris eervol uit zijne betrekking van Suriname werd ontslagen, waarvan hij den 20sten Mei bij publicatie kennis gaf [1181].
De Veer liet zich de grief van niet tot den meer omvangrijken post van Gouverneur-Generaal der gezamenlijke West-Indische bezittingen te worden verkozen, met gelatenheid welgevallen, in het bewustzijn van zijne pligten altoos naauwgezet te hebben betracht en de goedkeuring des Konings te hebben verdiend: hij had, zoo als hij in een brief aan Minister Elout schreef, evenwel plan gehad, om zijn ontslag te verzoeken.
Eerst later kwam men tot de erkenning, dat er geene noodzakelijkheid had bestaan, om den Landvoogd deze grief aan te doen. De Commissaris-Generaal van den Bosch erkende de diensten door de Veer den lande bewezen in den volgenden brief aan den afgetreden Gouverneur:
»Paramaribo, den 26sten Julij 1828, No. 255.
Ik heb de eer gehad te ontvangen uwe missive van den 24sten der vorige maand, waarbij Uwe Excellentie heeft aangetoond de diensten door U Hoog Edel Gestrenge gedurende een tijdvak van ruim 32 jaar, in de onderscheiden moeijelijke en aanzienlijke betrekkingen, aan den staat bewezen, en verder het verlangen te kennen geeft, om eene belooning te verwerven, aan die langdurige diensten geëvenredigd.
Het strekt mij tot een wezenlijk genoegen Uwe Excellentie de verzekering te kunnen geven, dat ik van het gewigt dier diensten ten volle overtuigd ben. Gaarne erken ik mede, dat de finantiële staat dezer kolonie, onder uw Bestuur aanmerkelijk verbeterd is, en, op een gering niet noemenswaardig verschil na, komen uwe opgaven, met de boeken geheel overeen. Ik vlei mij dat Uwe Excellentie, na deze rondborstige verklaring mijner gevoelens, zal beseffen, hoe streelend het voor mij zoude wezen, aan de begeerte van U Hoog Edel Gestrenge te voldoen; doch de beslissing van Zijne Majesteit, geloof ik in deze niet vooruit te mogen loopen.
Niemand dan onze Koning weet beter bewezen diensten te erkennen en te beloonen, en ik zou gewis aan de belooning, waarop U Hoog Edel Gestrenge aanspraak heeft, hare waarde benemen, indien ze niet onmiddellijk door Zijne Majesteit zelve werd toegekend. Intusschen zal het mij eene genoegelijke taak wezen, den Koning met mijne bevinding bekend te maken, en Hoogstdenzelven mijne gunstige gevoelens ten aanzien van Uwe Excellentie mede te deelen; terwijl ik van mijne zijde de belangen der uwen, die mij worden aanbevolen, altijd volgaarne, daar waar pligt en gelegenheid het toelaten, bevorderlijk zal wezen.
Ik verzoek Uwe Excellentie, met de opregte dankbetuiging voor de aan mij bewezen diensten, de verzekering te willen aannemen, der bijzondere hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn
Uwe Excellentie Dienstw. Dienaar, (get.) J. van den Bosch."
De belooning door Zijne Majesteit op dit gunstig rapport en op de voordragt van den minister Elout toegekend, is geweest een verhoogd pensioen (f 8,000, zijnde f 2,000 boven dat waarop hij op grond zijner dienstjaren en fournissementen aan het pensioenfonds aanspraak had) en de vergunning om de distinctive van den rang van Generaal-Majoor te mogen dragen.
De Veer bleef na zijne aftreding in Suriname wonen, alwaar hij in den nacht van den 1sten op den 2den Februarij 1838 overleed.
In eene brochure geschreven door zijnen zoon G. S. de Veer vindt men het volgende:
»Als Gouverneur van Suriname vemogt hij den slavenhandel te fnuiken, het financie-wezen en de geld-circulatie in gezonden staat herstellen, den wederaanbouw van Paramaribo te bevorderen en de kolonie in hoog bloeijenden staat over te geven.
