Part 5
Was dit verschil alzoo in der minne geëindigd, er rezen andere bezwaren op. De Staten van Holland beweerden, dat deze volkplanting als eene overwinning der Generaliteit en niet als van Zeeland alléén moest beschouwd worden, om de hierboven aangehaalde redenen, en dat het alzoo allen ingezetenen van den Staat moest vrij staan, zich aldaar neder te zetten of er handel op te drijven. De gecommitteerden van Zeeland, om verdere moeite en onaangenaamheden met de andere Provinciën te vermijden en te voorkomen, stelden voor om de kolonie aan de Algemeene Staten af te staan, met voorbehoud echter, dat zij hun regt niet aan de West-Indische compagnie mogt overdragen; dat zij de verpligting op zich namen voor eene behoorlijke verdediging te zorgen; dat zij verlof zouden verleenen om jaarlijks vijf à zes honderd slaven te halen, waar die het best te verkrijgen waren; dat de lasten, voor de uitbreiding der kolonie benoodigd, zouden worden gevonden uit eene te betalene recognitie door de aldaar komende en van daar vertrekkende schepen, en verder uit hoofdgelden en andere belastingen meer, in de kolonie te heffen, welke echter zoo gematigd moesten gesteld worden, dat deze minder waren dan in andere volkplantingen werden geheven, en eindelijk, dat zij de provincie Zeeland hare gemaakte onkosten met de intressen zouden vergoeden. Over en weder werden voorslagen gedaan en verworpen en de zaak bleef onbeslist. Zeeland bleef provisioneel in het bezit van Suriname, terwijl echter den Algemeenen Staten een zeker oppergezag toegekend werd, totdat door de Staten van genoemde provincie op reeds daartoe in 1679 aangeboden voorwaarden, de kolonie in 1682 door de geoctroijeerde West-Indische maatschappij overgenomen werd.
Voor wij deze overname iets nader beschrijven, willen wij zien hoe het gedurende deze verschillen in Nederland en de kolonie zelve toeging. De berigten daarvan echter zijn weinige en zeer onvolledig. Lichtenberg, die den 4den December 1668 Nederland verlaten had, kwam behouden in Suriname aan, en vond aldaar nog den Commandeur Crijnsen, in wiens handen hij den 10den Februarij 1669 den eed aflegde.
Vele moeijelijkheden en bezwaren had hij, gelijk wij zagen, te overwinnen; in hoeverre hij hierin zou geslaagd zijn, is wegens gebrek aan bescheiden moeijelijk op te maken; dit slechts weten wij, dat tijdens zijn bestuur die Joden, welke vast besloten waren de volkplanting, ook nadat zij onder Nederlandsch bestuur was gekomen, niet te verlaten, zich tot den gouverneur vervoegden en hem verzochten de bevestiging hunner vrijheden en voorregten, benevens eenige nieuwe artikelen deswegens, die ter hunner geruststelling konden dienen; hetwelk hun dan ook door hem ten volle werd toegestemd. De Joden bouwden na verkregene vergunning in 1672, op eene verhevene plaats, nabij de 10 akkers en het land van Thorrica een klein vlek met eene kleine Synagoge, om daarin op hunne feestdagen godsdienstelijk te kunnen vergaderen.
Lichtenberg werd intusschen door ongesteldheid belet zich met het bestuur te belasten; reeds in het begin van 1671 ging hij weder naar Nederland, en later keerde hij niet weder naar Suriname terug.
Toen volgde er eene tusschenregering; de naar Nederland vertrokken gouverneur werd opgevolgd door den kapitein Pieter Versterre, commandeur en raad van policie, onder den titel van luitenant-gouverneur, den 8sten April 1672; hij overleed den 22sten Maart 1677. Abel Thisso, raad van policie, nam toen het bestuur onder denzelfden titel waar, en wel van 1 April 1677 tot 2 December 1677, wanneer hij het gouvernement overgaf aan den uit Nederland aangekomen kapitein Tobias Adriaensen, die aldaar tot bestuurder was benoemd, onder den titel van »kapitein commandeur der provincie van Suriname," doch deze keerde reeds in Maart 1678 naar Nederland terug [31].