Hij is ten grave gedaald in het bezit der liefde en achting van allen die hem gekend hebben. Rijk is hij in dienst getreden, arm is hij gestorven en dat ten gevolge van zijne dienstverrigtingen, terwijl hij te kiesch dacht om datgene te reclameren, waarop hij, naar het getuigenis van den Graaf van den Bosch, zijn regt kon doen gelden. Zooveel mogelijk werden die deugden, na zijnen dood erkend en aan zijne kinderen beloond, door een regtvaardig besluit van wijlen Koning Willem den Eerste, waarvoor zij hem steeds dankbaar zullen zijn."
De Surinaamsche Couranten van 3 Februarij 1838 waarbij zij het berigt van het overlijden van de Veer mededeelden, legden mede een gunstig getuigenis van den ontslapen landvoogd af:
»De diep betreurde overledene heeft," zoo luidt o. a. een dier berigten: »toen hij de teugels des bewinds in dit gewest voerde, de groote taak aan zijn verhevenen stand verbonden, namelijk om het geluk dezer kolonie te bevorderen, geenszins uit het oog verloren; zijn uiterlijk waardig en beminnelijk voorkomen won dadelijk alle harten, en dwong elk die hem van nabij kende tot liefde, eerbied en hoogachting.
Eene gelukkige mengeling van waardigen ernst en bevallige zachtmoedigheid, rondheid, opregte verknochtheid aan vorst en vaderland, en het innige verlangen den bloei der kolonie te bevorderen, waren de hoofdtrekken van zijn beminnelijk karakter; hij was een braaf echtgenoot, een teedere vader, en een getrouwe vriend; alles wat tot de godsdienst betrekking had was hem heilig en eerwaardig, en toen hij op den avond zijns levens in stille rust zijne overige dagen in den schoot zijner betrekkingen sleet, kenmerkte hij zich door edele eenvoudigheid en burgerlijke deugden."
Eene schets van den algemeenen toestand van Suriname in die dagen levert slechts enkel lichtpunten op. Omtrent den finantiëlen staat merken wij slechts aan, dat dezelve nog wel niet in alle opzigten voldoende kon worden genoemd, doch evenwel onder het bestuur van de Veer veel was vooruitgegaan. In dien tijd werd nog niet aan subsidie gedacht, en nogtans waren bij het einde van zijn zesjarig bestuur niet alleen de schulden uitgedelgd, maar gaf hij in 1828 de kolonie over in zulken finantiëlen toestand, dat de Commissaris-Generaal daaruit termen vond tot het besluit dat Suriname het te kort der eilanden zou dekken.
Wij gelooven dat deze beschouwing van den Commissaris-Generaal al te gunstig was, ten minste dat de bedoelde hoop ijdel is geweest en dat Suriname eerlang in den treurigen toestand geraakte van zelve te moeten worden gesubsidieerd, in plaats van de eilanden bij te staan, bewijst de geschiedenis.
Er waren ook nu onder de aanzienlijken verscheidene, die ruime schatten door landbouw en handel verwierven; de hoogere klassen der Surinaamsche Maatschappij genoten beter onderwijs dan vroeger; meerdere beschaving ontbrak niet; doch godsdienst en zedelijkheid bleven op een lager trap, en de verhouding tusschen de meer bevoorregte en de lagere klasse was droevig. Vooroordeel en onverschilligheid hadden een afscheidsmuur tusschen hen opgetrokken. Afgescheiden van de eerste was de laatste aan zich zelve overgelaten en ten prooi gegeven aan allerlei ellende en de daarmede gepaard gaande ondeugden en misdrijven. Verschil van kleur werd als een smet op een deel der bevolking geworpen, en daardoor tusschen de verschillende standen der burgermaatschappij eene verwijdering bewerkt, die voor het algemeen belang ten hoogste nadeelig was.