Door de gedurige twisten over Suriname tusschen de Algemeene Staten en die van Zeeland, werden de belangen dezer volkplanting zoo zeer verzuimd, dat prins Willem III, aan wien de souvereiniteit van Suriname was opgedragen, zich de zaken aantrok. Hoewel de daarover aangeknoopte onderhandelingen nimmer voortgezet zijn, benoemde de prins zijn gewezen secretaris, Pierre du Moulin, den 6den Maart 1676, om daarheen als bevelhebber te vertrekken. Deze du Moulin stierf echter reeds in 1676 nog voor zijn vertrek, en alle bemoeijingen van den prins zijn toen geëindigd. [32]
Bij resolutie der Algemeene Staten van 15 Januarij 1678 werd tot gouverneur benoemd Johannes Heinsius, die in 1653 secretaris van den raad van justitie in Brazilië was geweest. Deze nam in December 1678 het bestuur over van Abel Thisso, die dit na het vertrek van Adriaenssen weder had waargenomen. [33]
Had Heinsius in vorige betrekkingen roem verworven, men koesterde alsnu ook hooggespannen verwachtingen van zijn bestuur; dan hij vermogt weinig tot verbetering van den ongelukkigen toestand te doen.
Deze was ook met regt droevig en moeijelijk; behalve de reeds genoemde bezwaren, als tweespalt tusschen de hoofden in Holland en tweespalt en onrust tusschen de kolonisten onderling, die tijdens de tusschenregeringen zeer vermeerderd waren, had men weldra nog met een anderen vijand te strijden, namelijk met de oude inwoners van het land, de Indianen.
Dezen, gelijk wij reeds vroeger vermeld hebben, hadden lord Parham en de zijnen eerst met welwillendheid ontvangen en met hen verbonden gesloten. De uitbreiding van kolonisatie door Europeanen was echter nimmer gunstig voor de oorspronkelijke bewoners. Zij werden dan ook langzamerhand meer en meer teruggedrongen; echter konden zij, voornamelijk de Caraïben, die dapper en wel in den oorlog bedreven waren, het met geene goede oogen aanzien, dat de Europeanen zich van hunne landen meester maakten, en ook hen van tijd tot tijd in slavernij zochten te brengen. Wel leenden de Caraïben in het eerst er zich toe, toen zij bemerkten, dat de Hollanders gretig waren op het bezit van slaven, en daarom van hunne opperhoofden, de bij hunne onderlinge vijandelijkheden, buit gemaakte gevangenen wilden koopen, om dezen voor messen, vischtuigen, spiegels en andere snuisterijen af te staan, [34] doch spoedig werden zij gewaar, dat het mede weldra op hen gemunt zou zijn. Deze en andere redenen, (waaronder sommige schrijvers [35] noemen, dat zij niet wilden dulden, dat hun land door eene andere natie zou geregeerd worden, dan door die welke zich het eerste van allen, dat is de Engelsche, aldaar gevestigd had), waren oorzaak, dat zij zich tegen de Nederlanders te weêr stelden. Reeds onder de Engelschen hadden zij van tijd tot tijd aanvallen op de plantaadjes gedaan, hetgeen het door den schrijver der Historische proeve beweerde schijnt te wederspreken, doch deze aanvallen bestonden toen meer uit enkele op zich zelve staande feiten; en nu, ofschoon zij al niet een geregelden oorlog voerden met groote magt, vielen zij echter van tijd tot tijd op de plantaadjes, beroofden dezelve en doodden de blanken; nu werden de vijandelijkheden gedurig en heviger dan vroeger herhaald.
De magt, welke de kolonisten daar tegenover te stellen hadden, was zeer gering. De Joden, die het hoogst aan de rivier gezeten waren, hadden den meesten overlast hiervan. Zij vormden toen kleine afdeelingen, om daarmede op de Indianen af te gaan en streden meermalen met groote dapperheid tegen hen. Maar wat vermogten zij tegen hen, die èn door hunne bekendheid met het terrein èn door hun grooter aantal gevaarlijke vijanden waren. Geregelde militaire magt hier tegenover te stellen was onmogelijk, daar slechts 50 man krijgsvolk zich toen in de kolonie bevond. Reeds in 1679 werd, door eenige belanghebbenden in Suriname, een krachtig smeekschrift aan de Algemeene Staten ingezonden, waarin sterk werd aangedrongen op hulp en bijstand tegen de drukkende invallen der Indianen, en waarin voorstellen tot vermeerdering der krijgsmagt werden gedaan.
Dit aanzoek werd zeer ersterkt door drie brieven, welke Heinsius mede afzond, in welke hij een treurig tooneel ophing van den toestand der kolonie, en waarbij hij om onmiddellijke versterking, zonder welke hij achtte, dat het onmogelijk ware de kolonie te behouden en de kolonisten te beschermen, aanhield. Bij de aankomst van dit smeekschrift en de brieven van den gouverneur besloten de Algemeene Staten, op voorstel der provincie Holland, om drie honderd man krijgslieden naar Suriname te zenden; over de kosten daartoe benoodigd was men het niet eens; den 17den Januarij 1680 besloot de provincie Zeeland, die op zich te nemen, doch in plaats van 300 man zond men er slechts 150 naar Suriname, die reeds in 1682 weder terugkeerden [36].
Ook schijnen in dien tijd door sommige kolonisten pogingen te zijn aangewend, om Suriname weder onder het gezag der Britsche kroon te brengen, ten minste van zekeren Jood Fonseda wordt dit uitdrukkelijk gemeld, zoodat de Staten het noodig achtten aan den buitengewonen gezant der Nederlanden in Engeland te schrijven om dit tegen te houden, als zijnde buiten order van de regering in Suriname en buiten weten van de Staten-Generaal geschied. Tevens werd aan den gouverneur Heinsius het ongenoegen van H. H. M. kenbaar gemaakt, omdat, toen in den Raad voorgeslagen werd, om bijstand van de Engelschen of Franschen te verzoeken, hij zoodanig voorstel niet dadelijk had gestuit; hem werd ernstig bevolen, in het vervolg dergelijke voorslagen onmiddellijk krachtig te bestrijden. Heinsius had ook zeker koper geld in Suriname laten munten, gestempeld met een papagaaitje en geteekend 1, 2, 4, welke gangbaar waren tegen één, twee en vier duiten; dan ook dit werd door de Staten verboden.
Was het door hem te verrigten werk moeijelijk en zwaar, het duurde echter kort; weldra werd hij van het tooneel dezer wereld afgeroepen; hij overleed in April 1680. [37]
Na zijn dood matigden zich de 12 Raden van policie het gezag in de kolonie aan; doch hebben de commandeurs E. van Hemert, en na diens dood, in September 1680, Laurens Verboom de kolonie in werkelijkheid bestuurd.
Door de vele klagten, die gedurig uit Suriname tot hen kwamen en de vele moeijelijkheden, aan het bestuur verbonden afgeschrikt, wilden de Staten van Zeeland zich van het eigendom der kolonie ontdoen, en geraakten zij hierover in onderhandeling met de West-Indische Compagnie.
Den 14den November 1679 werd door de Staten van Zeeland daarover een voorstel gedaan, waarbij o. a. de volgende voorwaarden gesteld werden: dat de W.-I. Compagnie verpligt zou zijn de eerste 10 jaren 300, de tweede 10 jaren 200 en de derde 10 jaren 100 man krijgsvolk, benevens hunne officieren, ten hare koste te onderhouden; dat, uit aanmerking van de onmogelijkheid, dat eene kolonie, zonder groote kosten in den beginne te maken, uitgebreid zou worden, men de eerste zes jaren vrijdom zou verleenen van alle lasten, en na dien tijd slechts de helft der lasten, waarmede de kolonisten thans waren bezwaard, tenzij uit vrijen wil door hen anders mogt begeerd worden; dat de vaart en de handel op deze kolonie voor alle ingezetenen van Nederland vrij zouden zijn, daar men door op deze wijze te handelen èn de ingezetenen van Nederland èn de opgezetenen van de nabij gelegene Fransche, Engelsche en Spaansche koloniën zou aanmoedigen, om zich in menigte derwaarts te begeven en te vestigen, hetgeen het eenigste middel ware ter bevordering van den bloei der kolonie.
Na eenige nadere overleggingen en bepalingen is, volgens accoord van 6 Junij 1682 de kolonie Suriname door de Staten van Zeeland aan de West-Indische Maatschappij overgedragen voor eene som van twee honderd en zestig duizend gulden, welk verdrag, eenigzins gewijzigd, den 6den Januarij 1683 van wederzijde geteekend is.
Wij gelooven, dat het aan sommigen onzer lezers niet onaangenaam zal zijn met een enkel woord iets nader van die West-Indische Maatschappij te vernemen.