De armoede met al hare afgrijsselijkheden had zich binnen de verblijfplaatsen van vele der lagere klasse gevestigd; --krankheid wierp menigeen op het ziekbed, waar gemis aan geneeskundige hulp en artsenijen de hoop op herstel deed ontzinken. Gebrek liet zich in huisgezinnen gevoelen, waar men, verstoken van inkomsten, buiten staat was in de dagelijksche behoeften te voorzien; onkunde en zedebederf vereenigden zich met bijgeloof en losbandigheid, waar godsdienstig en verstandelijk onderwijs ontbraken, en de opvoeding van het opkomend geslacht onder die klasse leidde tot een staat van barbaarschheid, die het ergste deed vreezen, daar de brandstoffen die de grondzuilen van het staatsgebouw moesten ondermijnen en het algemeene welzijn verwoesten, voorhanden waren.
Men ontveinsde zich dien onrustwekkenden toestand niet; men zag den nood der armen, het diep verval der lagere klasse, doch had geen moed zich harer aan te trekken, en van de hoogte waarop men meende te staan tot haar af te dalen, ten einde haar tot de betrachting harer pligten op te wekken, en zoo doende het ontoereikend gezag der wetten te helpen onderschragen.
Wel ontbrak het niet aan bewijzen van barmhartigheid en hulpbetoon; doch er werd meer gevorderd om het bestaande kwaad te keer te gaan, de behoefte des tijds te bevredigen en de toekomst voor gevaar te behoeden.
De Geneesheer Martinus Mauritz Alexander Coupijn, Surinaamsch kleurling, deelde, in de maand November 1827, aan een kring van een viertal vrienden een door hem gevormd plan mede, ten doel hebbende om,--uit aanmerking van de kommervolle omstandigheden, waarin de minvermogenden verkeerden, door het verschaffen van kostelooze geneeskundige hulp aan behoeftige zieken, hun toestand in dat opzigt, zoo veel mogelijk te verbeteren. Dit prijsselijk voornemen vond onmiddellijk weerklank in de harten der aanwezigen, en de ijverige en uitnemende Nicolaas Gerrit Vlier, een kleurling en zoo in regterlijk ambtsbetrekking als anderzins een sieraad van zijn stand, die daarbij tegenwoordig was, deed aanstonds het voorstel, om hem en de overigen toe te laten zich bij hem aan te sluiten en den kring wijder uit te strekken, naar gelang de behoefte aan stoffelijke en zedelijke hulp, dit noodzakelijk mogt maken.
Coupijn, wiens vurige wensch het was, voor den lijdenden natuurgenoot nuttig te zijn, verheugde zich over dien bijval en vereenigde zich volkomen met het gedane aanbod.
De beide eerstgenoemden benevens de heeren Samuel Ferdinand Flu, Jan Carel Stuger en J. C. Muller, Az., ontwierpen daarop de grondslagen tot eene inrigting ter betooning van liefderijke weldadigheid, ter bevordering van beschaving en zedelijkheid, tot opwekking van nijverheid en volksvlijt, en alzoo tot verspreiding van algemeen volksgeluk.
Dit ontwerp, welks aanleiding reeds spoedig een negen en twintigtal menschenvrienden aan de zijde van Coupijn en zijne vrienden deed scharen, werd in eene vergadering op den 28sten November deszelfden jaars 1827, goedgekeurd en mitsdien op dien dag opgerigt: de Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid.
Dat de edele voornemens dezer waardige mannen, onder den zegen Gods en de medewerking van welgezinden, met goeden uitslag bekroond werden zullen wij later gelegenheid hebben op te merken. Hier slechts gewagen wij van de vestiging dier Maatschappij als van een der weinige lichtende punten, wier aanblik verheugt. Omtrent het lot en de behandeling der slaven valt weinig anders te vermelden, dan het reeds meermalen in den loop der geschiedenis medegedeelde. Hun lot, enkele gunstige uitzonderingen daargelaten, was en bleef hard; de behandeling liet steeds veel te wenschen over.
De Christelijke liefde der Hernhutters ging echter voort, met waar hun een deur werd geopend den slaven het Evangelie te brengen. Hun arbeid in Paramaribo werd zeer gezegend; het getal der onderwezenen nam toe, zoodat er behoefte bestond aan een ruimer bedehuis; hieraan werd voldaan, en in 1827 de bouw van een ruim en luchtig gebouw begonnen, dat in het volgend jaar voltooid en den 21sten Julij plegtig ingewijd werd [1182]. Nam de gemeente te Paramaribo toe, dit was echter niet het geval met de gemeenten op de plantaadjes, waarop door hen godsdienstig onderwijs aan de slaven werd verleend. Integendeel, het oude vooroordeel bleef bestaan; de kosten van onderhoud van het Etablissement bij het voormalig fort Sommelsdijk (zie bladz. 407) waren groot en de zendelingen hadden met velerlei tegenspoeden te kampen, zoodat zij zich eindelijk genoodzaakt zagen, na verloop van tijd, deze plaats weder te verlaten. Scheen het alzoo weder geheel nacht te worden, de Heer gedacht in zijne genade aan de armen in de schaduwen des doods hulpeloos nedergezeten, en er kwam uitkomst, er daagde een licht op, waarover de kinderen Gods zich verheugden.
Eenige ingezetenen kwamen op het denkbeeld om eene Maatschappij te stichten met het doel, om de Moravische broeders in hunnen arbeid der liefde, tot uitbreiding van het Christendom onder de slaven inzonderheid, maar ook tevens onder de verdere heidensche bevolking, te ondersteunen.
De verwezenlijking van dat plan, waarop 's Heeren zegen rustte, mede te deelen behoort tot de volgende afdeeling.
VIJFDE TIJDVAK.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Van de optrede van P. H. Cantz'laar als Gouverneur-generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen (1828) tot de aftreding van B. J. Elias (1845).
De Nederlandsche regering--de voortreffelijke Elout was toenmaals Minister voor de Marine en Koloniën en zijn invloed strekte steeds ten goede voor 's Lands-bezittingen in vreemde werelddeelen--verlangde door de zending van van den Bosch als Commissaris-Generaal naar Nederlandsch West-Indië, den bloei en de welvaart dier bezittingen te bevorderen; zij hoopte dat van den Bosch door in haren geest werkzaam te zijn, door een krachtig bestuur aldaar te organiseren en door de zamenstelling van een aan de behoefte des tijds en der kolonie voldoende nieuw regerings-reglement, dit doel zou bereiken.
Voor Suriname, waarover wij thans alleen spreken, was veel te doen.
Het finantieel vertrouwen in de kolonie was zeer geschokt en moest, zoo veel mogelijk, worden hersteld; het gebrek aan circuleerend medium deed zich al spoedig op nieuw gevoelen en eischte voorziening; de landbouw kwijnde en had behoefte aan opbeuring; de afwezigheid der eigenaren werkte steeds zeer nadeelig op den bloei der volkplanting en eene productie te scheppen, die niet aan afwezigen behoorde kon slechts dit kwaad doen verminderen. Verder--eene onafhankelijke regterlijke magt bestond er niet in Suriname, daar zij met de wetgevende en bestierende magten als zamengesmolten was, en vele misbruiken daarvan het gevolg waren; deze te weren door de regterlijke magt, zoo veel dit mogelijk ware, op den zelfden voet als in Nederland in te rigten was eene noodzakelijke behoefte; want het Justitie-wezen lag gedompeld onder verouderde vormen en chicanes. Het binnenlandsch bestuur miste behoorlijke regeling en toezigt: de Veer was een goed man, doch bezat niet genoeg energie en sommige personen, waaronder vooral de toenmalige Procureur-Generaal van Heeckeren wordt genoemd, oefenden een nadeeligen invloed op hem uit; de aristocratische partij had een ruim veld, doch de geringere klasse werd door haar onderdrukt en verguisd.
Het onderwijs en het armwezen waren diep gedrukt. De inlandsche bevolking was geen voorwerp van 's lands zorg. Het vooroordeel tegen kleurlingen en joden was in volle kracht. Het huwelijk onder de kleurlingen kende men slechts bij uitzondering, enz., enz. Alles hijgde naar verandering, verbetering, opheffing. Het lot der slaven te verbeteren geboden godsdienst en menschelijkheid en het waarachtig belang der kolonie vorderde het.