Hoewel reeds vroeger verscheidene pogingen waren aangewend, om even als de in 1602 opgerigte Oost-Indische Compagnie eene West-Indische Maatschappij tot stand te brengen, was dit eerst in 1621 gelukt. Toen werd bij octrooi van 3 Junij eene W.-I. Compagnie opgerigt voor den tijd van 24 jaren.
Vloten werden door haar uitgerust om de Spanjaarden afbreuk te doen en buit te behalen, waarin men gelukkig slaagde; de zilver-vloot, door den admiraal Piet Hein genomen, vermeerderde spoedig het kapitaal dier maatschappij; Brazilië werd voor een groot gedeelte, benevens Curaçao veroverd; aanzienlijke dividenten werden uitgekeerd, doch weldra verkeerde de kans; het verlies van Brazilië, benevens vele anderen verliezen meer, deden de zoo zeer bloeijende W.-I. Maatschappij achteruitgaan; in plaats van groote dividenten uit te keeren geraakte zij zoodanig in schulden, dat toen haar octrooi weder in 1669 vernieuwd moest worden, zij, na langdurige discussiën, integendeel door een besluit van de Staten op den 20 September 1674 werd vernietigd, en eene nieuwe W.-I. Maatschappij, met een octrooi voor 25 jaren, of van 1675 tot 1700, werd opgerigt. De schuld der oude Compagnie werd op 30 en het kapitaal der deelgenooten op 15 ten honderd geschat; van dien tijd af hielden de groote voordeelen op, die de eerste zoo bloeijende W.-I. Compagnie had opgeleverd.
De rente-uitdeelingen stegen later nooit boven 10 en daalden zelfs omstreeks 1740 beneden 2 1/2 pCt., waardoor de waarde der aandeelen tot 40 ten honderd was gedaald. Dit octrooi werd telkens voor 30 jaren verlengd. [38]
Deze nieuwe West-Indische Maatschappij werd alsnu bezitster van Suriname, waartoe haar door de Algemeene Staten den 23sten September 1682 octrooi verleend werd.
Bij dit octrooi, hetwelk zoolang, als het ware, om het met een woord van dezen tijd uit te drukken, de grondwet van Suriname is geweest, werd in 32 artikelen de verhouding tusschen het moederland en de kolonie vastgesteld en de wijze van bestuur bepaald; in hetzelve werden billijke en voordeelige beschikkingen voor de blanke bewoners der kolonie gemaakt, tevens werd der Compagnie aanbevolen zorg te dragen, dat men ten allen tijde voorzien mogt worden van een of meer bedienaars des Goddelijken Woords, ten einde de kolonisten en verdere opgezetenen in de vreeze des Heeren en in de leer der zaligheid geleid en onderwezen worden mogten, en zij gelegenheid hadden tot het gebruik, der Heilige Sacramenten; daarbij (wonderlijke tegenstelling) werd de Compagnie verpligt om, daar men tot het in cultuur brengen der kolonie niets anders wist of wilde dan zwarte slaven of negers, dezen steeds in genoegzame getale te leveren; (de W.-I. Compagnie had het monopolie hiervan) en eindelijk, omdat men tot bevordering van den bloei der kolonie de vermeerdering van Europeanen noodzakelijk achtte, waren de schepen, die uit Nederland naar Suriname gingen, gehouden, om indien de Compagnie dit mogt begeeren, ieder twaalf personen over te voeren, voor eene som van f 30 de persoon, kinderen beneden 12 jaren de helft. [39]
De West-Indische Maatschappij, ziende welke zware kosten er tot het in stand houden dezer volkplanting vereischt zouden worden, voor en aleer men daarvan eenige aanmerkelijke voordeelen kon trekken, besloot in het jaar 1683, dus weinige maanden nadat men de kolonie overgenomen had, 2/3 deel te verkoopen en wel 1/3 aan de stad Amsterdam en 1/3 aan Cornelis van Aerssens, heer van Sommelsdijk, enz.
De conditiën van dit koopcontract werden te Amsterdam den 21sten Mei 1683 geteekend.
De nieuwe eigenaars noemen zich in dit contract »de geoctroijeerde sociëteit van Suriname", welke titel sedert is gebleven. [40]
De Staten-Generaal behielden het oppergezag en verbonden zich tot de verdediging der kolonie bij te dragen, waartoe dadelijk 300 man uitgelezene troepen werden aangewezen.
De heer van Sommelsdijk verbond zich bij dit contract om zelf als gouverneur naar Suriname te gaan, en hij aanvaardde dezen zwaren en moeijelijken post zonder aanspraak op bezoldiging te maken, gelijk blijkt uit Artikel 6, dat woordelijk aldus luidt:
»Ten zesde, dat de heer van Sommelsdijk sal aannemen, selfs in persoon voor Gouverneur naar de colonie van Suriname te gaan; ende gelijck sijn Edele heeft gepraesenteert buyten eenige belastinge van de gemelte Societeyt, ende uyt liefde, sonder daarvan eenige vergeldinge te ontfangen; des dat ten laste van de Societeyt aan sijn Edele jaarlijks sal werden toegesonden sodanige quantiteyt Rijnse en Franse wijnen, mitsgaders speceryen, als de Societeyt honestement oordelen sal te behoren; onder die expresse conditie nogtans, dat syn Edele, gedurende desselfs gantsche administratie of Gouvernement redenen van misnoegen hebbende gegeven, revocabel sal syn, gelyck oock, in cas van satisfactie van syn Edele Gouvernement, bij desselfs aflyvigheyt op syn Edele Descendenten (bequaam geoordeelt werdende) favorable reflexie voor anderen tot de successie, en met preferentie sal werden genomen, in dier voegen, dat op diegene van Descendenten, dewelcke den heer van Sommelsdijck, of bij sijn Edele leven sal nomineren, of by Testamente designeren, voor de andere sal werden gereflecteert. Edogh niet capabel geoordeelt zijnde, reflexie werden gemaakt op d'andere syn Edele Descendenten, dewelke capabel soude wesen; gelyck oock in cas van de minderjarige Descendenten, op deselve (meerderjarigh geworden, en capabel bevonden werdende) insgelycks met praeferentie voor andere sal werden gereflecteert."
De alleenhandel in slaven verbleef aan de W.-I. Compagnie, doch der geoctroijeerde Sociëteit van Suriname werd met eenige beperkende bepalingen vrijheid gegeven, des noods, zelve hierin te voorzien, mits betalende voor iederen slaaf f 15 aan de W.-I. Compagnie.
De provincie Zeeland gaf hare toestemming tot dit contract niet dan onder deze voorwaarden:
»dat geene persoonen in den vaderlande ofte in Suriname zouden worden toegelaaten tot eenige directie ofte bewind van de voorsz. colonie, die professie zouden doen van den Paapschen Godsdienst, ende dat vervolgens ook niemand van de Paapsche Religie part of deel in de voorsz. Sociëteit zoude mogen hebben of te houden, nochte ook voor iemand anders in de voorsz. Sociëteit occupeeren, ofte eenig bewind, gezag, directie ofte administratie hebben. En voorts op dat vast vertrouwen, dat aan de beleedigde ingezetenen van de hooggemelde provincie in Eere en Goed behoorlijk en promptelijk reparatie en satisfactie zoude werden gegeven." [41]
De oude pretentiën, welke Zeeland alzoo op Suriname had, schijnen te dier tijde nog niet geheel vereffend geweest te zijn.
Zoo waren de zaken omtrent het eigendom en bestuur van Suriname voorloopig geregeld. Een krachtig en bekwaam man stond gereed om met vaste hand het bestuur te leiden, en zoo mogelijk doortastende verbeteringen daar te stellen.
Zulk een bestuurder was hoogst noodig in de kolonie Suriname, want zij was in eenen allertreurigsten toestand.
Het vlek Paramaribo bestond uit slechts dertig huizen, meest herbergen en smokkelkroegen, uitgezonderd twee à drie, als dat van den heer commandeur Verboom, en die, welke door eenige officieren met hunne vrouwen en den ontvanger bewoond werden.
De plantaadjes waren door het vertrek van vele Engelsche en Joodsche kolonisten in vervallen toestand.
Op die, welke nog bestonden, was wreede en onmenschelijke behandeling der slaven gewoonte; men verminkte ja zelfs doodde hen vaak wegens de geringste overtreding; ieder was in deze zijn eigen regter.
Losbandigheid was onder de planters zoo groot, dat regt en geregtigheid bij hen als onbekend waren. Onderlinge twisten verdeelden hen; de een verweet den andere oorzaak van het verval te zijn. De Indianen verontrustten gedurig de kolonie en er was geene kracht, geene geregelde zamenwerking om hen te wederstaan.