De Nederlandsche regering was van een en ander dezer krijtende behoeften bewust en begeerde ernstig dezelve te gemoet te komen en verbeteringen aan te brengen enz.,--zij zond daartoe van den Bosch in wien zij een groot vertrouwen stelde en aan wien zij eene groote magt toekende. Van den Bosch nam bereidwillig de belangrijke taak op zich; hij beschaamde het in hem gesteld vertrouwen niet en gebruikte de hem verleende magt ten goede der kolonie.
Ofschoon reeds door gezette studie met den toestand van Suriname vrij goed bekend, vermeerderde hij die kennis door, tijdens zijn verblijf in de kolonie, met een onbevangen blik rond te zien; hij merkte veel op dat voor een minder geoefend oog onopgemerkt zou zijn gebleven; terwijl zijn helder oordeel de juiste gevolgtrekkingen wist te maken.
Als zijn voornaamste werk moet beschouwd worden: de zamenstelling van een Nieuw Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche West-Indische Bezittingen. Hij arbeidde daaraan met allen ijver en, reeds den 21sten Julij 1828, vaardigde van den Bosch eene publicatie uit, waarbij de voltooijing van dezen arbeid werd bekend gemaakt en bepaald, dat de nieuwe verordeningen, met 1 Augustus daaraan volgende, in werking zouden komen.
Overeenkomstig het daaromtrent reeds in Nederland door de Hooge regering verordende, werden Suriname en de West-Indische eilanden onder hetzelfde bestuur van een daartoe benoemden Gouverneur-Generaal gebragt, die te Paramaribo resideren zou. Dit was reeds feitelijk geschied door de benoeming van en de aanvaarding des bestuurs door P. R. Cantz'laar, op den 20sten Mei 1828.
Volgens het Nieuwe Regeringsreglement werd de werkkring van den Gouverneur-Generaal nader omschreven. Zijne magt werd zeer uitgebreid, terwijl het Hof van Policie en Justitie ophield te bestaan; het werd den 22sten Julij 1828 ontbonden en de leden, onder dankbetuiging voor hunne bewezen diensten honorabel ontslagen.
In plaats van het Hof van Policie werd den Gouverneur tot het beleid der regering toegevoegd: een Hooge Raad, waarvan de leden echter niet uit de kolonisten, bij verkiezing van stemgeregtigden ter electie aangeboden, zou worden zamengesteld, en zelfs niet uit eene voordragt door den Raad zelven worden gekozen, maar bestaan zou, uit vier ambtenaren, in rang op den Gouverneur volgende als: de Procureur-Generaal, de Controleur-Generaal der Financiën, de Commissaris-Generaal voor 's Rijks domeinen en de Commissaris voor de Inlandsche bevolking, de slaven daaronder gerekend en tevens belast met de zorg voor het Armwezen, het onderwijs en de kerkelijke zaken. De President van het Hof van Civiele en Criminele Justitie, benevens de President van den Gemeente raad der kolonie Suriname, konden door den Gouverneur-Generaal, in zeer bijzondere gevallen, wanneer zulks door hem in het belang van de dienst noodzakelijk werd geoordeeld, worden opgeroepen om als adviserende leden aan de beraadslagingen deel te nemen.
De algemeene en bijzondere wetten moesten in den Hoogen Raad worden geconcipieerd of, in zoo verre die door de Gezagvoerders op de W. I. eilanden ter sanctie worden ingezonden, onderzocht en gearresteerd; doch alvorens eenige wet van kracht kon zijn, moest dezelve door of van wege Z. M. worden goedgekeurd. In dringende gevallen echter was de Hooge Raad bevoegd besluiten uit te vaardigen, onder nadere approbatie van het Gouvernement, waarvan echter onmiddellijk kennis moest worden gegeven.
In de vergaderingen van den Hoogen Raad zou met meerderheid van stemmen worden besloten; bij het staken der stemmen had de Gouverneur eene beslissende; hij kon, wanneer hij zulks oorbaar voor den lande, en voor 's Konings dienst noodig rekende, onder zijne speciale verantwoordelijkheid, met de minderheid concluderen, en zelf naar zijn gevoelen alleen het besluit doen opmaken.