Voorwaar eene droevige schildering is het, waarmede wij ons tweede tijdvak besluiten, en toch zij is niet te zwart gekleurd, bijna met de eigen woorden gaven wij hierbij terug, wat de oudere schrijvers er van getuigden, en wij begrijpen het, bij de vele heterogene deelen, waaruit de bevolking van Suriname was zamengesteld, kon niet die vereeniging, die band bestaan, welke haar onder het bestuur van Willoughby, lord van Parham in zoo korten tijd reeds aanvankelijken bloei had doen verwerven; het lage peil der zedelijkheid, alle slavenstaten gemeen, en de slechte behandeling der slaven, waaruit zoovele onheilen voor de kolonie voortvloeiden, en de weinige overeenstemming, die er tusschen de regering in het moederland, hare vertegenwoordiging in Suriname en de kolonisten bestond, beletteden hare ontwikkeling, en deze drie genoemde zaken: ongelijksoortige bevolking, lage peil der zedelijkheid, gepaard met slechte behandeling der slaven, en gebrek aan overeenstemming tusschen de kolonie en het moederland, werkten steeds belemmerend en verhinderden de volkplanting tot die welvaart, tot dien bloei te komen, waartoe men anders door de natuurlijke gesteldheid van dit door God zoo rijk gezegend land had kunnen geraken; waartoe de uitgebreide handel van Nederland zoo ruimschoots gelegenheid schonk; waartoe de energie van den Nederlander van dien tijd anders zoo uitnemend in staat stelde.
De kiemen tot die welvaart, tot dien bloei bestonden en vertoonden zich van tijd tot tijd; wij zullen in onze verdere geschiedenis, in het groote en belangrijke tijdvak, waartoe wij thans genaderd zijn, verschillende sporen daarvan zien; wij zullen ze ras zien opschieten, maar ook even spoedig weder zien verwelken; wij zullen de waarheid der spreuk: »Die Weltgeschichte ist das Weltgerichte" opmerken en wij zullen moeten erkennen, dat Gods woord getrouw is, hetwelk ons leert: »dat geregtigheid een volk verhoogt, en zonde de schandvlek der natiën is", en: »dat de godzaligheid tot alle dingen nut is, hebbende de belofte zoowel des tegenwoordigen als des toekomenden levens."
Bij het einde van dit thans behandelde tijdvak was het droevig in Suriname gesteld; de kolonie was haren ondergang nabij;--dan de komst van Cornelis Aerssens, heer van Sommelsdijk, zou eene groote verandering te weeg brengen; hij mag dus wel als de tweede stichter, als de grondvester van wat Suriname toch, niettegenstaande vele ongunstige omstandigheden, nog werd, beschouwd worden. Van dien tijd af kunnen wij ook de geschiedenis beter en geregelder nagaan; ofschoon er nog steeds verscheidene leemten in over moeten blijven.
DERDE TIJDVAK.
VAN 1683 TOT 1804.
EERSTE HOOFDSTUK.
Van de komst van van Sommelsdijk (1683) tot den inval van Cassard (1712.)
De man, die bestemd was om eene verandering ten goede, om in den bij het einde van het vorig tijdvak geschetsten ellendigen toestand van Suriname heilzame verbeteringen te brengen, maakte zich tot zijn vertrek gereed, niettegenstaande vele vrienden, o. a. ook prins Willem III, het hem ten sterkste afraadden. Hij scheepte zich den derden September 1683 in, en weldra kliefde het schip de baren, hetwelk hem naar Suriname zou voeren.
Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijk, Plaat, Bommel, Spijk, Sire en Marquis van Chatillon, Baron van Bernière in Basois, Kolonel van een regiment ruiterij, Gouverneur van Suriname, was de afstammeling van een niet slechts aanzienlijk en rijk, maar tevens verdienstelijk en achtingswaardig geslacht, welker leden het land in onderscheidene betrekkingen met eere gediend hadden. Onze Cornelis van Aerssen was in zijne jeugd opgevoed als page aan het hof van Willem II, die in zijnen vader een trouwen dienaar had; [42] hij was een speelmakker van Willem III, die steeds veel vriendschap voor hem koesterde. Reeds vroeg in de krijgsdienst getreden, gaf hij weldra blijken van moed en bekwaamheid, bij den veldtogt in 1672, in welken hij het bevel over eene compagnie ruiterij voerde, die te Maastricht in bezetting lag. Blonk zijne dapperheid aan het hoofd van zijn regiment uit, niet minder toonde hij zijne bekwaamheid bij verschillende moeijelijke zendingen.