Alle verordeningen, besluiten, bevelen enz. van het Hoofdbestuur moesten worden uitgevaardigd: op naam van den Gouverneur-Generaal in Rade.
Terwijl genoemd Collegie alzoo eenigermate de wetgevende magt vertegenwoordigde werd de regterlijke magt thans bepaald hiervan afgescheiden en aan een afzonderlijk Collegie opgedragen. »De regtspleging wordt," zoo luidde artikel 40 en 41 van het Regerings-reglement: »uitgeoefend door een Hof van Civiele en Criminele Justitie, residerende te Suriname, zamengesteld uit een president, die Meester in de regten moet zijn; vier gegradueerde leden, en twee leden uit de ingezetenen, welke niet zullen behoeven gegradueerd te zijn, bijgestaan door een Griffier. Het Publiek Ministerie bij de regterlijke collegiën in Suriname wordt uitgeoefend door of namens den Procureur-Generaal."
Tot competentie van dit Hof behoorden alle burgerlijke zaken in de kolonie Suriname, welke de som van drie honderd gulden te boven gingen en de strafzaken, welke voor meer dan 10 dagen gevangenis, of eene boete van meer dan f 200 of, voor zoo verre slaven aanging, met een getal van meer dan honderd slagen zouden behooren te worden achtervolgd.
Bij genoemd Hof kon men ook appelleren voor zaken beregt door de regtbank van kleine zaken.
Deze regtbank van kleine zaken zou tevens uitmaken eene regtbank van Policie, en regt spreken in zaken, bij de bijzondere Reglementen aan te wijzen; zij zou worden zamengesteld uit een President, twee leden, vier assessoren (plaatsvervangers), een Griffier en twee Deurwaarders. De President moest zijn Meester in de regten; voor de beide leden, te kiezen uit de meest geachte ingezetenen, werd graduering wenschelijk, doch niet volstrekt noodig geacht.
Uitgezonderd de opschorting van een doodvonnis door den Gouverneur-Generaal of de Gezagvoerders op de eilanden, werd in artikel 60 van het Nieuwe Regeringsreglement de onafhankelijkheid der regterlijke magt uitdrukkelijk erkend: »Geen politiek gezag zal voor het overige eenigen invloed op de deliberatie der Regterlijke Collegiën kunnen uitoefenen, maar zullen dezelve, vrij en onafhankelijk, regt spreken in naam of van wege den Koning, zooals zij in goede justitie zullen vermeenen te behooren."
Het hoogst uitvoerend gezag in de kolonie Suriname berustte bij den Gouverneur-Generaal, tevens Bevelhebber over Land- en Zeemagt en Schutterij; de algemeene aangelegenheden, bij welke het Gouvernement in Europa meer onmiddellijk belang had, als: de regtspleging, de verdediging, de geldmiddelen, de landbouw, de koophandel en scheepsvaart, werden ter behandeling aan den Gouverneur-Generaal en den hem toegevoegden Hoogen Raad opgedragen.
Daarentegen zouden de huishoudelijke aangelegenheden van de ingezetenen, als: de plaatselijke policie, het beheer van de gebouwen en goederen aan de Gemeente toebehoorende, het toezigt over de administratie van Publieke Inrigtingen, Etablissementen, Weeskamers, Onbeheerde Boedelskamer, Openbare Eeredienst, Armen-inrigtingen, Schoolonderwijs, enz. moeten worden behartigd door een Plaatselijk of Gemeentebestuur.
Dat Gemeentebestuur zou bestaan uit een President, twee Wethouders en acht Raden, geadsisteerd door een Secretaris, twee Commiesen en drie Klerken. Uit de leden moest voor ieder buiten district twee Heemraden worden benoemd, aan wie de handhaving der Policie enz. in ieder district werd opgedragen. Geene reglementen door het Gemeente-bestuur uit te vaardigen zouden kracht van wet erlangen, tenzij door de hoogere Autoriteiten in de kolonie goedgekeurd.